Inhoud | Krishna in Vraja en Mathurâ | Krishna in Dvârakâ | Uddhava Gîtâ | Bhagavad Gîtâ | Over Hayes'var Das

Krishna voor Kinderen


Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Wonderbaarlijke Avonturen van
Krishna en Balarâma
Een bewerking voor de jeugd
van deze oeroude geschiedenis uit de Bhâgavata Purâna





           

   




3


De Stem uit de Hemel


 

Het was goed gezien van Vishnu om in de familie Yadu te verschijnen. Want daar zat hij meteen bij de ergste van alle schurken: Kamsa, de zoon van de goede koning Ugrasena van Mathurâ. De naam Kamsa betekent: Staal-hard. Op een dag was er een bruiloft in de familie. Kamsa's nichtje Devakî trouwde met prins Vasudeva. Devakî betekent: Stralende. En Vasudeva betekent: Zuivere. Hun karakter stemde volkomen met hun naam overeen. Kamsa was dol op zijn nichtje. Uit familieliefde wilde hij haar en Vasudeva na de bruiloft naar huis rijden. Ze zaten op een gouden wagen en hij hield de teugels al in de hand.

Devakî's vader gaf het bruidspaar vele geschenken. Vierhonderd olifanten met gouden halssnoeren. Achttienhonderd wagens. En tienduizend prachtig opgetuigde paarden. En er gingen tweehonderd mooie jonge dienaressen mee. Onder tromgeroffel en hoorngeschal mende Kamsa de gouden wagen uit de menigte. Toen ze te midden van gonzende hommels en zingende vogels door het open veld reden, klonk er uit de hemel opeens een stem, die donderend riep: 'Jij dwaas van een schurk! Luister goed! De achtste zoon van de bruid zal jou van het leven beroven!' Daarna was het stil. Kamsa schrok zo dat hij zijn liefde voor Devakî vergat. Hij greep haar bij het haar en trok zijn zwaard om haar te doden. Dan zou ze geen zonen kunnen krijgen die hem om het leven konden brengen. Maar hij wist niet dat Devakî's achtste zoon Vishnu zou zijn, God zelf. En dat Devakî niet gedood kon worden, omdat Vishnu haar beschermde.

De bruidegom was ongewapend. Hij begreep dat hij Kamsa alleen met vleiende woorden kon tegenhouden. 'Beste Kamsa', zei hij haastig. 'Je bent toch een grote held? Hoe kun je dan je eigen nichtje doden? Een zwakke jonge vrouw? En dat ook nog op haar bruiloftsdag? Dood gaan doen we vroeg of laat allemaal. Maar daarna worden we allemaal weer geboren. Dan krijgt de ziel, die we eigenlijk zijn, weer een nieuw leven. Maar als we in dit leven niet oppassen, krijgen we een leven dat we helemaal niet willen. Want het kwaad dat we nu anderen aandoen, doen anderen òns dan aan. Leven we zuiver, dan worden we wedergeboren onder zuivere mensen. Of misschien mogen we wel naar God. Maar als we wreed zijn, zullen wij in ons volgende leven in handen van wreedaards vallen. Daarom moeten we anderen nooit leed aandoen. Anders zullen we na onze volgende geboorte steeds in angst moeten leven. Dit meisje hier, Devakî, is bijna nog een kind. Een held als jij moet haar niet doden maar juist beschermen!' Maar Kamsa hield zijn zwaard geheven.  Snel zei Vasudeva: 'Die stem uit de hemel zei maar wat, beste neef. Hoe kan een jonge vrouw een held als jij nu in gevaar brengen!'

Hij dacht: 'Misschien krijgt ze niet eens kinderen. Of misschien is die schurk van een Kamsa al dood voordat ze haar eerste kind krijgt!' En hij zei: 'Ik beloof je, Kamsa, dat ik je elke zoon zal brengen die ze krijgt. Maar laat háár alsjeblieft in leven.'

Eindelijk liet Kamsa zijn zwaard zakken. Hij wist dat Vasudeva altijd zijn woord hield.

In de loop van de tijd liet Devakî het levenslicht zien aan acht zoons en een dochter. Meteen na de geboorte bracht Vasudeva de eerste jongen naar Kamsa, maar die zei: 'Neem maar weer mee. De àchtste jongen moet ik hebben. Die zou me toch doden?'

In die dagen daalde Nârada, de grote leraar van de goden, in Kamsa's koninklijke burcht Mathurâ neer. Hij liet de ellendeling weten dat Vishnu en alle goden als baby's in zijn familie geboren zouden worden. En dat niet alleen Kamsa gedood zou worden maar ook al zijn bondgenoten. Nârada was nog niet weg of Kamsa zette Devakî en Vasudeva gevangen. In zijn angst zag hij in ieder lid van de grote familie Yadu een god. En ieder kind van Devakî zag hij nu voor Vishnu aan. Hoe Devakî ook huilde, geen van haar zoons liet Kamsa in leven. Zodra er weer een geboren was, doorstak hij het kind. Zo dol van angst en gekheid was Kamsa dat hij zijn eigen vader opsloot: de goede koning Ugrasena, heer van alle Yadu's en van vele andere families. Zo greep de gruwelijkste van alle schurken de macht.

Hoe moet het met de mensen gaan
Wanneer de vorst een wreedaard is?
Dan wordt het tijd dat God verschijnt:
Als Redder in benauwenis.

(bron: S.B. 10.1 & 10.2)

       


                             




  Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Zoeken