Inhoud | Krishna voor Kinderen | Over Hayesvar Das | Krishna in Vraja en Mathurâ | Uddhava Gîtâ | Bhagavad Gîtâ

Krishna in Dvârakâ


Srî Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Bovennatuurlijke Geschiedenis van het Spel van

Krishna in Dvârakâ


Onverkort herdicht naar de oorspronkelijke Sanskriet verzen van het Bhâgavata Purâna






             



Hoofdstuk 31


Waarin Krishna een berooide brahmaan ontvangt.
 


De koning zei:

Tekst 1
O alvervulde, 'k wil zo graag
Van alles nog vernemen van
De daden van die Grote Ziel,
Hari, die werk'lijk alles kan.

Tekst 2
Wil een vermoeid genotzoeker
Die weet waar 't Hoogste Goed ligt, heer,
En die ooit iets van Krishna heeft
Gehoord, niet vérder horen meer?

Tekst 3
Die mond is slechts mond die Zijn heerlijkheid prijst,
Die geest is slechts geest die 'M in alles herkent,
Dat oor is slechts oor dat van Hem alleen hoort,
Die hand is slechts hand die uitsluitend Hem dient.

Tekst 4
Dat hoofd is slechts hoofd dat zich buigt voor Zijn Vorm,
Dat oog is slechts oog dat Hem overal ziet,
Dat lijf is slechts lijf dat van 't waswater van
Zijn voeten en die van Zijn dienaars geniet.

Suta zei:

Suta is een wijze die het relaas van Shukadeva aan Parikshit doorvertelt aan een kring van rishi's.


Tekst 5
Op dit verzoek van Parikshit
Zei d' alvervulde Shukadev'
Wiens hart volkomen opging in
D' algrote Zoon van Vasudev':

Shukadeva zei:

Tekst 6
Hari had een brahmaanse vriend
Die alles van de Ved' afwist;
Hij was onthecht van zingenot
En door en door sereen van geest.

Tekst 7
Hij was tevree met wat hij kreeg
En vroeg of werkte niet om méér;
Zijn vrouw, in lompen net als hij,
Was van de honger uitgeteerd.

In de Vedische samenleving dient men een heilige brahmaan, leraar van alle maatschappelijke geledingen, eigener beweging van het nodige te voorzien. De brahmaan vertrouwde zo op de Heer, dat wanneer tegen alle Vedische principes in niemand hem wat bracht, hij toch niet uit bedelen of uit werken ging. Zijn trouwe echtgenote stond hem in dit zelfverloochenend vertrouwen op de genade van de Alvervulde onwankelbaar terzijde.


Tekst 8
Haar heer en meester toegewijd
Kwam zij doodarm, totaal verzwakt
En sidderend van uitputting
Tenslotte naar hem toe en sprak:

De vrouw van de brahmaan zei:

Tekst 9
Ach welvervulde, ben je niet
Rechtstreeks bevriend met d' Echtgenoot
Van de Godin van het geluk,
Die de brahmanen helpt in nood?

Tekst 10
Gezegende, ga naar Hem toe,
Die Toevlucht van elk edel mens,
En Hij zal j' alles geven wat
Je lijdende gezin maar wenst.

Tekst 11
Hij woont in Dvârakâ als Heer
Van Vrishni, Bhoj' en Andhaka;
Daar geeft Hij, d' Alvader, Zich aan
De dienaars van Zijn voetenpaar
En schenkt hun wat ze wensen ook
Al is 't het wensen niet eens waard.

Shukadeva zei:

Tekst 12
Terwijl ze 't need'rig telkens vroeg
Dacht de brahmaan uiteindelijk:
" 't Aanschouwen van d' Alroemrijke -
Wat is er mooier eigenlijk?"

Tekst 13
Het was deez' overweging die 'm
Besluiten deed op weg te gaan:
"Is er nog iets in huis," vroeg hij,
"Om Hem te geven?  Geef't me dan."

Tekst 14
Ze ging bij de brahmanen rond
En kreeg vier handjes pofrijst zo,
Die z' in een lap bond en haar man
Meegaf op reis als hun cadeau.

Tekst 15
Daarmee reisde de nobelste
Der priesters af naar Dvârakâ
Terwijl hij dacht: "Hoe zal ik Hem
Aanschouwen als ik voor Hem sta?"

Tekst 16
Met and're priesters liep hij door
Drie wachtkampen en driemaal 'n wal
De stad binnen van 't Vrishni-volk,
Dat Krishna diende bovenal.

Tekst 17
Daar ging hij een der huizen in
Der zestienduizend Vrouwen van
Sri Bhagavân - een pronkjuweel -
Door vreugd' onzegbaar overmand.

Tekst 18
Hari, die op het rustbed lag
Van Zijn Prinses, kwam op de been,
Haastte Zich lachend op hem toe
En sloeg Zijn armen om hem heen.

De ontmoeting vond plaats na de Slag bij Kurukshetra, toen Krishna al in de negentig was maar net als Rukmini er nog steeds als een twintigjarige uitzag. Zijn brahmaanse vriend echter had het voorkomen van een grijsaard.


Tekst 19
D' aanraking van Zijn lieve vriend
Ontroerde Mâdhava zo diep
Dat 'r uit Zijn lotusogen, ach,
Een stroom van vreugdetranen liep.

Tekst 20
Hij zette 'm op het rustbed neer
En bracht hem hoogstpersoonlijk eer:
Zo wies Hij 'm eigenhandig ook
De voeten, d' alvervulde Heer.

Tekst 21
De Wereldlouteraar nam toen
Het water op Zijn kruin, o vorst,
En smeerde 'm sandel met saffraan
En aloë op hoofd en borst.

