Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling: http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het Verhaal van de Fortuinlijke"
CANTO 10 - Deel III
Het Hoogste Goed
Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda
Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij
Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden
Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura
Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ
Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda
Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna
Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî
Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd
Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna
Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht
Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven
Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ
Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi
Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî
Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk
Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend
Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen
Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon
Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld
Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur
Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida
Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhâgavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf onderafdelingen, z.g. Canto's. Deze afdelingen vertellen het volledige verhaal van de Vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, ten einde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur) en de latere versie van dit boek van de hand van Svâmî Prabhupâda. De laatstgenoemde vertaler vertegenwoordigt als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude Indiase vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel India, Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dankbetuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereld- verzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vanaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
Doorgaans werd de woord voor woord vertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van Prabhupâda, (die hoofdzakelijk zijn ontleend aan Sâstrî) en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van Sâstrî's oorspronkelijke versie en het Monier-Williams Sanskriet woordenboek. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek is de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie bij ieder vers opgelinkt zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap.
Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial- Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 2 augustus 2010.
Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda
(1) S'rî S'uka zei: 'De beste raadgever van de Vrishni's was Krishna's geliefde vriend Uddhava [zie ook 3.2], een directe leerling van Brihaspati van de fijnste intelligentie. (2) Tot hem, Zijn meest geliefde, unieke toegewijde sprak op een dag de Allerhoogste Heer Hari, die het leed wegneemt van de overgegeven zielen, waarbij Hij zijn hand in de Zijne nam. (3) 'Alsjeblieft Uddhava, o zachtgeaarde, ga voor het genoegen van Mijn ouders naar Vraja en bevrijdt, door mijn berichten over te brengen, de gopî's van de zielepijn gescheiden van Mij te zijn. (4) Zij verzonken in Mij, met hun geesten op Mij gevestigd, hebben Mij tot hun levensdoel gemaakt met het afzien van al het fysieke [van een echtgenoot, thuis en kinderen, zie 10.29: 4]. Met begrip voor hen die te Mijnentwille deze wereld en haar morele verplichtingen achter zich lieten, onderhoud Ik hen die Mij alleen als hun geliefde en meest beminde Zelf hebben. (5) De vrouwen van Gokula aan Mij terugdenkend, hun gekoesterde voorwerp van de liefde zo ver van hen vandaan, mijn beste, verliezen hun verstand overweldigd als ze zijn door de zorgen van hun gescheidenheid [zie ook B.G. 2: 62-64]. (6) De koeherdersvrouwen Mij volledig toegewijd houden het, met Mijn beloften weer terug te keren, met grote moeite uit, op de een of andere manier hun levens gaande houdend.'
(7) S'rî S'uka zei: 'Met Hem aldus gesproken hebbend, o Koning, aanvaardde Uddhava vol respect de boodschap van zijn Instandhouder, klom hij in zijn wagen en begaf hij zich in de richting van het koeherdersdorp van Nanda. (8) Juist toen de zon aan het ondergaan was bereikte de fortuinlijke ziel Nanda's weidegronden, alwaar hij onopgemerkt passeerde vanwege het stof van de hoeven van de dieren die naar huis kwamen. (9-13) Met de geluiden van de stieren die bronstig elkaar om de vruchtbaren bevochten, met de koeien die met volle uiers achter hun kalveren aanzaten, met de sier van witte kalfjes die ronddartelden hier en daar en met het melken en de luide klanken van de fluiten, waren de fijntjes behangen gopî's en gopa's, goedgunstig zingend over de daden van Balarâma en Krishna, schitterend. Het was allemaal hoogst aantrekkelijk met de huizen van de gopa's vol van de wierook, lampen en bloemenslingers voor het eerbetoon voor het vuur, de zon, de gasten, de koeien, de brahmanen, de voorvaderen en de goden [zie ook 10.24: 25]. Het bos aan alle kanten bloeiend weerklonk van de zwermen bijen, de zangvogels en de kârandava-eenden en de zwanen die zich verzamelden rond de lotusbedden die het geheel opluisterden. (14) Met hem aangekomen naderde Nanda de geliefde volgeling van Krishna en omhelsde hij hem, gelukkig erover van eerbetoon te kunnen zijn met Heer Vâsudeva voor de geest. (15) Hij vergastte hem op de fijnste spijzen, liet hem plaatsnemen op een gemakkelijke sofa om van zijn vermoeidheid te bekomen en zorgde voor een massage voor zijn voeten en dergelijke, en vroeg: (16) 'O beste en allerfortuinlijkste, gaat alles goed met de zoon van S'ûra [Vasudeva] die zijn weldoeners zo toegewijd is, nu dat hij is vrijgekomen en herenigd met zijn kinderen? (17) Welk een geluk dat de kwaaie Kamsa, die voortdurend de immer rechtschapen en deugdzame Yadu's haatte, vanwege zijn zonden samen met zijn volgelingen ter dood is gebracht! (18) Denkt Krishna nog aan ons, Zijn moeder, Zijn weldoeners en vrienden, de gopa's van Vraja van wie Hij de meester is, de koeien, het bos Vrindâvana en de berg? (19) Komt Govinda terug om nog één keer Zijn mensen te treffen zodat we een blik kunnen werpen op Zijn gelaat, Zijn prachtige neus, Zijn vriendelijke glimlach en Zijn ogen? (20) Door Krishna, die zo heel grote Ziel, werden we beschermd tegen onoverkomelijke doodsbedreigingen als een bosbrand, de wind en de regen, alsook tegen een stier en een serpent. (21) De herinnering aan Krishna's heldendaden, speelse zijdelingse blikken, glimlachen en woorden, mijn beste, deed ons allen onze materiële zorgen vergeten. (22) Bij hen die de locaties zien waar Hij speelde, de rivieren, de heuvels en de verschillende delen van het woud die door Zijn voetstappen werden opgesierd, vindt de geest volledige verzonkenheid in Hem. (23) Ik denk dat Krishna en Râma, zoals beaamd door Garga [zie 10.8: 12], van al de halfgoden de twee meest hoogstaande zijn op deze planeet, hier aanwezig voor een grote en heilige zaak van God. (24) Immers werden Kamsa, die zo sterk was als tienduizend olifanten, de worstelaars en de koning der olifanten als betrof het een spelletje door Hen beiden gedood, zo eenvoudig als dieren door koning leeuw. (25) Een boog zo massief als vijftig centimeter dik [drie tâla's] werd door Hem zo koninklijk als een olifant gebroken als was het een stokje en voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand een berg omhoog! (26) Pralamba, Dhenuka, Arishtha, Trinâvarta, Baka en andere demonen, die zowel Sura als Asura de baas waren, werden door Hen met gemak gedood.'
(27) S'rî S'uka zei: 'Nanda aldus keer op keer herinneringen ophalend, raakte, volledig opgegaan in Krishna, uiterst van streek en viel toen stil overmand door de kracht van zijn eigen zuivere liefde. (28) Moeder Yas'odâ, die de beschrijvingen aanhoorde van de activiteiten van haar zoon, liet haar tranen de vrije loop waarbij haar borsten nat werden van haar liefde. (29) Met het zien van hen twee, in deze toestand van hun opperste aantrekking in liefde voor de Allerhoogste Heer, sprak Uddhava in extase. (30) S'rî Uddhava zei: 'Jullie tweeën zijn ongetwijfeld, met het hebben ontwikkeld van een mentaliteit als deze voor Nârâyana die de geestelijk leraar is van iedereen, de meest lovenswaardige van alle belichaamde wezens hier in deze wereld, o respectvolle. (31) De twee van Mukunda en Râma vormen voorwaar het zaad en de baarmoeder van het universum; Zij zijn het Oorspronkelijke Mannelijk Beginsel en Zijn Creatieve Vermogen die de levende wezens met kennis en beheersing bijstaan in al hun [verwarring en] verscheidenheid. (32-33) Die persoon die in dit leven innerlijk verdeeld enkel maar een ogenblik zijn geest doet opgaan [in Hem] zal op dat moment meteen alle sporen van karmische onzuiverheden uitwissen en zich op weg bevinden naar de hoogste bestemming in een geestelijke gedaante met de kleur van de zon. Met jullie goede zelf die Hem, de grote Ziel en het grote Zelf dat voor een ieder de reden van bestaan vormt, die Hem, Nârâyana, de Uiteindelijke Oorzaak in een sterfelijke gedaante, met alles wat jullie kunnen de hoogste en zuiverste liefde geven, welke goede daden zouden er dan nog voor jullie overblijven om te verrichten? (34) Over een niet al te lange tijd zal Acyuta, [als] de Opperheer, de Meester en Beschermer van de Toegewijden, om Zijn ouders voldoening te schenken, terugkeren naar [het volle inzicht van de mensen van] Vraja. (35) Met het gedood hebben van Kamsa, de vijand van alle Yadu's, in de worstelring, [en alle andere kwaad in de wereld...] zal Krishna waarachtig zijn in dat wat Hij u zei over Zijn weer terugkeren. (36) Alstublieft laat de moed niet zakken, o hoogst fortuinlijke zielen, jullie zullen Krishna in de nabije toekomst zien; Hij is aanwezig in de harten van alle levende wezens zoals vuur dat is in brandhout. (37) In werkelijkheid is niemand Hem in het bijzonder dierbaar of niet dierbaar, noch houdt Hij, vrij van valse trots met een gelijk respect voor iedereen, wie dan ook voor superieur of inferieur [vergelijk de S'rî S'rî S'ikshâshthaka en B.G. 9: 29]. (38) Voor Hem bestaan er geen vader en moeder, geen echtgenote, geen kinderen enzovoorts; niemand is Zijn verwant, noch is ook maar iemand een buitenstaander en bestaat er ook geen [materieel] lichaam of een geboorte voor Hem [vergelijk 10: 3]. (39) Voor Hem bestaat er geen karma in deze wereld om te verschijnen in baarmoeders die zuiver, onzuiver of er tussenin zijn en niettemin verschijnt Hij voor Zijn spel en vermaak met de bedoeling Zijn deugdzame toegewijden te verlossen [zie B.G. 3: 22; 4: 7; 13: 22]. (40) Hoewel Zich bevindend voorbij de geaardheden genaamd de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid aanvaardt Hij het, geheel bovenzinnelijk, om met de geaardheden een spel te spelen, en is Hij aldus, als zijnde de Ongeborene, van schepping, handhaving en vernietiging. (41) Net zoals men ziet dat als men ronddraait, de grond lijkt rond te draaien, zo ook lijkt het, als men het lichaam voor het ware zelf aanziet, dat men zelf de doener is, terwijl het de geest is die bezig is [vergelijk B.G. 3: 27]. (42) Hij is niet enkel de zoon van jullie tweeën, Hij is de Allerhoogste Heer Hari die de zoon, het eigenlijke zelf, de vader èn de moeder is; Hij is de Heer der Beheersing. (43) Van wat men ziet of hoort, van wat zich in het heden, het verleden of in de toekomst bevindt; van wat vaststaat, zich rondbeweegt, groot of klein is kan in het geheel niet worden gezegd dat het iets is dat losstaat van Acyuta; Hij alleen, zich manifesterend als de Superziel, is alles.'
(44) Terwijl Nanda en Krishna's dienaar zich aldus onderhielden liep de nacht op een einde, o Koning, ontstaken de vrouwen uit hun slaap opgestaan lampen in aanbidding voor hun beeltenissen en begonnen ze de boter de karnen. (45) In het licht van de lampen aan de touwen trekkend, met de reeksen armbanden om hun armen, met hun juwelen en met hun gezichten rood van de kunkum opgloeiend bij hun oorhangers en halssnoeren, straalden de vrouwen terwijl hun heupen en borsten heen en weer bewogen. (46) Met de lotusogige vrouwen van Vraja die met het weerklinken van hun luide gezang dat zich vermengde met de geluiden van het karnen voor de boter de lucht bezwangerden, werd al het ongunstige in iedere uithoek verdreven. (47) Toen de opperheerser, de zon, opkwam zagen de inwoners van Gokula de gouden wagen bij Nanda voor de deur staan en vroegen ze zich af: 'Van wie mag die wel zijn?'. (48) Misschien is Akrûra gekomen, die knecht van Kamsa's bedoelingen door wie Krishna met Zijn lotusogen naar de stad Mathurâ werd gebracht. (49) Zou hij dan, met zijn meester tevreden, hier zijn om de begrafenisriten met ons te vieren?' en terwijl de vrouwen zich aldus uitlieten kwam Uddhava eraan, klaar met zijn ochtendverplichtingen.'
De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij
(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen de vrouwen van Vraja hem, de dienaar van Krishna, zagen met zijn lange armen, zo jong als hij was, met zijn lotusogen, met een geel gewaad aan en een lotusslinger om en met zijn stralende lotusgezicht en gepolijste oorhangers, vroegen ze zich nogal verbluft af waar die knappe man vandaan was gekomen en bij wie hij, met Krishna's kleren en opsier, hoorde. Allen zo pratend dromden ze zich benieuwd om hem heen die werd beschut door de lotusvoeten van Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Geschriften]. (3) Met gepast respect nederig voor hem buigend en verlegen glimlachend met hun blikken, lieve woorden en dat alles, deden ze bij hem navraag, nadat ze hem apart hadden genomen en plaats hadden doen nemen op een kussen, want ze hadden begrepen dat hij een boodschapper was van de Meester van de Godin van het Fortuin. (4) 'We weten dat u naar hier bent gekomen als de persoonlijke metgezel van de aanvoerder van de Yadu's die als uw Meester u hierheen gestuurd heeft om met uw bemiddeling Zijn ouders een genoegen te doen. (5) We zouden echt niet weten wat er voor Hem anders voor gedenkwaardigs zou zijn in dit koeiengebied; de banden der genegenheid voor iemands verwanten zijn zelfs voor een wijze moeilijk te verzaken. (6) Het belang gesteld in anderen manifesteert zichzelf als vriendschap voor zolang als het duurt; het is een voorwendsel zo goed als de interesse die bijen tonen voor bloemen of die mannen tonen voor vrouwen. (7) Publieke vrouwen keren zich af van een berooid man, burgers keren zich af van een incompetente koning, afgestudeerden gaan weg bij hun leraar en priesters verlaat men na ze een vergoeding gegeven te hebben. (8) Vogels doen dat met een boom die zijn vruchten kwijt is en gasten met het huis waar ze aten; dieren verlaten het bos dat afbrandde en zo ook doet een minnaar dat als hij eenmaal een bekoorde vrouw heeft genoten.'
(9-10) De gopî's met Uddhava, de boodschapper van Krishna die in hun midden was aangekomen, zetten op die manier, met hun praten, hun lichamen en hun geesten gericht op Krishna, hun wereldse zorgen van zich af, zonder schroom zingend en huilend in de intense herinnering aan wat hun Lieveling allemaal had gedaan in Zijn kinder- en jeugdjaren. (11) Een [aangemerkt als Râdhâ, zie ook *] die een honingbij zag tijdens haar mediteren op de omgang met Krishna, stelde zich die voor als een boodschapper gestuurd door haar Geliefde en zei het volgende. (12) De gopî zei: 'O honingbij, jij vriend van een bedrieger, raak mijn voeten niet aan met je haartjes waaraan de kunkum nog kleeft van Zijn bloemenslinger die kwam van de borsten van onze rivale; van Hem die een boodschapper als jij eropuit stuurt heeft men een lage dunk in de vergadering der Yadu's - laat de Heer van Madhu [in plaats daarvan Zelf] van genade zijn voor de vrouwen! [prajalpa **] (13) Nu Hij ons eenmaal liet drinken van de nectar van Zijn verstandsverbijsterende lippen, heeft Hij ons plotsklaps verlaten alsof we maar wat bloemetjes zijn; ik vraag me af waarom, net als jij [o bij], de godin van het geluk [Padmâ] Zijn lotusvoeten dient - dat is zeker zo omdat, helaas, door de praatjes van Krishna ze van haar verstand werd beroofd [parijalpa ***]. (14) O meneertje zespoot, waarom zing je hier voor ons zo druk over de Meester van de Yadu's, oude vriendinnen van de Vriend van Vijaya [Arjuna], die hun thuis achter zich lieten; je kan maar beter over Zijn wederwaardigheden zingen voor de [huidige] vriendinnetjes van wie Hij [nu] de pijn van hun borsten heeft weggenomen - Zijn liefjes zullen je het soelaas bieden dat je zoekt [vijalpa *4]. (15) Welke vrouwen in de hemel, op aarde of lager zouden niet ter beschikking staan van Hem zo misleidend met Zijn charmante glimlachen en wenkbrauwbogen; wat is, als de echtgenote van de Fortuinlijke van aanbidding is met het stof van de voeten, nu de waarde van ons, wij voor wie zo miserabel Hij er tenminste is met de geluidsklank 'Uttamas'loka' [ujjalpa *5]? (16) Hou je koppetje weg van mijn voet! Ik ken je wel, jij expert die als een boodschapper van Mukunda de diplomatie van de vleierij leerde! Waarom zou ik me met Hem verzoenen die ons zo ondankbaar heeft verlaten, wij die ter wille van Hem in dit leven hun kinderen, echtgenoten, en al het overige hebben opgegeven [sañjalpa *6]? (17) Tegen de regels in schoot Hij [als Râma, zie 9.10 & 11] zo wreed als een jager de koning der apen neer [Vâlî], liet Hij zich inpalmen door een vrouw [Sîtâ], verminkte Hij een door lust geplaagde vrouw [S'ûrpanakhâ, de zuster van Râvana] en bond Hij, na Zijn eerbewijzen te hebben genoten [als Vâmana], Bali vast als was hij een kraai [zie 8.21]; daarom, genoeg over die Zwarte Knaap die van alle vriendschappen zo moeilijk op te geven is met het ons verliezen in de onderwerpen die Hem betreffen [avajalpa *7]. (18) De oren, slechts een enkele keer in een druppel delend van de nectar van het spel en vermaak dat Hij voortdurend aan de dag legde, verwijderen iemand geheel van de dualiteit en richten terstond het persoonlijke plichtsbesef te gronde, om reden waarvan vele mensen alhier, met het afwijzen van hun armzalige huisjes en families, als vogels er het levensonderhoud van het bedelen op nahouden [abhijalpa *8]. (19) Wij, met het voor waar houden van Zijn misleidende woorden, hebben als de dwaze ree-wijfjes van het zwarte hert vertrouwen stellend in de lokroep van de jager, bij herhaling deze scherpe pijn van de lust ervaren teweeggebracht door de aanraking van Zijn vingernagels; o boodschappenjongen, ik smeek je, heb het ergens anders over [âjalpa * 9]! (20) O lief vriendje, ben je er door mijn Geliefde wederom op uitgestuurd? Alsjeblieft kies wat je maar wilt, je verdient alle lof mijn beste - waarom wek je bij ons hier deze strijdigheid van gevoelens op met Hem die zo onmogelijk op te geven is; o aardig beestje, bevindt aan Zijn zijde op Zijn borst zich niet altijd Zijn metgezellin, de godin van het geluk S'rî [pratijalpa * 10]? (21) Het is zeker spijtig dat de zoon van Nanda zich nu in Mathurâ ophoudt; herinnert Hij zich zo nu en dan de zaken van Zijn vaders huishouden, Zijn vrienden en de koeherdersjongens, o grote ziel, of ..., heeft Hij het in gesprekken nog over ons, de dienstmaagden? Wanneer bestaat er een kans dat Hij Zijn naar aguru ruikende hand op onze hoofden zal leggen [sujalpa * 11]?'
(22) S'rî S'uka zei: 'Uddhava, die hoorde hoezeer de koeherdersmeisjes ernaar verlangden Krishna te zien, sprak toen teneinde ze tot vrede te bewegen over de boodschappen van hun Lieveling. (23) S'rî Uddhava zei: 'Jullie die op deze manier jullie geesten hebben gewijd aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, zijn voorzeker aanbiddenswaardig voor alle mensen omdat jullie aan het levensdoel van jullie goede zielen hebben beantwoord [van het gestalte geven aan de emoties van het omgaan met Hem]. (24) Door schenkingen, geloften [van armoe, celibaat en vasten], offers, het bidsnoer [japa], door studie, en door je naar binnen te keren je concentrerend en mediterend, en door allerlei andere soorten van goedgunstige praktijken [zie ook yama, niyama, vidhi en bhâgavata dharma] wordt werkelijk in verhouding tot Krishna de bhakti, de toegewijde dienst, gerealiseerd. (25) Door jullie goede zelven is in relatie tot de Allerhoogste Heer die in verheven verzen wordt verheerlijkt, is - en mijn complimenten daarvoor - een toewijding zonder weerga neergezet die zelfs voor de wijzen moeilijk te bereiken is. (26) Tot jullie goede geluk kozen jullie ervoor om jullie zonen, echtgenoten, materiële gemakken, verwanten en huizen achter te laten om omgang te hebben met die superieure mannelijke persoonlijkheid genaamd Krishna. (27) Door de terechte claim van jullie welgemeende liefde in gescheidenheid van Adhokshaja, o glorieuze dames, hebben jullie mij [de Heer en iedereen] een grote dienst bewezen. (28) Alstublieft, goede dames, luister naar het bericht voor jullie van je Geliefde, om reden waarvan ik, als een trouwe uitvoerder van mijn Meester Zijn opdrachten, naar hier ben gekomen.
(29) De Opperheer heeft gezegd: 'Jullie vrouwen zijn feitelijk nimmer gescheiden van Mij, die er altijd is als de Ziel van Allen; net zoals al de elementen, de ether, het vuur, de lucht, het water en de aarde deel uitmaken van alle levende wezens, ben Ik net zo, naar de elementen van de geest, de levensadem, de zinnen, en hun natuurlijke geaardheden [guna, rasa en jalpa] er als hun haven. (30) In Mij schep, vernietig en onderhoudt Ik waarlijk middels Mijzelf, met behulp van de macht van Mijn begoochelend vermogen dat bestaat uit de elementen, de zinnen en de geaardheden. (31) De ziel vol van zuivere geestelijke kennis is naar het effect van de geaardheden onberoerd met wat wordt waargenomen middels de functies van de diepe slaap, de droomslaap en het waakbewustzijn. (32) Wat men mediteert met de zintuigen die hun voorwerpen najagen is vals, zoals een droom dat is bij het ontwaken; alert blijvend behoort men datgene onder controle te brengen wat zich [in de geest] via de zinnen verzamelt [vergelijk B.G. 2: 68 en 6: 35-36]. (33) Dit, net als al de rivieren die eindigen in de oceaan, is van de intelligenten de eindconclusie van alle vedische studies, yoga, analyse, verzaking, boete, zinsbeheersing en waarheidlievendheid [vergelijk B.G. 2: 70]. (34) Het feit dan dat Ik, voor jullie ogen zo dierbaar, inderdaad Me zo ver van jullie vandaan bevindt, is naar Mijn wilsbeschikking dat jullie, in jullie grote zorg om Mij, aan Mij zijn gehecht in de geest. (35) Want de geesten van vrouwen blijven verzonken als degene die hen het meest dierbaar is ver weg is en niet zo zeer de geesten van hen die hem rechtstreeks lijfelijk voor zich hebben. (36) Jullie geesten die volledig zijn opgegaan in Mij zullen, met het - omdat jullie Mij voortdurend herinneren - opgegeven hebben van al de rusteloosheid, Mij spoedig verwerven. (37) Zij die hier in Vraja bleven terwijl Ik Me 's nachts vermaakte in het bos [zie 10.29: 9], en zodoene de râsadans niet meebeleefden, genoten het geluk Mij te bereikten door hun gedachten te richten op Mijn heldendaden.'
