Krishna
Dvaipâyana Vyâsa
De
Bhagavad-Gîtâ
Zoals Ze Is
Vertaling &
woord voor woord: S'rî S'rîmad A. C. Bhaktivedanta Swami
Prabhupâda
Stichter âcârya van de
Internationale Gemeenschap voor
Krishna-bewustzijn
Vertaald
door Sri Hayas'var das
Voor de purports was er
d.d. 14-4-05 nog geen digitale versie beschikbaar, zie
Engelse Versie online.
INHOUD:
Voorwoord
Inleiding
HOOFDSTUK 1: Het Slagveld van Kurukshetra
HOOFDSTUK 2: Samenvatting van de Gîtâ
HOOFDSTUK 3: Karma-yoga
HOOFDSTUK 4: Bovenzinnelijke kennis
HOOFDSTUK 5: Handelen in Krishna-bewustzijn
HOOFDSTUK 6: Dhyâna yoga
HOOFDSTUK 7: Kennis van het Absolute
HOOFDSTUK 8: Hoe men de Allerhoogste bereikt
HOOFDSTUK 9: De meest vertrouwelijke kennis
HOOFDSTUK 10: De volheid der absolute Waarheid
HOOFDSTUK 11: De uniVers ele Gedaante
HOOFDSTUK 12: Toegewijde dienst
HOOFDSTUK 13: Natuur, genieter en bewustzijn
HOOFDSTUK 14: De Drieërlei aard der stoffelijke natuur
HOOFDSTUK 15: De Allerhoogste Persoon
HOOFDSTUK 16: De Goddelijke en Demonische Aard
HOOFDSTUK 17: De vormen van geloof
HOOFDSTUK 18: De volmaakte verzaking
Opdracht
Opgedragen aan S'rîla Baladeva Vidyâbhushna om zijn Govinda bhâshya, het fraaie commentaar op de filosofie van de Vedânta
râja-didyâ râja-guhyam
pavitram idam uttamam
pratyakshâvagamam dharmyam
susukham kartum avyayam"Deze kennis is de bekroning van alle onderricht, het geheimste van alle geheimen. Het is de zuiverste kennis en omdat ze door realisatie rechtstreeks inzicht geeft in het zelf, is ze de vervolmaking der religie. Ze is onvergankelijk en wordt met vreugde toegepast." (B.g., IX.2)
De Geestelijke Erfopvolging
evam paramparâ-prâptam imam râjarshayo viduh
"Zo werd deze allerhoogste wetenschap van geestelijk leraar op leraar ontvangen, en zo ontvingen de heilige vorsten haar " (B.g., IV.2)
1) Krishna
2) Brahmâ
3) Nârada
4) Vyâsa
5) Madhva
6) Padmanâbha
7) Nrihari
8) Mâdhava
9) Akshobhya
10) Jayatîrtha
11) Jn'ânasindhu
12) Dayânidhi
13) Vidyânidhi
14) Râjendra
15) Jayadharma
16) Purushottama17) Brahmanyatîrtha
18) Vyâsatîrtha
19) Lakshmîpati
20) Mâdhavendra Purî
21) Îs'vara Purî, (Nityânanda, Advaita)
22) S'rî Caitanya Mahâprabhu
23) Rûpa, (Svarûpa, Sanâtana)
24) Raghunâtha, Jîva
25) Krishnadâsa
26) Narottama
27) Vis'vanâtha
28) (Baladeva) Jagannâtha
29) Bhaktivinoda
30) Gaurakis'ora
31) Bhaktisiddhanta Sarasvatî
32) S'rî S'rîmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda.
Oorspronkelijk schreef ik De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is in de vorm waarin de lezer haar thans voor zich heeft. Toen dit boek voor het eerst werd gepubliceerd, werd het oorspronkelijke manuscript helaas bekort tot minder dan 400 bladzijden, terwijl ook nog de illustraties en het kommentaar bij de meeste verzen van de oorspronkelijke Bhagavad- gîtâ werden weggelaten. In alle andere uitgaven van mijn hand - S'rîmad Bhâgavatam, S'rî Îs'opanishad enz. - heb ik het systeem gevolgd dat ik eerst het oorspronkelijke Vers in het Sanskrit geef, het overzet in westerse lettertekens, de Vers woord voor woord vertaal, dan een lopende vertaling geef en tenslotte het kommentaar. Dit toont het boek in zijn volledige echtheid, maakt het wetenschappelijk verantwoord en laat de betekenis voor zichzelf spreken. Ik was er dus beslist niet blij mee toen ik oorspronkelijke manuskript bekorten moest. Naderhand echter, toen de vraag naar De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is aanzienlijk toenam, verzochten tal van studenten en toegewijden me het boek in zijn oorspronkelijke vorm uit te geven. Zo beschikt de lezer thans over de oorspronkelijke Versie van dit grote boek van wijsheid met volledig paramparâ-kommentaar, zodat de beweging voor Krishna-bewustzijn op deze deugdelijker basis meer vrucht kan dragen.
Onze beweging voor Krishna-bewustzijn is zuiver, historisch gerechtvaardigd, natuurlijk en bovenzinnelijk, omdat ze gegrondvest is op De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is. Langzamerhand wordt ze de populairste beweging van de hele wereld, vooral bij de jongere generatie. Ook voor de oudere generatie wordt ze steeds boeiender. Het is zelfs zo, dat vaders en grootvaders van mijn leerlingen ons steunen door lid-voor-het-leven te worden van onze beweging, de Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn. In los Angeles kwamen veel ouders me opzoeken om uiting te geven aan hun gevoelens van dankbaarheid voor de leiding die ik in de hele wereld aan de beweging voor Krishna-bewustzijn geef. Sommige van ze zeiden dat de Amerikanen het bijzonder troffen dat ik de beweging voor Krishna-bewustzijn in Amerika ben begonnen. In feite echter is de oorspronkelijke vader van de beweging Heer Krishna Zelf, want ze is zeer lang geleden begonnen en bereikt de huidige menselijke samenleving via de lijn der geestelijke erfopvolging. Zo ik in deze verdienste heb, dank ik die niet aan mezelf, maar aan mijn eeuwige geestelijk leraar, Zijne Goddelijke Genade Om Vishnupâda Paramahamsa Parivrâjakâcârya 108 S'rî S'rîmad Bhaktisiddhânta Sarasvatî Gosvâmî Mahârâja Prabhupâda.
Komt mij persoonlijk enige verdienste toe, dan slechts omdat ik getracht heb de Bhagavad-gîtâ weer te geven zoals ze is - onvervalst. Vóór mijn publikatie van De Bhagavad-gîtâ Zols Ze Is kwamen vrijwel alle Engelse uitgaven van de Bhagavad-gîtâ tot stand uit eerbejag van de bezorger. Wat wij echter met de publikatie van De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is nastreven is: uiteenzetten wat de opdracht is van de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, Krishna. Ons werk bestaat uit het verkondigen van Krishna's wil - en niet van de wil van wereldse theoretici zoals politici, filosofen of wetenschappelijk onderzoekers, want in weerwil van al hun kennis hebben ze maar heel weinig weet van Krishna. Wanneer Krishna zegt: man-manâ bhava mad-bhakto mad yâjî mâm namaskuru enz. ("Denk onafgebroken aan Me, bewijs Me eer en aanbid Me"), zeggen we, in tegenstelling tot de zogenaamde geleerden, dat er geen verschil bestaat tussen Krishna en Zijn innerlijk. Krishna is absoluut en er bestaat geen verschil tussen Krishna's naam, Krishna's gedaante, Krishna's eigenschappen, Krishna's spel enz. Deze absolute staat van Krishna is moeilijk te bevatten voor iemand die geen toegewijde van Krishna is binnen het systeem van de paramparâ (erfopvolging der geestelijk leraren). Over het algemeen trachten de zogenaamde geleerden, politici, filosofen en svâmî's, die geen volmaakte kennis van Krishna hebben, bij het schrijven van hun Bhagavad-gîtâ-kommentaar Krishna te verjagen of te doden. Dit soort onheuse bejegening van de Bhagavad-gîtâ staat bekend als Mâyâvâdî-Bhâsya en Heer Caitanya heeft ons voor dergelijke pseudo-autoriteiten gewaarschuwd. Heer Caitanya zegt op niet mis te Vers tane wijze dat ieder die de Bhagavad-gîtâ vanuit de gezichtshoek van de Mâyâvâdî's probeert te bekijken, zich jammerlijk vergist. Het gevolg hiervan is namelijk dat de misleide onderzoeker beslist het spoor bijster raakt op de weg naar zijn geestelijke zelfverwerkelijking en niet zal kunnen terugkeren naar huis, terug naar God.
Het enige wat we met de uitgave van De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is beogen is de gekonditioneerde zoeker naar hetzelfde doel te leiden waartoe Krishna eenmaal per dag van Brahmâ - eens in de 8.600.000.000 jaar - afdaalt naar deze planeet. Dit doel wordt in de Bhagavad-gîtâ vermeld, en we dienen het te aanvaarden zoals het geschreven staat; anders heeft het geen zin te trachten de Bhagavad-gîtâ of haar spreker, Heer Krishna, te begrijpen. Heer Krishna sprak de Bhagavad-gîtâ het eerst, enkele honderden miljoenen jaren geleden, tot de zonnegod. We dienen dit gewoon als feit te aanvaarden en op deze manier, zonder enige vorm van interpretatie, de historische betekenis van de Bhagavad-gîtâ te begrijpen op gezag van Krishna. Uitleg geven aan de Bhagavad-gîtâ zonder verwijzing naar 's Heren wil is de ernstigste overtreding die er bestaat. teneinde zich voor deze misstap te behoeden, dient men te begrijpen dat de Heer de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid is, zoals Arjuna, Heer Krishna's eerste discipel, zonder meer inzag. Deze rechtzinnige opvatting van de Bhagavad-gîtâ is reëel bevorderlijk voor het welzijn van de menselijke samenleving bij het vervullen van haar levensopdracht.
De beweging voor Krishna-bewustzijn is van essentieel belang voor de menselijke samenleving, omdat ze de mogelijkheid biedt op te stijgen tot de hoogste volmaaktheid des levens. De Bhagavad-gîtâ maakt volledig duidelijk hoe dit in zijn werk gaat. Helaas zijn er wereldsgezinde ruziemakers die de Bhagavad-gîtâ te baat hebben genomen om hun demonische neigingen bot te vieren en de mensen tot een onjuist inzicht te leiden aangaande de eenvoudigste levensbeginselen. Iedereen behoort te weten op welke wijze God of Krishna groot is en iedereen behoort te weten wat de werkelijke relatie van de levende wezens tot de Heer is. Iedereen behoort te weten dat een levens wezen eeuwig dienaar is en dat, indien men Krishna niet dient, men wel gedwongen is de illusie te dienen, al naar gelang de begoochelingen voortvloeiend uit de drieërlei aard der stoffelijke natuur, en dat men op deze manier onophoudelijk blijft rondwaren in de kringloop van geboorte en dood; ook de zogenaamd 'verloste' Mâyâvâdî-theoreticus moet dit proces ondergaan.
Doorgaans voelen de mensen, met name in het huidige Kali-tijdperk, zich bekoord door de uitwendige energie van Krishna en denken ze ten onrechte dat iedereen gelukkig kan zijn als men er materieel maar gerieflijk bij zit. Ze beseffen niet dat de materiële of uitwendige natuur bijzonder sterk is, want iedereen is hecht Vers trikt in de strenge wetten van de materiële natuur. Geluukig maakt elk levens wezen integraal deel uit van de Heer en uit dien hoofde is het zijn vanzelfsprekende taak dat het de Heer zonder omwegen dient. In de ban der illusie tracht men zijn geluk te zoeken in allerlei vormen van zinsbevrediging, waar geen geluk te vinden is. In plaats van de eigen, stoffelijke zinnen te bevredigen, dient het levend wezen de zinnen van de Heer te bevredigen. Dit is de hoogste volmaaktheid des levens. De Heer wil het zo en Hij eist het. Men dient deze centrale boodschap van de Bhagavad-gîtâ te begrijpen. Onze beweging voor Krishna-bewustzijn draagt deze boodschap in de hele wereld uit en aangezien we de leer van De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is ongerept laten, moet een ieder die serieus heil zoekt in het bestuderen van de Bhagavad-gîtâ de hulp aanvaarden van de beweging voor Krishna-bewustzijn bij het praktisch onderzoek van De Bhagavad-gîtâ Zoals Ze Is in de hier aangeboden vorm het hoogste goed zal verwerven, en al zou hierdoor slechts één mens een zuivere toegewijde worden van de Heer, dan zullen we ons streven als geslaagd beschouwen.
A.C. Bhaktivedanta Svâmî
12 mei 1971
Sydney, Australië
Inleiding (Engels: zie een Gîtâ-as-it-is Download)
om ajn'âna-timirândhasya jn'ânân'jana-s'alâkayâ
cakhsur unmîlitam yena tasmai s'rî-gurave namahs'rî-caitanya-mano 'bhîshtham sthâpitam yena bhû-tale
svayam rûpah kadâ mahyam dadâti sva-padântikamIk werd geboren in het diepste duister der onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de fakkel der kennis. Ik buig me eerbiedig voor hem neer.
