Inhoud | Krishna voor Kinderen | Over Hayesvar Das | Krishna in Vraja en Mathurâ | Uddhava Gîtâ | Bhagavad Gîtâ

Krishna in Dvârakâ


Srî Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Bovennatuurlijke Geschiedenis van het Spel van

Krishna in Dvârakâ


Onverkort herdicht naar de oorspronkelijke Sanskriet verzen van het Bhâgavata Purâna






             


Hoofdstuk 18


Waarin Balarâma de reuzenaap Dvivida straft.
 


De koning zei:

Tekst 1
Ik wil zo graag méér horen van
De wond're daden van Heer Râm',
D' onmetelijk' Oneindige -
Wat heeft Hij verder nog gedaan?

Shukadeva zei:


Tekst 2
Er was een zeek're reuzenaap
Die Dvivid' heette, Bhauma's vriend,
Koning Sugriva's raadgever,
De zeer geduchte broer van Maind'.

Sugriva was de koning van de apen die de Avatâra Râmachandra steunden in Zijn strijd tegen Râvana, de demonische vorst van Sri Lankâ. Dvivida en Mainda waren de asurische zoons van de tweelinggoden bekend als de Ashvins.


Tekst 3
Uit vriendschap jegens Bhaumâsur'
Hield Dvivid' huis in 't ganse land:
Stad, delfgrond, dorp en koeienkraal,
Ja alles stak deez' aap in brand.

Tekst 4
Soms scheurde hij een heuvel los
En smeet er 'n hele streek mee plat,
En wel het liefst nabij het oord
Waar Bhauma's doder, Krishna, zat.

Tekst 5
Tienduizend olifanten sterk
Stond hij soms midden in de zee
En plensde 't water met geweld
Over de kustgebieden heen.

Tekst 6
In d' âshram's van de wijzen, ach,
Keilde Dvivida bomen neer
En met zijn water en zijn drek
Ontwijdde hij hun offervuur.

Tekst 7
Man en vrouw sloot de trotsaard op
In het gebergt' in spleet en grot,
Waar hij een rotsblok tegen lei,
Zoals een wesp een wurm instopt.

Tekst 8
Zo ging hij overal tekeer,
Ja zelfs met menig' eerb're vrouw …
Eens klonk er van de Raiv'tak'-berg
Lieflijk gezang - en hij 'rnaar toe.

Tekst 9
Daar zag hij Râm', de Yadu-telg,
Zijn leden wonderwel gevormd,
Omhangen met een lotuskrans,
Te midden van een vrouwendrom.

Tekst 10
Zijn lichaam glanzend als dat van
Een olifant in bronst zong Hij,
Zijn ogen zwemmend in Zijn hoofd,
Een lied, zat van de vâruni.

De habituele dronkenschap van Sri Balarâma, de Schrager van alle werelden en de Oorsprong van alle Avatâra's, mag natuurlijk niet worden toegeschreven aan gebrek aan weerstand tegen de smaak en werking van een materiële substantie. De traditie geeft aan dat de Heer in werkelijkheid laveloos is van goddelijke liefde. Dat deze liefde zich openbaart nadat Hij Zich flink te goed heeft gedaan aan de vâruni is begoochelend Spel.


Tekst 11
De kwade aap klom op een tak
En rukte bomen heen en weer
Terwijl hij "Kila! Kila!" riep
Om d' aandacht zo door hem begeerd.

Tekst 12
Bij 't zien van zijn brutaliteit
Schoten de meisjes in de lach,
Dol op een pretj' en onbevreesd,
Want Baladeva hield de wacht.

Tekst 13
Dvivida zag hen loerend aan,
Trok zijn wenkbrauwen fronsend saam
En liet hun toen zijn billen zien
Onder het oog van Balarâm'.

Tekst 14
De Sterkste aller krijgers nu
Keilde 'm een rotsblok naar 't gezicht
Maar Dvivida dook ervoor weg
En nam de drankkruik in bezit.

Tekst 15
Met zijn verachtelijk gegrijns
Dreef hij met Baladev' de spot …
Hij reet de meisjes 't goed van 't lijf
En sloeg de honingkruik kapot.

Tekst 16
Toen Râm', beledigd tot en met,
Opkeek naar 't opgeblazen dier
Moest Hij 'raan denken hoe 't in 't land
Had rondgeraasd en rondgetierd.

Tekst 17
Teneinde 't af te maken greep
Heer Balarâm' Zijn ploeg en knots
Maar de geduchte Dvivida
Wrong met één hand een shâl'-boom los.

Tekst 18
In volle vaart wierp hij de Heer
De shâl' naar 't hoofd uit alle macht,
Maar Bala ving de woudreus op
Als had Hij 'r kalmpjes op gewacht …

Tekst 19
En greep Sunand', Zijn oorlogsknots,
En bonkt' er d' aap mee op de kop:
Uit de gebarsten schedel weld'
Een donkerrode bloedstroom op …

Tekst 20
Een open ertsader gelijk
Die van een berg stroomt … Onvervaard
Wrikte Dvivida 'n and're boom
Uit d' aarde los, die hij, ontblaard …

Tekst 21
In razernij naar Râma smeet
Met nog een boom erachteraan,
Maar 's Heren knots, verwoed gezwaaid,
Liet beid' in honderd stukken gaan.

Tekst 22
Aldus vocht Dvivida met Bal'
En scheurde rijen bomen los,
Die alle werden stukgebeukt
En zo raakt' heel de berg ontbost.

Tekst 23
Daarop wierp hij in dolle woed'
Een keienregen naar de Heer
Maar speels sloeg Deze met Zijn knots
Het hele spul in gruizels neer.

Tekst 24
De reuzenaap hief 't armenpaar
Als palmboomstammen lang, o vorst,
Viel met gebalde vuisten aan
En beukte Bala op de borst.

Tekst 25
De Yadu-held liet knots en ploeg
En ramde beide vuisten woest
Op 't sleutelbeen van Dvivida,
Die brakend neerzeeg in zijn bloed.

Tekst 26
Terwijl hij neerviel sidderde
De berg met bomen, top en al,
O Kuru-tijger, als een schip
Dat door de storm wordt rondgezwalpt.

Tekst 27
"All' eer!" "Victorie!" "Wel gedaan!"
Riep heel de hemel tot de Heer -
Yogi's, wijzen en godenschaar -
En bloesemregens daalden neer.

Tekst 28
Nadat Hij Dvivid' had gedood,
Die alom huisgehouden had,
Ging d' Alvervulde door het volk
Geprezen binnen in Zijn stad.



(Bron: S.B. 10.67)

 



       

                              




Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Site-overzicht | Zoeken