(38) S'rî S'uka zei: 'De vrouwen van Vraja die kennis hadden genomen van de op deze wijze doorgegeven aanwijzingen van hun Geliefde, richtten zich toen tot Uddhava, blij als ze waren met de berichtgeving die hun geheugen opfriste. (39) De gopî's zeiden: 'Gelukkig is de oorzaak van het lijden, de vijand van de Yadu's Kamsa, tezamen met zijn volgelingen ter dood gebracht. Hoe goed dat Acyuta op het ogenblik gelukkig en wel leeft met degenen Hem welgezind die alles hebben bereikt wat ze verlangden. (40) O zachtgeaarde, misschien schenkt de oudere broer van Gada [Krishna, zie 9.24: 46] de vrouwen van de stad de liefde die ons toebehoort, wij die Hem vol genegenheid en verlegen vereren met uitnodigende glimlachen en blikken. (41) Hoe raakt onze Lieveling, die zo goed thuis is in al de zaken van de liefde, nu niet in de ban van de zinsbegoochelende gebaren en woorden van de vrouwen in de stad, die ook [net als wij] constant van aanbidding zijn? (42) En... herinnert Krishna, o vrome, Zich ons wel; brengt Hij ons, dorpsmeisjes, ooit ter sprake als Hij vrijuit praat in het gezelschap van de vrouwen van de stad? (43) Herinnert Hij zich die nachten waarin Hij zich vermaakte in Vrindâvana de plaats die zo betoverend was door de lotus, de jasmijn en de maan, toen Hij met tinkelende enkelbelletjes samen met ons danste, Zijn geliefde vriendinnen, die altijd vol lof over Hem zijn in de bekoorlijke verhalen over Hem? (44) Zal die nazaat van Das'ârha naar hier komen om, met Zijn aanraking wellicht, ons, die gekweld zijn door het verdriet waar hij Zelf aanleiding toe gaf, weer tot leven te wekken, net zoals Indra dat zou met [het weer opnieuw doordrenken van] een bos met zijn wolken? (45) Maar waarom zou Krishna naar hier komen nu dat Hij, omringd door al Zijn aanhangers, er gelukkig mee is dat Hij een koninkrijk heeft verworven, Zijn vijanden heeft gedood en getrouwd is met de dochters van koningen? (46) Wat zouden wij, vrouwen van het bos - of ook andere vrouwen, nou jegens Hem, de grote Ziel en echtgenoot van de godin van het geluk van Wie alle wensen in vervulling zijn gegaan, ons nog als een te vervullen taak kunnen stellen; Hij is volkomen in Zichzelf! (47) Het hoogste geluk vindt men inderdaad in het niet hopen op enig ander iets, zo stelde dat zelfs Pingalâ [een courtisane, zie 11.8], niettemin is het voor ons, die zo gebrand op Krishna zich daarvan bewust zijn, moeilijk om geen hoop te koesteren. (48) Wie kan het verdragen de intieme gesprekken met Uttamas'loka te moeten vergeten, Hij, van wiens zijde de godin, ookal begeert Hij haar niet, nimmer wijkt? (49) Met Sankarshana als Zijn metgezel leefde Krishna, o prabhu, met de rivieren, de heuvels en de plaatsen in het bos, de koeien en de geluiden van de fluit. (50) Ah!, keer op keer doen die plaatsen met de goddelijke afdrukken van Zijn voeten ons weer denken aan de zoon van Nanda die we echt nooit meer kunnen vergeten. (51) O, hoe kunnen wij, wiens harten werden gestolen door Zijn gang, Zijn speelse blikken, Zijn gulle charmante glimlachen en nectargelijke woorden, nu Hem vergeten? (52) O Meester, Meester van de Godin, Meester van Vraja, o Vernietiger van het Lijden, o Govinda hef Gokula op uit de oceaan van de misère waarin ze is ondergedompeld!'
(53) S'rî S'uka zei: 'Zij, met de koorts van hun gescheidenheid verdreven door Krishna's boodschappen, aanbaden hem toen, omdat ze hem als Adhokshaja Zelve herkenden. (54) Daar nog een paar maanden verblijvend al zingend over de onderwerpen van Krishna's spel en vermaak, bracht hij Gokula grote vreugde met het verdrijven van het verdriet van de gopî's. (55) Al de dagen dat Uddhava zich ophield in Nanda's koeherdersdorp verstreken voor de bewoners van Vraja als in een oogwenk, omdat ze allen vol waren van hun gesprekken over Krishna. (56) Met de aanblik van de rivieren, de bossen, de bergen, de valleien en de bloesemende bomen, schiep de dienaar van de Heer er genoegen in de mensen van Vraja te inspireren over Krishna. (57) Toen hij dit alles en nog meer van de gopî's hun volledige verzonkenheid in Krishna opmerkte alsmede de mate waarin ze van streek waren, was Uddhava buitenmate verheugd en zong hij, ze alle respect betuigend, het volgende: (58) 'Deze vrouwen, die met succes hun lichamen handhaven op deze aardkloot als koeherdersvrouwen die er uitsluitend voor Govinda zijn, de Ziel van Allen, hebben geheel zelfstandig de volmaaktheid bereikt in hun liefdevolle extase - een liefde die wordt begeerd door zowel ons als door de wijzen beducht op een materieel bestaan; wat heeft het voor een nut om gezegend te zijn met de [drie] geboorten van een brahmaan [uit zijn moeder, zijn goeroe en zijn offeranden] als men de smaak te pakken heeft van de verhalen over de Onbegrensde Heer? (59) Waar bevindt men zich vergeleken met deze vrouwen die, onzuiver in hun gedrag jegens Krishna, rondtrekken door de bossen; wat is nu iemands positie vergeleken met dit stadium van volmaakte liefde voor de Opperziel? - zeker vergunt de Heer aan degene die van constante aanbidding is, zelfs al is die niet zo geschoold, rechtstreeks het hoogste goed, het goede dat in zich opgenomen werkt als de allerbeste van alle medicijnen [d.w.z.: ongeacht de persoon]. (60) De zegen van de dames van Vraja die in dezen gezegend waren met de omhelzing van Uttamas'loka in de râsa-dans was er niet voor de vrouwen van de hemel die de geur en de luister van een lotusbloem hebben, en hij was al helemaal niet gegeven aan andere wereldse schoonheden [10.33]. (61) Oh, laat mij verkeren in toewijding tot het stof van de lotusvoeten van de gopî's in Vrindâvana; laat mij een van de struiken, klimplanten of kruiden zijn [daar in verhouding] tot hen die, in aanbidding van de voeten van Mukunda naar wie men op zoek is met behulp van de Veda's, het opgaven met het pad van de burgerlijke correctheid en met de familieleden die zo moeilijk achter te laten zijn. (62) De voeten van de Opperheer van wie de godin, de ongeborene, en de andere goden, zelfs al zijn ze volleerd als meesters in de yoga, alleen maar kunnen dromen, werden door hen werkelijk in de bijeenkomst van de râsa-dans op hun borsten geplaatst, zodat door die omhelzing hun nood werd bedwongen. (63) Bij het stof van de voeten van de koeherdersvrouwen van Vraja, door wiens luide bezingen van de verhalen over Krishna de drie werelden worden gezuiverd, breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen.'
(64) S'rî S'uka zei: 'Toen met het van de gopî's, van Yas'odâ en Nanda alsook van de gopa's verkrijgen van toestemming om te vertrekken, besteeg de nazaat van Das'ârha, klaar om eropuit te rijden, zijn wagen. (65) Hem bij zijn vertrek benaderend spraken Nanda en de anderen, met de verschillende artikelen van aanbidding in hun handen, vol genegenheid met tranen in hun ogen. (66) 'Mogen onze geesten zich immer beroepen op de beschutting van de lotusvoeten van Krishna, mogen onze woorden uitdrukking geven aan Zijn namen en mogen onze lichamen zich vooroverbuigend en zo meer, dat doen te Zijnentwille. (67) Waar we voor ons werk naar de bechikking van de Heer ook worden geleid om rond te trekken, moge er daar, met wat we doen en wegschenken in liefdadigheid, het goedgunstige zijn in onze gehechtheid aan Krishna onze Heer.'
(68) Nadat de gopa's hem aldus hadden geëerd met Krishna-bhakti, o eerste onder de mensen, keerde Uddhava terug naar de stad Mathurâ die zich nu onder Krishna's hoede bevond. (69) Nadat hij Krishna ten voeten was gevallen om Hem de eer te bewijzen, vertelde hij Hem over de intense toewijding van de ingezetenen van Vraja en overhandigde hij aan Vasudeva, Balarâma en de koning [Ugrasena] de geschenken die waren meegegeven.'
Voetnoten:
* Om de claim kracht bij te zetten dat het hier om Râdhâ handelt, citeert S'rîla Jîva Gosvâmî de volgende verzen uit de Agni Purâna: "Bij het ochtendgloren deden de gopî's navraag bij de dienaar van Krishna, Uddhava, over de Heer Zijn tijdverdrijf en wederwaardigheden. Alleen S'rîmatî Râdhârânî, verzonken in gedachten over Krishna, zag af van haar belang in de gesprekken. Toen sprak Râdhâ, die wordt aanbeden door de bewoners van Haar Vrindâvana dorp, zich uit temidden van Haar vriendinnen. Haar woorden waren vol van zuivere transcendentale kennis en gaven uitdrukking aan het allerbeste gedeelte van de Veda's."
** S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan dat deze en de volgende negen verzen een voorbeeld vormen van de tien soorten van impulsieve spraak [citra-jalpa of vreemde praatjes] geuit door een geliefde als uitdrukkingen van hemelse gekte of goddelijke waanzin [divyonmâda]. S'rîla Rûpa Gosvâmî in de Ujjvala-nîlamani (14.182) zegt over deze uitdrukking: "Prajalpa is de spraak die de tactloosheid van iemands geliefde aan de kaak stelt met uitdrukkingen van disrespect. Het wordt uitgesproken in een jaloerse en trotse gesteldheid."
*** Ujjvala-nîlamani (14.184): 'Parijalpa is die spraak welke, met verschillende middelen, bewijs levert van de eigen slimheid door te wijzen op de genadeloosheid, dubbelhartigheid, onbetrouwbaarheid enzovoorts van iemands Heer van aanbidding.'
*4 Ujjvala-nîlamani (14.186): "Volgens de geschoolde autoriteiten, is vijalpa sarcastische spraak die gericht is op de doder van Agha en die openlijk uitdrukking geeft aan de jaloezie terwijl tegelijkertijd de aandacht wordt gevestigd op de eigen kwaaie trots."
*5 Ujjvala-nîlamani (14.188): "De verklaring van Heer Hari's dubbelhartige natuur in een verwijtende toon geboren uit trots, tezamen met jaloers uitgesproken beledigingen tegen Hem gericht, is door de wijzen met ujjalpa aangeduid."
*6 Ujjvala-nîlamani (14.190): "De geschoolden beschrijven sañjalpa als die spraak welke zich met diepe ironie en beledigende gebaren beklaagt over de ondankbaarheid enzovoorts van de geliefde."
*7 Ujjvala-nîlamani (14.192): "Geheiligde personen hebben geconcludeerd dat als een minnares, gedreven door jaloezie en vrees, verklaart dat Heer Hari haar gehechtheid niet waard is vanwege zijn wreedheid, lustmatigheid en oneerlijkheid, dat dergelijke spraak dan avajalpa heet."
*8 Ujjvala-nîlamani (14.194): "Als een minnares indirect met grote spijt stelt dat haar geliefde in aanmerking komt de bons te krijgen, dat dergelijke spraak, geuit als het klagelijke schreeuwen van een vogel, abhijalpa wordt genoemd."
*9 Ujjvala-nîlamani (14.196): "Een uitlating vol van weerzin, die beschrijft hoezeer de minnaar vol van bedrog is en iemand ellende brengt, en eveneens in zich sluit dat Hij anderen geluk brengt, staat bekend als âjalpa."
*10 Ujjvala-nîlamani (14.198): "Als de minnares nederig stelt dat hoewel ze het niet waard is haar geliefde te bereiken ze de hoop op een liefdesrelatie met Hem niet op kan geven, worden dergelijke woorden, uitgesproken met respect voor de boodschap van haar geliefde, pratijalpa genoemd."
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî verklaart dat de godin van het geluk, S'rî, de macht heeft om vele verschillende gedaanten aan te nemen. Dus als Krishna andere vrouwen geniet, blijft ze op Zijn borst aanwezig in de vorm van een gouden lijn. Als Hij zich niet ophoud met andere vrouwen, legt ze deze gedaante af en schenkt ze hem plezier in haar natuurlijke mooie gedaante van een jonge vrouw.
*11 Ujjvala-nîlamani (14.200): "Als, eerlijk en oprecht, een minnares S'rî Hari op een ernstige wijze, nederig, wijfelachtig en gretig betwijfelt, staat een dergelijke spraak bekend als sujalpa."
Krishna Behaagt Zijn Toegewijden
(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (2) Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels alsook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (3) Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts. (4) Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter]. (5) Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (6) De lieftallige vrouw bij zich roepend, die bang voor het nieuwe kontakt [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (7) Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (8) Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (9) 'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'
(10) Hij van Respect Voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (11) Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].
(12) Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (13-14) Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (15-16) Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (17) 'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht. (18) Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (19) Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring. (20) De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (21) U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn? (22) Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (23) Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (24) U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (25) Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (26) Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (27) Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'
(28) Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (30) Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (31) Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt. (32) Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (33) Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (34) De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (35) Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat we met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'
(36) Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.
Akrûra's Missie in Hastinâpura
(1-2) S'rî S'uka zei: 'Hij [Akrûra] toen hij naar Hastinâpura ging, de stad die zich kenmerkte door de glorie van de koningen van de Pûru-dynastie [zie stamboom], trof hij daar de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra, zie 9.22: 25] tezamen met Bhîshma, Vidura en Prithâ [Kuntî] aan, alsook Bâhlika en zijn zoon [Somadatta], Dronâcârya en Kripâcârya, Karna, Duryodhana, de zoon van Drona [As'vatthâmâ], de Pândava's en andere vrienden. (3) Nadat de zoon van Gândinî [Akrûra, zie 9.24: 15] naar behoren zijn verwanten en vrienden had begroet deden zij bij hem navraag wat voor nieuws er was over hun naasten en informeerde hij op zijn beurt hoe het hun verging. (4) Hij bleef daar een paar maanden om er achter te komen wat de koning, die niet zo sterk in zijn schoenen stond met zijn slechtgeaarde zoons, allemaal deed met het beantwoorden aan de verlangens van de kwaaddoeners [als Karna]. (5-6) Zowel Vidura als Kuntî vertelden hem werkelijk alles van het onwelvoeglijke, zoals het toedienen van gif, waaraan de zoons van Dhritarâshthra zich schuldig hadden gemaakt, intolerant gezind als ze waren in reactie op de invloed, de vaardigheid, de kracht, heldenmoed enzovoorts van de zoons van Prithâ, voor wiens hoogstaande kwaliteiten de burgerij een grote voorliefde had. (7) Prithâ die haar [Vrishni-]broeder Akrûra voor zich had, benaderde hem en zei, terwijl ze zich, met tranen in haar ogen, haar geboorteplaats [Mathurâ] herinnerde: (8) 'O zachtgeaarde, denken onze ouders en broers, mijn zussen, neven en de vrouwen van de familie alsook mijn [oude jeugd-]vriendinnen nog steeds aan ons? (9) Denkt de zoon van mijn broer, Krishna, de Almachtige Heer, de zorgzame toevlucht van de toegewijden en Râma met Zijn lotusblaadjesogen, nog aan de zoons van de zus van Zijn vader? (10) En... zal Hij met Zijn woorden mij troosten, die met jonge jongens verstoken van hun vader temidden van vijanden te klagen heeft als een hert tussen de wolven? (11) Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, o Ziel en Beschermer van het Universum, alsJeblieft waak over deze overgegeven ziel die tezamen met haar kinderen verdrinkt in verdriet, o Govinda! [zie ook 1.8: 17-43] (12) Voor de mensheid in vrees voor de dood en voor wedergeboorte zie ik geen andere toevlucht dan de lotusvoeten van Jou, de Beheerser die de bevrijding schenkt. (13) Mijn eerbetuigingen voor Krishna, de zuivere Absolute Waarheid en Superziel, de Beheerser van de Yoga en Vereniger van het Bewustzijn; Jou die ik benader voor mijn toevlucht.'
(14) S'rî S'uka zei: 'O Koning, uw eigen overgrootmoeder op deze manier zich haar verwanten en Krishna, de Beheerser van het Universum herinnerend, huilde, ongelukkig, hardop. (15) Akrûra, gelijkgestemd in leed en vreugd, en de luisterrijke Vidura samen troostten Kuntî, haar uitleg verschaffend over de [goddelijke] oorzaken van de geboorten van haar zoons [zie stamboom]. (16) Toen het tijd was om weer te vertrekken maakte hij zijn opwachting bij de koning die zich temidden van zijn aanhangers bevond en zo zwaar bevooroordeeld was ten gunste van zijn zoons, met de bedoeling hem te spreken over wat in vriendschap was medegedeeld door zijn, hem het beste toewensende, verwanten [Krishna en Râma]. (17) Akrûra zei: 'O beste, geliefde zoon van Vicitravîrya [9.22: 21-25], jij hebt tot de meerdere eer en glorie van de Kuru's, met je broer Pându die overleed, nu de troon bestegen. (18) Volgens het dharma de aarde en de burgers beschermend zal je, je verheugend met een goed karakter, de volmaaktheid en de roem bereiken als je je verwanten gelijk gezind blijft! (19) Maar als je daarmee in tegenspraak handelt echter, zal je, vervloekt in deze wereld, in de duisternis belanden; blijf daarom de Pândava's en zij die uit jouw geboren zijn gelijkelijk gezind. (20) Voor onverschillig wie is er in deze wereld geen omgang met wie dan ook die stand zal houden, o Koning, zelfs niet de omgang met het eigen lichaam; dus wat dan te zeggen van een vrouw, kinderen enzovoorts? (21) Men komt alleen op de wereld, alleen komt men aan zijn einde, en alleen geniet men van zijn verdienste zoals men zeker ook alleen de gevolgen van zijn kwaad onder ogen moet zien. (22) Als een onintelligent persoon met behoefte aan ondersteuning wordt men door anderen die zich vermomd hebben [als verwanten] van de weelde beroofd die tegen het dharma in werd verworven, precies zoals een waterwezen in het water [het territorium kwijtraakt aan zijn eigen kroost]. (23) Zich te buiten gaand tegen het dharma in, onopgevoed denkend dat de dingen waar hij van leeft zijn eigendom zijn, raakt hij in zijn opzet door hen gefrustreerd met het verlies van zijn levensadem, weelde, kinderen en anderen [zie 4.31 6.15: 21-23 en 7.15]. (24) Door hen in de steek gelaten de last op zich nemend, niet naar behoren bekend met het doel van het leven, beland hij met zijn doelstellingen onbevredigd blind voor zijn eigen religieuze plichten in de diepste duisternis [zie ook 3.30; 5: 26; 6.1: 40]. (25) Breng daarom, met het idee van deze wereld, o Koning, als zijnde een droom, als iets magisch, als iets van het denken, de geest met intelligentie onder controle en wordt gelijkmoedig en vredig, prabhu.'
(26) Dhritarâshthra zei: 'Van de woorden zo goedgunstig zoals je ze hier uitspreekt, o meester der liefdadigheid, kan ik, als een sterveling, nimmer genoeg krijgen; ze zijn als de nectar der onsterfelijkheid! (27) Hoe aangenaam ze ook zijn echter, o zachtgeaarde, ze zijn, als gebliksem in de wolken, niet verankerd in mijn hart dat onstandvastig is, met mijn bevooroordeeld zijn in de genegenheid voor mijn zoons. (28) Op welke manier zou ooit een persoon kunnen ontsnappen aan dat wat beschikt is door de Beheerser die om de last van de aarde weg te nemen is nedergedaald in de Yadu-familie? [zie B.G. 9: 8] (29) Hij wiens pad onvoorstelbaar is, schept dit universum middels Zijn eigen creatieve vermogen, verdeelt de geaardheden en gaat er in binnen; aan Hem, onpeilbaar in de strekking van Zijn wederwaardigheden, de Allerhoogste Beheerser van wie we de bevrijding vinden uit de kringloop van geboorte en dood, mijn eerbetuigingen.'
(30) S'rî S'uka zei: 'Zichzelf aldus overtuigend van de mentaliteit van de koning, werd het Akrûra door zijn weldoeners toegestaan te vertrekken en ging hij terug naar de stad van de Yadu's. (31) Naar de bedoeling waarvoor hij gestuurd was, deed hij verslag aan Râma en Krishna over de positie die Dhritarâshthra had ingenomen in relatie tot de Pândava's, o nazaat van Kuru.'
Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ
(1) S'rî S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun vader. (2) Hun vader, de koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie 1.15: 9, 9.22: 8, 10.2: 1-2, 10.36: 36], vertelden ze alles over de oorzaak van hun weduwschap. (3) Toen hij dat slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok o Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de aarde weg te vagen. (4) Met drieëntwintig akshauhinî's groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van de Yadu's van alle kanten te belegeren. (5-6) Toen Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, zag hoe door zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren, overdacht Hij als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats: (7-8) 'Ik zal zeker zijn leger vernietigen, deze last van de aarde op de been gebracht door de koning van Magadha waarin hij allen verzameld heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie, strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet Ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger bijeen te brengen. (9) Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, dat de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden. (10) Ook andere lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het dharma, zo gauw na een zekere tijd het onrecht overheerst [zie ook 2.7, en B.G. 4: 7].'
(11) Terwijl Hij op deze manier mediteerde verschenen er op datzelfde moment uit de hemel [uit Vaikunthha] twee strijdwagens met een gloed als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting. (12) En zo deden dat ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot Sankarshana: (13-14) 'AlsJeblieft sla acht, o Gerespecteerde, op deze acute dreiging voor de Yadu's die door Jou beschermd worden Prabhu, en op deze strijdwagen die is gearriveerd met Je favoriete wapens. Het is inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te handelen o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde weg te nemen.'
(15) Hem er aldus toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in wapenrusting schitterend met Hun wapens, de stad uit in Hun strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht. (16) Toen de Allerhoogste Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels tevoorschijn kwam, blies Hij op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige soldaten deed beven van schrik. (17) Jarâsandha wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga nou gauw Jij moordenaar van Je verwanten ! (18) En als Jij, Râma, het lef hebt te vechten, raap dan Je moed maar bijeen; ofwel leg Je doorkliefd door mijn pijlen het loodje en ga Je naar de hemel of Je brengt mij ter dood!'
(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen We de woorden nu serieus nemen o Koning, van een man die met de dood voor ogen aan het ijlen is?'
(20) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, marcheerde met zijn gigantische overmacht aan troepen toen voorwaarts op de twee afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof. (21) Toen Hari's en Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom en Garuda niet meer te zien waren in het strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in zwijm getroffen als ze waren door verdriet. (22) De Heer, Hij die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de vijandige strijdkrachten niet aflatend op Hen deden neerregenen, liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen. (23) Vanuit Zijn pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend, aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten, paarden en soldaten te voet. (24) Olifanten vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners, hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders eraf geschoten. (25-28) Van de ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die eraf lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste, die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum, de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een spelletje. (29) Het wekt geen verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in navolging van de menselijke manier van doen. (30) De zo heel sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt. (31) Maar, terwijl Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen was, met de touwen van Varuna [vergelijk 5.24: 23] en die van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.
(32-33) Hij, geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden alsook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen karmische gebondenheid'. (34) De zoon van Brihadratha met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer, kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.
(35-36) Mukunda die met Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol lof bestrooid met bloemen. Tegemoetgekomen door de mensen van Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers, boodschappers en lofredenaars. (37-38) Toen Hij de stad binnenkwam met zijn besprenkelde straten en vele vaandels, weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen tezamen met vînâ's, fluiten en mridanga's [tweezijdige trommels voor de toewijding] en reciteerden de uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk versierde doorgangen. (39) Met wijdopen ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en spruiten. (40) De talloze kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning van de Yadu's [Ugrasena]. (41) En zo deed zich het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door Krishna's militaire kracht. (42) De Vrishni's vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd hij achtergelaten en ging hij weer weg. (43) Juist toen de achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door Nârada. (44) Over de Vrishni's vernomen hebbend arriveerde hij daar met drie croren [dertig miljoen] barbaren [mleccha's] en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen niemand had gevonden die zich met hem kon meten. (45) Toen Hij hem zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee kanten; nu staan de Yadu's voor een groot probleem! (46) Deze Yavana vandaag tegenover Ons opgesteld is van dezelfde grote kracht als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of overmorgen zal aankomen. (47) Terwijl Wij tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ, als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich meevoeren naar zijn eigen vesting. (48) Laten we daarom vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen waar onze getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor de tweebenigen.'