Wanneer zal S'rîla Rûpa Gosvâmî Prabhupâda, die ons binnen deze stoffelijke wereld tot opdracht heeft gesteld de wens van Heer Caitanya te vervullen, - wanneer zal hij me beschutten onder zijn lotusvoeten?
vande 'ham s'rî-guroh s'rî-yuta-pada-kamalam s'rî-gurûn vaishnavâms' ca
s'rî-rûpam sâgrajâtam saha-gana-raghunâthânvitam tam sa-jîvam
sâdvaitam sâvadhûtam parijana-sahitam krishna-caitanya-devam
s'rî-râdhâ-krishna-pâdân saha-gana-lalitâ-s'rî-vis'âkhânvitâms' caIk buig me eerbiedig neer voor de lotusvoeten van mijn geestelijk leraar en voor de voeten van alle Vaishnava's. Ik buig me eerbiedig neer voor de lotusvoeten van S'rîla Rûpa Gosvâmî en van zijn oudere broer Sanâtana Gosvâmî en van Raghunâtha Dâsa en Raghunâtha Bhaththa, Gopâla Bhaththa enS'rîla Jîva Gosvâmî. Ik buig me eerbiedig neer voor Heer Krishna Caitanya en Heer Nityânanda en voor Advaita Âcârya, Gadâdhara, S'rîvâsa en andere metgezellen. Ik buig me eerbiedig neer voor S'rîmatî Râdhârânî en S'rî Krishna en Hun metgezellen, S'rî Lalitâ en Vis'âkhâ.
he krishna karunâ-sindho dîna-bandho jagat-pate
gopes'a gopikâ-kânta râdhâ-kânta namo 'stu teO mijn lieve Krishna, U bent de vriend van de verdrukten en de oorsprong der schepping. U bent de meester van de gopî's en de minnaar van Râdhârânî. Ik buig me eerbiedig voor U neer.
tapta-kân'cana-gaurângi râdhe vrindâvanes'vari
vrishabhânu-sute devi pranamâmi hari-priyeIk breng mijn eerbetuigingen aan Râdhârânî, wier huid is als gesmolten goud en die de Vorstin is van Vrindâvana. U bent de dochter van Koning Vrishabhâna en U bent Heer Krishna heel dierbaar.
vân'châ-kalpatarubhyas' ca kripâ-sindhubhya eva ca
patitânâm pâvanebhyo vaishnavebhyo namo namahIk buig me eerbiedig neer voor alle Vaishnava-toegewijden van de Heer, die ieders wensen in vervulling kunnen laten gaan, zoals wensbomen dat kunnen, en die vol mededogen zijn voor de gevallen zielen.
s'rî-krishna caitanya prabhu nityânanda
s'rî advaita gadâdhara s'rîvâsadi-gaura-bhakta-vrindaIk buig me neer voor S'rî Krishna Caitanya, Prabhu Nityânanda, S'rî Advaita, Gadâdhara, S'rîvâsa en alle anderen in de rij der toegewijden.
hare krishna hare krishna, krishna krishna hare hare
hare râma hare râma, râma râma hare hare.De Bhagavad gîtâ wordt ook wel Gîtopanishad genoemd. Ze is de kern der Vedische kennis en een van de belangrijkste Upanisads van de Vedische literatuur. Er bestaan uiteraard al tal van kommentaren in de westerse talen op de Bhagavad gîtâ en men kan zich afvragen waarom er nog een bij moet. Het verschijnen van deze uitgave kan als volgt worden verklaard. Onlangs vroeg een Amerikaanse dame me haar een Engelse vertaling van de Bhagavad gîtâ aan te bevelen. Nu zijn er in Amerika zeer veel uitgaven van de Bhagavad gîtâ beschikbaar, maar voor zo ver ik gezien heb, zowel in Amerika als in India, kan van geen ervan zonder meer worden gezegd dat hij gezag heeft, omdat in bijna alle uitgaven de bezorger zijn eigen mening heeft weergegeven zonder door te dringen tot het wezen van de Bhagavad gîtâ zoals ze is.
Het wezen van de Bhagavad gîtâ spreekt uit de tekst van de Bhagavad gîtâ zelf. Om een voorbeeld te geven: willen we een bepaald geneesmiddel gebruiken, dan moeten we de aanwijzingen volgen die op het etiket staan. We kunnen het niet zomaar innemen, of volgens de aanwijzingen van een vriend. Het moet worden gebruikt volgens de aanwijzingen op het etiket of volgens de aanwijzingen van een arts. Evenzo moet de Bhagavad gîtâ worden gebruikt of ter harte genomen volgens de aanwijzingen van de spreker zelf. De Bhagavad gîtâ wordt gesproken door Heer S'rî Krishna. Op elke bladzij van de Bhagavad gîtâ wordt Hij aangeduid als de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, Bhagavân. Nu is het inderdaad wel zo dat het woord bhagavân op iedere machthebber of op iedere machtige halfgod betrekking kan hebben, en met bhagavân wordt Heer S'rî Krishna dan ook beslist als een hooggeplaatste persoonlijkheid aangeduid; maar terzelfdertijd dienen we te beseffen dat Heer S'rî Krishna de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid is, hetgeen bevestigd wordt door alle grote âcârya's (geestelijk leraren), zoals S'ankarâcârya, Râmânujâcârya, Madhvâcârya, Nimbârka Svâmî, S'rî Caitanya Mahâprabhu en vele andere autoriteiten op het gebied der Vedische kennis in India. Ook de Heer Zelf maakt Zich in de Bhagavad gîtâ kenbaar als Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid en als zodanig wordt Hij ook aanvaard in de Brahma-samhitâ en alle Purâna's, met name in het S'rîmad-Bhâgavatam, dat we kennen als de Bhâgavata Purâna (Krishnas tu bhagavân svayam). Derhalve dienen we de Bhagavad gîtâ te aanvaarden volgens de aanwijzingen van de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid.
In Hoofdstuk Vier van de Gîtâ zegt de Heer:
s'rî bhagavân uvâca
imam vivasvate yogam
proktavân aham avyayam
vivasvân manave prâha
manur ikshvâkave 'bravîtevam paramparâ-prâptam
imam râjarshayo viduh
sa kâleneha mahatâ
yogo nashthah parantapasa evâyam mayâ te 'dya
yogah proktah purâtanah
bhakto 'si me sakhâ ceti
rahasyam hy etad uttamamHier zegt de Heer tot Arjuna dat het onderhavige yoga-systeem, de Bhagavad-gîtâ, allereerst werd overgeleverd aan de zonnegod en dat de zonnegod het uitlegde aan Manu, dat Manu het uitlegde aan Ikshvâku - en dat het zo van de ene spreker op de volgende, van leerling op leerling doorgegeven is. Maar in de loop der tijd is het verloren geraakt. Als gevolg hiervan moet de Heer het opnieuw uiteenzetten, ditmaal aan Arjuna op het Slagveld van Kurukshetra.
Hij zegt Arjuna dat Hij hem dit allerhoogste geheim toevertrouwt omdat hij Zijn toegewijde en Zijn vriend is. Dit wil zeggen dat de Bhagavad-gîtâ een verhandeling is die vooral bedoeld is voor de toegewijde van de Heer. Er zijn drie typen van geestelijk leven, namelijk dat van de jn'ânî, de yogî en de bhakta - of van degeen die in een niet als persoon bestaand God gelooft, van degeen die meditatie beoefent en van de vrome toegewijde. De Heer verklaart Arjuna hier onomwonden dat Hij hem tot eerste erfgenaam maakt van een nieuwe paramparâ (geestelijke erfopvolging), omdat de vorige erfopvolging verbroken was. Het was dus 's Heren wens dat er een nieuwe paramparâ werd ingesteld volgens dezelfde gedachtenlijn die van de zonnegod naar anderen doorliep en het was Zijn wens dat Zijn onderricht door Arjuna opnieuw zou worden verbreid. Hij wilde dat Arjuna de Bhagavad-gîtâ door en door begreep. Zo zien we dat de Bhagavad-gîtâ juist aan Arjuna wordt onderwezen, omdat Arjuna een toegewijde was van de Heer, een rechtstreekse leerling van Krishna en Zijn boezemvriend. De Bhagavad-gîtâ kan dan ook het best worden begrepen door iemand wiens eigenschappen die van Arjuna benaderen. Dit houdt in dat men een rechtstreekse toegewijde van de Heer moet zijn. Zodra men een toegewijde van de Heer wordt, staat men ook rechtstreeks met Hem in kontakt. Dit is een erg ingewikkeld onderwerp, maar voorlopig kan er in het kort van worden gezegd dat een toegewijde met de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid in kontakt kan staan in een van de vijf volgende relaties:
1. Men kan een toegewijde zijn in passieve staat;
2. Men kan een toegewijde zijn in aktieve staat;
3. Men kan een toegewijde zijn in in vriendschap;
4. Men kan een toegewijde zijn als ouder;
5. Men kan een toegewijde zijn in echtelijke liefde.Arjuna stond met de Heer in kontakt als vriend. Er is natuurlijk een verschil van hemel en aarde tussen deze vriendschap en de vriendschap die men in de stoffelijke wereld aantreft. Het betreft hier een bovenzinnelijke vriendschap, die niet iedereen beleven kan. Uiteraard heeft iedereen zijn eigen relatie met de Heer en deze relatie is inniger naarmate men Hem trouwer dient. In onze huidige levensstaat echter zijn we niet alleen de Allerhoogste Heer vergeten, maar ook onze eeuwige band met de Heer. Elk afzonderlijk levend wezen van de vele, vele biljoenen en triljoenen levende wezens heeft zijn eigen relatie met de Heer in alle eeuwigheid. Men noemt deze relatie svarûpa. Door toegewijde dienst aan de Heer kan men deze svarûpa weer opwekken, in welk geval men dan van svarûpa-siddhi spreekt - volkomen verwezenlijking van de basis-relatie met de Heer.
We dienen er acht op te slaan hoe Arjuna deze Bhagavad-gîtâ ontving. In Hoofdstuk Tien staat beschreven hoe hij haar aanvaardde.
arjuna uvâca
param brahma param dhâma
pavitram paramam bhavân
purusham s'âs'vatam divyam
âdi-devam ajam vibhumâhus tvâm rishayah sarve
devarshir nâradas tathâ
asito devalo vyâsah
svayam caiva bravîshi mesarvam etad ritam manye
yan mâm vadasi kes'ava
na hi te bhagavan vyaktim
vidur devâ na dânavâh"Arjuna zei: Jij bent het Allerhoogste Brahman, de diepste grond, de allerhoogste woning en loutering, de Absolute Waarheid en de eeuwige goddelijke Persoon. Jij bent de oer-God, bovenzinnelijk en oorspronkelijk, en Je bent de beginloze en alles-doordringende schoonheid. Alle grote wijzen, zoals Nârada, Asita, Devala en Vyâsa, verkondigen dit van Je en verklaar Je het me Zelf. O Krishna, alles wat Je me gezegd hebt aanvaard ik volkomen als waar. Noch de goden, noch demonen, O Heer, kennen Je persoonlijkheid." (Bg. 10: 12-14.)
Nadat Arjuna de Bhagavad-gîtâ van de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid vernomen had, aanvaardde hij Krishna als Param Brahma, het Allerhoogste Brahman. Ieder levend wezen is Brahman, maar het hoogste levend wezen, of de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, is het Allerhoogste Brahman. Param dhâma betekent dat Hij de allerhoogste rust- of woonplaats is van alles: pavitram betekent dat Hij zuiver is, niet door materiële besmetting aangetast; purusham betekent dat Hij de allerhoogste genieter is, divyam transcendentaal of bovenzinnelijk, âdi-devam de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ajam de ongeborene of beginloze en vibhum de grootste, alles-doordringende.
Nu zou men kunnen denken dat omdat Krishna de vriend van Arjuna was, Arjuna Hem dit allemaal zei bij wijze van vleierij; maar om eventuele argwaan hierover bij de lezer weg te nemen, ruggesteunt Arjuna zijn lofuitingen met het tweede vers, waarin hij zegt dat Krishna niet alleen door hém als Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid wordt aanvaard, maar ook door autoriteiten als de wijze Nârada, Asita, Devala, Vyâsadeva enz. Dit zijn allen grote persoonlijkheden, die de Vedische kennis verbreiden volgens de opvatting van de grote âcârya's. Daarom zegt Arjuna dat hij alles wat Krishna zegt aksepteert als volkomen volmaakt. Sarvam etad ritam manye: "Ik aanvaard alles wat Je zegt als waar." Arjuna zegt ook dat de persoonlijkheid van de Heer bijzonder moeilijk te begrijpen is en dat zelfs de grote halfgoden Hem niet kunnen kennen. Dit betekent dat de Heer zelfs niet kan worden gekend door persoonlijkheden die groter zijn dan menselijke wezens. Hoe kan dus een menselijk wezen Krishna begrijpen zonder zijn toegewijde te worden?
De Bhagavad-gîtâ moet derhalve worden gelezen met een toegewijd hart. Men mag niet denken dat men gelijk aan Krishna is en ook niet dat Krishna een normale persoonlijkheid of eventueel een zeer grote persoonlijkheid is. Heer S'rî Krishna is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, theoretisch althans, volgens de verklaringen van de Bhagavad-gîtâ of van Arjuna, degeen die de Bhagavad-gîtâ tracht te begrijpen. We behoren dus in elk geval theorétisch te aanvaarden dat S'rî Krishna de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid is en vanuit deze deemoedige houding kunnen we de Bhagavad-gîtâ doorgronden. Tenzij men de Bhagavad-gîtâ deemoedig leest, is het uiterst moeilijk de Bhagavad-gîtâ te begrijpen, omdat ze een groot mysterie is.
Wat is de Bhagavad-gîtâ nu precies? Het doel van de Bhagavad-gîtâ is de mensheid te verlossen van de onwetendheid waarin ze door haar stoffelijk bestaan verkeert. Ieder mens is op velerlei wijzen in moeilijkheden, zoals ook Arjuna in moeilijkheden zat, omdat hij moest vechten op het Slagveld van Kurukshetra. Arjuna gaf zich over aan Krishna en derhalve werd deze Bhagavad-gîtâ gesproken. Niet alleen Arjuna, maar ieder van ons zit vol angsten vanwege dit stoffelijk bestaan. Dit bestaan heeft er veel van weg alsof het niet bestaat. In werkelijkheid echter is het geenszins de bedoeling dat we ophouden te bestaan. Ons bestaan is eeuwig. Maar op de een of andere manier zijn we in asat beland. Asat heeft betrekking op datgene wat niet bestaat.
