Inhoud | Krishna in Vraja en Mathurâ | Krishna in Dvârakâ | Uddhava Gîtâ | Bhagavad Gîtâ | Over Hayes'var Das

Krishna voor Kinderen


Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Wonderbaarlijke Avonturen van
Krishna en Balarâma
Een bewerking voor de jeugd
van deze oeroude geschiedenis uit de Bhâgavata Purâna





           

   




             

1


De Grote Tovenaar


 

Wanneer het niet zo goed gaat met de wereld, stuurt God soms een redder. De ene keer stuurt hij een profeet, zoals Mohammed. De andere keer stuurt hij een zoon, zoals Jezus. En de hindoes zeggen dat hij soms zelf komt. Of denk je dat hij zelf niet komen kan? God kan alles. Hij heeft het hele heelal gemaakt, de sterren, de zon en de maan. Hij heeft de planten, de dieren en de mensen gemaakt en ook de goden. Hij is de Grote Tovenaar. Hij hoeft maar ergens aan te denken en het bestaat. Hij hoeft maar te zuchten en er loopt een nieuw soort beest rond. Hij hoeft maar met zijn vingers te knippen en de woestijn verandert in een oerwoud. Hij is almachtig.

Wat hij ook kan is zelf van vorm veranderen. Of zichzelf vermenigvuldigen. Hij kan eruit zien zoals hij wil: als man, als vrouw, als kind, als dier, als berg, als rivier, als een hele kudde kalveren, als een onafzienbare zee van zuiver licht. Maar hij heeft ook zijn eigen gedaante en zijn eigen naam. Die naam is Vishnu. Dat betekent: de Allergrootste.

Zijn gedaante lijkt op het lichaam van een mens maar heeft vier armen. Als je dat vreemd vindt, denk dan maar dat er op onze aarde ook wezens zijn met meer ledematen. Vlinders en libellen met hun zes poten en hun vier vleugels. Inktvissen met hun acht armen. Spinnen met hun acht poten. Dat vindt niemand vreemd. De Grote Tovenaar heeft deze schepselen gemaakt. Dus waarom zou hij ook niet zichzelf een paar extra armen kunnen geven? Eén ding van hem is voor ons mensen ècht vreemd. Dat is dat hij geen ouders heeft. Alle mensen en dieren hebben ouders. Maar Vishnu heeft geen vader en geen moeder. Hij is nooit geboren. Hij is er altijd geweest. En hij zal er altijd zijn. Dat is een van de meest bijzondere dingen van God. Alle christenen, moslims en hindoes zijn het daarover eens.

Hoewel Vishnu geen ouders heeft, heeft hij wel een vrouw. Ze heet Lakshmî. Die naam betekent: Geluk of Rijkdom. Ook Lakshmî heeft geen vader en moeder zoals wij mensen. Ook zij zal er altijd zijn. Vishnu en Lakshmî zijn eeuwig samen. Ze zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden: als God en Godin. In de Bijbel van de christenen en in de Koran van de moslims lees je daar niet over. Die hebben hun eigen mooie verhalen over God. Maar in de Veda's en de Purâna's wordt er in geuren en kleuren over Lakshmî en Vishnu verteld. De Veda's en de Purâna's zijn de heilige boeken van de hindoes. Ze behoren tot de oudste geschreven teksten van de wereld.

In zijn vier handen draagt Vishnu vier voorwerpen. Een rijk versierde knots. Een bloeiende lotusbloem. Een vlammende werpschijf. En een schelp of kinkhoorn. Deze vier voorwerpen geven zijn grootheid aan. De knots betekent dat hij Heer en Meester is van het heelal. De lotus betekent dat zijn hart vol zoete liefde is. De werpschijf is het wapen waarmee hij het kwaad in de wereld vernietigt. En de schelp of kinkhoorn - als hij daar op blaast, heerst er overal vrede.

We hebben gezegd dat Lakshmî en Vishnu eeuwig zijn. Je zou denken dat ze dan ook krom en gerimpeld moeten zijn. Maar dat is niet waar. Ze zien er altijd uit alsof ze niet ouder zijn dan zeventien of achttien jaar.  'Eeuwige jeugd' noemen we dat. Voor ons is dat een wonder. Een ander wonder van Vishnu is dat er in hem vele andere goddelijke personen wonen. Al die personen zijn aan hem gelijk. Maar veel zien er anders uit dan hij. Als een van zulke personen daalt hij soms op aarde neer. De twee beroemdste heten Krishna en Râma. Het zijn de helden van alle hindoes. Ze hebben allebei hun eigen verhaal, dat in verzen gezongen wordt. Het verhaal van Râma staat in het Râmâyana: vierentwintigduizend verzen. Het verhaal van Krishna staat in het Mahâbhârata, het dikste boek van de hele wereld: honderdduizend verzen. Het staat ook in een kleiner boek, van achttienduizend verzen: het beroemde Bhâgavata Purâna. Daarin kun je ook lezen dat het eigenlijk Krishna is die God Zelf is. Het Bhâgavata Purâna is voor miljoenen hindoes wat de Bijbel voor de christenen is en de Koran voor de moslims.

In dit boek, hier, vertellen we het verhaal van Krishna zoals het in het Bhâgavata Purâna staat. We zullen vertellen hoe Vishnu als Krishna op aarde verscheen. Hoe hij als kind ter wereld kwam en onder koeherders opgroeide. Hoe hij met de herdersjongens en -meisjes speelde en streken uithaalde. Hoe hij met monsters en machtige magiërs vocht. Hoe hij een berg optilde. En hoe hij de duivelse koning Kamsa en zijn bondgenoten versloeg. Dat zullen we allemaal vertellen - en nog veel meer!

Van Vishnu zingen we dit lied:
God zelf, die als een herderskind
In 't oude India verscheen.
Geen kind dat het niet prachtig vindt.

(bron: S.B. 1.3 & 2.2)

       


                              




  Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Zoeken