(49) De Opperheer met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf yojana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar Hij een stad had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook 1: 11] die van allerlei wonderbaarlijks was voorzien. (50-53) Daarin kon de wetenschap van de architectuur van Tvashthâ [Vis'vakarmâ] worden bewonderd die met zijn kennis van zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De huishoudens bevolkt door de vier varna's van de mensen hadden tempels voor de huisvesting van hun heersende goden en waren uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de paleizen van de Yadu-godheid. (54) Heer Indra leverde de Heer de pârijâta [koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede wet'] waarin een sterveling die zich er ophoudt niet onderhevig is aan de wetten der sterfelijkheid. (55) Varuna leverde paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde de acht mystieke schatten [zie nidhi] en ieder van de lokale heersers droeg met zijn eigen weelde bij. (56) Welke macht van beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen. (57) Krishna nadat Hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar daar had overgebracht [*], ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van lotusbloemen om.'
Voetnoot:
* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt hierbij de volgende verzen aan uit de S'rî Padma Purâna, Uttara-khanda: "In het holst van de nacht, toen de burgers van Mathurâ sliepen, haalde Heer Janârdana ze plotseling weg uit die stad en plaatste hij ze in Dvârakâ. Toen de mannen wakker werden, stonden ze allen versteld dat ze zich met hun kinderen en vrouwen bevonden in paleizen gemaakt van goud. "
De Verlossing van Mucukunda
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Kâlayavana] Hem naar buiten zag komen [zie 50: 57] als de rijzende maan, zeer mooi om te zien, met een donkere huidskleur, een geel zijden gewaad, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel dat Zijn hals sierde, Zijn machtige, vier lange armen en ogen zo roze als pas gegroeide lotussen; Zijn altijd stralende, schone, vreugdevolle glimlach bij Zijn fraaie kaaklijn, Zijn lotusgelijke gezicht en de aanblik van Zijn haaienvormige oorhangers, dacht hij: 'Deze persoon moet werkelijk Vâsudeva met de S'rîvatsa zijn, met de vier armen, de lotusogen, compleet met de woudbloemen en met de grote schoonheid. Gezien de kentekenen waar Nârada het over had kan Hij, die zich daar te voet zonder wapens begeeft, niemand anders zijn; ik zal Hem zonder wapens bestrijden!' De Yavana aldus overtuigd, wilde in een achtervolging Hem grijpen die Zijn gezicht had afgewend en vluchtte, Hij, die zelfs voor de mystieke yogi's onbereikbaar is. (7) Met iedere stap die Hij deed leek het alsof Hij te grijpen was en nadat Hij op die manier een grote afstand had afgelegd plaatste Hij de heer van de Yavana's voor een berggrot. (8) Hem in zijn achtervolging beledigend met opmerkingen als 'Vluchten is voor Jou als een lid van de Yadu-dynastie onbehoorlijk!', slaagde hij, aan wiens ondeugd [nog] geen einde was gekomen, er niet in Hem te pakken te krijgen. (9) Ondanks dat Hij aldus was uitgescholden, ging de Allerhoogste Heer de berggrot binnen, maar toen de Yavana Hem volgde zag hij daar een andere man liggen. (10) 'En nu, nou Hij me over zo'n grote afstand heeft meegevoerd, ligt Hij hier als een heilige!' en aldus in de waan dat het Acyuta betrof, gaf hij hem uit alle macht een schop. (11) De man, ontwakend na een lange periode van slaap, opende langzaam zijn ogen en zag, in alle richtingen om zich heen kijkend, hem naast zich staan. (12) O afstammeling van Bharata, hij zoals hij daar stond, werd door de blik, die de kwaad geworden man op hem wierp, in een oogwenk tot as verbrand door een vuur dat ontstond vanuit zijn eigen lichaam [*].'
(13) De edele koning [Parîkchit] zei: 'Wie precies was die persoon, o brahmaan. Van welke familie was hij en waar was hij allemaal toe in staat? Waarom was hij een grot ingegaan om te slapen en uit wiens zaad werd hij geboren, die vernietiger van de Yavana?'
(14) S'rî S'uka zei: 'Hij staat bekend als Mucukunda. Hij werd geboren in de Ikshvâku dynastie als de zoon van Mândhâtâ [zie 9.6: 38 en 9.7]. Hij was een grote persoonlijkheid die het brahmaanse was toegewijd en iemand die zich in de strijd trouw hield aan zijn gelofte. (15) Hij, op verzoek van de goddelijken met Indra aan het hoofd die doodsbang voor de Asura's waren, was voor een lange tijd van dienst terwille van het verzekeren van hun bescherming. (16) Zij, nadat ze Guha ['van de grot'; Skanda of Kârttikeya] voor zich wonnen als hun beschermer van de hemel zeiden tot Mucukunda: 'O Koning, alstublieft zie af van de moeite die het uw goede zelf kost om ons te beschermen. (17) U met het verwaarlozen van uw persoonlijke verlangens hebt, met het achter u laten van een koninkrijk in de wereld der mensen, om ons te beschermen die [asura-]doorns uit de weg geruimd, o held. (18) Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd heeft ze van u gescheiden. (19) De Tijd, machtiger dan de machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet. (20) Al het goede u toegewenst, vraag ons nu vandaag om welke gunst u maar wilt, behalve dan die der bevrijding, daar alleen de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer S'rî Vishnu daar toe in staat is.'
(21) Hij, vanwege zijn grote roem aldus toegesproken door de halfgoden, groette hen vol respect en legde zich te ruste in een grot om de slaap te genieten die de goden hem vergund hadden [**]. (22) Nadat de barbaar in de as was gelegd onthulde de Opperheer, de grote held der Sâtvata's, Zich aan de wijze Mucukunda. (23-26) Naar Hem kijkend, Hij die zo donker was als een wolk, in geel zijden kleding, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel stralend, de vier armen en de Vaijayantî bloemenslinger die de schoonheid verhoogde; Zijn aantrekkelijke, kalme gezicht en glinsterende, haaivormige oorhangers, Zijn toegenegen glimlach die zo aantrekkelijk is voor de hele mensheid, Zijn blik, Zijn jeugdige, knappe verschijning, Zijn nobele gang en Zijn vuur dat was als van een leeuw - was hij, zo hoogst intelligent als hij was, overweldigd door Zijn uitstraling, welke inderdaad van een niet te weerstane schittering was, en stelde hij in twijfel verzet aarzelend een vraag. (27) Sr'î Mucukunda zei: 'Wie bent U die zich hier bij me voegt in het woud in een berggrot, met Uw voeten als de blaadjes van lotussen hier lopend over de doornige bodem. (28) Misschien bent U wel de Allerhoogste Heer, de oorsprong van alle wezens die het leven werden geschonken, of anders de god van het vuur, de zonnegod, de maangod, de koning van de hemel of misschien een heerser van een andere planeet? (29) Ik denk dat U de God van de drie persoonlijkheden der halfgoden bent, de Grootste, omdat U de duisternis van de grot ['het hart'] verdrijft zoals een lamp met zijn licht de duisternis verdrijft. (30) O Meest Volmaakte van de Mensen, als U dat wilt, als U dat kan, beschrijf dan zonder omhaal voor ons die dat graag zo willen horen, Uw geboorte, handelingen en afstamming. (31) Wij van onze kant, o tijger onder de mensen, zijn nakomelingen van Ikshvâku, een familie van kshatriya's. Ik, geboren uit de zoon van Yuvanâs'va, heet Mucukunda, o Heer. (32) Omdat ik een lange tijd niet had geslapen was ik, moe in mijn zinnen en overmand door de slaap, voor mijn gemak hier op deze afgezonderde plaats gaan liggen en ben ik nu door iemand wakker geschud. (33) Die persoon verbrandde tot as inderdaad enkel vanwege zijn eigen zondige manier van doen, en Uw goede Zelf zo glorieus, o Bestraffer der Vijanden, zag ik vervolgens direct daarna. (34) Vanwege Uw ondraaglijke gloed zijn we, in onze vermogens beperkt, niet in staat U te aanschouwen, o Hoogste Genade; U verdient de lof van al de belichaamde wezens!'
(35) Aldus toegesproken door de koning gaf de Allerhoogste Heer en Oorsprong van de Ganse Schepping, breed glimlachend, met woorden diep als de rommelende wolken antwoord. (36) De Opperheer zei: 'Mijn geboorten, handelingen en namen zijn er bij de duizenden, Mijn beste, onbegrensd als ze zijn kunnen ze zelfs door Mij nog niet worden opgesomd! (37) Ooit zou men eens, na vele levens, de stofdeeltjes van de aarde kunnen tellen, maar nimmer lukt dat met Mijn vele kwaliteiten, handelingen, namen en geboorten. (38) Zelfs niet de grootste wijzen kunnen met het tellen van Mijn geboorten en handelingen die zich afspelen naar de drie van de tijd [verleden, heden, toekomst], o Koning, tot een einde komen [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29]. (39-40) Niettemin, o vriend, verneem enkel van Mij over de huidige geboorte, die van Ondergetekende. In het verleden werd Ik verzocht door Heer Brahmâ [zie 3.9 en ook 10.14] het dharma veilig te stellen en de demonen te vernietigen die een overlast voor de aarde vormen, en zo daalde Ik neder in de Yadu-dynastie ten huize van Vasudeva en noemen de mensen Mij als zodanig Vâsudeva, de zoon van Vasudeva. (41) Kâlanemi bracht Ik ter dood [zie 10.8: 56], Kamsa [10.44], Pralamba [10.18] en anderen jaloers op de deugdzamen, en deze Yavana, o Koning werd verbrand door uw verzengende blik. (42) Ik, diezelfde persoon met zorg voor de toegewijden, ging naar deze grot met de bedoeling u een gunst te verlenen, omdat u daar in het verleden vaak om gebeden hebt. (43) Zegt u Me waarmee u gezegend wilt zijn, o geheiligde Koning, Ik zal u alles geven wat u verlangt; ongeacht wie Mij tevredenstelt, zal nooit meer hoeven te treuren.'
(44) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken zich voor Hem buigend sprak Mucukunda met de woorden van Garga in gedachten [***], vol van vreugde in de wetenschap dat Hij Nârâyana was, de [oorspronkelijke] Godheid. (45) S'rî Mucukunda zei: 'Deze persoon, niet van aanbidding voor U, kan, begoocheld door Uw verbijsterend vermogen mâyâ o Heer, zijn eigen voordeel niet vinden als hij, uit op het geluk, bedrogen raakt als een man - of ook als een vrouw - met een gezinsleven die verstrikt zijnde zich druk maakt over zaken die ellende geven. (46) De persoon die het op de een of andere manier gebracht heeft tot wat zo moeilijk te verwerven is in deze wereld - een menselijke gedaante en niet die met poten, maar zonder van eerbetoon te zijn het niet probeert, o Zondeloze, met Uw lotusgelijke voeten, is, onzuiver van mentaliteit, als een dier gevallen in de overwoekerde put van zijn thuis. (47) O Onoverwinnelijke, hiermee mijn tijd verspillend bouwde ik een koninkrijk en een weelde op dat nu allemaal is verdwenen; onder de invloed als een aardse heerser die het sterfelijk lichaam voor zichzelf aanziet, had ik eindeloos te lijden onder angsten omdat ik gehecht raakte aan kinderen, echtgenotes, rijkdommen en land. (48) Me bekommerend om dit lichaam, dat je omsluit als een pot of een muur, dacht ik aldus over mezelf als zijnde een god onder de mensen, omringd als ik was door strijdwagens, olifanten, paarden, voetvolk en generaals waarmee ik over de aarde rondtrok zonder serieus acht te slaan op U in mijn grote trots. (49) Onverschillig over wat er zou moeten worden gedaan, talend naar zinsobjecten, zonder ophouden piekend met een immer groeiende begeerte, wordt men plotseling voor U geplaatst, degene die er wel om geeft; de dood voor een muis zich bevindend voor een slang die zijn giftanden likt. (50) Voorheen genaamd 'de koning' rijdend in wagens beslagen met goud of op machtige olifanten wordt die zelfde [gedaante] onvermijdelijk met de Tijd van Uw Lichaam 'ontlasting', 'wormen' en 'as' genoemd [zie ook 16.4: 2-6]. (51) Alom alle richtingen veroverd hebbend, zonder tegenstanders om bang voor te zijn en gezeten op een troon onder de lofprijzingen van koningen die ook zo zijn, loopt de persoon in zijn huis als een huisdier aan de leiband, sexueel zijn geluk ontlenend aan de vrouwen, o Heer. (52) Daarin met een scheef oog reikhalzend naar meer, verricht hij boetvaardig zijn plicht strikt pleziertjes vermijdend, maar over zichzelf denkend als 'Ik de grote onafhankelijke' kan hij, wiens driften zo uitgesproken zijn, het geluk niet bereiken. (53) Als het zich voordoet dat de dolende persoon voor het einde van zijn materiële bestaan komt te staan, zal te dien tijde, o Onfeilbare, de omgang met de goeden en eerlijken [de sat-sanga] worden gevonden waarna vervolgens de toewijding zijn ontstaan vindt die gericht is op Hem die voor de deugdzamen als de Heer van het Hogere [de oorzaken] en het Lagere [de gevolgen] het enige doel vormt. (54) Ik denk, o Heer, dat, met het spontane wegvallen van de gehechtheid aan mijn koninkrijk, U voor mij van genade bent geweest: dat is waar de gelouterde heersers over eindeloze stukken land voor bidden als ze, de afzondering zoekend, het bos ingaan. (55) Ik verlang niets anders dan Uw voeten te dienen die voor hen die niet talen naar een materieel leven het voorwerp van verlangen vormen, de gunst waarnaar werd gezocht, o Almachtige; welke trouwe ziel van aanbidding voor U die het Pad der Persoonlijke Ontwikkeling Openlegt, o Heer, zou als gunst kiezen voor dat wat zijn gebondenheid veroorzaakt? (56) Derhalve o Heer nader ik tot U in mijn volledig de wereldse zegeningen naast mij neerleggen waardoor men verstrikt raakt in de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid; U, de Oorspronkelijke Persoon van de Zuivere Waarheid die vrij is van wereldse betrekkingen, die vrij is van de tweevoud en verheven is boven de geaardheden. (57) Een lange tijd werd ik, o zo spijtig, vol van leed in de wereld geplaagd door verstoringen; met mijn zes vijanden [de zinnen en de geest] nimmer zat bestond er geen mogelijkheid om de vrede te vinden, o Verlener der Toevlucht, alstUblieft o Heer bescherm mij die geplaatst voor deze gevaren, o Allerhoogste Ziel, Uw lotusvoeten benaderde die staan voor de waarheid vrij van zorgen die bevrijdt van angst.'
(58) De Allerhoogste Heer zei: 'O grote Koning, keizer van allen, ook al werd u verleid met zegeningen maakte u, capabel van geest, een onberispelijke keuze, niet bedorven als u was door begeerten. (59) Alstublieft weet dat Ik u verleidde met zegeningen om te beproeven of u vrij bent van begoocheling; nimmer wordt de exclusieve [Mij enkel toegewijde] intelligentie van de bhakta's geleid door materiële zegeningen. (60) Met hen die, Mij niet toegewijd, zich bezighouden met ademhalingsoefeningen en dergelijke kan men waarnemen dat dat hun geesten weer opnieuw worden opgewekt [tot zinsbevrediging], omdat ze niet de sporen van het materieel verlangen hebben uitgewist [de vâsanâ's], o Koning. (61) Trek rond in deze wereld zoals u wil en moge, met uw geest gevestigd op Mij, er aldus steeds de toewijding voor Mij zijn die niet faalt. (62) Met het naleven van het dharma van de heersende klasse hebt u levende wezens gedood tijdens de jacht of bij andere gelegenheden; die zonde moet u nu uitwissen door geheel op te gaan in boetedoeningen waarin u Mij als uw toevlucht heeft. (63) In de geboorte meteen hierna o Koning, zal u, met het u ontwikkelen tot een bovenste beste weldoener van alle levende wezens, een fijne brahmaan zijn die enkel en alleen Mij voor ogen heeft [zie ook B.G. 5: 29].'
Voetnoten:
* Mucukunda, de slapende man, zoals hierna uitgelegd vocht voor een lange tijd ten behoeve van de halfgoden en koos uiteindelijk als zijn zegening het recht om ongestoord te mogen slapen. De paramparâ middels S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de Hari-vams'a aan die verklaart dat hij verder nog de gunst bedong dat hij in staat zou zijn een ieder te vernietigen die hem zou storen in zijn slaap. Hij maakt verder duidelijk dat Mucukunda dit nogal morbide verzoek deed om heer Indra af te schrikken, die, zo dacht Mucukunda, hem anders misschien bij herhaling zou wakker maken met een verzoek om zijn hulp bij het bestrijden van Indra's cosmische vijanden. Indra's instemmen met Mucukunda's verzoek wordt beschreven in de S'rî Vishnu Purâna als volgt: "De halfgoden verklaarden, 'Wie u ook uit de slaap haalt zal plotseling tot as verbranden door een vuur voortgebracht uit zijn eigen lichaam' ".
** S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura geeft de volgende regels uit een alternatieve lezing van dit hoofdstuk. Deze regels moeten worden ingevoegd tussen de twee helften van dit vers:
nidrâm eva tato vavre
sa râjâ s'rama-karshitah
yah kas'cin mama nidrâyâ
bhangam kuryâd surottamâh
sa hi bhasmî-bhaved âs'u
tathoktas' ca surais tadâ
svâpam yâtam yo madhye tu
bodhayet tvâm acetanah
sa tvayâ drishtha-mâtras tu
bhasmî-bhavatu tat-kshanât"De Koning, uitgeput door zijn arbeid, koos toen voor de slaap als zijn zegening. Hij stelde verder, 'O beste der halfgoden, moge wie dan ook die mij in mijn slaap verstoord terstond tot as verbranden.' De halfgoden antwoordden, 'zo zij het,' en zeiden hem, 'Die intense persoon die u midden in uw slaap wekt zal eenvoudig meteen tot as verbranden door het werpen van uw blik op hem'."
*** De paramparâ stelt: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî zegt ons dat Mucukunda zich bewust was van de voorspelling van de klassieke wijze Garga dat in het achtentwintigste millennium de Allerhoogste Heer zou nederdalen. Volgens Âcârya Vis'vanâtha, stelde Garga Muni Mucukunda er verder van op de hoogte dat hij persoonlijk de Heer zou ontmoeten. En nu gebeurde het dan allemaal.'
De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, mijn beste, begenadigd door Krishna omliep de nazaat van Ikshvâku Hem terwijl hij zich verboog en ging hij weg door de opening van de grot. (2) Toen hij merkte dat de menselijke wezens, de dieren, planten en bomen er slecht aan toe waren concludeerde hij dat Kali-yuga was aangebroken en begaf hij zich in de noordelijke richting [vergelijk 1.15: 44]. (3) Met geloof in het proces der boetedoening raakte hij, serieus onthecht van een materieel gemotiveerde omgang met mensen, bevrijd van twijfels en met het aldus hebben gevestigd van zijn aandacht op Krishna kwam hij toen aan bij de berg Gandhamâdana ['de prettige geur']. (4) Met het bereiken van Badarikâs'rama [zie b.v. 3.4: 4; 4.12: 16; 5.4: 5; 7.11: 6], de verblijfplaats van Nara-Nârâyana, aanbad hij, met behoud van respect voor al de dualiteit, de Heer vanuit de vrede waarin hij verkeerde met zijn verzaking.
(5) De Allerhoogste Heer keerde terug naar Zijn stad Mathurâ die was omsingeld door de Yavana's en bracht, na het leger der barbaren te hebben gedood, hun schatten naar Dvârakâ. (6) Terwijl Acyuta met os en man bezig was met het verzamelen van de rijkdommen, arriveerde daar Jarâsandha aan het hoofd van een drieëntwintigtal legers. (7) Toen ze de machtige golven van soldaten van de vijandige legers zagen renden de twee Mâdhava's, met het aannemen van een menselijke gedragswijze, o Koning, snel weg. (8) De lading goederen achterlatend als waren ze bange lafaards, legden ze, in feite helemaal niet bang, met Hun lotusblaadjesvoeten vele yojana's af. (9) De machtige heerser van Mâghada moest hard lachen toen hij de Twee zag wegvluchten en achtervolgde met wagenmenners en soldaten de Heren, zich niet helemaal bewust van Hun bijzondere aard. (10) Met hun krachten beproefd na zo'n lange afstand gerend te hebben, beklommen ze een zeer hoge berg bekendstaande als Pravarshana ['waar het regent'] alwaar de machtige [Indra] het altijd doet regenen. (11) Wetende dat Ze zich schuilhielden op de berg, maar niet precies waar o Koning, zette hij de berg in lichterlaaie door met brandhout aan alle kanten vuren aan te steken. (12) Snel van die hoogte van elf yojana's van de berg die aan alle kanten brandde afspringend, vielen Ze naar beneden. (13) Niet opgemerkt door Hun tegenstander of zijn helpers keerden de twee beste Yadu's terug naar hun eigen stad die de oceaan als zijn gracht had. (14) De koning van de Magadha's van zijn kant ging er onterecht vanuit dat Balarâma en Kes'ava waren verbrand in het vuur en keerde, zijn immense troepenmacht terugtrekkend, om naar Magadha. (15) Zoals voorheen gezegd schonk op last van Brahmâ de heerser van Ânarta, genaamd Raivata, aan Balarâma zijn dochter Raivatî ten huwelijk [9.3: 33-36]. (16-17) Govinda, de Allerhoogste Heer, trouwde Zelf, o held onder de Kuru's, Vaidarbhî [Rukminî] de dochter van Bhîshmaka naar haar eigen verkiezing. Zij was een volkomen deelaspect van de godin van het geluk. Met geweld S'âlva en de andere koningen die S'is'upâla ondersteunden buiten spel zettend, speelde Hij dat klaar [door haar weg te kapen] voor ogen van iedereen, precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] de nectar van de hemel [wegstal].'
(18) De achtenswaardige koning zei: 'Op de manier van de Râkshasa [dus door ontvoering] naar ik vernam, huwde de Opperheer aldus Rukminî, de dochter van Bhîshmaka met het bekoorlijke gezicht. (19) O heer, ik zou er graag over vernemen hoe Krishna, met Zijn onmetelijke vermogen, de bruid wegstal met het verslaan van koningen als Jarâsandha en S'âlva. (20) O brahmaan! Wie is er ooit in staat om alles te begrijpen van wat er wordt gezegd en genoeg te krijgen van het luisteren naar de altijd nieuwe [zie 10.45: 48], gunstig stemmende, bekoorlijke verhalen over Krishna die de onzuiverheden van de wereld wegnemen?'
(21) De zoon van Vyâsa zei: 'Er was een koning genaamd Bhîshmaka, de grote heerser van Vidarbha, van wie er vijf zoons waren en één dochter met een buitengewoon knap gezicht. (22) Rukmî was de eerstgeboren zoon, gevolgd door Rukmaratha, Rukmabâhu, Rukmakes'a en Rukmamâlî; Rukminî hun zus had een heilig karakter [rukma betekent: 'wat helder en stralend is']. (23) Zij, toen ze hoorde van Mukunda's schoonheid, Zijn kunnen, karakter en weelde zoals bezongen door hen die bij haar thuis kwamen, achtte Hem een geschikte echtgenoot. (24) Krishna, die haar als een schat van intelligentie, gunstige lichaamskenmerken, grootmoedigheid, schoonheid, goed gedrag en andere kwaliteiten een geschikte echtgenote vond, nam het besluit met haar te trouwen. (25) Ook al wilde de familie de zus wel aan Krishna geven o Koning, stak Rukmî, die Krishna haatte, er een stokje voor; hij dacht meer aan S'is'upâla. (26) De prinses van Vidarbha met haar donkere ogen ongelukkig met die wetenschap, zat er diep over in en zond met spoed een zekere brahmaan die ze kon vertrouwen naar Krishna. (27) Hij, in Dvârakâ aangekomen, zag, door de poortwachters binnengelaten, de Oorspronkelijke Persoon gezeten op een gouden troon. (28) De Heer Goed voor de Brahmanen kwam zo gauw Hij hem zag van Zijn troon naar beneden, deed hem plaats nemen en bewees hem de eer op de manier zoals de bewoners van de hemel Hem de eer bewijzen. (29) Toen hij was uitgerust en gegeten had kwam de Bestemming der Geheiligde Toegewijden naar hem toe om persoonlijk zijn voeten een massage te geven en vroeg Hij hem geduldig: (30) 'Mijn beste, verlopen de religieuze praktijken zoals voorgestaan door uw eersteklas, tweemaal geboren senioren, voorspoedig zonder al te veel moeilijkheden en is uw geest steeds tevreden? (31) Als een brahmaan tevreden doorgaat met wat dan ook [zijn pad kruist], zal, niet tekortschietend in zijn religieuze plicht, daarmee [met die praktijken] voor hem er alleszins de koe van overvloed zijn. (32) Onvoldaan zal hij, ook al is hij dan de meester der godsvrezenden, keer op keer belanden in verschillende werelden; maar voldaan zal hij, ook al is hij berooid, met al zijn leden rusten vrij van pijn en koorts. (33) Voor de geschoolden voldaan over wat ze bereikten [in hun zelfverwerkelijking] buig ik Mij het hoofd keer op keer daar zij, vrij van vals ego, van de geheiligden en van al de levende wezens, vreedzaam als ze zijn de beste weldoeners zijn [zie ook B.G. 2: 71, 12: 13-14]. (34) Gaat het u goed door wat uw koning doet, o brahmaan? Want de koning wiens onderdanen er gelukkig mee zijn beschermd te leven in zijn staat is Mij zeer dierbaar. (35) Waarvandaan bent u, met het oversteken van de [oceaan van] moeilijkheden, hier aangekomen en welk doel had u daarbij voor ogen; vertel Ons alstublieft alles als het geen geheim is; wat is het precies dat We voor u kunnen betekenen?'