Van de vele in leed verkerende menselijke wezens zijn er slechts enkele die zich werkelijk afvragen wat hun plaats is, wie ze zijn, waarom ze in deze netelige toestand zitten enz. Als men er niet toe komt zich terdege af te vragen waarom men lijdt, als men niet beseft dat men geen leed wil, maar liever een eind wil maken aan alle leed, kan men niet als een volmaakt menselijk wezen worden beschouwd. Onze menselijkheid begint juist waar deze vragen in onze geest oprijzen. In de Brahma-sûtra wordt deze vraagstelling brahma-jijjn'âsâ genoemd. Elke activiteit van het menselijk wezen dient als een mislukking te worden beschouwd, behalve wanneer het een onderzoek instelt naar de aard van het Absolute. Daarom zijn degenen die beginnen te onderzoeken waarom ze lijden en waar ze vandaan kwamen en waar ze na hun dood naar toe zullen gaan de geschikte personen om de Bhagavad-gîtâ te bestuderen. De oprechte onderzoeker behoort tevens eerbied te hebben voor de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid. Deze gewenste instelling had Arjuna.
Heer Krishna daalt speciaal op aarde neer om het werkelijke doel des levens te tonen wanneer de mens dit doel uit het oog verliest. Van de vele, vele menselijke wezens die ontwaken echter is er misschien maar één die zijn situatie werkelijk doorgrondt - en voor hem wordt deze Bhagavad-gîtâ gesproken. De tijger der onwetendheid zit ons allen voortdurend op de hielen, maar de Heer is de levende wezens, vooral de menselijke wezens, bijzonder genadig. Daarom sprak Hij de Bhagavad-gîtâ en maakte Hij Arjuna tot Zijn leerling.
Als vriend van Heer Krishna was Arjuna boven alle onwetendheid verheven, maar op het Slagveld van Kurukshetra werd hij in onwetendheid gedompeld ten einde de Heer te kunnen ondervragen aangaande de problemen van het bestaan, zodat Heer Krishna hem kon antwoorden ten bate van de komende geslachten van menselijke wezens en hem het goddelijke levens-plan kon uitleggen. Dan zou de mens dienovereenkomstig kunnen handelen en de opdracht van het menselijk bestaan volmaakt kunnen uitvoeren.
Het in de Bhagavad-gîtâ besprokene behelst dat men een juist begrip dient te hebben aangaande vijf elementaire waarheden. Allereerst wordt de Gods-wetenschap uiteengezet en vervolgens de fundamentele positie van de levende wezens, de jîva's. Er is een îs'vara, wat leider of bestuurder betekent, en er zijn jîva's, de levende wezens die bestuurd worden. Beweert een levend wezen dat het niet bestuurd wordt, maar vrij is, dan is het krankzinnig. Het levend wezen wordt in alle opzichten bestuurd, althans in zijn gekonditioneerd bestaan. In de Bhagavad-gîtâ worden dus de îs'vara, de allerhoogste leider, en de jîva's, de geleide wezens, behandeld. Tevens worden besproken prakriti (de stoffelijke natuur), tijd (de bestaansduur van het gehele universum of de openbaring van de stoffelijke natuur) en karma (aktiviteit). De kosmische openbaring is vervuld van uiteenlopende aktiviteit. Alle levende wezens zijn betrokken bij verschillende aktiviteiten. Uit de Bhagavad-gîtâ moeten we leren wat God is, wat de levende wezens zijn, wat prakriti is, wat de kosmische openbaring is en hoe ze bestuurd wordt door de tijd en wat de aktiviteiten van de levende wezens zijn.
Van deze vijf fundamentele onderwerpen in de Bhagavad-gîtâ wordt vastgesteld dat de Opperheer of Krishna of Brahman of de allerhoogste leider of Paramâtmâ, het doet er niet toe welke naam men gebruikt - de grootste van alle is. De levende wezens zijn alleen kwálitatief gelijk aan de allerhoogste leider. Zo heeft de Heer de leiding over kosmische zaken, over de stoffelijke natuur enz., zoals meer aan het eind van de Bhagavad-gîtâ wordt uitgelegd. De stoffelijke natuur is niet onafhankelijk. Ze gedraagt zich naar de richtlijnen van de Opperheer, zoals Heer Krishna zegt: "Prakriti werkt onder Mijn leiding." Wanneer we fantastische dingen zien gebeuren in de kosmische natuur, dienen we te weten dat er achter deze kosmische openbaring een leider schuilt. Niets kan zonder leiding worden geopenbaard. Het is naïef te denken dat er geen bestuurder is. Een kind kan bijvoorbeeld denken dat een auto een geweldig ding is, omdat hij rijdt zonder door een paard of een ander dier getrokken te worden, maar iemand bij zijn volle verstand weet hoe de auto met alles erop en eraan in elkaar zit. Hij weet dat er achter de hele machinerie een mens zit, een bestuurder. Evenzo is de Opperheer een bestuurder, onder wiens leiding alles reilt en zeilt. De jîva's nu, de levende wezens, worden door de Heer, zoals we verderop in de Gîtâ zullen zien, als volkomen deeltjes van Hemzelf beschouwd.
Een korreltje goud blijft goud, één druppel uit de oceaan blijft zout en op dezelfde manier hebben wij, de levende wezens, de integrerende deeltjes van de allerhoogste leider, îs'vara, Bhagavân of Heer Krishna, álle eigenschappen van de Heer in uiterst geringe omvang, omdat we uiterst geringe îs'vara's zijn, ondergeschikte îs'vara's. We trachten de natuur, kompleet met ruimte en planeten, te bestuderen; we hebben deze neiging tot besturen omdat Heer Krishna zo is. Maar al hebben we de neiging om de baas te spelen over de stoffelijke natuur, toch behoren we te weten dat we niet de allerhoogste leider zijn. Dit wordt in de Bhagavad-gîtâ uiteengezet.
Wat is de stoffelijke of materiële natuur? Ze wordt in de Gîtâ ook aangeduid als lagere prakriti, lagere natuur. Het levend wezen wordt bestempeld als hogere prakriti. Of prakriti nu hoger of lager is, ze wordt altijd geleid of bestuurd. Prakriti is vrouwelijk en ze wordt door de Heer geleid, zoals de verrichtingen van een vrouw onder toezicht staan van haar man. Prakriti is altijd ondergeschikt, overheerst door de Heer, die de overheerser is. De levende wezens en de stoffelijke natuur worden beide overheerst en bestuurd door de Allerhoogste Heer. Volgens de Gîtâ dienen de levende wezens, hoewel ze integrerende deeltjes zijn van de Allerhoogste Heer, te worden beschouwd als prakriti. Dit wordt duidelijk vermeld in Hoofdstuk Zeven, vers vijf van de Bhagavad-gîtâ: "Apareyam itas tv anyâm." "Deze prakriti is Mijn lagere natuur." "Prakritim viddhi me parâm jîva-bhûtâm mahâ-bâho yayedam dhâryate jagat." "En daarboven is er nog een prakriti: jîva-bhûtam, het levende wezen."
Prakriti zelf heeft drieërlei aard; ze is samengesteld uit de geaardheden goedheid, hartstocht en onwetendheid. Boven deze drie geaardheden verwijlt de eeuwige tijd - en door menging van deze geaardheden der natuur en onder leiding en bereik van de eeuwige tijd ontwikkelen zich aktiviteiten, die karma worden genoemd. Deze aktiviteiten voltrekken zich sinds onheuglijke tijden en we plukken er de wrange dan wel zoete vruchten van. Laten we bijvoorbeeld zeggen dat ik zakenman ben en dat ik door hard en intelligent werken een aardig banksaldo heb vergaard. Dan pluk ik zoete vruchten. Heb ik echter al mijn geld bij het zaken doen verloren, dan zijn de vruchten wrang. Op dezelfde manier plukken we op ieder levensgebied de zoete of wrange vruchten van ons werk. Dit wordt karma genoemd.
Îs'vara (de Allerhoogste Heer), jîva (het levend wezen), prakriti (de natuur), de eeuwige tijd en karma (aktiviteiten) worden alle in de Bhagavad-gîtâ nader verklaard. Van deze vijf zijn de Heer, de levende wezens, de stoffelijke natuur en de tijd eeuwig. De openbaring van prakriti is weliswaar van voorbijgaande duur, maar ze is niet onwerkelijk. Sommige filosofen stellen dat de openbaring van de stoffelijke natuur schijn of onwerkelijk is, maar volgens de filosofie van de Bhagavad-gîtâ of volgens de filosofie van de Vaishnava's is dit onjuist. De openbaring van de wereld wordt geenszins als onwerkelijk beschouwd; ze wordt beschouwd als werkelijk, maar van voorbijgaande aard. Ze wordt vergeleken met een wolk die door het luchtruim zweeft of met de komst van de regentijd, die het veldgewas voedt. Zodra de regentijd voorbij is en de wolk verdwijnt, zal al het gewas, dat door de regen gevoed werd, verdrogen. Op eendere wijze voltrekt zich op gezette tijden de stoffelijke openbaring - ze is er even en verdwijnt. Zo gaat prakriti te werk. Maar deze kringloop op zichzelf is eeuwig. Daarom is prakriti eeuwig; ze is niet onwerkelijk. De Heer noemt haar "Mijn prakriti". Deze stoffelijke natuur is de afgescheiden energie van de Opper-Heer; evenzo zijn de levende wezens energie van de Opperheer, maar niet afgescheiden. Ze zijn eeuwig met hem verbonden. Dus de Heer, het levend wezen, de stoffelijke natuur en de tijd staan alle onderling met elkaar in verband en ze zijn alle eeuwig. Alleen karma is niet eeuwig. Karma-effekten kunnen van zeer lang geleden dateren. We plukken de wrange of zoete vruchten van aktiviteiten van onheuglijk lang terug. We kunnen echter de gevolgen van ons karma of onze aktiviteit veranderen, al naar gelang de volmaaktheid van onze kennis. We zijn verwikkeld in uiteenlopende aktiviteiten. We tasten echter volledig in het duister aangaande het type aktiviteit dat we dienen te ontplooien om verlichting te krijgen van de akties en reakties van al deze aktiviteit, maar ook dienaangaande geeft de Bhagavad-gîtâ ons tekst en uitleg.
De Îs'vara zetelt in het allerhoogste bewustzijn. De jîva's of levende wezens, die volkomen deeltjes zijn van de Opperheer, hebben eveneens bewustzijn. Zowel het levend wezen als de stoffelijke natuur wordt aangeduid als prakriti, de energie van de Allerhoogste, maar een van beide, de jîva, heeft bewustzijn. Dat is het verschil. Daarom wordt de jîva prakriti hoger genoemd, omdat de jîva bewustzijn heeft, zoals de Heer Zijn bewustzijn heeft. De Heer echter heeft het allerhoogste bewustzijn en men mag niet beweren dat ook de jîva, het levende wezen, dit allerhoogste bewustzijn heeft. Het levend wezen kan in geen enkele fase van zijn ontwikkelingsgang naar de volmaaktheid het allerhoogste bewustzijn deelachtig zijn; theorieën die zeggen dat dit wél kan, zijn misleidend. Al bezit het levend wezen bewustzijn, het kan nooit het allerhoogste of volmaakte bewustzijn bezitten.
Het verschil tussen jîva en îs'vara zal worden uitgelegd in Hoofdstuk Dertien van de Bhagavad-gîtâ. De Heer is kshetra-jn'ah, bewust, evenals het levend wezen, maar het levend wezen is zich alleen bewust van zijn eigen lichaam, terwijl de Heer Zich van alle lichamen bewust is. Hij woont immers in het hart van ieder levend wezen. Hij is Zich bewust van de psychische aktiviteit van alle jîva's afzonderlijk. Dit moeten we goed in het oog houden. Hetzelfde kan ook als volgt worden uitgelegd. Paramâtmâ, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, woont in ieders hart als îs'vara, als bestuurder, en Hij geeft het levend wezen aanwijzingen hoe het kan handelen zoals het begeert. Het levend wezen vergeet telkens wat het doen moet.Eerst besluit het om op een bepaalde manier te handelen en dan raakt het verstrikt in de daden en reakties van zijn eigen karma. Nadat het 't ene type lichaam verlaten heeft, gaat het een ander type lichaam binnen, ongeveer zoals we oude kleren uit- en nieuwe aandoen. Terwijl de ziel zo van het ene lichaam naar het andere verhuist, blijven haar de akties en reakties van haar vroegere aktiviteiten aankleven. Deze aktiviteiten kunnen worden veranderd wanneer het levend wezen zich aan hartstocht en onwetendheid onttrekt en postvat in de derde geaardheid van de drieërlei geaarde stoffelijke natuur: in goedheid. In goedheid vertoevend kan het begrijpen wat voor aktiviteiten het dient te ontwikkelen. Ontplooit het de juiste aktiviteit, dan kunnen alle akties en reakties van zijn vroegere aktiviteiten worden veranderd. Hieruit blijkt dat karma niet eeuwig is. Daarom zeiden we dat er van de vijf punten (îs'vara, jîva, prakriti, tijd en karma) vier eeuwig zijn, terwijl karma niet eeuwig is.