Tekst 22
Hij wuifde wierook heen en weer
En offerde 'n ghi-lampjesrij
En schonk Zijn vriend pân en een koe
En praatte zoetgevooisd en blij.

Tekst 23
In lompen zat daar de brahmaan,
Dun, vuil, zijn aders opgezet,
Maar Rukmini wuifde hem Zelf
Koelte toe op Haar eigen bed.

De Naam van Rukmini wordt in de Sanskrit tekst niet genoemd - er staat Devi: de Godin - maar de traditie is het erover eens dat Krishna's zoete wil de arme brahmaan Rukmini's paleis in had geleid.


Tekst 24
Toen Krishna - geen zo rein van eer -
D' onreine zoveel liefde gaf
Stonden de vrouwen van 't paleis,
Die het gebeuren zagen, paf.

Hier met "onreine" vertaalde Sanskrit-woord avadhuta betekent letterlijk "afgeschud" en duidt iemand aan op wie stof en vuil geworpen is; het verwijst in het bijzonder naar een yogi die uiterlijk smerig en naakt is als een aap, maar innerlijk zo rein als een dauwdruppel.


De vrouwen zeiden:

Tekst 25
Wat moet die vuile bedelaar,
Straatarm, met haast geen kleren aan,
Door alle mensen diep veracht,
Wel niet voor vrooms hebben gedaan …

Tekst 26
Dat nu de Leraar van 't heelal,
Die Sri, wier Heil Hij is, eenzaam
Op bed liet liggen, hem daar eert
En haast omhelsd' als Balarâm'?

Shukadeva zei:

Tekst 27
De twee - ze zaten hand in hand -
Herinnerden elkaar verrukt
Aan hoe het was toen ze nog bij
Hun guru woonden, jaren t'rug.

De Alvervulde zei:

Tekst 28
Toen je na je discipelgift
Van Gurudev' was weggegaan,
O dharmakenner - kreeg je 'n vrouw
Die bij je hoorde, o brahmaan?

Tekst 29
Ik weet dat jij als echtgenoot
Vrij van genotverlangen bent
En dat je niets om rijkdom geeft
Daar je de Waarheid immers kent.

Tekst 30
Een enkeling verricht zijn taak
Innerlijk van genot gespeend,
Van uiterlijke drang bevrijd -
Zie Mij - tot voorbeeld van elkeen.

Tekst 31
Weet je nog - thuis bij Sri Gurú?
Daar krijg je kennis, 't kennen waard,
Waardoor 'n tweemaal geborene
Nergens meer duisternis ontwaart.

De eerste geboorte is die uit de moederschoot; de tweede die uit de inwijding ontvangen van de geestelijk leraar. Een tweemaal geborene wordt dvi-ja genoemd.


Tekst 32
Onze vader is leraar één;
Twee: hij die dvi-ja's binnenleidt
In 't geestelijk bestaan; drie: hij
Die élk verlicht - ken hém als Mij.

Tekst 33
Diegenen kennen hun belang
Die waar z' ook in het leven staan
Hun leraar - Mij - gehoorzamen
En zo samsâra overgaan.

Tekst 34
Ik - 't Zelf in al 't geschapene -
Geniet minder van offers, boet',
Onthechting, 't wijdingsritueel
Dan van de dienst aan Sri Gurú.

Tekst 35
Weet je nog van die keer dat wij
In 't huis van Gurudev', brahmaan,
Door Guru's vrouw werden gevraagd
Naar hout voor 't vuur op zoek te gaan?

Tekst 36
We liepen door het dichte woud
Toen er plots - buiten 't jaargetij -
Een vreselijke storm opstak -
Een daverende donderbui!

Tekst 37
De zon ging onder en alom
Heerste volkomen duisternis,
Het water steeg en 't onderscheid
Van hoog en laag werd uitgewist.

Tekst 38
Getroffen door stormvlaag en storthoos keer op keer
Terwijl onophoudelijk 't water om ons steeg,
Ach, grepen w' elkaar bij de hand daar in dat bos,
Verbijsterd, verloren - we kenden heg noch steg.

Tekst 39
Toen Meester Sândipani ons
Niet thuis zag toen de dag aanbrak
Zocht hij rond naar zijn leerlingen
En vond ons daar verward en zwak.

Het noodweer dat over de sprokkelaars losbarstte is behalve een adembenemend reëel gebeuren een pakkende metafoor voor de storm van het materiële bestaan en de duisternis der onwetendheid, waaruit de oprechte leerling door zijn leraar wordt gered.


Sândipani zei:

Tekst 40
Ach jongens van me, wat een leed
Heb je om mijnentwil doorstaan!
Hoe toegewijd zijn jullie niet,
Want hángt men niet aan zijn bestaan?

Tekst 41
Uit dank voor al zijn onderricht
Zal 'n ware leerling wát hij heeft,
Ja zelfs zijn lichaam, rein van hart
Wegschenken aan zijn Gurudev'.

Tekst 42
O dvi-ja-parels, mogen al
Je wensen in vervulling gaan
En mag de Veda immer nieuw
Altijd in jullie voortbestaan!

De Alvervulde zei:

Tekst 43
En zo gebeurd' er heel wat meer
Met ons bij Gurudeva thuis:
Slechts door zijn gunst ontvangt een mens
De ware vreed' en wordt hij wijs.

De brahmaan zei:

Tekst 44
Ja, wat bereikten wij daar niet,
O God der goden, Al-leraar,
Bij Guru thuis, want als Gíj 't wenst
Komt alles altijd voor elkaar.

Tekst 45
Heer, Uw Verschijning, Bron van heil,
Is louter Geest, de Veda Zelf,
En daarom was Uw leerlingschap
Niets anders dan Uw hevig Spel.



(Bron: S.B. 10.80)

 



       


                              




Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Site-overzicht | Zoeken