(36) Met het Opperwezen, die terwille van Zijn spel en vermaak Zijn lichamen aanneemt, aldus deze vragen stellend, vertelde de brahmaan Hem alles: (37) 'S'rî Rukminî heeft gezegd: 'O Allermooiste van Al de Werelden, horende dat voor al diegenen die vernemen over Jouw kwaliteiten Jij, met het binnendringen door de openingen van hun oren, het leed wegneemt van hun lichamen en dat voor hen die er de ogen voor hebben om Je schoonheid te zien alle wensen in vervulling gaan, heb ik Je zonder me te schamen in mijn geest op de eerste plaats gezet! (38) Wie, o Mukunda, is gelijk aan Jou qua adellijke komaf, karakter, schoonheid, kennis, jeugd, bezittingen en invloed? Welk nuchter en huwbaar meisje van goede huize, zou met haar volwassen worden niet voor Jou als haar echtgenoot kiezen, o leeuw onder de mensen die zulk een geestelijk genoegen vormt voor de hele mensheid? (39) Derhalve heb ik Jouw goede Zelf, o beste Heer, verkozen als echtgenoot en biedt ik me aan als Je vrouw, o Almachtige, alsJeblieft aanvaard me; moge de koning van Cedi [S'is'upâla] nimmer, net als een jakhals die er vandoor gaat met wat de koning der dieren toebehoort, in handen krijgen wat aan de held is voorbehouden. (40) Laat met de Allerhoogste Heer, de Hoogste Beheerser, afdoende aanbeden middels verdienstelijke werken, offers, liefdadigheid, inachtnemingen, geloften, het eren van de goden, de goeroes en de geschoolden, en met andere activiteiten, de oudere broer van Gada [9.24: 46] komen om mijn hand te nemen en niet de zoon van Damaghosha of anderen van dat slag. (41) De dag vóór het huwelijk plaatsvindt moet Je naar Vidharbha komen, o Onoverwinnelijke, om in het geheim omringd door Je officieren ervoor te vechten het gewapende verzet weg te vagen van de koningen van Caidya en Magadha en met me te trouwen op de râkshasa manier als de belonig voor Je heldenmoed. (42) Je kan Je afvragen hoe Je mij, die zich ophoudt in de paleisruimten, met Je mee moet voeren zonder mijn verwanten te doden; laat me Je uitleggen hoe: op de dag ervoor wordt er buiten voor de heersende godheid van de familie een grote feestelijke processie gehouden waarin de nieuwe bruid zich begeeft naar de [tempel van de] godin Girijâ [Ambikâ]. (43) Grote zielen, als de echtgenoot van Ûma [S'iva], zien er, teneinde hun eigen onwetendheid te boven te komen, naar uit te baden in het stof van Jouw lotusvoeten; als ik, o Lotusogige, niet Jouw genade kan verwerven behoor ik, verzwakt door de geloften, mijn leven op te geven, zodat het mij dan een honderdtal geboorten later [uiteindelijk] lukt om Jouw te krijgen.' (44) [De brahmaan eindigde met:] Dit is het vertrouwelijke bericht door mij overgebracht o Heer der Yadu's, dus alstUblieft neem in overweging wat meteen hierop volgend in dezen moet worden gedaan.'
Krishna Ontvoert Rukminî
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de nazaat van Yadu [Krishna] het vertrouwelijke bericht aanhoorde van de prinses van Vidarbha, nam Hij de hand van de boodschapper in de Zijne en zei glimlachend het volgende. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Ook Ik moet op dezelfde manier steeds weer aan haar denken en kan 's nachts de slaap niet vatten; Ik weet dat Rukmî in zijn vijandigheid er tegen is dat Ik met haar trouw. (3) Ik zal haar, die onbetwistbare schoonheid die Mij de beste acht, naar hier halen en in het gevecht korte metten maken met die halfwas edellieden, zoals men een vuur stookt van brandhout!'
(4) S'rî S'uka zei: 'En bekend met de precieze tijd van Rukminî's trouwen zei Madhusûdana tegen Zijn wagenmenner: 'Dâruka, maak onmiddellijk de wagen klaar'. (5) Hij naar wat Krishna zei de wagen brengend met de paarden genaamd S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [*], stond daarop voor Hem met gevouwen handen. (6) S'auri samen met de brahmaan in Zijn wagen klimmend reed gezwind met Zijn paarden in een enkele nacht naar het Vidarbha koninkrijk. (7) Koning Bhîshmaka die in zijn genegenheid gehoor gaf aan de wensen van zijn zoon [Rukmî], was bereid zijn dochter weg te schenken aan S'is'upâla en zag erop toe dat aan de nodige verplichtingen werd voldaan. (8-9) De stad grondig gereinigd en met haar lanen, straten en kruispunten overvloedig besprenkeld met water, werd versierd met vaandels op vlaggenmasten en met erebogen. Met hun huizen geurend van de aguru stelden de vrouwen en mannen van de stad zich op in smetteloze kleding, behangen met juwelen, geurend en opgesierd met bloemen en ander fraais. (10) Volgens de regels op de juiste manier de voorvaderen en de halfgoden aanbiddend, o Koning, en de geleerden zoals het hoorde te eten gevend, liet hij [Bhîshmaka] de gunstige mantra's chanten. (11) De bruid baadde zich uitgebreid en deed, met haar tanden gereinigd, de gelukbrengende huwelijksdraad om. Ook stak ze zich in een gloednieuw stel kleren en sierde ze zich met de meest uitgelezen juwelen. (12) Voor de bescherming van de bruid werden, door de besten der tweemaal geborenen, mantra's gezongen uit de Sâma, Rig en Yajur Veda en deden de priesters bedreven in de atharva-mantra's zoals het hoorde uitgietingen van ghee terwille van de vrede der heersende planeten. (13) Als de besten bekend met de vidhi doneerde de koning goud, zilver, kleding en sesamzaad vermengd met grove suiker aan de brahmanen. (14) Op dezelfde manier liet de heer van Cedi, koning Damaghosha, voor zijn zoon [de bruidegom] zo door de kenners van de mantra's alles doen wat bevorderlijk was voor zijn voorspoed. (15) Hij reisde naar Kundina [Bhîshmaka's hoofdstad] vergezeld door een menigte olifanten druipend van de bronst en reeksen gouden strijdwagens opgesierd met bloemenslingers met daar omheen legers voetsoldaten en paarden. (16) De meester van Vidarbha die hem halverwege tegemoet kwam voorzag met genoegen eervol in een plaats speciaal voor hem gebouwd. (17) S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en Vidûratha die voor de kant van S'is'upâla kozen, kwamen tezamen met Paundraka en duizenden anderen. (18-19) Zij vijandig jegens Krishna en Râma hadden het zich aldus voorgenomen: 'Om ons te verzekeren van de bruid voor S'is'upâla zullen wij, mocht Krishna vergezeld door Râma en andere Yadu's komen en haar wegkapen, aaneengesloten de strijd met Hem aanbinden', en aldus besloten waren al de koningen compleet met een contingent aan troepen gekomen.
(20-21) Toen Heer Balarâma hoorde van deze vijandige voorbereidingen door de koningen en dat Krishna er in Zijn eentje op uit was gegaan om de bruid te stelen, ging Hij, beducht voor een gevecht, vervuld van liefde voor Zijn broer snel naar Kundina samen met een machtig contingent aan olifanten, paarden, strijdwagens en soldaten te voet. (22) De dochter van Bhîshmaka met haar fraaie heupen in afwachting van Krishna, die de brahmaan niet zag terugkeren, vroeg zich toen af: (23) 'Helaas, drie yama's [negen uur] resten slechts voordat ik, zonder enig geluk te smaken, zal trouwen; de Lotusogige komt niet en ik weet niet wat er de reden van is, ook is tot nu toe de drager van mijn boodschap niet teruggekeerd. (24) Wellicht ziet Hij Foutloos van Geest en Lichaam, bereid als Hij oorspronkelijk zeker is, iets afkeurenswaardigs in mij dat hij niet voor mijn hand is komen opdagen. (25) Hoe onfortuinlijk, de schepper is me niet gunstig gezind, noch is de grote Heer S'iva dat, of misschien heeft Devî zijn gezellin, [bekend als] Gaurî, Rudrânî, Girijâ of Satî zich tegen mij gekeerd.'
(26) Aldus piekerend deed het jonge meisje, wiens hart door Krishna was gestolen, haar ogen die vol stonden met tranen dicht, denkend aan de tijd [die nog restte]. (27) Terwijl de bruid aldus in afwachting verkeerde van Govinda's aankomst, o Koning, trilde haar linkerdij, arm en oog als voorbode van iets wenselijks. (28) Op dat moment verscheen die zuiverste der tweemaal geborenen door Krishna gestuurd ten tonele, om de goddelijke dochter van de koning te zien die zich ophield in het binnenste van het paleis. (29) Toen ze zijn opgetogen gezicht zag en de ontspannen bewegingen van zijn lichaam deed ze, als expert in het herkennen der tekenen, navraag met een zuivere lach. (30) Hij vertelde haar van de aankomst van dat Kind van de Yadu's en bracht de woorden over die Hij had uitgesproken in de verzekering dat Hij met haar zou trouwen. (31) Concluderend dat Hij was aangekomen, monterde de geest van Vaidarbhî op, waarop ze geen beter antwoord had dan zich te verbuigen voor de beminde brahmaan. (32) Horende dat Hij, om getuige te zijn van zijn dochter's huwelijk, was gearriveerd kwam hij [koning Bhîshmaka] met het weerklinken van muziekinstrumenten en met overvloedige offergaven naar Râma en Krishna toe. (33) Zoals voorgeschreven was hij van eerbetoon met gewenste zaken als honingmelk [madhu-parka] en bracht hij nieuwe kleren. (34) Genereus voorziend in een luxe verblijf bood hij Hen, tezamen met Hun soldaten en metgezellen, gepast gastvrijheid. (35) Aldus was hij naar gelang ieder zijn macht, leeftijd, kracht en weelde met alles wat wenselijk was van respect voor de koningen die waren samengekomen. (36) De inwoners van Vidarbha-pura die hoorden dat Krishna was gekomen, kwamen allen om Zijn lotusgezicht in te drinken met de gevouwen handpalmen van hun ogen [en zeiden]: (37) 'Alleen Hij, wiens lichaam net zo volmaakt is, verdient Rukminî als echtgenote, en niemand anders; Hij is de meest geschikte echtgenoot voor prinses Bhaishmî! (38) Moge, met welke van onze goede daden ook, de Schepper der Drie Werelden zo genadig zijn, dat Acyuta de hand neemt van Rukminî.'
(39) Aldus overlopend van liefde spraken de burgers in hun fascinatie en verliet de bruid beschermd door bewakers de binnenruimten van het paleis om naar de tempel van Ambikâ te gaan [zie ook 10.52: 42]. (40-41) En zij, te voet eropuit om de lotusvoeten van Bhavânî te zien, hield zich, volledig opgegaan in het mediteren op Krishna's lotusvoeten, stil temidden van haar moeders en vrouwelijke metgezellen. Bewaakt door de kloeke, gewapende soldaten van de koning die met hun wapens geheven klaar stonden, werd er op cimbalen en mridanga's, schelphoorns, hoorns en andere blaasinstrumenten gespeeld. (42-43) De bruid begeleidend waren er daar de fraai uitgedoste echtgenotes van de tweemaal geborenen, duizenden van vooraanstaande uitverkorenen met verscheidene artikelen van aanbidding en cadeaus, bloemenslingers, geuren, kleding en sieraden; zangers die gebeden zongen, muzikanten alsook hofzangers, geschiedschrijvers en herauten. (44) Met het bereiken van de tempel van de godin waste ze haar voeten en lotusgelijke handen, sipte ze water ter zuivering en betrad ze geheiligd en vredig de plaats waar Ambikâ was. (45) Het zo heel jonge meisje werd door de oudere vrouwen van de brahmanen die goed op de hoogte waren van de bepalingen, begeleid in haar eerbetoon voor Bhavânî, de vrouw van Heer Bhava [S'iva]. (46) 'Ik tezamen met uw kinderen biedt u keer op keer mijn eerbetuigingen o Ambikâ, alstublieft sta het toe dat Krishna, de Opperheer, mijn echtgenoot wordt.'
(47-48) Met verscheidene offergaven en offers van water, geurige substanties, ongebroken granen, wierook, kleding, bloemenslingers, halskettingen, sierselen en een reeks lampen, was ieder van de brahmaanse dames van aanbidding uitgerust met deze artikelen alsook met lekkernijen, gebak, toebereide betelnoot, heilige draden, vruchten en suikerriet. (49) Nadat ze haar hadden gegeven wat er van het offer over was gebleven alsmede hun zegen verleenden, boog de bruid zich voor hen en voor de beeltenis en nam ze wat van het geofferde voedsel. (50) Toen, haar gelofte van stilte beëindigend, verliet ze de tempel van Ambikâ, met haar hand, die was opgesierd met een ring met een edelsteen, een dienstmaagd vasthoudend. (51-55) Als was ze het begoochelend vermogen [Mâyâdevî, zie ook 8.12: 38-40; 10.2***] van de Heer zelve dat zelfs de nuchteren verbijstert, raakten de verzamelde, respectabele helden bevangen toen ze haar zagen met haar oorbellen die de maagdelijke schoonheid van haar gezicht opsierden, haar met juwelen bestikte gordel om haar heupen, haar ontluikende borsten, haar ogen verlegen bij haar haarlokken, haar zuivere glimlach en tanden rood van de gloed van haar bimba-lippen, de knoppen van haar zich verplaatsende jasmijnvoeten, haar gang zo gracieus als een koninklijke zwaan en het getinkel van de kunstig gemaakte enkelbelletjes die [haar voeten] verfraaiden met hun gloed. Er wierp zich bij deze koningen met het zien van haar brede glimlachen, verlegenheid en verbijsterende blikken een lust op die ze van hun verstand beroofde, hun harten verscheurde en waardoor ze hun wapens op de grond lieten vallen. Zittend op hun paarden, olifanten en wagens vielen ze, met hun geesten op hol, neer op de grond toen ze, in het kader van de processie, Heer Hari haar schoonheid bood. Langzaam lopend, de ene voet voor de andere zettend schreed ze voort met de wervelingen van haar lotusbloemenvoeten, onderwijl vol verlangen uitziend naar de komst van de Hoogste Persoonlijkheid. Haar haar naar achteren werpend met de nagels van haar hand ontwaarde ze, bedeesd kijkend vanuit haar ooghoeken naar een ieder aanwezig, op dat moment Acyuta. Recht voor de ogen van Zijn vijanden, pakte Krishna toen de dochter van de koning die klaar stond om in de wagen te stappen. (56) Haar in Zijn strijdwagen gemerkt met [de vlag van] Garuda tillend dreef Hij de kring van edelen terug en vertrok Hij langzaam aan, met Balarâma voor Zich uit, vandaar zoals een leeuw temidden van de jakhalzen dat zou doen met het wegslepen van zijn prooi. (57) De tegenstanders met Jarâsandha aan het hoofd, ingebeeld als ze waren, konden met hun eer te grabbel, de nederlaag niet verkroppen: 'Vervloekt zijn wij met onze eer als boogschutters gestolen door die koeherders die als een stelletje onderkruipers ons, de leeuwen, voor aap zetten!'
Footnote:
* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de volgende tekst aan van de Padma Purâna die een omschrijving geeft van Heer Krishna's paarden: "S'aibya was zo groen als de vleugels van een papegaai, Sugrîva goudgeel, Meghapushpa had de kleur van een wolk, en Balâhaka was wit."
Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd
(1) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen waren] bestegen in grote woede in kuras hun transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar. (2) Toen het Yâdava-leger ze eraan zag komen in hun achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en lieten ze hun bogen klinken. (3) Vanaf hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun posities in hun wagens schoten die [vijandige] wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water dat doet over de bergen. (4) Toen het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd belaagd door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat. (5) De Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden vernietigd'. (6) De helden Gada [Krishna's jongere halfbroer], Sankarshana en de anderen konden het machtsvertoon van de vijandige troepen niet tolereren en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden, olifanten en wagens neer. (7) Van hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen, helmen en tulbanden. (8) Er waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele benen. (9) De koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen toen ontmoedigd af. (10) Ze gingen naar en spraken met S'is'upâla die, met de vrouw die hij in gedachten had weggestolen,, geheel ontgoocheld het er moeilijk mee had met een hangend gezicht waar alle kleur uit was verdwenen. (11) [Jarâsandha zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te vinden. (12) Zoals een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met vreugde en verdriet, beheerst door haar Beheerser. (13) Ikzelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won slechts éénmaal. (14) Niettemin beklaag of verheug ik mij nooit en te nimmer, wetende dat de wereld wordt bestierd door de tijd in combinatie met het lot. (15) Zelfs nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen door het maar kleine gevolg aan Yadu's onder de bescherming van Krishna. (16) Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijden zijn veranderd in ons voordeel.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging S'is'upâla terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder van de overlevende koningen die hem volgden terug naar zijn woonplaats. (18) De machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, het niet kon verkroppen dat zijn zuster was getrouwd op de râkshasa manier, achtervolgde Krishna omringd door een complete akshauhinî. (19-20) Rukmî, machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, zwoor allerkwaadst vol van weerzin in het bijzijn van alle koningen: 'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggewonnen'. (21) Zich aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich ophoudt, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en mij. (22) Vandaag zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld mijn zuster te ontvoeren!'
(23) Aldus dwaas opsnijdend zonder zich te realiseren waar Krishna allemaal toe in staat was, riep hij vervolgens met een enkele strijdwagen naar voren komend naar Krishna: 'Kom op en vecht!' (24) Zijn boog aanspannend trof hij ferm Krishna [Zijn wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de Yadu-dynastie! (25) Waarheen Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai bent die er vandoor is met de offerboter, vandaag nog zal ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij slinkse strijder!! (26) Als je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen waarmee Hij zijn boog aan stukken schoot. (27) Met van Krishna acht pijlen gericht op zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en trof hij er Krishna met vijf. (28) Hoewel hij door al deze pijlen getroffen werd brak Krishna de boog opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij opnam. (29) De gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door Hem, de Heer, in stukken gebroken. (30) Toen van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de wind. (31) Door met Zijn pijlen het zwaard en het schild te breken van Zijn aanvaller, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen scherpe zwaard ter hand. (32) Toen ze zag dat Hij haar broer wilde doden, viel de vrome Rukminî doodsbang haar echtgenoot ten voeten en sprak ze klagelijk.
(33) S'rî Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet om, o Machtig-gearmde.'
(34) S'rî S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in het volle van haar angst de leden beefden, de mond droog werd in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar opwinding scheef hing, zag Hij er mededogend van af. (35) Met een stuk stof hem vastbindend schoor Hij toen de booswicht, er een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor overlatend. Ondertussen verpletterde het uitzonderlijke leger van de Yadu-helden zijn tegenstanders zoals olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7]. (36) Toen ze Krishna naderden zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn jammerlijke toestand. De almachtige Opperheer Sankarshana, door medelijden bewogen, bevrijdde daarop de gevangene en zei tot Krishna: (37) 'O Krishna, hoe onbehoorlijk dit slechte scheerwerk van Je met zijn snor en haar; het is iets dat zo erg is als het doden van een familielid!'
(38) [Tot Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders dan de persoon in kwestie zelf die verantwoordelijk is, daar een mens de vruchten plukt van zijn eigen handelen.'
(39) [En weer tot Krishna:]'Ookal verdient een verwant het vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet ter dood gebracht te worden, maar dient hij in plaats daarvan te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door zijn eigen wandaden de dood [van zijn eer] vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden gebracht?'
(40) [Tot Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is dat een broeder zelfs er niet voor moet terugdeinzen zijn eigen broeder te doden. En dat is waarlijk iets heel verschikkelijks.'
(41) [En weer terug tot Krishna:] 'Zij die prat gaan op een koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [dan de ziel] begaan, verblind als ze zijn in hun dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad overtredingen.'
(42) [En weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle levende wezens, waarin je hen die vijandig zijn het kwade toewenst en zij die je gunstig gezind zijn met het goede bedenkt, ben je net zo partijdig als welk stuk onbenul ook. (43) Door de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of van neutraal zijn met iemand. (44) Zij die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alle Dingen en Ieder Belichaamd Wezen waar als zijnde een veelvoud, precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [die anders zou zijn voor een afgesloten ruimte, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2: 32]. (45) Het fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der natuur. Door materiële onwetendheid is het iets dat opgelegd is aan het zelf en vormt zo de oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood en geboorte. (46) Voor de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm waargenomen. (47) Geboren worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet inhouden dat die is doodgegaan op de dagvan de nieuwe maan. (48) Zoals een slapende persoon zichzelf, zinsobjecten en resultaten van handelen ervaart ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan [zie ook 6.16: 55-56]. (49) Derhalve, o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je verwarde.'
(50) S'rî S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en kreeg met intelligentie zichzelf weer in de hand. (51) Met slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en beroofd van zijn kracht en luister kon hij [Rukmî] zijn vernedering niet vergeten. Gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens bouwde hij zich toen een verblijfplaats. Het werd een grote stad genaamd Bhojakatha ['de eed ondergaan hebben']. (52) Met het gezegd hebben van 'Zonder dat ik die slechterik Krishna heb gedood, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn verblijfplaats op. (53) De Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de Kuru's. (54) Toen dat zich afspeelde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de Yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde hadden. (55) De mannen en vrouwen boden, blij met glimmende juwelen en oorhangers, respectvol huwelijksgeschenken aan de bruid en bruidegom, die prachtig waren uitgedost. (56) De stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en lampen. (57) Haar straten werden natgesproeid met behulp van olifanten die dropen van de bronst en toebehoorden aan de populaire persoonlijkheden die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnootstammen geplaatst. (58) De leden van de Kuru-, Sriñjaya-, Kaikeya-, Vidarbha-, Yadu- en Kunti-families genoten ervan bij die gelegenheid elkaar te ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer was. (59) Vernemend over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de indruk. (60) O Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich in de echt had verbonden met Rukminî, de godin van het geluk.'
De Geschiedenis van Pradyumna
(1) S'rî S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd verbrand, keerde, teneinde een nieuw lichaam te verkrijgen, was naar Hem teruggekeerd [zie ook 3.1: 28 en 8.10: 32-34 en B.G. 10.28]. (2) Hij, uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van Vidarbha [Rukminî], stond aldus bekend als Pradyumna ['de machtige boven alle anderen', zie ook vyûha] en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader. (3) S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2: 4-5, 10.36: 36], die naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind dat nog geen tien dagen oud was. In de wetenschap dat Hij zijn vijand was, gooide hij Hem in zee en keerde toen naar huis terug. (4) Pradyumna werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers. (5) De vissers boden die wonderlijke vis aan S'ambara aan die het geschenk naar de koks stuurde die het in de keuken opengesneden met een mes. (6) Het kind in de buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven aan wie verbijsterd als ze was Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik van de vis. (7-8) Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrande echtgenoo een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind. (9) Niet zo lang daarna vormde Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling uitgegroeid, een grote bekoring voor de vrouwen die hem zagen. (10) Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen die de vorm hadden van een lotusblaadje. (11) Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'
(12) Rati gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die van thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester! (13) Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit de buik waarvan we Jou toen hier zagen verschijnen o meester! (14) AlsJeblieft, maak een eind aan die moeilijk te benaderen en lastig te verslane vijand van Je die honderden van toverformules kent; dat kan Je lukken met behulp van de begoocheling der magie en zo! (15) Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder haar kalf, is overweldigd als ze is door liefde voor haar kind aan het huilen als een visarend.'