De volmaakt bewuste îs'vara is als volgt gelijk aan het levend wezen: zowel het bewustzijn van de Heer als dat van het levend wezen is transcendentaal of bovenzinnelijk. Het is onjuist te denken dat bewustzijn ontstaat bij een bepaalde wijze van rangschikking of menging van de stof. De theorie dat er zich bewustzijn ontwikkelt wanneer de stof daartoe onder bepaalde omstandigheden gerangschikt raakt, wordt in de Bhagavad-gîtâ niet aanvaard. Door de sluier der stoffelijke omstandigheden hen kan er een valse weerschijn van bewustzijn zichtbaar zijn, zoals licht dat door gekleurd glas valt een bepaalde kleur lijkt te hebben, maar 's Heren bewustzijn is van materiële invloed vrij: mayâdhyakshena prakritih, zegt Heer Krishna. Wanneer Hij neerdaalt in het stoffelijk heelal, wordt Zijn bewustzijn niet door de stof beïnvloed, dan zou Hij niet in staat zijn over bovenzinnelijke zaken te spreken zoals in de Bhagavad-gîtâ. Men kan niets over de bovenzinnelijke wereld zeggen als zijn bewustzijn niet van stoffelijke smetten vrij is. De Heer is dus niet door de stof besmet. Ons bewustzijn is op het ogenblik wel degelijk materieel besmet. De Bhagavad-gîtâ leert ons hoe we dit stoffelijk besmet bewustzijn dienen te louteren. Is ons bewustzijn geheel gezuiverd, dan richten onze daden zich vanzelf feilloos naar 's Heren wil - en dit maakt ons gelukkig. Dit betekent niet dat we alle aktiviteiten kunnen laten varen. We dienen ze veeleer te zuiveren; gelouterde aktiviteit wordt bhakti genoemd. Bhakti-aktiviteit lijkt op gewone aktiviteit, maar is onbesmet. In de ogen van iemand zonder inzicht kan een toegewijde die zijn werk doet alles weg hebben van een gewoon mens, maar zo iemand met zijn schamel beetje kennis weet niet dat de aktiviteiten van een toegewijde van de Heer niet door onzuiver bewustzijn of door de stof besmet zijn. Zijn verrichtingen zijn transcendentaal aan, of los van, de drieërlei aard der stoffelijke natuur. We dienen echter te beseffen dat ons bewustzijn nú nog besmet is.
Zolang we door de stof besmet zijn, heten we gebonden of gekonditioneerd. In deze gekonditioneerde staat spreiden we een vals bewustzijn tentoon als gevolg van het waandenkbeeld dat we uitsluitend aan de materiële natuur zijn ontsproten. Dit onjuiste bewustzijn wordt het vermeend of vals ego genoemd. Iemand die geheel aan deze lichamelijk-stoffelijke opvatting vastzit, kan niet doorgronden wat zijn wezenlijke situatie is. De Bhagavad-gîtâ werd gesproken om ons van deze lichamelijke zelfbeschouwing te verlossen - en Arjuna stelde zich in onze plaats om dienaangaande kennis te ontvangen van de Heer. Men moet zich losmaken van de lichamelijk gebonden levensbeschouwing; dit is het eerste waarmee de transcendentalist zich bezig dient te houden. Wie vrij wil worden, wie verlost wil zijn, moet in de eerste plaats leren dat hij niet dit stoffelijk lichaam is. Mukti of bevrijding betekent vrij zijn van het materieel besmet bewustzijn. In het S'rîmad-Bhâgavatam wordt ook gedefinieerd wat verlossing inhoudt: mukti betekent bevrijding van het besmet bewustzijn van deze stoffelijke wereld en verwijlen in gelouterd bewustzijn. Alle aanwijzingen in de Bhagavad-gîtâ zijn bedoeld om dit zuivere bewustzijn te wekken en daarom zien we dan ook aan het eind van de aanwijzingen van de Gîtâ dat Krishna aan Arjuna vraagt of hij nu in een gelouterde bewustzijnstoestand verkeert. Een gelouterd bewustzijn houdt in dat men geheel volgens de aanwijzingen van de Heer handelt. Een gelouterd bewustzijn is niets anders dan dat. We hebben ons bewustzijn al, omdat we volkomen deel zijn van de Heer, maar we hebben sterk de neiging ons te laten beïnvloeden door de drieërlei aard der lagere natuur. Maar de Heer, die immers de Allerhoogste is, wordt nooit beïnvloed. Dat is het verschil tussen de Allerhoogste en de gebonden zielen.
Wat is dit bewustzijn? Dit bewustzijn is het gevoel van "ik ben" zoveel als "ik ben de baas van alles binnen mijn bereik - ik ben de genieter". De wereld draait, omdat ieder levend wezen denkt dat hij de heer en schepper is van de stoffelijke wereld. Het stoffelijk bewustzijn heeft twee psychische aspekten. Het ene is dat ik de schepper ben en het andere is dat ik de genieter ben. In feite echter is de Allerhoogste zowel de schepper als de genieter, en is het levend wezen, als volkomen deel van de Opperheer, noch de schepper, noch de genieter, maar een medewerker. Hij is het geschapene en het genotene. Een onderdeel van een machine bijvoorbeeld werkt met de hele machine mee; een lichaamsdeel werkt met het hele lichaam mee. De handen, voeten, ogen, benen enz. zijn alle onderdelen van het lichaam, maar het zijn niet de genieters. De feitelijke genieter is de maag. de benen bewegen, de handen reiken voedsel aan, de kiezen kauwen en alle lichaamsdelen zijn ermee bezig de maag tevreden te stellen, omdat de maag de belangrijkste faktor is bij het voeden van de lichaamshuishouding. Daarom wordt alles aan de maag gegeven. Men voedt de boom door de wortels te drenken en men voedt het lichaam door de maag te vullen, want wil men het lichaam gezond houden, dan moeten de lichaamsdelen samenwerken om de maag te vullen. Evenzo is de Allerhoogste de genieter en de schepper en zijn wij, als ondergeschikte levende wezens, ervoor bestemd om door samenwerking aan Zijn verlangens te voldoen. Deze samenwerking komt ons ten goede, zoals voedsel dat door de maag ontvangen wordt alle overige delen van het lichaam ten goede komt. Als de vingers van de hand denken dat ze zelf het voedsel moeten nemen in plaats van het aan de maag te geven, loopt het opeen teleurstelling voor ze uit. De centrale figuur zowel in het scheppen als in het genieten is de Allerhoogste en de levende wezens zijn Zijn medewerkers. Door mee te werken genieten ze mee. Deze verhouding is dezelfde als die van meester en dienaar. Is de meester helemaal tevreden, dan is ook de dienaar tevreden. Op dezelfde manier behoort de Allerhoogste Heer tevreden te worden gesteld, hoewel de neiging zich in plaats van de schepper te stellen en de neiging om van de stoffelijke wereld te genieten ook in de levende wezens aanwezig zijn, omdat deze neigingen in de Allerhoogste aanwezig zijn, die de geopenbaarde kosmische wereld geschapen heeft.
We zullen in deze Bhagavad-gîtâ dus zien dat het volkomen geheel is samengesteld uit de allerhoogste bestuurder, de bestuurde levende wezens, de kosmische openbaring, de eeuwige tijd en karma of aktiviteit en dat ze alle in de tekst worden behandeld. Alle tezamen vormen ze het volkomen geheel en het volkomen geheel wordt de Allerhoogste Absolute Waarheid genoemd. Het volkomen geheel en de volkomen Absolute Waarheid zijn de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, S' rî Krishna. Alle openbaringen komen tot stand door Zijn verschillende energieën. Hij is het volkomen geheel.
In de Gîtâ wordt tevens uitgelegd dat ook het onpersoonlijk Brahman ondergeschikt is aan het volkomen geheel. In de Brahma-sûtra wordt brahman omstandiger beschreven en vergeleken met de stralen van de zonneschijn. Het onpersoonlijk Brahman is de zonneschijn van de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid. Onpersoonlijk Brahman behelst een gedeeltelijke realisatie van het geheel en hetzelfde geldt voor het begrip Paramâtmâ in het Twaalfde Hoofdstuk. Daar zullen we zien dat de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, Purushottama, zowel boven het onpersoonlijk Brahman als boven de - gedeeltelijke - Paramâtmâ-realisatie of -doorschouwing verheven is. De Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid wordt sac-cid-ânanda-vigraha genoemd. De Brahma-samhitâ begint als volgt: îs'varah paramah krishnah sac-cid-ânanda-vigraha / anâdir âdir govindah sarva-kârana-kâranam. "Krishna is de oorzaak van alle oorzaken. Hij is de grond van alles en Hij is de ware gedaante van eeuwig leven, kennis en gelukzaligheid." Realisatie of verwerkelijking van het onpersoonlijk Brahman is het doorschouwen van Zijn sat (wezens)aspekt. Verwerkelijking van Paramâtmâ is het doorschouwen van Zijn cit (kennis) aspekt. Maar verwerkelijking van de Persoonlijkheid Gods, Krishna, is het doorschouwen van alle bovenzinnelijke aspekten: sat, cit en ânanda (eeuwigheid, kennis, gelukzaligheid) in volkomen vigraha (gedaante).
Minder schrandere lieden zien de Allerhoogste Waarheid als iets onpersoonlijks, maar Hij is een bovenzinnelijk persoon, zoals alle Vedische geschriften bevestigen. Nityo nityânâm cetanas' cetanânâm. Zoals wij stuk voor stuk individuele wezens zijn met onze eigen individualiteit, is ook de Allerhoogste Absolute Waarheid in eerste en laatste instantie een persoon - en het doorschouwen van de Persoonlijkheid Gods is het doorschouwen van alle bovenzinnelijke aspekten. Het volkomen geheel is niet vormloos. Zou Hij vormloos zijn of minder zijn dan enig ander iets, dan kan Hij niet het volkomen geheel zijn. Het volkomen geheel moet alles bevatten wat binnen en buiten ons bereik ligt, anders kan het niet volkomen zijn. het volkomen geheel, de Persoonlijkheid Gods, beschikt over onmetelijke vermogens.
Hoe Krishna naar Zijn verschillende vermogens te werk gaat, wordt eveneens in de Bhagavad-gîtâ uitgelegd. Deze wereld der verschijnselen of deze stoffelijke wereld, waarin wij geplaatst zijn, is op zichzelf eveneens volkomen, omdat de vierentwintig elementen, waarvan dit stoffelijk universum volgens de sânkhya-filosofie een tijdelijke openbaring is, geheel geëigend zijn om volledige ondersteuning te bieden bij de instandhouding van dit universum. Het ontvangt niets ban buitenaf en het heeft ook niets nodig. Iedere openbaring heeft haar eigen duur, die is afgesteld door de energie van het volkomen geheel; wanneer deze duur ten einde is, zal iedere tijdelijke openbaring worden weggevaagd binnen de volkomen orde van het volkomen geheel. De kleine volkomen eenheden - de levende wezens - beschikken over alle faciliteiten om het volkomen geheel te doorschouwen; alle onvolkomenheid die door hen ervaren wordt, komt voort uit onvolkomen kennis van het volkomen geheel. De Bhagavad-gîtâ nu bevat de volkomen kennis der Vedische wijsheid.
Alle Vedische kennis is onfeilbaar en als zodanig wordt ze door hindoes aanvaard. Koemest is dierlijke ontlasting en volgens smriti of de Vedische geboden moet men, als men ontlasting heeft aangeraakt, zich baden om zich te reinigen. Koemest wordt echter in de Vedische geschriften juist als een zuiverend m iddel gezien. Dit doet tegenstrijdig aan, maar toch aanvaardt men het, omdat het in de Veda's staat. En inderdaad, wie dit aanvaardt, handelt juist; de moderne wetenschap heeft naderhand aangetoond dat koemest alle antiseptische eigenschappen bezit. Vedische kennis is dus volkomen, omdat ze van onzekerheden en vergissingen vrij is; en van alle Vedische kennis is de Bhagavad-gîtâ de kern.
Vedische kennis is geen kwestie van wetenschappelijk onderzoek. Onze onderzoeksmethoden zijn onvolmaakt, omdat we onderzoek verrichten met onvolmaakte zintuigen. We dienen de volmaakte kennis te aanvaarden die, zoals in de Bhagavad-gîtâ gezegd wordt, ons bereikt via de erfopvolging der geestelijk leraren. We dienen deze kennis te ontvangen uit de daarvoor geëigende bron: de geestelijke erfopvolging, die begonnen is bij de allerhoogste geestelijk leraar, de Heer Zelf. Arjuna de leerling die zich liet onderrichten door S' rî Krishna, aanvaardt alles wat Hij zegt zonder tegenspraak. Het is niet geoorloofd het ene deel van de Bhagavad-gîtâ wél te aanvaarden en het andere niet. We dienen de Bhagavad-gîtâ te aksepteren zonder haar te interpreteren, zonder er iets van over te slaan en zonder er naar eigen believen mee om te springen. De Gîtâ dient te worden aanvaard als de meest volmaakte verwoording der vedische kennis. De Vedische kennis komt uit bovenzinnelijke bron en haar eerste woorden kwamen uit 's Heren eigen mond. Zijn woorden verschillen van de woorden van een wereldling, die te kampen heeft met vier tekortkomingen: 1) hij begaat gegarandeerd vergissingen, 2) verkeert onveranderlijk in illusie, 3) heeft de neiging anderen te bedriegen en 4) wordt beperkt door de onvolmaaktheid van zijn zintuigen. Als gevolg van deze vier tekortkomingen vallen er geen volkomen gegevens te verwerven, die dienstig zouden zijn voor de overdracht van alles-omvattende kennis.
Er kan geen Vedische kennis worden verworven en overgedragen door zulke onvolmaakte levende wezens. De Vedische kennis werd overgedragen in het hart van Brahmâ, het wezen dat het eerst geschapen werd, en op zijn beurt droeg Brahmâ de kennis over aan zijn zoons en leerlingen, in dezelfde vorm waarin hij haar van de Heer ontving. De Heer is pûrnam, volkomen volmaakt, en het is onbestaanbaar dat Hij onderworpen raakt aan de wetten van de materiële natuur. Men behoort derhalve zo intelligent te zijn dat men begrijpt dat de Heer de enige eigenaar van alles in het universum is en dat Hij de oorspronkelijke schepper is, de schepper van Brahmâ. In Hoofdstuk Elf wordt de Heer aangesproken als prapitâmaha, omdat Brahmâ aangesproken wordt als pitâmaha, grootvader, en Hij is de schepper van de grootvader. Niemand mag dus beweren dat hij de eigenaar is van wát dan ook; men behoort alleen aan te nemen wat de Heer ons voor ons levensonderhoud toebeschikt.
