Inhoud | Krishna in Vraja en Mathurâ | Krishna in Dvârakâ | Uddhava Gîtâ | Bhagavad Gîtâ | Over Hayes'var Das

Krishna voor Kinderen


Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Wonderbaarlijke Avonturen van
Krishna en Balarâma
Een bewerking voor de jeugd
van deze oeroude geschiedenis uit de Bhâgavata Purâna





           




             

8


De Kar en de Windhoos


 

Hoewel hij Koning is van het Heelal, deed Vishnu alsof hij een hulpeloos kind was. Net als een echte baby lag hij op zijn ruggetje te spartelen en geluidjes te maken. Na een poosje begon hij zijn best te doen om zich op zijn buikje te draaien. Maar steeds weer viel hij terug, zijn wangetjes rood van inspanning.

Eindelijk, op een dag, lukte het. God lag op zijn buik! Moeder Yas'odâ - haar naam betekent: zij die beroemd maakt - was natuurlijk trots als een pauw. Ze riep alle dorpsvrouwen erbij en met hun allen maakten ze er een geweldig feest van. Ook de priesters moesten komen. Want wanneer een kind zich met zo veel inspanning op zijn buikje heeft gedraaid, moet God worden geëerd! Alle kracht komt immers van hem! En wat een lekkere dingen werden er niet klaargemaakt! Yas'odâ kwam handen te kort om de dorpelingen vol te stoppen. Daarom legde ze Vishnu zo lang onder een kar op het erf.

Het was, zoals altijd in India, heel erg warm. De mensen zaten buiten te smullen. Gewoon met gekruiste benen op een lap op de grond. De kar waaronder de baby was neergelegd was volgeladen met potten en kruiken. De vrouwen liepen af en aan om de kommen van de eters uit de kruiken en potten bij te vullen. Maar er was er één op het omdraaifeest die werd overgeslagen. Die kreeg niets te eten of te drinken, terwijl hij toch een geweldige honger had. Dat was Vishnu zelf, die onder de kar begon te huilen. Maar zo druk zat iedereen om hem heen te babbelen en te lachen dat niemand er wat van merkte.

Als een echte baby begon de Almachtige met zijn tere voetjes te trappelen. En wat gebeurde? Een van zijn roze teentjes raakte een wiel van de kar. Normaal zou er van zo'n aanrakinkje niets met zo'n kar kunnen gebeuren. Maar omdat het God was wiens teentje het karrenwiel raakte, stortte de hele kar krakend in elkaar. En alle potten en kruiken aan diggelen! De baby mankeerde niets. Hij huilde wel, maar dat was nog steeds van de honger. Bleek van schrik raapte moeder Yas'odâ het mannetje op en gaf het dadelijk de borst.

De feestvierders zaten verbijsterd. Hoe kon die kar zo maar ineens in elkaar zakken! Een paar jongens, die de baby hadden zien trappelen, vertelden hun hoe het gekomen was. Maar niemand geloofde dat verhaal. Een baby die een grote kar omver schopt … De herders lapten de kar op. De priesters offerden graan en boter in een vuur, dat voor hun gevoel de mond van Vishnu was. Vader Nanda waste zijn zoontje in een kruidenbad. En weer werden er koeien cadeau gegeven.

Op een keer, toen de baby bij zijn moeder op schoot lag, werd hij zo zwaar, dat ze hem moest neerleggen. Zo liet Vishnu haar even voelen dat hij geen gewoon kind was. Hij droeg het heelal in zijn buikje! Als je daarover nadenkt, voel je dat het een wonder was dat hij zich door een gewoon mens kon laten optillen … Terwijl Vishnu op de grond lag, verscheen er in het dorp Gokula plots een wervelwind. Hij stormde op het ventje af en sleurde het mee omhoog. Zo veel zand en stof slingerde hij in het rond, dat niemand nog wat kon zien …

Verblind tastte moeder Yas'odâ in het rond. Toen ze haar kind nergens voelde, viel ze luid huilend neer. Ze leek wel een koe die haar kalfje was kwijtgeraakt. De andere vrouwen hoorden Yas'odâ jammeren en ook zij huilden het uit. De wervelwind vloog al brullend zo hoog hij kon de lucht in. En daar, helemaal in de hoogte, liet de baby weer voelen wie hij was. Zwaarder dan een rotsblok werd hij. Onder zijn gewicht begon de wervelwind in elkaar te zakken. Nu moeten we er hier eventjes bij vertellen dat de wervelwind een van Kamsa's magiërs was, die zich in een windhoos had veranderd. Vishnu wist dat natuurlijk al lang. En wat deed hij? Met zijn vingertjes zocht hij naar de keel van de duivelse tovenaar. Toen kneep hij hem keihard dicht. Dat hielp.

Het monster staakte zijn gebrul en languit viel de torenhoge wervelwind om. De rond tollende stofhoos sloeg tegen een rots aan flarden, met de baby vrolijk kraaiend erbovenop.

Oef, wat waren de herders en de herderinnen blij dat ze hun kereltje heelhuids terug hadden. Ze dankten Vishnu dat hij hun lieveling het leven had gered. Ze wisten nog steeds niet dat het kereltje Vishnu zelf was! Yas'odâ gaf de Heer de borst. Vishnu sabbelde en sabbelde. Toen hij helemaal vol zat, streek Yas'odâ met haar wijsvinger teder over zijn rode lipjes. Hij deed zijn mondje open om een boertje te laten. En daar keek zijn moeder haar ogen uit … Want in het mondje zag ze de sterren, de zon en de maan, de bergen en de bossen, de zeeën en de rivieren, ja alles wat er bestond, of het nu bewoog of niet …

De wereld in haar zoontjes mond!
Yas'odâ trilde als een blad …
Ze keek haar mooie ogen uit
En wist bij God niet hoe ze 't had

(bron: S.B. 10.7).

       


                             




  Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Zoeken