(16) Zich aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ ['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt aan alle begoochelende bezweringen. (17) Toen Hij daarop S'ambara benaderde om te vechten, beschimpte Hij hem met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te lokken. (18) Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper, als was hij een slang geraakt door een voet, op Hem af met een knots in zijn hand. (19) Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat van een blikseminslag. (20) Die werd in zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots weggeslagen, o Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots naar Zijn vijand slingerde. (21) Hij, de demon, zijn toevlucht nemend tot de daitya magie die hij had opgestoken van Maya Dânava, liet van boven uit de hemel een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon van Krishna [vergelijk: 3.19: 20]. (22) Geplaagd door de regen van wapentuig wendde de machtige strijder, de zoon van Rukminî, de grote bezweringsformule aan die wortelend in goedheid alle magie te boven gaat. (23) De demon zette toen honderden van wapens in die behoorden tot Kuvera's schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de hemel [Gandharva's], de reuzen [Pis'âca's], de hemelslangen [Uraga's] en de menseneters [Râkshasa's], maar de zoon van Krishna haalde ze allen naar beneden. (24) Zijn scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met een gewelddadige slag S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm, oorringen en rode snor, van zijn romp. (25) Door de goden vol lof van boven bestrooid met een regen aan bloemen, werd Hij door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de stad [Dvârakâ] gebracht. (26) De binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de bliksem. (27-28) Hem ziend, donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met lange armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn charmante voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht en de blauwzwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem voor Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich her en der te verbergen. (29) Geleidelijk aan bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn uiterlijk en kwamen ze verrukt en verrast af op Hem en [Rati,] dat juweel onder de vrouwen. (30) De borsten van de zoetgevooisde en donkerogige Rukminî, zich haar verloren zoon herinnerend, vloeiden toen ter plekke van de genegenheid.
(31) [Zij dacht:] 'Wie zou dit sieraad onder de mannen wel niet zijn, wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor Zich won? (32) Als mijn zoon verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven zou zijn, zou Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn! (33) Hoe kan Hij van hetzelfde voorkomen zijn, van dezelfde gang, leden, stem, glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna's boog]? (34) Gezien mijn grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen in mijn linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn - het kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'
(35) Terwijl de dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen met Devakî en Ânakadundhubi. (36) Alhoewel de Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was hield Hij, Janârdana, zich stil; het was Nârada die verslag deed van alles, beginnende met de ontvoering door S'ambara. (37) De vrouwen van Krishna's paleis die over dat grote wonder vernamen juichten toen in extase om Hem te verwelkomen die zo vele jaren verloren was gewaand als betrof het iemand die uit de dood was opgestaan. (38) Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma alsook de vrouwen en Rukminî omhelsden het paar en vierden feest. (39) De inwoners van Dvârakâ verklaarden toen ze vernamen dat Pradyumna die verloren was gegaan teruggekomen: 'O Voorzienigheid, het kind dat we dood waanden is werkelijk teruggekeerd!'
(40) Het was helemaal niet zo verwonderlijk dat zij, die constant moesten denken aan de gelijkenis met Zijn Vader hun meester, als Zijn moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden uit respect voor Hem. Als Hij hen al voor ogen stond als het evenbeeld van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?'
Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht
(1) S'rî S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie 9.24: 13] die over de schreef gegaan was met Heer Krishna schonk Hem om het weer goed te maken zijn dochter ten huwelijk tezamen met het juweel bekend staande als Syamantaka.'
(2) De achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging Satrâjit tegen Krishna, o brahmaan, waar kwam Syamantaka vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de Heer?'
(3) S'rî S'uka zei: 'De zonnegod die Satrâjit's beste vriend was schonk, tevreden over hem als zijn toegewijde, uit genegenheid het Syamantaka juweel. (4) Hij, het juweel om zijn nek dragend dat zo helder straalde als de zon werd, toen hij in Dvârakâ arriveerde, o Koning, vanwege de gloed niet herkend. (5) De mensen, die door de schittering verblind waren toen ze hem op een afstand zagen, veronderstelden dat Sûrya was aangekomen en rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die druk aan het dobbelen was: (6) 'O Nârâyana, met alle achting voor U, o Houder van de Strijdknots, de Cakra en de Lotus, o Dâmodara, o Lotusogige, o Govinda, o Lieveling van de Yadu's! (7) Savitâ ['de stralende'], die met de intense straling van zijn lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is aangekomen om U te zien, o Heer van het Universum. (8) Het moet wel zo zijn dat van de meest verhevenen van de goden der wijsheid die Uw weg volgen, degene die ongeboren is [Sûrya], in de wetenschap dat U zich nu schuil houdt onder de Yadu's, naar hier is gekomen om U te zien.'
(9) S'rî S'uka zei: 'Deze onschuldige woorden aanhorend zei Hij met de Lotusgelijke Ogen glimlachend: 'Deze hier is Ravideva niet, het is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.'
(10) Hij [Satrâjit] in zijn eigen luxueuze woning aangeland voerde met festiviteiten gunstige rituelen op in de tempelkamer alwaar hij met behulp van de geschoolden het juweel installeerde. (11) Dag na dag zou hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg] aan goud opleveren, o prabhu, en niets van het ongunstige van voedselschaarste, voortijdig doodgaan, rampen, slangenbeten, geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers zou zich daar in de aanwezigheid van het naar behoren aanbeden sieraad voordoen. (12) Ooit eens vroeg S'auri [Krishna] terwille van de koning van de Yadu's [Ugrasena] om het kleinnood, maar hij, begeertig uit op de weelde, zag er geen kwaad in het niet te overhandigen. (13) Op een dag besteeg toen Prasena [Satrâjit's broer], nadat hij het intens stralende juweel om zijn nek had gehangen, een paard en ging hij uit jagen in het bos. (14) Prasena werd samen met zijn paard gedood en meegesleept door een leeuw die op zijn beurt een grot binnengaand werd gedood door Jâmbavân ['hij van de Jambu-bomen'] die het pronkjuweel wilde hebben. (15) In de grot overhandigde hij toen het sieraad aan zijn kind als iets om mee te spelen. In de tussentijd begon Satrâjit, zijn broer niet meer ziend, zich ernstig zorgen te maken: (16) 'Mijn broer weg het bos in met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door Krishna ter dood gebracht.' Daarvan uitgaand vernamen de mensen erover die het elkaar toen in het oor fluisterden. (17) Toen de Opperheer daar achter kwam, volgde Hij, teneinde Zichzelf te zuiveren van de roddel die ten koste ging van Zijn goede naam, samen met de burgers de weg die Prasena had afgelegd. (18) Toen ze zagen dat hij en zijn paard in dat bos waren gedood door een leeuw, ontdekten ze op een berghelling dat de leeuw ook was gedood en wel door Riksha [Jâmbavân]. (19) De mensen opstellend buiten de schrikwekkende grot van de koning der riksha's [de beren], ging de Allerhoogste Heer in Zijn eentje die plek die gehuld was in het diepste duister binnen. (20) Toen Hij zag dat het kostbaarste van alle juwelen werd gebruikt als kinderspeelgoed, besloot Hij het weg te halen en ging Hij op het kind af. (21) Toen het kindermeisje de vreemdeling zag schreeuwde ze het uit van de angst zodat Jâmbavân, die allerbeste der sterken, erdoor in woede ontstoken op afrende. (22) Hij die Hem voor een wereldse persoon hield, bestreed toen, zich niet bewust van wie hij voor zich had, Hem, de Allerhoogste Heer, zijn eigen Meester [vergelijk 5.6: 10-11 en B.G. 16: 18]. (23) Een zeer verbeten gevecht volgde tussen hen twee waarbij ieder het probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en met wapens als waren ze twee haviken vechtend om wat aas. (24) Dag en nacht ging zonder ophouden het gevecht van vuisten tegen vuisten door voor de duur van achtentwintig dagen met slagen zo fel als de bliksem. (25) Met de spieren van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna, zweette hij, met zijn krachten afgenomen, het uit en richtte hij zich hogelijkst verbaasd tot Hem: (26) 'Ik ken U, U bent de levensadem, de fysieke en geesteskracht van alle levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige, Allerhoogste Beheerser. (27) U voorzeker bent de Schepper die van Alle Scheppers en de Geschapenen van het Universum de Essentie bent, die van de onderwerpers de Onderwerper bent, de Heer, de Ziel Hoog Verheven boven al de Zielen [vergelijk 3.25: 41-42]. (28) U bent degene door wiens geringe blijk van toorn met Uw blikken de oceaan en de krokodillen en walvisverslindende walvissen [timingila's] in beroering ruim baan maakten voor het bouwen van een brug; U bent degene beroemd vanwege het in vuur en vlam zetten van Lankâ; door U rolden de hoofden op de grond die U van de Râkshasa er met Uw pijlen had afgeschoten [zie 9: 10].'
(29-30) O Koning, Acyuta, de lotusogige Opperheer, de zoon van Devakî, richtte Zich toen, vanuit Zijn grote mededogen voor Zijn toegewijden, met een stem zo diep als de [rommelende] wolken tot de koning der beren die nu de waarheid voor ogen had. Hij beroerde hem met de hand die alle zegen verleent en zei: (31) 'O heer der beren, We kwamen hier naar de grot vanwege het juweel, met de bedoeling de valse aantijging te ontzenuwen die met dit juweel tegen mij staande werd gehouden.' (32) Na aldus te zijn toegesproken bood hij samen met het juweel als een respectvolle offergave zijn maagdelijke dochter genaamd Jâmbavatî aan Krishna.
(33) Toen ze S'auri die de grot was binnengegaan niet naar buiten zagen komen, gingen de mensen na twaalf dagen te hebben gewacht doodongelukkig terug naar hun stad. (34) Devakî, Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en verwanten treurden over Krishna die niet uit de grot te voorschijn was gekomen. (35) Zij, de bewoners van Dvârakâ vervloekten vol van verdriet Satrâjit en aanbaden toen Durgâ, het geluk van de maan [de beeltenis genaamd Candrabhâgâ] teneinde Krishna terug te halen. (36) Na de aanbidding van de godin verleende zij in reactie daarop de verlangde zegening. Direct daarop verscheen tot hun grote vreugde toen de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had ten tonele samen met Zijn [nieuwe] echtgenote. (37) Zeer opgewonden te ontdekken dat Hrishîkes'a met een vrouw en het juweel om Zijn nek was aangekomen, stonden ze allen te juichen alsof iemand uit de dood was opgestaan. (38) Satrâjit, ontboden door de Allerhoogste Heer in een bijeenkomst van de edelen, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte gesteld van het terughalen van het juweel, dat toen aan hem werd gepresenteerd. (39) En hij nam uiterst beschaamd, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in ontvangst en ging toen naar huis vol van wroeging over zijn zondige gedrag. (40-42) Zich bezinnend op die overduidelijke overtreding dacht hij, beducht voor een conflict met degenen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevredenstellen? Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust op de weelde? Ik zal Hem het [Syamantaka-]juweel schenken alsook mijn dochter, dat juweel onder de vrouwen; dat is de manier waarop ik het weer goed zal maken met Hem en niets anders!'
(43) Aldus intelligent ertoe besloten zette Satrâjit zich ertoe en bood hij zijn mooie dochter en het juweel aan Krishna aan. (44) Zij, Satyabhâmâ, gewild bij vele mannen vanwege al de kwaliteiten van een fijn karakter, schoonheid en edelmoedigheid waarmee ze gezegend was, trouwde met de Heer overeenkomstig de gebruiken. (45) De Allerhoogste Heer zei: 'We verlangen het juweel niet terug o Koning, laat het in bezit blijven van u die van toewijding bent voor de godheid [Sûrya], zodat ook Wij kunnen genieten van de vruchten ervan.'
Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven
(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij Zich heel goed bewust was van wat zich allemaal had afgespeeld ging Krishna, toen Hij vernam [van het gerucht] dat de zoons van Pându en koningin Kuntî in een brand waren omgekomen [in het huis van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen te voldoen samen met Balarâma naar het Kuru-koninkrijk. (2) Bhîshma, Kripa, Vidura, Gândhârî en Drona ontmoetend zeiden Ze evenzo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is dit!'
(3) De kans krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de Bhoja] Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid van Krishna in Dvârakâ] tot S'atadhanvâ ['honderdboog', een booswicht]: 'Waarom zouden we niet het juweel bemachtigen? (4) Hij die ieder van ons zijn juweel van een dochter beloofde, schonk haar, ons veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou Satrâjit zijn broer dan niet moeten volgen [in de dood, zie 10.56: 13 en voetnoot*]?' (5) Aldus beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in zijn zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte Satrâjit in zijn slaap [vergelijk 1.17: 39]. (6) Terwijl de vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te hebben gedood zoals een slager tewerk gaat met dieren, het juweel en ging hij er vandoor.
(7) Satyabhâmâ nadat ze haar vader gedood zag, jammerde toen verdrinkend in de tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik gedood!' en viel toen flauw. (8) Ze legde het lijk in een groot vat met olie en ging naar Hastinâpura naar Krishna die [reeds] doorhad hoe het er voorstond, en vertelde verdrietig van de moord op haar vader. (9) Toen de Hoge Heren dat hoorden o Koning, treurden Ze net zo, in navolging van de menselijke manier van doen, met ogen vol tranen: 'Och welk een tragedie heeft ons getroffen!'
(10) De Allerhoogste Heer ging toen samen met Zijn vrouw en oudere broer terug naar Zijn hoofdstad, bereid om S'atadhanvâ te doden en hem het juweel afhandig te maken. (11) Toen hem dat ter ore kwam nam hij bevreesd maatregelen om zijn leven zeker te zijn en verzocht hij Kritavarmâ om bijstand. Deze zei hem: (12-13) 'Ik kan echt niet in overtreding zijn met de Heren Râma en Krishna; hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu feitelijk het geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun haat van tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van [zelfs] zijn strijdwagen!'
(14) Hij, afgewezen, smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook hij zei: 'Wie nu, bekend met de macht van de Heren, is nu in staat het tegen Hen op te nemen? (15-17) Hij die dit universum handhaaft, schept en vernietigt bij wijze van spel; Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan de nevengeschikte scheppers [met Brahmâ aan het hoofd] die verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke vermogen [van mâyâ]; Hij die spelend als een kind van zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog hield met één enkele hand zoals een jongen een paddestoel omhoog houdt [zie 10.25]; Hem, Krishna de Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen einde komt aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele bestaan de Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik mijn eerbetuigingen.'
(18) S'atadhanvâ ook door hem afgewezen liet het kostbare kleinood bij hem achter, besteeg een paard dat een honderd yojana's kon afleggen en vertrok. (19) Krishna en Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda en gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de moordenaar aan van hun goeroe [Hun schoonvader als een leraar]. (20) In een park aan de rand van Mithilâ zijn paard achterlatend dat ten val was gekomen, rende hij met de schrik in de benen te voet verder met een furieuze Krishna achter zich aan die net zo rende. (21) Met hem op de vlucht scheidde de Heer te voet met de scherpgerande schijf zijn hoofd van zijn romp, waarna Hij zijn boven- en onderkleding doorzocht op zoek naar het juweel. (22) Het sieraad niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer afstappend die naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor niets het loodje, het juweel heeft hij niet bij zich.'
(23) Balarâma zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij iemand hebben achtergelaten, ga dus [terug] naar de stad [Dvârakâ] en zoek naar hem. (24) Ik wil graag de koning van Videha [de latere Janaka, zie 9.10: 11] een bezoekje brengen die Me zeer dierbaar is', en dat gezegd hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning, Mithilâ binnen [de hoofdstad van Videha]. (25) Toen de koning van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met een geest vervuld van liefde en vereerde hij Hem die zo aanbiddelijk was, als was voorgeschreven met alles wat erbij komt kijken. (26) Aldaar in Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren. In die tijd onderrichte Hij Duryodhana in de kunst van het knotsvechten.
(27) Toen Kes'ava de Almachtige in Dvârakâ aankwam, stelde Hij tot troost Zijn geliefde [de treurende Satyabhâmâ] op de hoogte van de ondergang van S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te bemachtigen. (28) Hij, de Opperheer tezamen met al de weldoeners die men zo tegen zijn levenseinde erop na kan houden, zorgden ervoor dat de begrafenisplechtigheden werden uitgevoerd voor de overleden verwant [Satrâjit]. (29) De verantwoordelijken, Akrûra en Kritavarmâ, doken, toen ze vernamen van de dood van S'atadhanvâ, door angst bevangen onder, ergens buiten Dvârakâ. (30) Met Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan de bewoners van Dvârakâ. Ze ondervonden aanhoudend van de kant van hogere machten [natuurrampen inbegrepen] en van andere levende wezens [vergelijk 1.14; 1.17: 19], lichamelijke en geestelijke moeilijkheden [**]. (31) Zo, mijn beste, waren enkelen die zich hadden overgegeven aan gissingen aan het vergeten wat vanouds reeds werd beschreven door de wijzen als het gevolg van Zijn verblijf onder de mensen; hoe kon met Zijn aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken? (32) [Ze zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning van Benares [Kâs'î, zie ook 9.17: 4] zijn dochter Gândinî aan S'vaphalka [Akrûra's vader, 9.24: 15] die hem kwam opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in Kâs'î. (33) Waar ook inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is met zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer Indra het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke verstoringen of vroegtijdige sterfgevallen voordoen.'
(34) Van de ouderen deze woorden vernemend gebood Janârdana, met in Zijn achterhoofd dat dit niet de enige oorzaak voor de slechte tekenen was [***], dat Akrûra moest worden teruggebracht. (35-36) Hem met respect en eerbetoon tegemoettredend en aangenaam allerlei met hem besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig bewust van alles wat in zijn hart omging, en zei: 'Natuurlijk zijn Wij, o meester der liefdadigheid, reeds bekend met het feit dat u daadwerkelijk op het moment het rijke Syamantaka-juweel in bezit heeft dat S'atadhanvâ aan u toevertrouwde. (37) Aangezien Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn dochter [haar èn haar zoons] om, na het aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te nemen. (38-39) Niettemin dient het juweel, daar het onmogelijk te beheren is door anderen, in uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige nalever der geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet helemaal wat betreft het sieraad. Alstublieft, breng Mijn verwanten de vrede, toon het Ons nu, o hoogst fortuinlijke ziel die met uw altaren van goud onafgebroken doorgaat met uw offerplechtigheden.' (40) Overgehaald door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het kleinnood verborgen in zijn kleding te voorschijn en gaf hij het kleinnood dat zo helder straalde als de zon. (41) Na Syamantaka aan Zijn verwanten te hebben getoond, en [aldus] een einde te maken aan de emoties [van de beschuldigingen] met Hem, bood de Meester het weer aan hem terug. (42) Wie dan ook die over dit voorval vertelt, erover verneemt of zich dit verhaal herinnert dat voorwaar, rijk als het is met het kunnen van de Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn slechtheid en slechte roep weten uit te bannen.'
Voetnoten:
* Als zuivere toegewijden, konden ze feitelijk niet ongelukkig zijn over deze partnerkeuze, noch konden ze zich ontwikkelen tot jaloerse rivalen van de Heer. Daarom hielden ze er een nevenmotief op na met het zich gedragen als Zijn rivalen. Daarover doen er in de paramparâ speculaties de ronde over Akrûra's vervloekt zijn vanwege zijn wegvoeren van Krishna uit Gokula [zie 10.39] of het feit dat Kritavarmâ een lid was van Kamsa's familie, of dat de twee kwaad zouden zijn geweest op het slachtoffer vanwege het bezoedelen van Krishna's goede naam met de roddel dat Hij zijn broer gedood zou hebben.
** Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, redenerend naar vers 32 en 35-36, nam Akrûra de Syamantaka steen en sloeg hij zijn kamp op in de stad Benares, alwaar hij bekend raakte als Dânapati, "de meester der liefdadigheid." Daar bracht hij uitgebreid vuuroffers op gouden altaren met een hele verzameling aan brahmaanse priesters.
*** Wat betreft de reden waarom zich deze moeilijkheden voordeden ondanks de genadige aanwezigheid van de Heer doen ook hierover speculaties de ronde. Sommigen suggereren dat Krishna die moeilijke tijd zou geven omdat Hij in verlegenheid zou zijn gebracht door Akrûra die het juweel naar elders overbracht in wedijver met Zijn heerschappij; anderzijds is het niet ongebruikelijk dat moord in een leefgemeenschap naar de regel van God en Krishna die gemeenschap een slechte tijd bezorgt, zoals men dat ook algemeen kan zien plaatsgrijpen na grote oorlogen zoals aangetoond in het Bhâgavatam met de beschrijving van de kwade tijd toen Krishna zelve vertrok naar Zijn verblijf na de grote Kuru-oorlog [1.14].
Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ [*]
(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen. (2) Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd. (3) De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat. (4) Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren]. (5) Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen. (6) Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen. (7) Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten. (8) Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend: (9) 'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49]. (10) Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'
(11) Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'
(12) Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk. (13-14) Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1]. (15) Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13]. (16) Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ. (17) Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag. (18) Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij: (19) 'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'
(20) S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî]. (21) Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn. (22) Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].' (23) Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].
(24) Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad bouwen [Indraprastha]. (25) De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner. (26) Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was. (27) Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75]. (28) Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10]. (29) Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.
(30) Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot]. (31) Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].
(32) Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning. (33) Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen. (34) Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen. (35) De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet. (36) De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden! (37) Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'
(38) Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'
(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk. (40) De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'
(41) De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt! (42) Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter. (43) Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken. (44) Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.' (45) Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel. (46) Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje. (47) De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften. (48) De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte. (49) Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers. (50-51) Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren. (52) Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen. (53) Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde. (54) Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte. (55) De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.
(56) Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.
(57) Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].
(58) Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'
Voetnoten:
* In totaal trouwde Krishna met 16008 vrouwen: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ, 8 Lakshmanâ, besproken in 10.83: 17, en de 1600o vrouwen gevangen gehouden door Bhaumâsura.
** Een latere datum dan het afbranden van het Khândava woud waaraan gerefereerd wordt in vers 25.
*** Een demon die volgens de Vishnu-purâna ter wereld kwam als gevolg van het aanraken van moeder aarde door Heer Varâha toen hij haar uit de oceaan ophief [zie 3.13: 31].
Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft vertel me over dit avontuur van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna]. Hoe werd Bhauma, die deze vrouwen gevangen zette, gedood door de Allerhoogste?'