Er worden heel wat voorbeelden gegeven, hoe we de dingen die de Heer ons toebedeelt dienen te benutten. Bhagavad-gîtâ gaat hier op in. Aanvankelijk besloot Arjuna dat hij niet zou deelnemen aan de Slag van Kurukshetra. Dat was een besluit van hemzelf. Arjuna zei tegen de Heer dat hij niet om gemoede over zijn koninkrijk zou kunnen heersen als hij eerst zijn eigen familieleden zou hebben gedood. Dit besluit was gebaseerd op fysieke overwegingen, want hij dacht dat hij gelijk was aan zijn lichaam en dat zijn lichamelijke verwanten of aanhangsels zijn broers, neefs, zwagers, grootvaders enz. waren. Hij volgde deze gedachtengang omdat hij voorrang gaf aan overwegingen van fysieke aard. De Bhagavad-gîtâ werd echter door de Heer gesproken juist om deze fysieke stellingname te weerleggen en aan het slotbesluit Arjuna te strijden volgens de richtlijnen van de Heer; hij zegt dan: karishye vacanam tava. "Ik zal handelen volgens Uw woord."
Het is niet de bedoeling dat de mens zich in deze wereld als een werkezel afslooft. Hij dient zo snugger te zijn dat hij beseft hoe belangrijk het mensenleven is en dat hij weigert zich als een dier te gedragen. Menselijke wezens dienen te beseffen wat het doel des levens is, en de Vedische geschriften, inzonderheid de Bhagavad-gîtâ, verstrekken hiertoe alle inlichtingen. De Vedische literatuur is voor mensen bestemd en niet voor dieren. Dieren kunnen andere levende dieren doden zonder dat ze hiermee zondigen, maar als een mens een dier doodt louter om zijn onbeheerste smulzin te bevredigen, wordt hij voor deze overtreding van de wetten der natuur verantwoordelijk gehouden. In de Bhagavad-gîtâ wordt duidelijk uiteengezet, dat er drieërlei aktiviteit bestaat overeenkomstig de drieërlei aard der natuur: aktiviteit in goedheid, in hartstocht, in onwetendheid. Op dezelfde wijze bestaat er drieërlei voedsel: voedsel in goedheid, hartstocht en onwetendheid. Dit staat allemaal duidelijk beschreven en als we de aanwijzingen van de Bhagavad-gîtâ op de juiste manier toepassen, zal ons hele leven worden gelouterd en zullen we uiteindelijk de bestemming kunnen bereiken die buiten dit stoffelijk universum ligt.
Die bestemming heet de sanâtana hemel, de eeuwige geestelijke hemel. In deze stoffelijke wereld zien we dat alles tijdelijk is. Het doemt op, groeit, is er een poos, maakt wat bijprodukten, kwijnt weg en verdwijnt. Dat is de wet van de stoffelijke natuur, of we haar nu toepassen op dit lichaam, op een vrucht of op wat dan ook. Boven deze tijdelijke wereld echter bestaat er een andere wereld, waarover we gegevens hebben. Deze wereld bezit een andere natuur, die sanâtana - eeuwig - is. De jîva wordt ook als sanâtana - eeuwig - beschreven, en ook de Heer wordt, in Hoofdstuk Elf, sanâtana genoemd. We hebben een innige verhouding met de Heer en omdat we allen - de sanâtana-dhâma of hemel, de sanâtana Allerhoogste Persoonlijkheid en de sanâtana levende wezens - kwalitatief één zijn, is het hele doel van de Bhagavad-gîtâ, onze eeuwigheids-funktie of sanâtana-dhârma weer in ons tot leven te wekken. We zijn tijdelijk met andere zaken in de weer, maar al deze aktiviteit kan worden gelouterd wanneer we haar opgeven ten gunste van aktiviteiten die de Allerhoogste Heer ons voorschrijft. In dat geval leiden we ons "zuivere leven".
De Allerhoogste Heer en Zijn bovenzinnelijke woonplaats zijn beide sanâtana, evenals de levende wezens, en het eensgezind samengaan van de levende wezens met de Allerhoogste Heer in Zijn sanâtana woning is de vervolmaking van het menselijk leven. De Heer is de levende wezens bijzonder welgezind omdat ze Zijn zonen zijn. Heer Krishna verklaart in de Bhagavad-gîtâ: "sarva-yonishu ... aham bîja-pradah pitâ." "Ik ben de vader van allemaal." Nu zijn er uiteraard allerlei levende wezens, die als gevolg van hun karma van elkaar verschillen, maar hier verklaart de Heer dat Hij de vader is van allemaal. Daarom daalt de Heer neer om al deze gevallen en gebonden zielen tot Zich te roepen in de sanâtana, eeuwige hemel, zodat de sanâtana levende wezens hun sanâtana plaats weer zullen innemen in eeuwig samenzijn met de Heer. de Heer verschijnt Zelf in verschillende inkarnaties of Hij zendt Zijn getrouwe dienaren als Zijn zoons of metgezellen of âcârya's om de gekonditioneerde zielen tot Zich te verzamelen.
De term sanâtana-dharma heeft dus geen betrekking op een bepaalde religieuze sekte. Sanâtana-dharma is de eeuwige taakvervulling van de eeuwige levende wezens binnen het eeuwig verbond met de Heer. Sanâtana-dharma heeft, zoals gezegd, betrekking op de eeuwige bezigheid van het levend wezen. Râmânujâcârya verklaart de betekenis van sanâtana met "begin noch einde hebbend"; dus spreken we van sanâtana-dharma, dan dienen we op gezag van S'rî Râmânujâcârya aan te nemen dat onze wezenlijke funktie begin noch einde kent.
Er is enig verschil tussen het begrip "religie" en sanâtana-dharma. In het woord religie schuilt iets van het idee geloof - en geloof is iets veranderlijks. Men kan geloof hechten aan een bepaalde gang van zaken en men kan van dit geloof afstappen en een ander geloof omhelzen. Sanâtana-dharma echter heeft betrekking op een vorm van funktioneren die onveranderlijk is. We kunnen er bijvoorbeeld geen water op na houden zonder vochtigheid en geen vuur zonder hitte. Evenzo kan het eeuwige levend wezen het niet buiten zijn eeuwige funktie stellen. Sanâtana-dharma en het levend wezen zijn in alle eeuwigheid onverbrekelijk met elkaar verbonden. Spreken we dus van sanâtana-dharma, dan dienen we op gezag van S'rî Râmânujâcârya aan te nemen dat er begin noch einde aan is. Nu kan datgene wat begin noch einde heeft niet sektarisch zijn, want er zijn geen grenzen aan gesteld. Niettemin zijn degenen die een sektarische overtuiging aanhangen ten onrechte geneigd te denken dat sanâtana-dharma eveneens sektarisch is, maar als we diep op deze kwestie ingaan en haar bezien in het licht van de moderne wetenschap, kunnen we onderscheiden dat sanâtana-dharma datgene is waardoor alle mensen ter wereld - of liever: alle levende wezens in het universum - funktioneren.
Van een niet-sanâtana geloofsovertuiging valt altijd wel ergens in de annalen der menselijke geschiedenis een begin aan te wijzen, maar er is in de geschiedenis geen begin van het sanâtana-dharma aanwijsbaar, omdat het de levende wezens eeuwig aankleeft. In de gezaghebbende s'âstra's staat geschreven dat de levende wezens geboorte noch dood kennen. In de Gîtâ wordt gezegd dat het levend wezen nooit geboren is en nooit zal sterven. Het is eeuwig en onvernietigbaar en het blijft voortleven na de vernietiging van zijn tijdelijke stoffelijk omhulsel. Met betrekking tot het begrip sanâtana-dharma moeten we uit de grondbetekenis des woords trachten te begrijpen wat we onder religie dienen te verstaan. Het Sanskrit woord dharma heeft betrekking op datgene wat een bepaalde zaak voortdurend begeleidt. We zeggen dat waar vuur is, ook hitte en licht zijn; zonder hitte en licht kan er niet van vuur worden gesproken. Op dezelfde manier dienen we na te gaan wat het wezenlijke van het levend wezen is, wat het is dat het voortdurend vergezelt. Wat het voortdurend vergezelt is zijn eeuwigheidsgehalte en dit eeuwigheidsgehalte is zijn eeuwige religie.
Toen Sanâtana Gosvâmî aan S'rî Caitanya Mahâprabhu vroeg wat de svarûpa van ieder levend wezen is, antwoordde de Heer dat de svarûpa of basisfunktie van het levend wezen bestaat uit het dienen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Analyseren we deze uitspraak van Heer Caitanya, dan kunnen we zo zien, dat ieder levend wezen voortdurend bezig is een ander levend wezen te dienen. Een levend wezen dient andere levende wezens in twee hoedanigheden. Door zich zo te gedragen, verschaft het levend wezen zich levensgenot. De lagere dieren dienen menselijke wezens, zoals knechts hun meester dienen. A dient meester B, B dient meester C, C dient meester D enz. In dit licht kunnen we zien dat de ene vriend de andere dient, dat de moeder haar zoon dient, de vrouw haar man, de man zijn vrouw enz. Zoeken we zo door, dan zullen we zien dat geen enkel levend wezen in de gemeenschap der levende wezens zich aan het dienstverleningsprincipe onttrekt. De politikus deelt het kiezerspubliek zijn partijprogramma mee om de mensen te overtuigen van zijn bekwaamheid tot dienen. De kiezers geven hem hun waardevolle stem in de verwachting dat hij de samenleving diensten van onschatbare waarde zal bewijzen. De winkelier dient de klant en de handwerksman dient de kapitalist. De kapitalist dient het gezin en het gezin dient de staat overeenkomstig de eeuwige funktie van het eeuwige levend wezen. Op deze manier kunnen we zien dat geen enkel levend wezen verschoond is van het dienen van andere levende wezens en op grond hiervan kunnen we veilig konstateren dat dienstverlening de voortdurende metgezel is van het levend wezen en dat dienen de eeuwige religie van het levend wezen is.
Toch beweren de mensen dat ze tot bepaalde geloofsgenootschappen horen, die onder bepaalde omstandigheden van tijd en plaats zijn ontstaan, en zo noemt de een zich hindoe, de ander zich moslim, christen, boeddhist of weer wat anders. deze aanduidingen zijn niet-sanâtana-dharma. Een hindoe kan van geloof veranderen en moslim worden, een moslim kan het geloof van de hindoe omhelzen, een christen kan naar een ander geloof overgaan enz. Maar in al deze gevallen brengt verandering van geloof geen verandering in de eeuwige funktie van het dienen van anderen. De hindoe, moslim of christen is in alle omstandigheden iemands dienaar. Dus als men zegt dat men tot een bepaalde sekte behoort, geeft men daarmee geen blijk van een juiste opvatting van zijn sanâtana-dharma. Dienen is sanâtana-dharma.
De wezenlijke situatie is dat we in dienst-relatie staan tot de Allerhoogste. De Heer is de allerhoogste genieter en wij, levende wezens, zijn Zijn dienaren. We zijn geschapen voor Zijn genoegen en als we dienend deelhebben aan dat eeuwige genoegen met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, worden we gelukkig. Het is onmogelijk om op eigen kracht gelukkig te worden, zoals geen enkel lichaamsdeel gelukkig kan zijn als het niet samenwerkt met de maag. Het levend wezen kan onmogelijk gelukkig zijn als het geen bovenzinnelijke liefdedienst bewijst aan de Allerhoogste.
In de Bhagavad-gîtâ wordt het aanbidden of dienen van de verschillende halfgoden niet goedgekeurd. In Hoofdstuk Zeven, vers twintig lezen we:
kâmais tais tair hrit-ajn'ânâh
prapadyante 'nya devatâh
tam tam niyamam âsthâya
prakrityâ niyatâh svayâ"Degenen wier geest verwrongen wordt door stoffelijke begeerte geven zich over aan halfgoden en volgen de bijzondere regels en bepalingen van hun eredienst al naar gelang hun eigen aard." (Bg. 7:20.) Hier wordt zonder meer gezegd dat degenen die door lust worden geleid, de halfgoden aanbidden en niet Heer Krishna. Wanneer we de naam Krishna noemen, verwijzen we hiermee niet naar iets sektarisch. krishna betekent de hoogste zaligheid en er staat geschreven dat de Heer de bron van alle vreugde is. We hunkeren allemaal naar genot. Ânandamayo 'bhyâsât. (Vs. 1, 1: 12) De levende wezens zijn evenals de Heer vol bewustzijn en zoeken naar geluk. De Heer is onophoudelijk gelukkig en als de levende wezens zich in Zijn gezelschap begeven en met Hem samenwerken en bij Hem zijn, worden ze ook gelukkig.
De Heer daalt in deze vergankelijke wereld neer om in Vrindâvana Zijn spel te ontvouwen, dat overgelukkig is. Toen Heer S'rî Krishna in Vrindâvana was, bruisten zijn aktiviteiten met Zijn vrienden de koeherders, met Zijn jeugdige vriendinnen, met de bewoners van Vrindâvana en met de koeien, van geluk. De hele bevolking van Vrindâvana sprak alleen maar over Krishna. Heer Krishna ried Zijn vader Nanda Mahârâja af, de halfgod Indra te aanbidden, omdat Hij duidelijk wilde vaststellen dat de mensen geen enkele halfgod hoeven te aanbidden. Ze hoeven alleen de Opperheer te aanbidden, omdat hun uiteindelijke doel is terug te keren naar Zijn woning.
De woonplaats van Heer Krishna wordt in het zesde vers van Hoofdstuk Vijftien van de Bhagavad-gîtâ beschreven:
na tad bhâsayate sûryo
na s'as'ânko na pâvakah
yad gatvâ na nivartante
tad dhâma paramam mama"Mijn woonplaats wordt door zon noch maan verlicht, noch door elektriciteit. En ieder die haar bereikt keert nimmer terug naar deze stoffelijke wereld." (Bg. 15: 6.)
Dit vers geeft een beschrijving van die eeuwige hemel. Ons idee van de hemel is uiteraard aards gekleurd en we zien hem met zon, maan en sterren enz. erin, maar in dit vers verklaart de Heer dat er in de eeuwige hemel geen behoefte aan zon of maan of enigerlei vorm van vuur is, omdat de geestelijke hemel reeds verlicht wordt door de brahmajyoti, de lichtgloed die uit de Heer tevoorschijn straalt. We doen alle moeite om andere planeten te bereiken, maar het is niet moeilijk te weten te komen hoe de woonplaats van de Allerhoogste Heer eruit ziet. Deze woonplaats wordt Goloka genoemd. In de Brahma-samhitâ wordt ze prachtig beschreven: Goloka eva nivasaty akhilâtma-bhûtah. De Heer verblijft eeuwig in Zijn woonplaats Goloka, maar toch kan Hij vanuit deze wereld worden genaderd en hiertoe verschijnt de Heer om ons Zijn ware gedaante - sac-cid-ânanda-vigraha - te openbaren. Wanneer Hij deze gedaante openbaart is het nergens meer voor nodig dat we ons er een voorstelling van maken hoe Hij eruit ziet. Teneinde allerlei gefantaseer in deze richting te voorkomen, daalt Hij neer en toont Zichzelf zoals Hij is, als S'yâmasundara. Helaas bespotten de minder intelligenten Hem, omdat Hij als een der onzen komt en als een menselijk wezen spelend met ons omgaat. Maar hierom mogen we niet denken dat de Heer een der onzen is. Het is door Zijn alvermogen dat Hij Zich in Zijn ware gedaante aan ons toont en ons Zijn spel ontvouwt, dat overeenkomstig het spel is dat Hij in Zijn woonplaats speelt.
In het stralende licht van de geestelijke hemel drijven ontelbare planeten. De brahmajyoti straalt tevoorschijn uit de allerhoogste woonplaats, Krishna-loka, en in zijn gloed drijven de ânandamaya-cinmaya-planeten, die onstoffelijk zijn. Iemand die deze geestelijke hemel kan bereiken hoeft niet weer naar de materiële hemel af te dalen. In de stoffelijke hemel zullen we overal, zelfs als we de hoogste planeet (Brahmaloka) bereiken, dus gezwegen van de maan, dezelfde levensvoorwaarden aantreffen, namelijk geboorte, dood, ziekte en ouderdom. In het stoffelijk uitspansel is geen enkele planeet van deze vier principes van het stoffelijk bestaan verschoond. Daarom zegt de Heer in de Bhagavad-gîtâ: âbrahma-bhuvanâl lokâh punar âvartino 'Arjuna. De levende wezens reizen van de ene planeet naar de andere - niet met technologische middelen, maar langs geestelijke weg. Deze wordt eveneens beschreven: yânti deva-vratâ devân pitrin yânti pitri-vratâh. Willen we interplanetaire reizen maken, dan hebben we daarvoor geen mechanische konstrukties nodig. De Gîtâ leert ons: yânti deva-vratâ devân (Bg. 9: 25.) De maan, de zon en hogere planeten worden svargaloka genoemd. Er zijn drie soorten planeten-stelsels: hogere, middelste en lagere. De aarde behoort tot het middelste planeten-stelsel. De Bhagavad-gîtâ leert ons hoe we naar de hogere planeten-stelsels (devaloka) kunnen reizen, en wel door gebruik te maken van de simpele formule yânti deva-vratâ devân: men behoeft slechts de halfgod te aanbidden die over een bepaalde planeet heerst en op die manier kan men de maan, de zon of welke planeet dan ook van de hogere planeten-stelsels bereiken.
De Bhagavad-gîtâ beveelt ons echter geenszins aan, naar een van de planeten te gaan, want al reizen we, door misschien zo'n veertigduizend jaar (wie leeft er zo lang?) in een technisch apparaat te zitten, naar de hoogste planeet Brahmaloka, dan treffen we daar nog de materiële ongemakken van geboorte, dood, ziekte en ouderdom aan. Maar wie de hoogste planeet in de gééstelijke hemel wil naderen, Krishnaloka, of een van de planeten eromheen, die zal dit stoffelijk ongerief niet ten deel vallen. Temidden van alle planeten in de geestelijke hemel is er een allerhoogste planeet, Goloka Vrindâvana, de oorspronkelijke planeet in het koninkrijk van de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods S'rî Krishna. Al deze inlichtingen staan in de Bhagavad-gîtâ en we leren hieruit hoe we de stoffelijke wereld kunnen verlaten en in de geestelijke hemel een werkelijk gelukzalig leven beginnen.
In Hoofdstuk Vijftien van de Bhagavad-gîtâ wordt de stoffelijke wereld getoond zoals ze werkelijk is. Er wordt daar gezegd:
ûrdhva-mûlam adhah-sâkham
as'vattham praâhur avyayam
chandâmsi yasya parnâni
yas tam veda sa veda-vit"De Allerhoogste zei: Er is een banyan-boom met zijn wortels omhoog en zijn takken omlaag en de Vedische zangen zijn zijn bladeren. Wie deze boom kent, kent de Veda's." (Bg. 15: 1). Hier wordt de materiële wereld beschreven als een boom met zijn wortels boven en zijn gebladerte onder. We kennen allemaal wel zo'n boom met zijn wortels omhoog: als we aan de oever van een rivier of bij een meer of vijver staan, zien we dat de in het water weerspiegelde bomen ondersteboven staan. De takken wijzen omlaag, de wortels omhoog. Op dezelfde manier is deze stoffelijke wereld een weerspiegeling van de geestelijke wereld. De materiële wereld is slechts een afschaduwing van de werkelijkheid. De schaduw heeft geen werkelijkheid of tastbaarheid, maar uit de aanwezigheid van de schaduw kunnen we opmaken dat er iets tastbaars en werkelijks is. In de woestijn is er geen water, maar een luchtspiegeling wekt de indruk dat er toch zoiets als water is. In de stoffelijke wereld is er water noch geluk; het echte water van het ware geluk bevindt zich in de geestelijke wereld.
De Heer wijst ons dat we de geestelijke wereld als volgt kunnen bereiken:
nirmâna-mohâ jita-sanga-doshâ
adhyâtma-nityâ vinivritta-kâmâh
dvandvair vimuktâh sukha-duhkha-samjn'air
gacchanty amûdhâh padam avyayam tat"Wie vrij is van illusie, valse trots en verkeerd gezelschap, wie het eeuwige begrijpt, wie afgedaan heeft met aardse lust en verlost is van de dualiteit van geluk en verdriet en weet hoe zich over te geven aan de Allerhoogste Persoon, die bereikt dat eeuwig koninkrijk." (Bg. 15: 5.)
Dat padam avyayam of eeuwig koninkrijk kan worden bereikt door iemand die nirmâna-moha is. Wat betekent dit? We zijn steeds uit op namen, titels en aanduidingen. De een wil iemands zoon worden, de ander wil Heer worden en weer een ander wil president worden of een rijk man of koning of nog wat anders. Zolang we ons aan dit soort benamingen hechten, zijn we aan het lichaam gehecht, want benamingen hebben betrekking op het lichaam. Maar wij zijn geen lichamen. Wie dit inziet heeft de eerste schrede gezet op de weg naar het doorschouwen van de geestelijke wereld. We zijn verstrikt in de drieërlei aard van de stoffelijke natuur en we moeten daarvan zien los te raken door toegewijde dienst aan de Heer. Indien we ons niet hechten aan 's Heren toegewijde dienst, kunnen we niet onthecht raken van de drieërlei aard der materiële natuur. Benamingen en hechtingen komen voort uit onze lust en begeerte, uit onze wil om de baas te spelen over de stoffelijke natuur. Zolang we deze neiging om de baas over de stoffelijke natuur te spelen niet opgeven, bestaat er geen kans op terugkeer naar het koninkrijk van de Allerhoogste, de sanâtana-dhama. Dat eeuwig koninkrijk, dat nimmer vernietigd kan worden, kan worden genaderd als men zich niet laat begoochelen door onwerkelijke, aardse geneugten: als men zich wijdt aan 's Heren dienst. Wie zo handelt, kan die allerhoogste woning gemakkelijk bereiken.
Elders in de Gîtâ wordt gezegd:
avyakto 'kshara ity uktas
tam âhuh paramâm gatim
yam prâpya na nivartante
tad dhâma paramam mama"Die allerhoogste woonplaats wordt genoemd onvergankelijk en niet-geopenbaard en ze is ieders hoogste doel. Wie daarheen gaat, keert nimmer meer terug. Dat is Mijn allerhoogste woning." (Bg. 8: 21.) Avyakta betekent niet-geopenbaard . Zelfs de materiële wereld is niet in zijn geheel aan ons geopenbaard. Onze zintuigen zijn zo ontoereikend, dat we niet eens alle sterren in het stoffelijk universum kunnen waarnemen. Uit de Vedische literatuur kunnen we veel inlichtingen krijgen over alle planeten en we kunnen deze gegevens geloven of niet. Alle belangrijke planeten staan in de Vedische geschriften beschreven, met name in het S'rîmad Bhâgavatam, en de geestelijke wereld, die zich boven deze materiële hemel bevindt, wordt beschreven als avyakta, niet-geopenbaard. Men behoort naar dat allerhoogste koninkrijk te verlangen en te hunkeren, want als men dat koninkrijk eenmaal bereikt, hoeft men niet meer naar deze stoffelijke wereld terug.
Nu zal men zich afvragen wat men moet doen om de woning van de Allerhoogste te naderen. Hierover staat in Hoofdstuk Acht vermeld:
anta-kâle ca mâm eva
smaran muktvâ kalevaram
yah prayâti sa mad-bhâvam
yâti nâsty atra sams'ayah"En alwie in het uur des doods zijn lichaam verlatend uitsluitend aan Mij denkt, komt onmiddellijk tot Mij. Dit lijdt geen twijfel." (Bg. 8:5.) Wie bij zijn sterven aan Krishna denkt gaat naar Krishna. Men moet zich de gedaante van Krishna herinneren; als men aan deze gedaante denkend, zijn lichaam verlaat, bereikt men het geestelijk koninkrijk. Mad-bhâvam heeft betrekking op de allerhoogste natuur van het Opperwezen. Het Opperwezen is sac-cid-ânanda-vigraha - eeuwig, vol kennis en geluk. Het lichaam dat we nu hebben is niet sac-cid-ânanda. Het is niet sat, maar asat. Het is niet eeuwig, het is vergankelijk. Het is niet cit, vol kennis, maar vol onwetendheid. We weten niets van het geestelijk koninkrijk en ook van deze stoffelijke wereld weten we niet alles, want vele zaken zijn ons duister. Het lichaam is tevens nirâ-nanda; in plaats van vol geluk te zijn is het vol ellende. Alle ellende die we in de stoffelijke wereld ervaren komt voort uit onze lichamelijkheid, maar wie op de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods gekoncentreerd dit lichaam verlaat, verkrijgt meteen een sac-cid-ânanda lichaam, zoals beloofd in het vijfde vers van Hoofdstuk Acht, waarin Heer Krishna zegt: "Die komt onmiddellijk tot Mij."
De gang van zaken bij het verlaten van dit lichaam en het verkrijgen van een ander lichaam in de stoffelijke wereld is eveneens geregeld. Een mens sterft nadat bepaald is wat voor lichaam hij in zijn volgende leven zal hebben. Dit wordt niet door het levend wezen zelf, maar door hogere instanties uitgemaakt. Overeenkomstig ons doen en laten in dit leven, gaan we in stijgende of dalende lijn. Dit leven is een voorbereiding op het volgende. Als we ons daarom voorbereiden op de weg omhoog naar het koninkrijk Gods, zullen we, zodra we dit stoffelijk omhulsel verlaten hebben, beslist een geestelijk lichaam krijgen als dat van de Heer.
Zoals gezegd, zijn er drie soorten personen die een geestelijk leven leiden, de brahmavâdi, de paramâtmâvâdi en de toegewijde; en, zoals eveneens gezegd, zijn er in de brahmajyoti (geestelijke hemel) ontelbare geestelijke planeten. Het getal van deze planeten is veel, veel groter dan dat van alle planeten van dit stoffelijk universum. De omvang van de stoffelijke universa wordt geschat op slechts een kwart van de omvang der gehele schepping. In het materiële deel van de schepping bevinden zich miljoenen en biljoenen universa met triljoenen planeten en zonnen, sterren en manen. Maar deze hele stoffelijke schepping is slechts een deel van de schepping in haar geheel. Het merendeel der schepping bevindt zich in de geestelijke hemel. Wie bij zijn dood wil opgaan in de existentie van het Allerhoogste Brahman, wordt onmiddellijk overgebracht naar de brahmajyoti van de Allerhoogste Heer en bereikt zo de geestelijke hemel. De toegewijde, die zich wil vermeien in het gezelschap van de Heer, gaat binnen in de hemel der Vaikunthha-planeten, die ontelbaar zijn, en daar gaat de Allerhoogste Heer, in zijn volkomen Nârâyana-gedaanten met vier handen en verschillende namen zoals Pradyumna, Aniruddha, Govinda enz., met hem om. Daarom denkt een transcendentalist bij zijn levenseinde of aan de brahmajyoti of aan Paramâtmâ of aan de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid S'rî Krishna. In al deze gevallen gaat hij de geestelijke hemel in; alleen de toegewijde echter, of degeen die in persoonlijk kontakt met de Allerhoogste Heer staat, bereikt de Vaikunthha-planeten. De Heer voegt er nog aan toe dat dit geen twijfel lijdt. Men moet dit zonder meer geloven. We mogen datgene wat niet met ons beperkt inzicht strookt niet verwerpen; we dienen de houding van Arjuna aan te nemen: "Ik geloof alles wat Je me hebt gezegd." Wanneer de Heer dus zegt dat ieder die in zijn stervensuur Hem voor ogen heeft als Brahman of Paramâtmâ of als de Persoonlijkheid Gods, voorzeker binnen gaat in de geestelijke hemel, lijdt dat geen twijfel. Het is uitgesloten dat dit niet zo is.