(2-3) S'rî S'uka zei: 'Op de hoogte gesteld door Indra, wiens parasol van Varuna [of bewijs van adel] alsmede een plaats [genaamd Mani-parvata] op de berg der goden [de heuvel Mandara, zie 8.6: 22-23] was weggestolen en wiens verwant [moeder Aditi, zie 8.17] was beroofd van haar oorhangers, ging Hij [Heer Krishna in reactie] op wat Bhaumâsura allemaal had gedaan tezamen met Zijn vrouw [Satyabhâmâ zie *] gezeten op Garuda naar de stad Prâgjyotisha [Bhauma's hoofdstad, nu Tejpur in Assam], die beschut lag omringd door bergen en wapensystemen, vuur, water en wind en was versterkt met een [mura-pâs'a] hekwerk bestaande uit tienduizenden harde en afschrikkende draden aan alle kanten. (4) Met Zijn knots brak Hij door de opgeworpen barricades van rotsblokken, met Zijn pijlen versloeg Hij de wapensystemen, met Zijn schijf brak Hij door het vuur, het water en de windverdediging en met Zijn zwaard sloeg Hij zich evenzo door het hekwerk. (5) Met het weerklinken van Zijn schelphoorn de zegels [van de vesting] en de harten van de moedige strijders brekend, sloeg Gadâdhara met Zijn zware strijdknots Zich door de verdedigingswerken. (6) Toen hij het geluid hoorde van de Heer Zijn Pâñcajanya, dat weerklonk als de donderslag aan het einde der tijden, verhief zich de vijfkoppige demon Mura die lag te slapen in het water [van de gracht]. (7) Zijn drietand opheffend, moeilijk te aanschouwen met een gloed zo verschrikkelijk als het vuur van de zon, ging hij, als wilde hij met zijn vijf monden de drie werelden verzwelgen, over tot de aanval zoals de zoon van Târkshya [Garuda] een slang aanvalt. (8) Zijn drietand rondzwaaiend wiep hij hem uit alle macht naar Garuda met een dermate kolossaal gebrul van zijn vijf monden dat de aarde, de hemel en de buitenruimte van het eivormige omhulsel van het universum ervan galmde. (9) Heer Krishna brak toen met twee pijlen de drietand die op Garuda afvloog in drie stukken en trof vervolgens met grote kracht zijn gezichten met meer pijlen. Daarop slingerde de duivel woedend zijn knots op Hem af. (10) Die knots op Hem afvliegend werd door de Oudere Broer van Gada [Gadâgraja, Krishna] op het slagveld in duizend stukken gebroken. Toen hij daarop met zijn armen geheven op Hem afstormde, sneed de Onoverwinnelijke moeiteloos de hoofden eraf met Zijn werpschijf. (11) Levenloos in het water neervallend met zijn hoofden eraf alsof Indra met zijn kracht een bergpiek had afgesplitst, kwamen zijn zeven zoons die zich hoogst ellendig voelden over hun vaders dood, vertoornd in actie om hem te wreken.
(12) Ingezet door Bhaumâsura traden Tâmra, Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân en Aruna de zevende met Pîthha voorop als hun generaal naar voren op het slagveld hun wapens met zich meedragend. (13) In de aanval zetten ze kwaad en woest hun zwaarden, knotsen, speren, lansen en drietanden in tegen de Onoverwinnelijke, maar onder geen enkele omstandigheid in Zijn kunnen belemmerd door hun berg van wapens schoot de Allerhoogste Heer ze met Zijn pijlen aan gruzelementen. (14) Hun hoofden, armen, dijen benen en wapenrusting stukschietend stuurde Hij ze allemaal naar Yamarâja. Toen Bhauma, de zoon van moeder aarde, zag hoe zijn leger en aanvoerders bezweken onder de pijlen en de werpschijf van Krishna, trad hij, niet in staat dat te verdragen, naar voren met van de bronst druipende olifanten die waren geboren uit de melkoceaan. (15) Toen hij Heer Krishna en Zijn echtgenote zag zitten op Garuda, als waren ze de bliksem in een wolk boven de zon, liet hij zijn S'ataghnî [een projectiel met vele punten] op Hem los en vielen tegelijkertijd al zijn soldaten aan. (16) De Allerhoogste Heer, de Oudere Broer van Gada, veranderde hun lichamen - en tegelijkertijd ook de lijven van de paarden en de olifanten - met verschillend gevederde scherpe pijlen in een verzameling van afgeschoten armen, dijbenen en nekken. (17-19) Ieder van de puntige en stakige wapens die de strijders inzetten, o held van de Kuru's, werd door Krishna telkens met drie pijlen aan stukken geschoten. Gedragen door hem met de grote vleugels, Garuda, die met beide vleugels klappen uitdeelde, werden de olifanten verslagen. De olifanten door zijn vleugels, bek en klauwen belaagd trokken zich terug in de stad terwijl Naraka ['hel' ofwel Bhauma] doorging met de veldslag. (20) Bhauma, getergd te zien hoe door Garuda zijn leger op de terugtocht werd gedrongen, viel hem aan met een speer die [ooit] de bliksemschicht [van Indra] weerstond, maar die raakte hem net zo min als je een olifant kan raken als je hem slaat met een bloem. (21) Om Krishna te doden nam Bhauma, gefrustreerd in zijn pogingen, zijn drietand ter hand, maar voordat hij hem zelfs maar kon lanceren, sneed de Heer met de scherpgerande schijf van Zijn cakra het hoofd van Bhaumâsura eraf terwijl die op zijn olifant zat. (22) Schitterend, glimmend gesierd met oorhangers en een fraaie helm, viel dat alles bij elkaar op de grond, en aanbaden [onder uitroepen van] 'Helaas, helaas' en 'Bravo, bravo!' de wijzen en de heersende goden Heer Krishna, Hem overladend met bloemen.
(23) Moeder aarde die daaropvolgend Krishna benaderde bood gouden oorhangers aan die gloeiden van de glimmende edelstenen, een Vaijayantî slinger van woudbloemen en gaf Hem de parasol van Varuna en het Grote Juweel [de bergtop van Mandara]. (24) De godin toen, o Koning, die met een geest vervuld van toewijding haar handen vouwde en neerboog, prees de Heer van het Universum die wordt aanbeden door de besten onder de goden. (25) Bhûmi zei: 'Voor U mijn eerbetuigingen o God der Goden, o Heer, die de schelp, de schijf en de knots vasthoudt, U die overeenkomstig het verlangen van de toegewijden Uw verschillende gedaanten heeft aangenomen, o Allerhoogste Ziel; laat er de lof voor U zijn. (26) Mijn eerbetoon geldt Hem met het lotusvormige kuiltje in Zijn buik, mijn eerbied geldt Hem met de slinger van lotussen om, mijn respect voor Hem wiens blik koel is als een lotus, mijn lofprijzing geldt U met de voeten die zijn als lotussen [zoals in 1.8: 22]. (27) Mijn eerbetuiging is er voor U, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon, het Zaad en de Volle Kennis, U breng ik de eregroet. (28) Laat er de verering zijn van U, de Ongeboren Verwekker, de Onbegrensde Absolute, de Ziel der hogere en lagere energieën, de Ziel van de Schepping, de Superziel! (29) U, verlangend te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als zijnde Ongeboren [als Brahmâ], neemt voor de vernietiging de onwetendheid op U [als S'iva] en bent voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid [met de vishnu-avatâra's] van het Universum [maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze geaardheden], o Heer van Jagat [het Levende Wezen dat het Universum is]. Hoewel U Kâla [de tijd], Pradhâna [de oorspronkelijke staat der materie] en Purusha [het volledige als de oorspronkelijke Persoon] bent bestaat U er niettemin onafhankelijk van. (30) Dit zelf van mij, het water, het vuur en de lucht, de ether, de zinsobjecten, de halfgoden, de geest, de zintuigen, degene die handelt, het geheel van de materiële energie, kortom alles wat zich rondbeweegt of niet rondbeweegt, vormt [voor zichzelf bestaand] de verbijstering o Allerhoogste Heer, daar het zich allemaal in U bevindt, U waarbuiten zich niets bevindt [zie ook siddhânta]! (31) Deze zoon van hem [Bhauma's zoon, Bhûmi's kleinzoon] heeft in zijn angst de lotusvoeten benaderd van U die het leed wegneemt van hen die hun toevlucht zoeken; alstUblieft neem hem in bescherming en plaats op zijn hoofd Uw lotushand die alle zonde wegvaagt.'
(32) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, met deze woorden door Bhûmi met toewijding en nederigheid aanbeden, ging, om de angst weg te nemen, de verblijven binnen van Bhauma die rijk waren aan alle denkbare weelde. (33) Aldaar zag de Heer zestienduizend [••] maagden van adel die door Bhaumâsura met geweld waren weggehaald bij de koningen. (34) Toen de vrouwen Hem, de meest uitzonderlijke van alle mannen, zagen binnenkomen, kozen ze bekoord als ze waren voor Hem die hen door het lot in de schoot was geworpen als de echtgenoot van hun dromen. (35) Verzonken in Krishna denkend: 'Moge de voorzienigheid maken dat Hij mijn echtgenoot wordt', sloten ze Hem aldus allen stuk voor stuk in hun hart. (36) Schoongewassen en smetteloos gekleed stuurde Hij hen in draagstoelen naar Dvârakâ tezamen met de [buitgemaakte] enorme schat aan strijdwagens, paarden en een groot aantal andere kostbaarheden. (37) Kes'ava stuurde ook vierenzestig snelle, witte olifanten mee met vier slagtanden die van dezelfde soort waren als Airâvata [Indra's olifant]. (38-39) Zich begevend naar de verblijfplaats van de koning der goden overhandigde Hij Aditi haar oorhangers. Daarna werd Hij tezamen met Zijn geliefde [Satyabhâmâ] aanbeden door Indra de leider van de dertig [belangrijkste] halfgoden en door de echtgenote van de grote koning. Er door Zijn vrouw toe aangezet trok hij de pârijâta uit de grond, plaatste die op Garuda en bracht hem, de halfgoden verslaand [die dat bestreden], naar Zijn stad. (40) Helemaal vanuit de hemel gevolgd door de bijen die begeertig waren naar de zoete geur en het sap, sierde de boom eenmaal geplant de tuin op van Satyabhâmâ's verblijf. (41) Nadat hij [Indra] zich voorover had gebogen, waarbij hij met de punten van zijn kroon Zijn voeten beroerde, en Acyuta had gesmeekt aan zijn verlangens te beantwoorden, ging hij, die grote ziel onder de halfgoden, nu hij eenmaal zijn doel bereikt had, niettemin de strijd met Hem aan [over de pârijâta]. Vervloekt zij hun weelde, wat een onbenul! [zie ook 3.3: 5]. (42) Toen trouwde de Opperheer zoals het hoort met die vrouwen op één en hetzelfde tijdstip in hun verschillende verblijven, en voor dat doel nam de Onvergankelijke Ene evenzovele gedaanten aan [zie 10.58: 45, 10.69: 19-45 en B.G. 9: 15; 13: 31]. (43) Steeds zich in hun onovertroffen, allermooiste paleizen ophoudend genoot Hij, die het onvoorstelbare ten uitvoer brengt, samen met de Hem welgevallige vrouwen en beantwoordde Hij, opgaand in het genot als iedere andere man, aan Zijn huwelijkse plichten [zie ook 1.11: 37-39]. (44) De vrouwen die zo de echtgenoot van Ramâ verwierven wisten Hem te bereiken op een manier die zelfs niet voor Brahmâ en de andere goden openstaat, met zoals ze in een steeds groter plezier deelden in de altijd weer nieuwe, liefdevolle aantrekking van een omgaan met Hem in glimlachen en blikken, intieme gesprekken en bedeesdheid. (45) Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas toewijding zijnd, Zijn voeten wassend, met betelnoot van dienst zijnd, met massages en koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het zorgen voor Zijn bed, met baden en met het geven van kadootjes, waren ze, hoewel ze honderden dienstmeisjes hadden, [persoonlijk] de Almachtige Heer van dienst.'
Voetnoten:
* De âcârya's leggen uit dat Satyabhâmâ Krishna zou vergezellen om toestemming te verlenen om Bhauma te doden ondanks de belofte die Hij ooit deed aan Bhûmi, de godin van de aarde, haar zoon Bhauma zonder haar toestemming geen geweld aan te doen. Ook zou ze zijn meegekomen om de pârijâta bloemenboom mee te nemen die Krishna haar had beloofd nadat Hij voor Rukminî zo'n bloem had meegebracht [zie ook 10.50: 54 en3.3: 5].
** Wat betreft het precieze aantal van Krishna's koninginnen bestaat er geen absolute enigheid. Hier staat geschreven 16000. De Vishnu Purâna V.19 - 9. 31 maakt melding van 16100 dames terwijl nog weer anderen spreken van 16001 van hen. Het vers 10.90: 29 niet meegerekend dat ook melding maakt van meer dan 16100 stuks, zouden zuiver redenerend vanuit de Bhâgavatam verhalen alleen, er 16008 koninginnen zijn [zie ook voorgaande voetnoot].
Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî
(1) De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen met haar vrouwelijke metgezellen. (2) Dit dan was Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden [*] als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook 6.3: 19]. (3-6) In dat privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de schuim van melk. (7) Uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor haar Meester Hem er koelte mee toe. (8) Naast Krishna met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en met haar kleding die met één uiteinde haar borsten rood van de kunkum verhulde, de gloed van haar halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg. (9) Bij de aanblik van haar verschijning als de godin van het geluk met geen ander doel, als zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht, terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten [**], liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij.
(10) De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde. (11) Met voor handen vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben. (12) Bang van de koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan als onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de troon eraan gegeven. (13) O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving. (14) Wij die het zonder bezittingen moeten stellen zijn altijd zeer geliefd bij hen die ook niets hebben en zijn daarom in de regel inderdaad niet zo geliefd bij de rijken, die Me zelden de eer bewijzen, o slanke vrouwe. (15) Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hogere en een lagere [in dezen]! (16) O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn! (17) Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die werkelijk geschikt is, een eersteklas edelman die je al je wensen in dit en het volgende leven in vervulling kan doen gaan. (18) S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je oudere broer Rukmî niet. (19) Om van hen, die verblind zijn door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed te breken werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de slechtgeaarden [zie ook B.G. 4: 7]. (20) Wij onverschillig over een thuis en een lichaam geven niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij afzijdig van welk ondernemen ook zijn volkomen iin Onszelf tevreden zoals een opzichzelf bestaand licht dat ook is.'
(21) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte toen. (22) Van de Meester van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen, en met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze, trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 6 &7]. (23) Met haar o zo tere voet die rood opgloeide van haar nagels over de vloer schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar beneden, verstikt in haar extreme verdriet en was ze niet in staat ook maar een woord uit te brengen. (24) Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa]. (25) Ziend wat, niet begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar. (26) Van het bed afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand. (27-28) Haar met tranen gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend, sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die, zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen die Zuiver Zijn. (29) De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen. (30) Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen. (31) Voor een gewone huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven, o verlegen meisje van temperament.'
(32) S'rî S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde. (33) Bedeesd met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen. (34) S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het dan met dat wat Je gezegd hebt o Lotusogige; wat stel ik, ongelijk aan de Allerhoogste Heer, nu voor vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden] - wie ben ik nu vergeleken met Hem, ik als iemand aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten de dwazen zich vastklampen? (35) Het is waar, Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je, alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde onwetendheid [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers vier en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (36) Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich afvragen] - is het wel zo dat zij, die zich bovenwerelds voordoen met activiteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan het volgen zijn? (37) Jij inderdaad kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ voorop de eer krijgt bewezen; personen die materieel voldaan zijn kennen Je, verblind door hun status, niet als hun dood, maar voor de grote genieters ben Je de meest geliefde, net zoals zij dat voor Jou zijn [zie ook 1.7: 10]. (38) Jij bent waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang, o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn. (39) Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat voor belang zou ik dan hebben bij anderen? (40) Dwaas die woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou zoeken, o Gadâgraja, Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21]. (41) Uit behoefte aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen met het afstand doen van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotusogige; hoe konden zij, bezonnen op Jouw pad in deze wereld, nu angstig beven? (42) Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]? (43) Voor Hem, Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en het volgende [zie laatste vers S'rî S'rî S'ikshâshthaka]; moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het onware. (44) Laat de koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ]. (45) De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar met vanbinnen vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht. (46) Laat er, o Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij, Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie ook 10.53: 2]. (47) Ik beschouw Je woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen] zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î aangetrokken tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*]. (48) Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze getrouwd is aangetrokken tot telkens weer een nieuwe man; als men intelligent is behoort men [zoals Jij misschien] niet aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar men, als men dan aan haar vasthoudt, in tweeërlei zin [in dit leven enerzijds en het volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook 9.14: 36].'
(49) De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb gezegd toen ik je voor de gek hield, o prinses, deed Ik in de behoefte jou hierover te horen praten, o heilige dame! (50) O rechtschapene, je zal altijd kunnen rekenen op welke zegeningen je ook van Me verlangt om van de lust bevrijd te zijn, o genadige, o jij die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd bent. (51) O zondeloze, Ik heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden afgeleid. (52) Zij die vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de Uiteindelijke Gelukzaligheid. (53) O reservoir van liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der Emancipatie, ongelukkigerwijze van Mij, de Meester erover, alleen materiële schatten verlangen, zaken die er zelfs zijn voor personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het beste past [zie ook 3.32, en 7.5: 32]. (54) Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties]. (55) In mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk bericht. (56) Toen je broer verslagen in de strijd werd toegetakeld [10.54] en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons voor je gewonnen. (57) Toen Ik, met de boodschapper die je stuurde met het meest vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon, op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]; moge dat [die standvastigheid] altijd met je zijn tezamen met het Ons verheugd zijn in reactie daarop.'
(58) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er behagen in Zichzelf met Ramâ te vermaken. (59) Zich dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van een gezinshoofd.'
Voetnoten:
* Het Sanskriet woord hier gebruikt is setu: dat betekent brug, dam, grens, limiet, dus in deze context Zijn leiding, religie, regel en wet.
** Gesproken door S'rî Parâs'ara in de Vishnu Purâna is er, zo brengt S'rîla S'rîdhara Svâmî ons in herinnering, een vers in bevestiging van dit vers:
devatve deva-deheyam
manushyatve ca mânushî
vishnor dehânurûpâm vai
karoty eshâtmanas tanum"Als de Heer verschijnt als een halfgod, neemt zij [de godin van het geluk] de gedaante aan van een godin, en als Hij verschijnt als een menselijk wezen, neemt ze een menselijke gedaante aan. Op die manier is het lichaam dat ze aanneemt in overeenstemming met het lichaam aangenomen door Heer Vishnu."
Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk
(1) S'rî S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien zoons ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al Zijn persoonlijke rijkdom. (2) Omdat ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de vrouwen hadden geen weet van de waarheid die Hem gold. (3) Volledig in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op de geest van Hem Almachtig. (4) Ondanks de romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, om aantrekkelijk blijk te geven van hun bedoelingen, waren de zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] in beroering te brengen. (5) Deze vrouwen, op die manier als hun echtgenoot de Heer van Ramâ krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer Brahmâ en de andere goden de middelen van succes kennen, eisten volijverig anticiperend op de altijd weer nieuwe, intieme omgang met plezier, glimlachen en blikken hun deel op in de onophoudelijke en liefdevolle aantrekking [zoals in 10.59: 44]. (6) Hoewel ze honderden dienstmaagden hadden waren ze, [persoonlijk] Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas eerbetoon zijnd, Zijn voeten wassend, dienend met betelnoot, met het geven van massages en Hem koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het schikken van Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken, de Almachtige Heer van dienst [als in 10.59: 45]. (7) Van deze [16008 **] vrouwen van Krishna voorheen genoemd die ieder tien zonen hadden, waren er acht belangrijkste koninginnen van wie ik de zoons met Pradyumna voorop zal opsommen.
(8-9) Door de Heer verwekt in Rukminî [zie 10.54: 60] waren er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend, [met Pradyumna voorop] Cârudeshna, Sudeshna en de machtige Cârudeha; Sucâru, Cârugupta, Bhadracâru en een andere genaamd Cârucandra alsook Vicâru en Câru, de tiende. (10-12) De tien zoons van Sathyabhâmâ [10.56: 44] waren Bhânu, Subhânu, Svarbhânu, Prabhânu, Bhânumân en Candrabhânu; alsook Brihadbhânu, de achtste Atibhânu en S'rîbhânu en Pratibhânu [bhânu betekent luister, schittering]. Sâmba, Sumitra, Purujit, S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu, Vasumân, Dravida en Kratu waren de zoons van Jâmbavatî [10.56: 32]. Het waren inderdaad deze zoons met Sâmba voorop die de voorkeur van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 & 12]. (13) Vîra, Candra en As'vasena; Citragu, Vegavân, Vrisha, Âma, S'anku, Vasu en de zo heel mooie Kuntî waren de zoons van Nâgnajitî [ofwel Satyâ, zie 10.58: 55]. (14) S'ruta, Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, degene die Bhadra heette, S'ânti, Dars'a en Pûrnamâsa waren, met Somaka als de jongste, de zoons van Kâlindî [10.58: 23]. (15) Praghosha, Gâtravân, Simha, Bala, Prabala en Ûrdhaga waren met Mahâs'akti, Saha, Oja en Aparâjita de zoons van Mâdrâ [zie *]. (16) Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnâda, Mahâmsa, Pâvana en Vahni waren met Kshudhi de zoons van Mitravindâ [10.58: 31]. (17) Sangrâmajit, Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadra waren tezamen met Vâma, Âyur en Satyaka de zoons van Bhadrâ [10.58: 56]. (18) Dîptimân, Tâmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en Rohinî [*]. O Koning, van Pradyumna kwam, toen Hij zich ophield in de stad Bhojakatha [Rukmî's domein], verwekt in Rukmavatî, de dochter van Rukmî, de hoogst machtige Aniruddha ter wereld [zie ook 4.24: 35-36]. (19) Uit deze zoons en kleinzoons werden er tientallen miljoenen geboren, o Koning, daar het aantal moeders van de nakomelingen van Krishna zestienduizend bedroeg.'
(20) De koning zei: 'Hoe kon Rukmî zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij de gelegenheid af om Hem te doden. Alstublieft, leg het me uit, o geleerde, hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden gearrangeerd. (21) Yogi's [als u] zijn perfect in staat het verleden, het heden alsook watt zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij aan de zinnen.'
(22) S'rî S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij [Rukmavatî] de Cupido [Pradyumna] voor haar tastbaar die met een enkele wagen in de strijd de verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor ging. (23) Rukmî, zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met Krishna die hem had beledigd [10.54: 35], gunde, om zijn zus [Rukminî] een plezier te doen, zijn dochter zijn neef. (24) De jonge dochter van Rukminî met grote amandelogen, Cârumatî, huwde, zo wordt beweerd o Koning, de zoon van Kritavarmâ genaamd Balî. (25) Rukmî, ondanks zijn in vijandschap aan de Heer gehecht zijn, schonk aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn kleindochter weg genaamd Rocanâ; zich ervan bewust dat het huwelijk indruiste tegen het dharma [dat voorschrijft niet te heulen met de vijand], gaf hij er, in zijn vrijheid beperkt door de banden der genegenheid, de voorkeur aan zijn zuster te behagen met dat huwelijk. (26) Ter gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven Rukminî, Balarâma en Kes'ava [Krishna], Sâmba, Pradyumna en anderen, zich naar de stad Bhojakatha.
(27-28) Na de plechtigheid richtten een paar arrogante koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga zich tot Rukmî: 'U zou Balarâma eens met een dobbelspelletje moeten verslaan. Er waarlijk niet zo goed in is Hij, o Koning, er niettemin hogelijkst door gefascineerd', zeiden ze aldus en zodoende Balarâma uitnodigend dobbelde Rukmî een partijtje met Hem. (29) In die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend en daarna tienduizend [gouden munten] accepterend was het Rukmî echter die won, waarop de heer van Kalinga luidkeels om Balarâma moest lachen waarbij hij zijn tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de Ploeg hem niet vergeven. (30) Rukmî ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen door Balarâma werd gewonnen, maar Rukmî, zijn toevlucht nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het gewonnen!'
(31) Met een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle maan aanvaardde de knappe Balarâma, wiens van nature roze ogen brandden van woede, een gok van een honderd miljoen. (32) Balarâma won ook dat spel eerlijk maar Rukmî zocht opnieuw zijn heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze getuigen dat bevestigen!'
(33) Toen sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad Balarâma die de inzet won, de woorden die Rukmî uitsprak zijn een botte leugen!'
(34) Geen acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot Sankarshana: (35) 'Jullie koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen en pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie slag!'
(36) Op deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het huwelijk], door Rukmî beledigd en de risee geworden van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en sloeg Hij hem dood. (37) Vlug als water de wegvluchtende koning van Kalinga op zijn tiende stap te pakken nemend, sloeg Hij in Zijn toorn de tanden eruit die hij had laten zien toen hij lachte [zie ook 4.5: 21]. (38) Geteisterd door Balarâma's knots sloegen verzet in doodsangst de andere koningen, met hun armen, benen en schedels gebroken, toen doordrenkt van het bloed op de vlucht. (39) Geplaatst voor het feit dat Zijn zwager, Rukmî, was afgemaakt o Koning, gaf de Heer, beducht de band der genegenheid met Rukminî en Balarâma te verbreken, geen enkele blijk van goedkeuring of protest. (40) Toen, met Râma voorop, plaatsten de nakomelingen van Das'ârha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van Madhusûdana alle doelen waren bereikt, vanuit Bhojakatha in de richting van Kus'asthalî [een andere naam voor Dvârakâ].'
Voetnoot:
* Deze die Mâdrâ heet is de achtste van de hoofdvrouwen van Krishna die nog niet eerder werd vermeld; ze is de dochter van de heerser van Madra, genaamd Brihatsena, en staat ook bekend als Lakshmanâ. Van het Bhâgavatam haar verhaal kennend zoals verteld in10.83: 16, is het duidelijk dat ze behoorde tot de acht koninginnen die Hij voordien huwde. Aldus waren er 16008 van hen. Rohinî [niet te verwarren met Balarâma's moeder die dezelfde naam draagt], niet beschouwend als een hoofdvrouw van Krishna, schijnt degene te zijn geweest die aan het hoofd van de zestienduizend prinsessen stond. Aldus Mâdrâ als de reden aannemend voor het spreken van 16001 vrouwen in plaats van 16000, hebben we alles bij elkaar: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ and 8 Mâdrâ (Lakshmanâ) en dan de zestienduizend vrouwen met Rohinî voorop die op de tweede plaats stonden [zie ook voetnoot 10.59**].
Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de beste van de Yadu's [Aniruddha] en om die reden vond er een enorme, verschrikkelijke veldslag plaats tussen de Heer en S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote yogi, ik geef het u dit alles te verklaren.'
(2) S'rî S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van de honderd zoons geboren uit het zaad van Bali ['gift'] - de grote ziel die de aarde wegschonk aan de Heer die was verschenen in de gedaante van Vâmana [zie 8.19-22] -, was, respectabel en grootmoedig, intelligent en waarachtig in zijn geloften, altijd standvastig in zijn toewijding voor Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend staat als S'onita ['hars'] stichtte hij zijn koninkrijk, alwaar de onsterfelijken hem van dienst waren alsof ze zijn bedienden waren. Dat deden ze omdat in het verleden S'ambhu ['de weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld toen hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten had bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige'] aan het dansen was. (3) Hij, de grote heer en meester van alle geschapen wezens, de mededogende die zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde hem met een zegen naar zijn keuze en hij koos voor hem [S'iva] als de behoeder van zijn stad. (4) Hij, begoocheld door zijn kracht, met een helm zo helder als de zon eens aanwezig aan zijn zijde zei tot Giris'a [S'iva als de heer van de berg] terwijl hij zijn voeten beroerde: (5) 'Ik buig me voor u neer o Mahâdeva [grote god], o beheerser en geestelijk leraar van de drie werelden die als een boom uit de hemel alle wensen vervult van de mensen die onvoldaan zijn. (6) Het duizendtal armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden en behalve u kan ik in de drie werelden geen tegenstander vinden die mijn gelijke is. (7) Met een lust in mijn armen om bergen te verpulveren ging ik heen om strijd te leveren tegen de olifanten uit alle windrichtingen o oerheer, maar verschrikt sloegen ze allen voor mij op de vlucht.'
(8) Dat aanhorend zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal worden gebroken als, o dwaas, je trots teniet wordt gedaan in de strijd met iemand gelijk aan mij.' (9) Met dat in zijn oren ging de arme van geest opgetogen naar huis, o koning, om aldaar niet bijster intelligent de ondergang van zijn heldhaftigheid af te wachten zoals Giris'a die had voorspeld [vergelijk 2.1: 4].
(10) Zijn maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een droom een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna, en dat terwijl ze de minnaar die ze zo vond nog nooit eerder had ontmoet of zelfs maar kende van horen zeggen [zie *]. (11) Zij, hem niet [langer] in haar droom ziend, kwam verstoord overeind terwijl ze zich temidden van haar vriendinnen bevond en zat toen enorm met zichzelf verlegen toen ze zichzelf hoorde zeggen 'Waar ben je mijn liefste?'(12) De dochter Citralekhâ ['de prima portrettiste'] van een minister van Bâna genaamd Kumbhânda, hoorde toen hoogst nieuwsgierig Ûshâ, haar vriendin en metgezel, uit. (13) 'Wie is dat naar wie je verlangt o mooie wenkbrauwtjes, en wat verwacht je van hem, want tot dusverre hebben we nog niemand gezien die je hand heeft verworven, o prinses.'
(14) 'In mijn droom zag ik een zekere man met een donkere huidskleur, lotusblaadjesogen, gele kleren en machtige armen - een van de soort die een vrouw het hart op hol doet slaan. (15) Hem zoek ik, die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed drinken en die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar Hem, in een zee van lijden heeft achtergelaten.'
(16) Citralekhâ zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is in de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft zeg me hoe Hij eruit ziet.'
(17) Toen ze dit had gezegd tekende ze natuurgetrouw voor haar de halfgod en de zanger van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de bovennatuurlijke en de mens. (18-19) Van de mensen tekende ze Vrishni's als S'ûrasena, Vasudeva, Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna zag raakte Ûshâ bedeesd en met het tekenen van Aniruddha boog ze haar hoofd in verlegenheid o grote heer, en zei ze glimlachend: 'Dat is ie, Hij hier!' (20) Citralekhâ, de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon [Aniruddha] begaf zich toen, o Koning, via de hogere sferen [op een mystieke manier] naar Dvârakâ, de stad onder de hoede van Krishna. (21) Pradyumna's zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruik makend van haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar vriendin haar Geliefde te tonen. (22) Toen ze Hem zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en had ze het fijn met de zoon van Pradyumna in haar privévertrekken, een plek die verboden terrein was voor het oog van mannen. (23-24) Met de kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren, lampen, zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en vast voedsel en met woorden aanbad ze Hem toen in een gewetensvol dienstverlenen. En aldus Hem verborgen houdend in de maagdenverblijven verloor Hij, met haar groots toenemende genegenheid, de dagen uit het oog met al de afleiding die ze Zijn zinnen verschafte. (25-26) Zij aldus, met het breken van haar gelofte [van kuisheid] genoten door de Yadu-held, kon niet de symptomen verhullen van haar zinderende geluk die werden opgemerkt door haar gouvernantes die er verslag van deden [aan Bâna, haar vader]: 'O Koning, we hebben gemerkt dat uw dochter van een voor een ongetrouwd meisje onbetamelijke manier van doen is die de familie bezoedelt. (27) Goed in de gaten gehouden door ons in het paleis is ze er nimmer tussenuit geweest, o meester. We hebben er dan ook geen idee van hoe zij, die door geen man kon worden gezien, haar maagdelijkheid kon verliezen.'
(28) Toen Bâna hoorde dat zijn dochter was onteerd begaf hij zich hoogst verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar hij bij aankomst de meest excellente van de Yadu's aantrof. (29-30) Hij stond versteld toen hij zag hoe, recht voor haar zittend, die zoon van Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden, donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed en de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het dobbelen was met Zijn o zo genadige lieveling, waarvan het rood van de kunkuma van haar borsten kleefde aan de door haar vervaardigde slinger van lentejasmijn die tussen Zijn armen hing. (31) Hem binnen zien komend omringd door menig een gewapende wacht hief de Lieve Heer Zijn strijdknots van muru [een soort ijzer] en zette Zich schrap, klaar om als de dood in eigen persoon toe te slaan met de roede der bestraffing. (32) Toen ze Hem van alle kanten insloten om Hem in te rekenen, viel Hij hen als een dominant zwijn geplaatst voor een roedel honden aan zodat ze allen getroffen het op een rennen zetten om uit het paleis weg te komen met hun hoofden, armen en benen kapotgeslagen. (33) Maar terwijl Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali Hem woedend zelf gevangen met de [mystieke] slangenkoorden [van Varuna, zie ook 8.21: 28]. Toen Ûshâ hoorde dat Hij was gevangen genomen weende ze compleet verslagen en ontmoedigd, overweldigd door verdriet bittere tranen.'
Voetnoten:
* Hier haalt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura de volgende verzen aan uit de Vishnu Purâna, die uitleg verschaffen over Ûshâ's droom: 'O brâhmana, toen Ûshâ, de dochter van Bâna, toevallig Pârvatî zag spelen met haar echtgenoot, Heer S'ambhu, verlangde Ûshâ er hevig naar dezelfde gevoelens te ondergaan. Op dat ogenblik zei de Godin Gaurî [Pârvatî], die ieders hart kent, tegen het gevoelige jonge meisje, 'Wees er niet door verstoord! Je zal de kans krijgen te genieten samen met je echtgenoot.' Dit horend, dacht Ûshâ bij zichzelf, 'Maar wanneer dan? En wie zal mijn echtgenoot zijn?' In reactie hierop, richtte Pârvatî nogmaals het woord tot haar: 'De man die je benadert in je droom op de twaalfde dag van de heldere maandhelft van de maand Vais'âkha zal je echtgenoot worden, o prinses.'
De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen ze aldus Aniruddha niet meer zagen, o zoon van Bharata, brachten Zijn verwanten de vier maanden van het regenseizoen door in een constant weeklagen. (2) Met van Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar S'onitapura. (3-4) De besten der Sâtvata's te weten Pradyumna, Yuyudhâna [Sâtyaki], Gada, Sâmba, en Sârana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen onder leiding van Râma en Krishna bijeen met twaalf akshauhinî's en belegerden van alle zijden Bâna's stad volledig. (5) Toen die zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, briesend van woede, tevoorschijn om hen partij te bieden met een leger dat net zo groot was. (6) Bhagavân S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon [Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke metgezellen] om aan de kant van Bâna te vechten tegen Râma en Krishna. (7) Wat zich toen voordeed, o Koning, was een ontstellend heftige strijd die je de haren te berge deed rijzen. Krishna kwam daarin in het geweer tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kârtikeya. (8) Kumbhânda en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma, Sâmba met de zoon van Bâna en Sâtyaki met Bâna zelf. (9) Met Heer Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten. (10-11) Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'ârnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van Kâlî], de Yâtudhâna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetâla's [de vampieren], de Vinâyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mâtâ's [demonische moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen], de Kushmânda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-râkshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal volgden. (12) De hanteerder van de drietand [Pinâkî ofwel S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de S'ârnga spande, zag ze allemaal geneutraliseerd met passende tegenwapens; ze konden de Drager van de S'ârnga niet van Zijn stuk brengen. (13) Hij zette een brahmâstra in tegen een brahmâstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nârâyanâstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pâs'upatâstra [het 'beestenriem'-wapen]. (14) Daarop heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen. (15) Kârtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte op zijn pauwenvoertuig weg van het slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed. (16) Kumbhânda en Kûpakarna geteisterd door de knots [van Râma] vielen en hun legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle richtingen.
(17) Bâna geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, keerde Sâtyaki waarmee hij vocht de rug toe, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan. (18) Bâna, buiten zichzelf van het vechten, spande met twee pijlen op ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn vijfhonderd bogen. (19) Deze bogen werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn. (20) [toen...] In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, pal voor Krishna. (21) Toen Heer Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten. (22) Maar met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam wou zetten [zie *]. (23) Heer Nârâyana, hem ziend, stuurde daarop Zijn koorts erop uit [extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten. (24) Die van Mâhes'vara schreeuwde het uit, gepijnigd als hij was door de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen vindend begon Mâhes'vara's Jvara toen dorstend naar bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen handen. (25) De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het universum; U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect refereren. (26) Ik benader U omdat U er bent als de loochening van deze mâyâ van de tijd, het lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit. (27) U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard [lîlâ's] teneinde de godsbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8]. (28) Ik wordt geplaagd door deze hoogst verschrikkelijke koorts van Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, want inderdaad, zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van dienst zijn hebben ze te lijden in hun onafgebroken gebonden zijn aan begeerten.'
(29) De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over u, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; voor niemand die zich ons gesprek herinnert zal er een reden zijn om u te vrezen.'
(30) Aldus toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover voor Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met Janârdana aan te binden. (31) Daarop, o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, schoot de demon, kokend van woede, pijlen af op Hem wiens wapen de Cakra is. (32) Van hem, die keer op keer zijn wapens lanceerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren het de takken van een boom. (33) Terwijl Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf. (34) S'rî Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuilgaand in de taal [in de Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht. (35-36) U met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; wiens zien de zon is, wiens bewustzijn van het Zelf ik ben, met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met Viriñca als Uw intelligentie, met de Prajâpati als Uw geslachtsdelen, wiens hart de religie is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen. (37) U van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U verlicht de zeven werelden [zie dvîpa]. (38) U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, terwille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, evenzogoed waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de verschillende levensvormen, goden en avatâra's] van Uw begoochelende vermogen. (39) Net zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende geaardheden der materie voor de wezens die behept zijn met deze kwaliteiten. (40) Zij die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen, vrouw, een huis enzovoorts, stijgen, in hun intelligentie verbijsterd door mâyâ [afwisselend], naar de oppervlakte van de oceaan der misère en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21]. (41) Bij de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad zeer beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt. (42) De sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de nectar. (43) Ik, Brahmâ alsook de halfgoden en de wijzen hebben een bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf. (44) Laten we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen is, Hij die de toevlucht vormt voor het beëindigen van een materieel leven. (45) Deze hier [Bâna] is mijn gunsteling en meest dierbare volgeling die door mij beloond werd met onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft schenk hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der Daitya's [Prahlâda].'
(46) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde als zijnde uw genoegen. (47) Hij, deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard worden, daar Ik Prahlâda de volgende zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook 7.10: 21]. (48) Om zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last geworden was. (49) De Asura die nog vier van zijn armen over heeft, zal, niet ouder wordend en onsterfelijk, als één van uw belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen heeft.'
(50) Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de Asura zijn hoofd voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde die naar voren. (51) Hij [Krishna] met Hem en Zijn vrouw, opgesierd en gestoken in de fijnste kleren, voorop, vertrok toen met de toestemming van S'iva, omringd door een akshauhinî. (52) Toe Hij zijn hoofdstad, geheel versierd met vlaggen, erebogen en met de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkwam, werd Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geborenen. (53) Voor degene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.'
Voetnoten:
* Hier citeert S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura de volgende beschrijving van de S'iva-jvara: "De verschrikkelijke S'iva-jvara had drie benen, drie hoofden, zes armen en negen ogen. As rondstrooiend leek hij op Yamarâja ten tijde van de ondergang van het universum."
Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon
(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen. (2) Na een lange tijd gespeeld te hebben keken ze dorstig uit naar water en ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel. (3) Voor zich zagen ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van verwondering probeerden ze, bewogen door mededogen, het uit de put te tillen. (4) Met leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastgemaakt slaagden de jongens er niet in het schepsel eruit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna. (5) De Lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, ging een kijkje nemen, zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven. (6) Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van een hemels wezen dat prachtig was met een gelaatskleur als van gesmolten goud en wonderschone sieraden, kleren en bloemenslingers. (7) Hoewel Hij zich terdege bewust was van datgene wat tot deze situatie had geleid vroeg Mukunda, zodat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent u, o fortuinlijke, uw excellente voorkomen in aanmerking genomen durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent! (8) Door welke actie bent u in deze toestand, die u zeker niet verdiend heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de juiste tijd acht er hier over te spreken.'
(9) S'rî S'uka zei: 'De koning die aldus vragen werd gesteld door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm die zo schitterend was als de zon zich voor Mâdhava en sprak tot Hem. (10) Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een zoon van [S'raddhadeva Manu en een jongere broer van] Ikshvâku, o Meester, misschien kwam het U ter ore dat ik wordt gerekend onder de mannen van liefdadigheid. (11) En wat zou U ook niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle Wezens, wiens visie niet door de tijd verstoord is; desalniettemin zal ik spreken zoals U het wenst. (12) Zoveel zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui regen, zoveel koeien heb ik weggegeven. (13) Ik gaf koeien compleet te melken, nog jong, goed van karakter, goed van uiterlijk en rijk aan vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen met hun kalveren, met gouden sieraden aan hun hoorns, zilver aan hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers. (14-15) Ik, van vrome werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, was van liefdadigheid voor de door mij geornamenteerde heilige, jonge, uitzonderlijke brahmanen die de waarheid zijn toegewijd en bekend om hun verzaking en grote kennis van de Veda's, en die met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en van karakter: ik gaf ze koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens. (16) Zonder dat ik het doorhad schonk ik van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke weggedwaald zich had gevoegd bij mijn kudde. (17) Die koe werd, terwijl ze weggeleid werd, opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is van mij!' Maar hij die de gift had aangenomen zei daarop toen: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!'
(18) De twee geschoolden in een strijd verwikkeld om hun eigenbelang zeiden me: 'U mijnheer, bent als de schenker een dief geweest!' Toen ik dit hoorde was ik met stomheid geslagen.
(19-20) Aldus in verlegenheid met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor: 'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor teruggeven! Jullie beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een smerige hel!'
(21) 'Ik heb helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' zei daarop de eigenaar en verdween.
'Al die andere extra koeien wil ik helemaal niet', zei de ander en vertrok.
(22) Nadat zich dit had voorgedaan werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3] de volgende vraag voorgelegd: (23) 'Wilt u eerst de gevolgen van uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever die van uw goede daden? Wat betreft de goede kan ik het einde niet bekennen van de stralend mooie wereld die het gevolg is van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.'
(24) Ik zei daarom: 'Laat me eerst de gevolgen van mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid', waarop hij toen zei: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik mezelf veranderd in een kameleon! (25) Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava, heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie [zie ook 5.8: 28]. (26) Hoe, o Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U, de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o Adhoks'aja, kan ik, wiens intelligentie was verblind door ernstige moeilijkheden, de permissie verwerven om te aanschouwen wat er is voor hen wiens materiële leven alhier is afgerond? (27-28) O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge, waar ik me ook bevind, mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten er zijn! (29) Mijn eerbetuigingen voor U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn Aantrekking, Krishna [*], de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga [alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn], mijn respect.'
(30) Nadat hij aldus had gesproken en Hem omlopen had kreeg hij, nadat hij Zijn voeten met zijn kroon had beroerd, toestemming om te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een wonderschone hemelwagen. (31) Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de edelen in het algemeen: (32) 'Als zelfs voor iemand die nog krachtiger is dan een vuur het kleinste beetje bezit van een brahmaan dat hij zich toeëigent [wegsteelt of hem ontzegt] niet te genieten is, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor koningen die zich verbeelden de Heer te zijn? (33) De hâlâhala [die werd gekarnd met Mandâra] beschouw Ik niet als vergif omdat daar een antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]; maar wat een brahmaan toebehoort [echter] noem Ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor zoiets in de wereld geen tegengif bestaat. (34) Vergif richt degeen die het inneemt te gronde en vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot de grond. (35) Als men zonder toestemming geniet van het bezit van een brahmaan richt dat drie generaties te gronde [zie **] maar als men het met geweld [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] geniet [gaat dat op voor de eer van] tien voorgaande en tien volgende generaties [zie ook 9.8]. (36) Leden van de adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44] zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen. (37-38) Zoveel stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door vrijgevige brahmanen die terwille van hun beminden huilen over de middelen van bestaan die hen afhandig werden gemaakt, evenzovele jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke familie, die de zaak niet in de hand hebbend, zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenden, worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13]. (39) Hij dan die wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen. (40) Bezorg Mij niet de weelde die een brahmaan toebehoort; de begeerte daarnaar maakt dat mensen een kort leven is beschoren, het brengt hen de nederlaag en berooft ze van het koninkrijk; ze veranderen ermee in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen. (41) Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs als hij je fysiek keer op keer raakt en je vervloekt, behoor je hem altijd je eerbetuigingen te brengen. (42) Precies zoals Ik me er steeds voor inspan om Me te verbuigen voor de geschoolden, behoren jullie ook allemaal van datzelfde respect te zijn; hij die dat anders aanpakt komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft. (43) Het bezit inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van hem die daaraan schuldig is, zelfs al gebeurde het onbewust, zoals dat zich voordeed met de persoon van Nriga met de koe van de brahmaan.'
(44) Na aldus de ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, ging de Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, Zijn paleis binnen.'
Voetnoten:
* In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd met betrekking tot Krishna: "Het woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer Zijn bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'. Als men het werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na', wordt het krishna, wat dan de aanduiding van de Absolute Waarheid vormt."
** Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî, heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier gebruikt, betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn kleinzoons.
Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld
(1) S'rî S'uka zei: 'O beste van de Kuru's, de Allerhoogste Heer Balarâma klom [op een dag] in Zijn wagen ernaar verlangend Zijn vrienden te zien en reisde af naar Nanda's koeherdersdorp. (2) Door de gopa's en de gopî's, die Hem voor een lange tijd inderdaad hadden gemist, werd Râma omhelsd en met het brengen van Zijn eerbetuigingen voor Zijn ouders werd Hij vreugdevol begroet met gebeden: (3) 'O afstammeling van Das'ârha, bescherm ons alsJeblieft altijd tezamen met Je jongere broer, de Heer van het Levende Wezen', en dit gezegd hebbende trokken ze Hem dicht naar zich toe op hun schoten en omhelsden ze Hem, Hem bevochtigend met het nat van hun tranen. (4-6) Daarna begaf Hij zich naar de oudere koeherders die Hij tegemoet trad met glimlachen en het beetgrijpen van hun handen. Na Hem een comfortabele zitplaats te hebben geboden zodat Hij wat had kunnen uitrusten en zo meer, verzamelden zij, die alles in dienst hadden gesteld van de lotus-ogige Krishna zich rondom Hem en stelden ze met stemmen verstikt van de liefde vragen met betrekking tot het welzijn van hun dierbaren: (7) 'O Balarâma gaat het onze verwanten allemaal goed? Herinneren zich al de Jouwen, vrouwen en kinderen tezaam, ons nog o Râma? (8) Gelukkig werd die zondaar van een Kamsa ter dood gebracht en werden onze verwanten bevrijd; goddank vonden zij beschutting in een fort [Dvârakâ] en werden onze vijanden gedood en overwonnen!' (9) Zeer vereerd Râma in hun midden te zien vroegen de gopî's met een glimlach: 'Geniet Krishna, de lieveling van de dames in de stad, een gelukkig leven? (10) Denkt Hij nog wel aan Zijn mensen, zijn [pleeg-]vader en Zijn moeder; zal Hij er ooit nog eens toe komen in eigen persoon Zijn moeder weer te zien en herinnert Hij met Zijn machtige armen Zich onze onwankelbare dienst nog? (11-12) Terwille van Hem hebben we, o Heer, ons onthecht van hen waar men zich zo moeilijk van kan losmaken: onze moeders, vaders, echtgenoten, kinderen en zusters, o afstammeling van Das'ârha. Toen Hij ons opeens afwees en vertrok, brak Hij met de vriendschap, maar welke vrouw zou er nou geen geloof aan hechten weer van Hem te horen? (13) Hoe kunnen nu die schrandere dames uit de stad vertrouwen stellen in de woorden van Hem die Zijn hart zo makkelijk elders heeft en het contact afbreekt? Ze verkijken zich op Zijn welbespraaktheid en fraaie glimlachten omdat ze in werkelijkheid door de lust worden aangespoord! (14) Maar waarom zouden we nog langer over Hem moeten uitweiden o gopî's, laten we het alsjeblieft over wat anders hebben; als Hij Zijn tijd zonder ons doorbrengt, laten wij dan hetzelfde doen [met proberen het zonder Zijn aanwezigheid te redden. Zie ook 10.47: 47].'
(15) Zich aldus onderhoudend over de goedlachsheid, de gesprekken en de aantrekkelijke blikken en zich de manier van lopen en liefdevolle omhelzing van S'auri herinnerend, moesten de vrouwen huilen. (16) Sankarshana, de Opperheer, als een expert in de verschillende wijzen van steun verlenen, troostte hen met Krishna's vertrouwelijke boodschappen die hen in hun harten raakten. (17) Râma verbleef daar toen voor de duur van de twee maanden Madhu en Mâdhava [de eerste twee na de lente-equinox], en bracht ook gedurende de nacht de gopî's in [amoureuze] verrukking [zie ook 10.15: 8]. (18) In een stukje bos nabij de Yamunâ [bekend als S'rîrâma-ghaththa] met in de wind de geur van ['s nachts bloeiende] kumuda lotussen, genoot Hij, badend in het licht van de volle maan, ervan door de vele vrouwen bediend te worden. (19) Door Varuna gebracht vloeide uit de holte van een boom de goddelijke [bedwelmende drank] Vârunî die met zijn aroma het gehele bos zelfs nog meer deed geuren. (20) Balarâma, die de geur opsnoof van die honingstroom meegevoerd door de wind, ging eropaf en dronk ervan samen met de vrouwen. (21) Pauken weerklonken in de hemel, de Gandharva's lieten vol vreugde bloemen neerregenen en de wijzen prezen Râma voor Zijn heldendaden. (22) En terwijl de zangers van de hemel de heerlijkheid bezongen, genoot Hij, die er in de kring van jonge vrouwen nog mooier uitzag, van de jonge vrouwen, als was Hij Indra's olifantenstier met een kudde wijfjes. (23) Met Zijn avonturen bezongen door de vrouwen zwierf Halâyudha [Balarâma als 'gewapend met de ploeg'] onder de invloed van de drank door het bos met Zijn ogen zwaar van de bedwelming.