In de Gîtâ staat ook hoe men aan het Opperwezen moet denken wanneer men sterft:
yam yam vâpi smaran bhâvam
tyajaty ante kalevaram
tam tam evaiti kaunteya
sadâ tad-bhâva-bhâvitah"De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, zal men voorzeker weer bereiken." (Bg. 8: 6.) De stoffelijke natuur wordt geopenbaard door een der energieën van de Heer. In de Vishnu Purâna wordt het geheel der energieën van de Heer beschreven als vishnu-s'aktih parâ proktâ enz. De Heer heeft uiteenlopende en ontelbare energieën, die buiten ons bevattingsvermogen liggen; grote, geleerde wijzen of bevrijde zielen echter hebben deze energieën bestudeerd en ze geanalyseerd in drie kategorieën. Alle energieën zijn vishnu-s'akti, dat wil zeggen: het zijn verschillende vermogens van Heer Vishnu. Vishnu-s'akti is parâ - transcendentaal of bovenzinnelijk. De levende wezens behoren ook, zoals al is uitgelegd, tot deze hogere energie. de andere energieën of stoffelijke energieën ressorteren onder de geaardheid onwetendheid (van de drieërlei aard der stoffelijke natuur). Bij ons sterven kunnen we hetzij in de lagere energie van de materiële wereld blijven, hetzij overgaan naar de energie van de geestelijke wereld.
In ons aardse leven wordt ons denken gewoonlijk hetzij door de stoffelijke, hetzij door de geestelijke energie bepaald. Er zijn zeer veel geschriften - romans, kranten enz. - die onze gedachten vullen met de stoffelijke energie. Ons denken, dat thans door dit type lektuur wordt opgeslokt, dient zich te oriënteren op de vedische literatuur. Het is juist hierom dat de grote wijzen zo veel Vedische geschriften hebben geboekstaafd, zoals bijvoorbeeld de Purâna's. De Purâna's berusten niet op fantasie; het zijn historische verslagen. In de Caitanya-caritâmrita staat het volgende vers:
mâyâ mugdha jiver nâhi svatah krishna-jn'ân
jivera kripâya kailâ krishna veda-purâna"De vergeetachtige levende wezens of gekonditioneerde zielen hebben hun eeuwige relatie met de Allerhoogste uit het oog verloren en denken nu alleen nog maar aan stoffelijke aktiviteiten. Uitsluitend echter om hun gedachten op de geestelijke hemel te richten, heeft Krishna een groot aantal Vedische geschriften laten verschijnen." (Cc. Madhya 20: 122) Allereerst verdeelde Hij de Veda's in vieren, vervolgens legde Hij ze uit in de Purâna's, en voor minder bevattelijke lieden schreef Hij het Mahâbhârata. In het Mahâbhârata wordt de Bhagavad-gîtâ gegeven. Hierna wordt de hele Vedische literatuur samengevat in de Vedânta-sûtra en om toekomstige generaties leiding te geven, gaf Hij een natuurlijk verhalend kommentaar op de Vedânta-sûtra, het S'rîmad-Bhâgavatam. We moeten onze geest altijd bezighouden met het lezen van boeken. Zoals materialisten hun geest onledig houden met het lezen van kranten, tijdschriften en zo veel andere stoffelijke lektuur, moeten wij onze aandacht richten op deze Vedische geschriften, die ons geschonken zijn door Vyâsadeva; op deze manier zullen we ons bij ons sterven de Allerhoogste Heer kunnen herinneren. Dit is de enige weg die de Heer ons wijst en Hij verzekert ons dat we er zo zullen komen: "Dat lijdt geen twijfel." (Bg. 8: 7.)
tasmât sarveshu kâleshu
mâm anusmara yudhya ca
mayy arpita-mano-buddhir
mâm evaishyasy asams'ayah"Daarom, Arjuna, dien je altijd aan Mij te denken en tegelijk je voorgeschreven plicht te vervullen en te strijden. Als je je daden aan Mij wijdt en je geest en verstand naar Mij richt, zul je ongetwijfeld tot Me komen."
Hij raadt Arjuna niet aan alleen maar aan Hem te denken en zijn bezigheden te laten varen, nee - de Heer komt nooit met een onpraktisch voorstel. Men moet in deze stoffelijke wereld werken voor de instandhouding van zijn lichaam. De menselijke samenleving is in vier sociale geledingen verdeeld naar gelang het werk dat men doet - brâhmana, kshatriya, vais'ya, s'ûdra. De brâhmana of intelligente klasse werkt zus, de kshatriya of bestuurlijke klasse werkt zo, en de middenstand en de arbeidersklasse houden zich elk bezig met hun eigen soort werk. Of men nu arbeider, koopman, militair, ambtenaar of boer is, of zelfs tot de hoogste stand behoort als letterkundige, wetenschappelijk onderzoeker of godgeleerde, altijd moet men in de menselijke samenleving wérken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarom zegt de Heer tegen Arjuna dat hij zijn aktiviteit niet moet laten varen, maar dat hij met zijn gedachten op Krishna gekoncentreerd ermee door moet gaan. Als hij zich tijdens de strijd om het bestaan niet oefent in het denken aan krishna, zal hij zich Krishna onmogelijk kunnen herinneren op het ogenblik dat hij sterft. Ook Heer Caitanya geeft deze raad. Hij zegt dat we ons moeten oefenen in het denken aan de Heer door altijd de namen van de Heer te zingen. de namen van de Heer en de Heer Zelf verschillen niet van elkaar. Dus 's Heren gebod aan Arjuna om aan Hem te denken en het gebod van Heer Caitanya om altijd de namen van krishna te zingen zijn één en hetzelfde. Er is geen verschil, want er bestaat geen verschil tussen krishna en Zijn naam. In de absolute staat is er geen verschil tussen naam en naamhebber. Derhalve dienen we ons erin te oefenen altijd aan de Heer te denken, vierentwintig uur per dag, door Zijn namen te zingen en onze bezigheden zo te regelen, dat we ons Hem gedurig kunnen blijven herinneren.
Hoe gaat dit in zijn werk? De âcârya's geven het volgende voorbeeld. Als een getrouwde vrouw naar een andere man verlangt of als een man verlangt naar een andere vrouw dan zijn echtgenote, wordt zo'n verlangen geacht bijzonder intens te zijn. Iemand die zo'n verlangen koestert, denkt voortdurend aan de geliefde. De vrouw die aan haar geliefde denkt, denkt voortdurend dat ze bij hem is, zelfs als ze thuis gewoon aan het werk is. Ze doet haar huishoudelijk werk extra netjes, zodat haar echtgenoot geen argwaan krijgt. Op dezelfde wijze dienen wij altijd aan de allerhoogste geliefde, Krishna, te denken en ons onderhand keurig netjes van onze materiële taken te kwijten. Het gaat hier dus om een hevig gevoel van liefde. Koesteren we een hevig gevoel van liefde voor de Allerhoogste Heer, dan kunnen we tijdens het vervullen van onze plichten aan Hem blijven denken. Dat gevoel van liefde dienen we te ontwikkelen. Arjuna bijvoorbeeld dacht altijd aan Krishna; hij was altijd bij krishna, maar onderhand vervulde hij zijn plicht als veldheer. Krishna ried hem geenszins aan de strijd te staken en in het woud te gaan zitten mediteren. Wanneer Heer Krishna Zijn yoga-systeem aan Arjuna ontvouwt, zegt Arjuna dat hij dit systeem onmogelijk kan beoefenen.
arjuna uvâca
yo 'yam yogas tvayâ proktah
sâmyena madhusûdana
etasyâham na pas'yâmi
can'calatvât sthitim sthirâm"Arjuna zei: O Madhusûdana, het yoga-systeem dat Je me beschreven hebt lijkt me onuitvoerbaar en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en onevenwichtig." (Bg. 6: 33.)
Maar de Heer zegt:
yoginâm api sarveshâm
mad-gatenântarâtmanâ
s'raddhâvân bhajate yo mâm
sa me yuktatamo matah"Van alle yogî's is hij die steeds in Mij blijft met vast geloof en Me in bovenzinnelijke liefdedienst vereert, het innigst één met Mij in yoga en de hoogste van alle." (Bg. 6: 47.) Dus wie altijd aan de Allerhoogste Heer denkt is de grootste yogî, de allerbeste jn'ânî en tegelijk de hoogste toegewijde. De Heer zegt verder tegen Arjuna dat hij als kshatriya de strijd niet mag staken, maar dat als Arjuna tijdens de strijd aan Hem denkt, hij zich Hem zal kunnen herinneren op het ogenblik van zijn dood. Men moet zich geheel aan de Heer toevertrouwen in bovenzinnelijke liefdedienst.
We werken in feite niet alleen met ons lichaam, maar ook met onze geest en ons verstand. Stellen we onze geest en ons verstand steeds in dienst van het denken aan de Heer, dan zijn vanzelf onze lichamelijke zinnen ook in 's Heren dienst. Oppervlakkig bekeken blijft de aktiviteit van de zinnen hetzelfde, maar ons bewustzijn is anders. De Bhagavad-gîtâ leert ons hoe we geest en verstand kunnen laten opgaan in het denken aan de Heer. Dit volledig opgaan zal ons in staat stellen de reis naar het koninkrijk Gods te volbrengen. Is de geest in dienst van Krishna, dan zijn vanzelf ook de zinnen in Krishna's dienst. Dit is de ware levenskunst en dit is ook het geheim van de Bhagavad-gîtâ: volkomen opgaan in het denken aan S'rî Krishna.
De moderne mens heeft zich enorme moeite gegeven, de maan te bereiken, maar hij heeft weinig zijn best gedaan zich geestelijk te verheffen.Als men nog maar een jaar of vijftig te leven heeft, moet men die korte spanne tijds gebruiken om zich te oefenen in het denken aan de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid. De dagelijkse praktijk van dit oefenen bestaat uit:
s'ravanam kîrtanam vishnoh
smaranam pâda-sevanam
arcanam vandanam dâsyam
sakhyam âtma-nivedanamDeze negen methoden, waarvan de simpelste s'ravanam is, het horen van de Bhagavad-gîtâ uit de mond van een bevrijde ziel, hechten de gedachten aan het Opperwezen. Dit leidt tot nis'cala, het zich voortdurend herinneren van de Allerhoogste, en stelt ons in staat, bij het verlaten van het stoffelijk lichaam een geestelijk lichaam te verkrijgen, waarin we direkte omgang met de Heer kunnen hebben.
De Heer zegt verder:
abhyâsa-yoga-yuktena
cetasâ nânya-gâminâ
paramam purusham divyam
yâti pârthânucintayan"Wie mediteert op de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, zijn geest voortdurend op Mij gevestigd zonder af te dwalen van de weg, O Pârtha, zal voorzeker to Mij komen." (Bg. 8: 8.)
Deze methode is niet bijzonder moeilijk. Men moet hem echter leren van en ervaren persoon, die hem zelf al in praktijk brengt. De rusteloze geest beweegt zich alle kanten uit en men moet zich er steeds in oefenen deze geest te richten op de gedaante van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna of op de klank van Zijn naam. De geest is van nature ongedurig en zwenkt van her naar der, maar hij kan tot rust komen in de geluidstrilling van Krishna's naam. Op deze manier dient men op de paramam purusham, de Allerhoogste Persoon, te mediteren; zo komt men tot Hem. De wegen en methoden om tot deze definitieve realisatie en dit uiteindelijke doel te geraken staan beschreven in de Bhagavad-gîtâ en de poort naar deze kennis staat open voor iedereen. Niemand wordt buiten gesloten. Alle mensen ongeacht rang of stand kunnen naderen tot de Heer door aan Hem te denken, want over Hem horen en aan Hem denken kan iedereen.
De Heer zegt verder:
mâm hi pârtha vyapâs'ritya
ye 'pi syuh pâpa-yonayah
striyo vais'yâs tathâ s'ûdrâs
te 'pi yânti parâm gatimkim punar brâhmanâh punyâ
bhaktâ râjarshayas tathâ
anityam asukham lokam
imam prâpya bhajasva mâm"O zoon van Prithâ, wie zijn toevlucht zoekt bij Mij - en dit geldt ook voor een vrouw, een koopman of een laaggeborene - kan het allerhoogste doel bereiken. Hoeveel groter zijn dan niet de brâhmana's, de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige vorsten! In deze ellendige wereld zijn zij het die hecht verankerd zijn in 's Heren toegewijde dienst." (Bg. 9: 32-33.)
Alle menselijke wezens, zelfs al verkeren ze in lagere levensregionen (kooplui, vrouwen, arbeiders), kunnen tot de Allerhoogste komen. Men heeft daar geen bijzonder hoog ontwikkelde intelligentie voor nodig. Waar het om gaat is dat men het principe van bhakti-yoga aksepteert en de Allerhoogste Heer aanvaardt als summum bonum des levens, als hoogste doel, als eindbestemming; alleen dán kan men in de geestelijke hemel naderen tot de Heer. Wie zich richt naar de beginselen die in de Bhagavad-gîtâ worden verkondigd, kan zijn leven volmaakt maken en een volmaakte oplossing vinden voor alle levensproblemen die zich voordoen als gevolg van de vergankelijkheid van het stoffelijk bestaan.
Tot slot: de Bhagavad-gîtâ is een bovenzinnelijk geschrift, dat men uiterst zorgvuldig dient te lezen. Het kan ons vrijwaren van alle angst.
nehâbhikrama-nâs'o 'sti
pratyavâyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trâyate mahato bhayât"Wie dit nastreeft lijdt verlies noch achteruitgang - en een kleine vooruitgang op deze weg kan een mens voor het ernstigste gevaar behoeden." (Bg. 2: 40.) Als men de Bhagavad-gîtâ oprecht en aandachtig leest, zullen alle terugslagen van de euveldaden die de lezer in het verleden bedreef hem ongedeerd laten. In het laatste deel van de Bhagavad-gîtâ verkondigt Heer S'rî Krishna:
sarva-dharmân parityajya
mâm ekam s'aranam vraja
aham tvâm sarva-pâpebhyo
mokshayishyâmi mâ s'ucah"Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geef je slechts aan Mij over; Ik zal je verlossen van de terugslagen van al je zonden. vrees niet." (Bg. 18: 66.) Zo neemt de Heer alle verantwoordelijkheid op Zich voor wie zich aan Hem toevertrouwt en Hij vrijwaart ons van de terugslagen van onze vroegere zonden.
Men reinigt zich dagelijks door zich met water te baden, maar wie slechts eenmaal een bad neemt in het heilige Ganges-water van de Bhagavad-gîtâ, wast daarmee alle vuil van het materiële leven weg. Aangezien de Bhagavad-gîtâ gesproken wordt door de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, hoeft men geen andere Vedische geschriften te lezen. Men hoeft alleen maar aandachtig en regelmatig de Bhagavad-gîtâ te lezen en te horen lezen. In het huidige tijdperk wordt de mensheid zó door wereldse bezigheden in beslag genomen, dat men onmogelijk alle vedische werken kan lezen. Maar dat is ook niet nodig. Dit ene boek, de Bhagavad-gîtâ, is al genoeg, omdat het de essentie is van alle Vedische literatuur en omdat het gesproken wordt door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. men zegt dat degeen die water van de Ganges drinkt beslist gered zal worden, maar wat moeten we dan zeggen van iemand die van het water van de Bhagavad-gîtâ drinkt? De Gîtâ is de nektar van het Mahâbhârata, dat gesproken wordt door Vishnu Zelf, want Heer Krishna is de oorspronkelijke Vishnu. De Gîtâ is nektar die uit de mond van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods tevoorschijn welt, terwijl de Ganges ontspruit aan de lotusvoeten van de Heer, zoals men zegt. Er bestaat uiteraard geen verschil tussen de mond en de voeten van de Allerhoogste Heer, maar in onze omstandigheden zijn we geneigd de Bhagavad-gîtâ belangrijker te vinden dan de Ganges.
We kunnen de Bhagavad-gîtâ vergelijken met een koe, en Heer Krishna, die een koeherdersjongen is, melkt deze koe. De melk is de essentie van de Veda's en Arjuna is te vergelijken met een kalf. Schrandere lieden, grote wijzen en zuivere toegewijden moeten allemaal deze nektar-melk van de Bhagavad-gîtâ drinken.
In het huidige tijdgewricht kent de mens een hevig verlangen naar één Schrift, één God, één religie en één levensopdracht. Laat er daarom één gemeenschappelijke Schrift zijn voor de hele wereld - de Bhagavad-gîtâ. En laat er slechts één God zijn voor de hele wereld - S'rî Krishna. En slechts één mantra - Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare / Hare Râma, Hare Râma, Râma Râma. Hare Hare. En laat er slechts één levensopdracht zijn - het dienen van de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid.
Achtergrond van de Bhagavad-gîtâ
De Bhagavad-gîtâ bestaat uit een tweespraak tussen S'rî Krishna, God, de Allerhoogste Persoon, en Arjuna, Zijn toegewijde, innige vriend en leerling. Arjuna stelt vragen aan Krishna, die hem antwoordt door hem de wetenschap der geestelijke zelfverwerkelijking uiteen te zetten.
De Bhagavad-gîtâ maakt deel uit van het Mahâbhârata, dat op schrift is gesteld door S'rîla Vyâsadeva, Gods inkarnatie als schrijver, die 5000 jaar geleden op aarde verscheen, evenals S'rî Krishna, om de toekomstige mensengeslachten een weldaad te bewijzen door de Vedische wijsheid voor hen te boekstaven.
De inhoud van het Mahâbhârata behelst een historisch relaas van de wapenfeiten van de grote koning Bharata en zijn nakomelingen tot aan de drie zoons van koning Vicitravîrya: Dhritarâshthra, Pându, en Vidura. Als oudste zoon had Dhritarâshthra de troon moeten erven, maar omdat hij blind was vanaf zijn geboorte, viel de macht toe aan zijn jongere broer, Pându. Pându had vijf zoons: Yudhishthhira, Bhîma, Arjuna, Nakula en Sahadeva: Dhritarâshthra had er honderd, waarvan de belangrijkste Duryodhana heette.
Dhritarâshthra had het feit dat zijn jongere broer de troon zou ervan nooit willen aanvaarden en hij voedde zijn zoons op in het vaste geloof dat de wereld op een dag door hen zou worden geregeerd in plaats van door de Pândava's, de zoons van Pându. Zo groeiden Duryodhana en zijn talrijke broers op terwijl ze vervuld raakten van hun vaders eerzucht, trots en hebzucht. Nu wilde het geval dat Pându voortijdig stierf en zijn zoons onder voogdij van Dhritarâshthra werden geplaatst. Deze trachtte hen en hun moeder, Prithâ, die ook Kuntî genoemd werd, om het leven te brengen. Maar de snode plannen van de blinde werden verijdeld vooral door tussenkomst van Vidura, de oom der Pândava's, en de liefdevolle bescherming van S'rî Krishna.
De krijgslieden en leiders van die tijd, de kshatriya's, hielden zich aan een ere-kode, volgens welke het hun verboden was een uitdaging uit de weg te gaan, of het er nu om ging te strijden of om te spelen of gokken. Door bedrog misbruik makend van deze regel, slaagde Duryodhana erin de vijf broers het koninkrijk te ontfutselen en zelfs hun vrijheid, want hij dwong hen - twaalf jaar - in ballingschap te gaan. Toen deze twaalf jaar verstreken waren, begaven de Pândava's zich naar het hof van Duryodhana en vroegen hem wat land om het te besturen, want volgens de regels der kshatriya's kon een krijgsman geen andere funktie vervullen dan die van beschermer of vorst. De Pândava's wilden zich zelfs tevreden stellen met slechts een dorp, maar Duryodhana gaf hun gramstorig te verstaan, dat hij ze nimmer zelfs maar zó veel grond zou geven, dat ze er een naald in zouden kunnen steken.
Arjuna en zijn broers hadden dus geen andere keus dan hun toevlucht te nemen tot wapengeweld; en zo begon er een strijd van reusachtige omvang. de grote krijgslieden van die tijd uit de hele wereld, die waren opgetrokken hetzij om Yudhishthhira, de oudste der Pândava's op de troon te zetten, hetzij om het te verhinderen, stelden zich bij Kurukshetra op voor de strijd. De slag duurde slechts achttien dagen, maar betekende de dood van het fabelachtige aantal van 640 miljoen mensen, waarbij men dient te bedenken dat de Vedische beschaving een hoge graad van volmaaktheid kende, met name op het gebied van de krijgskunst: men bezat niet alleen kernwapens (brahmâstra's) verfijnder dan die van vandaag, maar ook psychische wapens en nog andere, op basis van water of lucht of vuur, alle van een grote vernietigingskracht.
Om terug te keren naar het begin van de slag: wanneer de legers zich opstellen, tracht S'rî Krishna te interveniëren om een vreedzame regeling tot stand te brengen, maar ondervindt dat Duryodhana vastbesloten is naar eigen goeddunken over de aarde te heersen en zich te ontdoen van de Pândava's, wier bestáán alleen al zijn bestijging van de troon in gevaar brengt.
Als zuivere toegewijden van de Heer en levend volgens de hoogste zedelijke normen, zien de Pândava's Krishna als God, als de Allerhoogste Persoon; maar de zoons van Dhritarâshthra, wie het aan dergelijke normen ontbreekt, zijn blind voor Zijn Goddelijke aard. Niettemin stelt Krishna voor, deel te nemen aan de strijd, waarbij de beide tegenpartijen mogen kiezen hoe Hij ze zal helpen. Hij zal niet meestrijden in eigen Persoon, maar Zijn troepen bevelen met de ene partij mee te vechten, terwijl Hij Zelf naar de andere kant zal gaan als adviseur. De Pândava's kiezen voor de bijstand van de Persoon Krishna en Duryodhana ziet zijn leger versterkt met de troepenmacht van de Heer.
Zo kwam het dat Krishna de Wagenmenner werd van Zijn toegewijde en innige vriend Arjuna. En hier begint dan de Bhagavad-gîtâ: de legers staan in slagorde tegenover elkaar en Dhritarâshthra vraagt ongerust aan zijn sekretaris San'jaya naar de situatie te velde.
Levensbeschrijving van His Divine Grace A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâ
Zijne Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda werd in 1896 in Calcutta geboren. Van zijn ouders kreeg hij de Bengaalse naam Abhay Charan De: "onbevreesd aan de lotusvoeten van de Heer". Omdat zijn ouders Vaisnava's waren, verkeerde A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda vanaf zijn prilste ogenblikken in een geestelijk milieu van het zuiverste water. Abhay Charan De nam aktief deel aan Gandhi's beweging voor geweldloosheid en niet-samenwerking met de koloniale overheersing. Het jaar 1922, waarin hij zijn studie aan de universiteit van Calcutta beëindigde, betekende een keerpunt in zijn bestaan, want hij ontmoette toen de persoon die zijn geestelijk leraar zou worden, Zijne Goddelijke Genade Srî Srîmad Bhaktisiddhânta Sarasvatî Gosvâmî Mahârâja, stichter van de Gaudîya Matha, die haar centra in India nog verder zou uitbreiden (men telde er in 1922 al 64) en ook centra zou vestigen in Londen en Berlijn. Srîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî, die het karakter van de jonge man hogelijk waardeerde en oog had voor zijn talenten, vertrouwde hem de taak toe, het Westen de filosofie van de Bhagavad-Gîtâ te leren kennen.
In 1933 werd Abhay Charan De door Srîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî geïnitieerd en in 1936, kort voordat hij de wereld verliet, gaf Srîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî hem nogmaals zijn wens te kennen dat hij de boodschap van de Bhagavad-Gîtâ naar de westerse landen zou overbrengen.
In 1947 verleende de Gaudîya Vaisnava-sampradâya hem de geestelijke titel Bhaktivedanta. In 1959 nam hij sannyâsa, wat betekent dat hij het wereldse leven de rug toe keerde; zijn vroegere naam werd teruggebracht tot twee letters in de traditionele geestelijke titel Zijne Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda. Hij begaf zich naar Vrindâvana, het dorp waar zich 5000 jaar geleden het kinderspel en de jongensjaren van Krishna hebben voltrokken. In het vertrekje dat hij er bewoonde in de Râdha-Dâmodara Tempel vertaalde hij het eerste canto van het Srîmad Bhâgavatam (en andere heilige teksten) uit het Sanskrit in het Engels en voorzag het van kommentaar. Stapels schriften, bloc-notes en zelfs kranten waarvan hij de onbedrukte rand benutte, raakten bladzij na bladzij volgeschreven met vertalingen en kommentaar. Naast dit grote werk hield A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda zich bezig met het uitgeven van een Engels-talig tijdschrift, Back to Godhead, dat hij in 1944 had opgericht. Hij was zowel redakteur als uitgever, drukker als verspreider. Eens per week ging hij met een arm vol Back to Godhead's de weg op naar New Delhi. Hij liep de thee-huizen binnen en zat er, zonder dat hij maar een glas water dronk, dikwijls tot diep in de avond te praten met de mensen onder wie hij zijn Back to Godhead's verspreidde over de wetenschap die in de Bhagavad-Gîtâ beschreven staat.
In 1965 gaat hij scheep op een vrachtschip met bestemming Verenigde Staten. Zijn hele bagage bestaat uit zijn manuskripen en boeken en 40 roepies. Hij vestigt zich in New York, waar al spoedig zowel de jeugd als de minder jeugdigen de aantrekkingskracht van zijn persoonlijkheid ondergaan; ze beginnen samen met hem de Vedische mantra's te chanten en over de Bhagavad-Gîtâ te praten in een bouwvallige winkelruimte aan de Second Avenue. Voortdurend bezig met het vertalen van Vedische teksten, gunt A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda zich slechts rust tussen 10 uur 's avonds en 2 uur 's ochtends. Het woord "vertalen" wordt hier overigens terecht gebruikt. Want waar anderen zich veeleer hebben beziggehouden met het interpreteren in plaats van vertalen van de teksten uit het Sanskrit, naar gelang hun persoonlijke voorkeur, draagt A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda er zorg voor dat hij in al zijn werken de lezer eerst het originele Sanskrit vers geeft, vervolgens de weergave in ons schrift, dan een woord-voor-woord-vertaling en tenslotte de vloeiende vertaling; pas dán komt hij met zijn betekenisverklaring, welke echter altijd geheel in het licht staat van de Schriften. Men kan dus gemakkelijk nagaan of zijn vertalingen zijn zoals ze behoren te zijn, volgens de Vaisnava-traditie, die deze wijze van uiteenzetten volgt om tot een wetenschappelijke overdracht van de Schriften te komen zonder persoonlijk getinte toevoegingen.
In 1972 wordt in New York de komplete en definitieve uitgave van De Bhagavad-Gîtâ zoals ze is (Bhagavad-Gîtâ As It Is) gepubliceerd door Macmillan, die er