(24-25) Met bloemen, met een enkele oorhanger, zot van het genoegen, met Zijn Vaijayantî bloemenslinger om en met Zijn lachende, lotusgelijke gezicht overdekt door zweetdruppeltjes als waren het sneeuwvlokken, riep Hij om de Yamunâ met het voornemen in het water te spelen, maar toen de rivier Zijn dronken woorden daarop negeerde, werd zij door Hem kwaad omdat ze niet kwam met de punt van Zijn ploeg erbij gesleept: (26) 'Jij zondige, je komt niet, terwijl je door Mij bent geroepen, en omdat, naar je eigen idee je bewegend, je Mij niet gerespecteerd hebt, zal Ik je met de punt van Mijn ploeg in honderden stroompjes verdeeld naar Mij toe doen komen!'
(27) Yamunâ aldus berispt, bevreesd Hem ten voeten gevallen, o Koning, sprak trillend voor het Yadu-kind de woorden [*]: (28) 'Râma, Râma, o machtig gearmde, wat weet ik nu van waar U allemaal toe in staat bent? U door wiens enkele deelaspect [van S'esha] de aarde wordt gedragen, o Meester van het Universum. (29) AlstUblieft, o Allerhoogste Heer, laat me gaan, ik heb me overgegeven, ik was me niet bewust van Uw status Allerhoogste Persoonlijkheid, o Ziel van het Universum die zo vol van mededogen bent voor Uw toegewijden!'
(30) Aldus ertoe verzocht gaf Balarâma, de Allerhoogste Heer, de Yamunâ de vrijheid en dompelde Zich toen met de vrouwen onder in het water als was hij de koning der olifanten met zijn wijfjes. (31) Zich naar hartelust uitgeleefd hebbend en uit het water gekomen bood Kânti ['de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmî] Hem een blauw stel kleren, hoogst kostbare sieraden en een prachtige halsketting. (32) Zich aankledend met de blauwe kledingstukken en de gouden halsketting omdoend zag Hij, schitterend uitgedost en ingesmeerd, er net zo magnifiek uit als de olifant van de grote heer Indra. (33) Tot op de dag van vandaag worden, o Koning, de stromen van de Yamunâ zoals ze werden getrokken door Balarâma's onbegrensde vermogen, gezien als bewijs van Zijn kunnen. (34) Aldus voltrokken voor Râma, die in Zijn geest bekoord was door de uitgelezen vrouwenschaar van de koeiengemeenschap, al de nachten die Hij in Vraja genoot, zich als betrof het één enkele nacht.'
Voetnoot:
* De paramparâ geeft als commentaar: 'Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, is de godin die verscheen voor Heer Balarâma een expansie van S'rîmatî Kâlindî, een van Heer Krishna's koninginnen in Dvârakâ. S'rîla Jîva Gosvâmî noemt haar een 'schaduw' van Kâlindî, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî bevestigt dat ze een expansie is van Kâlindî, niet Kâlindî zelf. S'rîla Jîva Gosvâmî levert ook bewijs met de S'rî Hari-vams'a uitspraak - pratyuvâcârnava-vadhûm - dat de Godin van de Yamunâ de echtgenote van de oceaan is. De Hari-vams'a refereert derhalve ook wel aan haar als Sâgarânganâ.'
De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur
(1) S'rî S'uka zei: 'Met Balarâma vertrokken naar Nanda's koeherdersdorp stuurde de heerser van Karûsha [Paundraka], o Koning, dwaas denkend 'Ik ben Vâsudeva', een boodschapper naar Krishna. (2) Heel kinderachtig hadden lieden hem ingefluisterd: 'Je bent Vâsudeva, de Allerhoogste Heer nedergedaald als de Meester van het Universum!', en aldus beeldde hij zich in dat hij de Onfeilbare was. (3) Als een jongetje van een gering bevattingsvermogen dat door kinderen tot koning werd uitgeroepen stuurde hij, in zijn zotternij, een boodschapper naar Krishna, Hij wiens wegen ondoorgrondelijk zijn en die zich ophield in Dvârakâ. (4) De afgezant in Dvârakâ aangekomen bracht toen in de koninklijke vergadering aan Krishna Almachtig met de Lotusblaadjesogen het bericht over van zijn koning: (5) 'Ik Vâsudeva, de enige ware echte, ben in deze wereld nedergedaald met de bedoeling van genade te zijn voor de levende wezens. U echter, moet de valse aanspraak op die titel opgeven! (6) O Sâtvata, geef mijn symbolen op die U in Uw waan in Uw vaandel voert. Kunt U zich maar beter tot mij voor Uw toevlucht wenden; zo niet, treedt dan met mij in gevecht.'
(7) S'rî S'uka zei: 'Toen ze die opsnijderij van de idiote Paundraka hoorden, brulden de leden van de vergadering die werd voorgezeten door Ugrasena van het lachen. (8) De Allerhoogste Heer zei, nadat iedereen was uitgegierd, toen tot de boodschapper: 'Ik zal jou, o dwaas, de symbolen naar je hoofd slingeren waar je zo over opschept. (9) De toevlucht van honden zal je zijn, jij onbenul, voor lijk liggend met dat gezicht van je overdekt door gieren, reigers en vatha's overal om je heen.'
(10) Aldus toegesproken bracht de boodschapper dat beledigende antwoord tot in detail over aan zijn meester en ging Krishna, in Zijn wagen geklommen, naar Kâs'î [Vârânasî]. (11) Toen de machtige krijgsheer Paundraka zag dat Hij Zijn voorbereidingen trof, kwam hij snel uit de stad te voorschijn vergezeld door twee akshauhinî's. (12-14) De Heer zag Paundraka met achter zich aan zijn vriend, de meester van Kâs'î, met nog eens drie akshauhinî's, o Koning. Hij presenteerde zich compleet met een schelphoorn, een werpschijf, een zwaard en een knots, een S'ârnga en het S'rîvatsa-teken en andere symbolen, met inbegrip van een Kaustubha-juweel en de sier van een woudbloemenslinger. Met een stel fijne geelzijden kleren aan en met in zijn vaandel Garuda, droeg hij een kostbare kroon en had hij glanzende haaienvormige oorhangers als zijn sieraad. (15) De aanblik van hem uitgedost als Zijn evenbeeld, als was hij een acteur op het toneel, deed de Heer hartelijk lachen. (16) Met drietanden, knotsen en knuppels, spiesen, messen, projectielen met weerhaken, lansen, zwaarden, bijlen en pijlen werd de Heer aangevallen door de vijanden. (17) Krishna echter met Zijn strijdknots, zwaard, werpschijf en pijlen teisterde die militaire macht van olifanten, wagens, paarden en voetsoldaten van Paundraka en de koning van Kâs'î hevig, als was Hij het vuur aan het einde der tijden voor de verschillende levende wezens. (18) Het slagveld, bezaaid met de door Zijn schijf aan stukken gesneden wagens, paarden, muilezels, olifanten, tweebenigen en kamelen, straalde als het verschrikkelijke schouwtoneel van de Heer der Geesten [Bhûtapati, of S'iva], die de wijzen daarmee een plezier doet. (19) S'auri zei toen tot Paundraka: 'Die wapens waar je het tegen Mij over had bij monde van je afgezant, laat Ik nu op jou los. (20) Ik zal je dwingen afstand te doen van Mijn naam en alles erbij dat door jou valselijk werd aangenomen o dwaas; voor vandaag zal Ik [zoals je het wilde] bij jou Mijn toevlucht zoeken, zo Ik de strijd niet wil.'
(21) Aldus de spot met hem drijvend verdreef Hij met Zijn scherpe pijlen Paundraka uit zijn wagen en scheidde Hij met Zijn werpschijf het hoofd van zijn romp, net zoals Indra met zijn bliksemstraal een bergtop klieft. (22) Zo ook sneed Hij met Zijn pijlen het hoofd van de romp van de koning van Kâs'î, dat hij vliegend door de lucht Kâs'î-puri injoeg als was het een bloemkelk van een lotus die door de wind wordt meegevoerd. (23) Na aldus zowel de jaloerse Paundraka als zijn vriend ter dood te hebben gebracht ging de Heer Dvârakâ binnen, ter gelegenheid waarvan de vervolmaakten Hem vereerden door Zijn nectargelijke verhalen te reciteren. (24) En zo gebeurde het dat hij [Paundraka], van wie door zijn voortdurend mediteren op Hem in het aannemen van de persoonlijke gedaante van de Heer alle gebondenheid volledig werd vernietigd, volledig verzonken raakte in Hem [ofwel Krishnabewust werd], o Koning [zie sârûpya]. (25) Toen zij het hoofd met de oorhangers dat bij de paleispoort was terecht gekomen zagen, vroegen de mensen zich af: 'wiens hoofd zou dat nou zijn?' (26) Het herkennend als het hoofd van de koning, de heerser van Kâs'î, zetten zijn koninginnen, zijn zoons en andere verwanten en de burgers het op een luidkeels huilen uitroepend: 'Helaas meester, o meester, o Koning, we zijn gedood!' (27-28) Zijn zoon genaamd Sudakshina die voor de vader de begrafenisplechtigheden voltrok, ging bij zichzelf te rade en besloot: 'Om mijn vader te wreken zal ik de moordenaar van mijn vader ter dood brengen' en om die reden bad hij als su-dakshina, 'de kampioen der beloning', tezamen met de priesters met grote aandacht tot Mahes'vara [Heer S'iva]. (29) In [de heilige plaats] Avimukta bood de grote heer hem tevredengesteld een zegen naar eigen keuze, waarop hij voor zichzelf bij de machtige halfgod de gunst bedong van een manier om de Hem die zijn vader had gedood te verslaan. (30-31) [S'iva zei:] 'Weest met brahmanen en de geëigende priester van dienst voor het dakshina [zuidelijke] vuur met een abhicâra ['schade berokkenend'] ritueel dat van nut is tegen een vijand van de brahmanen, zodat omringd door de Pramatha's [zie ook 10.63: 6] uw wens in vervulling zal gaan', en aldus geïnstrueerd nam hij met de bedoeling Krishna kwaad te doen de geloften in acht. (32-33) Uit het vuur van de offerplaats verrees daarop een afschrikwekkende figuur die een haarknot, baard en snor als van gesmolten koper had, roodgloeiende kolen van ogen, verschrikkelijke tanden en een ruw gezicht met omhooggetrokken, samengeknepen wenkbrauwen, die, met zijn tong zijn mondhoeken likkend, naakt met een laaiende drietand zwaaide [zie ook 4.5: 3 en 6.9: 12]. (34) Met benen die zo massief waren als palmbomen deed hij de aarde schudden toen hij vergezeld van geesten naar Dvârakâ rende en daarbij de windrichtingen in lichterlaaie zette. (35) Toen ze hem, die was voortgekomen uit het abhicâra-vuur, op zich af zagen komen, raakten al de ingezetenen van Dvârakâ, net als dieren voor een grote bosbrand, door angst bevangen. (36) Van streek gingen ze in paniek naar de Hoogste Persoonlijkheid van God die in het hof een potje aan het dobbelen was [en zeiden]: 'Redt ons, redt ons van het vuur dat de stad verzengt, o Heer van de Drie Werelden!'
(37) Toen Hij de mensen zo hoorde roepen en zag hoezeer Zijn eigen mannen van streek waren, lachte S'aranya, de Beschermheer, hardop en zei: 'Wees hier maar niet bang voor, Ik zal jullie beschermen!'
(38) De Almachtige Heer, die vanbinnen en vanbuiten ieders Getuige is, begreep dat het schepsel van Mahes'vara afkomstig was en stuurde toen voor zijn vernietiging de cakra op hem af die Hij altijd bij zich heeft. (39) Dat wapen, de Sudars'ana cakra van Krishna, dat als een miljoental zonnen zo fel laaide met een gloed gelijk het vuur aan het einde der tijden, teisterde met zijn hitte de lucht, de hemelen en de aarde in alle tien de richtingen, en bedwong zo ook het vuur [van de demon; zie ook 9.4: 46]. (40) Hij, het [schepsel van] vuur dat was opgeroepen, maakte gefrustreerd door de macht van het wapen dat door Hem met de Cakra in Zijn Hand werd ingezet rechtsomkeert, o Koning, en belaagde in zijn verslagenheid van alle kanten Vârânasî en verbrandde toen Sudakshina en al zijn priesters zodat ze verteerden door de abhicâra die hij zelf in het leven had geroepen. (41) Zo ook ging de cakra van Vishnu erachteraan Vârânasî binnen met zijn toegangspoorten, wachttorens en zijn vele hoge veranda's, vergaderzalen, marktplaatsen, warenhuizen en gebouwen die de olifanten, paarden, wagens en granen behuisden. (42) Na heel Vârânasî in de as te hebben gelegd keerde Vishnu's Sudars'ana schijf terug naar de zijde van Krishna wiens handelingen moeiteloos zijn. (43) Welke sterveling ook die met volle aandacht vertelt over of luistert naar dit heldhaftige avontuur van de Allerhoogste die wordt geprezen in de verzen zal worden verlost van al zijn zonden.'
Balarâma Maakt een Einde aan de Aap Dvivida
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Ik zou graag nog meer horen over Râma, de Onbegrensde en Onpeilbare, wiens handelingen zo verbazingwekkend zijn; wat deed de Prabhu nog meer?'
(2) S'rî S'uka zei: 'Er was een bepaalde aap genaamd Dvivida ['de dubbelhartige'], een vriend van Naraka [ofwel Bhaumâsura, zie 10.59], die als de machtige broer van Mainda een adviseur was geweest van Sugrîva [de aanvoerder der apen, zie ook 9.10: 32] [*]. (3) De aap teneinde zijn vriend te wreken [die door Krishna was gedood] veroorzaakte chaos door de steden, dorpen, mijnen en koeherdersgemeenschappen in het koninkrijk in brand te steken. (4) De ene dag trok hij rotsblokken los en verwoestte daarmee al de landstreken van de Ânarta provincie, in het bijzonder daar waar de Doder van zijn vriend, de Heer, zich ophield [in Dvârakâ]. (5) De andere dag stond hij aan de kust midden in de oceaan om met een kracht van duizend olifanten het zeewater te doen kolken met zijn armen en zette hij de kustgebieden onder water. (6) In de âs'rama's van de hoog verheven zieners brak hij kwaadaardig de bomen af en bevuilde hij de offervuren met urine en uitwerpselen. (7) Zoals een wesp die een insect verbergt, wierp hij bruut mannen en vrouwen in een dal in grotten welke hij afgrendelde met grote rotsblokken. (8) Aldus de landen terroriserend en [zelfs] vrouwen van stand onterend ging hij, [op een dag] de mooiste muziek horend, naar de berg genaamd Raivataka. (9-10) Aldaar trof hij Balarâma de Heer der Yadu's aan die met een lotusbloemenslinger om en hoogst aantrekkelijk in al Zijn leden temidden van een verzameling vrouwen terwijl Hij met Zijn ogen rollend aan het zingen was, bedwelmd door het drinken van vârunî [zie ook 10.65: 19]. Zijn lichaam had daarbij een gloed zo schitterend als die van een olifant in de bronst. (11) De kwalijke boombewoner klom op een tak en presenteerde zich door met de boom te schudden en fanatiek er op los te schreeuwen. (12) Geplaatst voor zijn onbeschaamdheid moest Baladeva's vrouwelijke gezelschap luidkeels lachen; als vrouwen dol op een pretje zagen ze er niet direct kwaad in. (13) De aap dreef de spot met hen met rare bewegingen van zijn wenkbrauwen en dergelijke en toonde hen recht voor hun neus terwijl Râma toekeek, zijn achterwerk. (14-15) Balarâma, een eersteklas werper, wierp kwaad een steen naar hem, maar de zotte aap speelde een spelletje met Hem ervoor wegduikend en greep de kruik met drank beet en maakte Hem verder kwaad door vals lachend de pot aan stukken te slaan en de dames aan hun kleren te trekken; en zo was hij, machtig als hij was, vol van valse trots met zijn beledigingen in overtreding met de Sterke. (16) Geplaatst voor zijn grove streken en wat hij overal aanrichtte met zijn terreur, nam Hij vertoornd Zijn knots en Zijn ploeg ter hand met het besluit die vijand ter dood te brengen. (17) Dvivida ook van een groot talent ontwortelde een s'âla boom met één hand en sloeg snel naderend Balarâma ermee naar Zijn hoofd. (18) Maar Sankarshana onverzettelijk als een berg greep hem ongeëvenaard sterk als Hij was beet terwijl die op Zijn hoofd neerkwam en sloeg terug met Sunanda [Zijn knots]. (19-21) Door de knots op zijn schedel getroffen zag hij er met de resulterende stroom bloed zo fraai uit als een berg die rood is van de ijzeroxide. Daarop viel hij, de klap negerend, met het ontwortelen en kaalstrippen van een andere boom met veel geweld opnieuw aan, maar Balarâma die zich nu echt kwaad begon te maken sloeg hem aan duizend stukken, net zoals Hij dat deed met een tweede boom waar in razernij mee werd toegeslagen. (22) Door de Opperheer keer op keer geslagen en geslagen, ontdeed hij op die manier tekeergaand met het ontwortelen het bos van al zijn bomen. (23) Toen hij, gefrustreerd, daarop een regen van stenen over Baladeva uitstortte, verpulverde de Hanteerder van de Knots ze allen met gemak. (24) Met zijn beide armen zo groot als palmbomen balde de kampioen der apen toen zijn vuisten en sloeg op de Zoon van Rohinî afstormend Hem ermee op Zijn borst. (25) De Grote Heer der Yadu's wierp daarop Zijn ploeg en knots terzijde en beukte met Zijn beide handen vertoornd op Dvivida's sleutelbeen zodat hij bloed opgevend ten val kwam. (26) Van de dreun die dat gaf stond de hele berg met al zijn hoogten en bomen te schudden, o tijger onder de Kuru's, als betrof het een boot die in het water door de wind wordt bewogen. (27) 'Jaya!', 'Alle eer!' en 'Uitstekend!' ten beste gevend lieten de verlichte zielen, de vervolmaakten en de grote wijzen die in de hemel zaten, een regen van bloemen neerkomen.
(28) Na een einde gemaakt te hebben aan Dvivida die er een puinzooi van maakte in de wereld, werd de Allerhoogste Heer bij binnenkomst van de stad door de mensen met lofzangen verheerlijkt.'
Voetnoot:
* Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, zijn de Mainda en Dvivida vermeld in dit vers gevolmachtigde expansies van deze Ramâyana godheden, die als ingezetenen van Heer Râmacandra's Vaikunthha domein ten val kwamen vanwege een overtreding met Lakshmâna. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî vergelijkt de val, door slecht gezelschap met Naraka, van Dvivida en Mainda - die hij ziet als eeuwig bevrijdde toegewijden - met die van Jaya en Vijaya.
Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede
(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî die altijd zegevierde in de strijd, ontvoerd bij haar svayamvara. (2) De Kaurava's zeiden woedend: 'Wat een wangedrag is het van deze jongen om ons zo te beledigen met het gewelddadige, tegen haar wil ontvoeren van de maagd. (3) Neem hem die zo ongedisciplineerd is in hechtenis; wat kunnen de Vrishni's daar nu tegen uitrichten? Door onze genade genieten ze het land dat ze van ons kregen! (4) Als zij, erachter komend dat hun zoon ingerekend is, hier naartoe komen, zullen we de Vrishni's in hun trots breken en zullen ze de vrede vinden zoals de zinnen dat zullen als ze naar behoren onder controle worden gebracht.'
(5) Dit gezegd hebbende gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhuris'ravâ] en Duryodhana, met de toestemming van de Kuru-oudste [Bhîshma], eropuit om met Sâmba de strijd aan te binden. (6) Meteen toen de grote strijder Sâmba de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag komen, nam hij zijn schitterende boog ter hand en stond hij in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw. (7) Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden ze die door Karna werden aangevoerd vol van woede: 'Halt jij, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters, zich voor hem opstellend, hem bestookten met pijlen. (8) Hij, de zoon van de Yadu's, o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen] aangevallen door de Kuru's, kon als een kind van de Ondoorgrondelijke [Krishna] dat net zo min toelaten als een leeuw het zou tolereren van lagere dieren. (9-10) Schietend met zijn wonderschone boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, in één vloeiende beweging een zestal krijgers van Karna met even zoveel pijlen voor hun strijdwagens: vier pijlen waren er voor ieder span van vier paarden en telkens één pijl voor zijn menner en zijn krijgsheer. Voor dat wapenfeit werd hem door de grote boogschutters alle lof toegezwaaid. (11) Met vier van hen die zijn paarden troffen, één voor zijn wagenmenner en één die zijn boog spleet, dreven ze hem uit zijn strijdwagen. (12) Toen ze eenmaal in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden, bonden de Kuru's hem vast en keerden ze, met hun meisje, zegevierend naar hun stad terug.
(13) Toen ze hierover vernamen van Nârada Muni o Koning, ontstaken ze [de Yadu's] in woede jegens de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich er door Ugrasena toe aangezet op voor te gaan vechten. (14-15) Maar Râma, Hij die het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] zuivert, zag liever geen onderlinge strijd ontstaan tussen de Vrishni's en de Kuru's. Hij bewoog de Vrishni helden tot kalmte en ging met Zijn strijdwagen die straalde als de zon naar Hastinâpura. Omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie zag Hij eruit als de maan met de zeven planeten [die toentertijd bekend waren, zie ook 5.22]. (16) Bij Hastinâpura aangekomen bleef Râma buiten de stad achter in een park en stuurde Hij Uddhava eropuit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra zich had voorgenomen. (17) Na het betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, stelde hij hen ervan op de hoogte dat Râma was aangekomen. (18) Zij, buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was meegekomen, gingen toen allen, na hem het verschuldigde respect te hebben betoond, Hem tegemoet met zegenrijke offergaven in hun handen. (19) Naar Balarâma toegegaan presenteerden ze zoals dat hoorde koeien en water om Hem te verwelkomen en bogen zij die op de hoogte waren van Zijn macht hun hoofden diep. (20) Elkaar vragend of hun verwanten allemaal goed en gezond waren, sprak Râma daarop recht uit Zijn hart de woorden: (21) 'Als jullie kunnen instemmen met wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van jullie vroeg, moeten jullie dat onverwijld naleven. [Hij zei:] (22) 'Het door jullie in strijd met de regels met z'n allen verslaan en knevelen van slechts één enkele man die zich wel aan de regels [der krijg] hield, kan ik, die onder verwanten de eenheid zoek, nog wèl verdragen ... [maar ik wens het niet dat dat zo blijft en verlang daarom van jullie dat Sâmba wordt vrijgelaten].'
(23) Toen ze Baladeva's woorden hoorden die passend voor Zijn macht geladen waren met Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad geworden ten antwoord: (24) 'Zie nu eens hoe wonderlijk de onvermijdelijke gang van de Tijd is; nu wil dat wat een schoen is boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon! (25) Deze Vrishni's delen met ons, via huwelijksbanden verbonden, onze bedden, zetels en maaltijden. We gingen met ze om op voet van gelijkheid en ze kregen van ons hun tronen. (26) Omdat wij een andere kant op keken konden zij de twee yakstaarten-waaiers, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk: 10.60: 10-20]. (27) Het is wel welletjes met de eretekenen der goden onder de mensen toebedeeld aan de Yadu's. Die tekenen werken voor de gever [die wij zijn] zo nadelig als het geven van nectar aan een slang. De Yadu's, die bij onze genade wisten te gedijen, hebben nu de leiding nemend alle schaamte verloren. (28) Hoe zou zelfs ook maar Indra het wagen zich dat toeëigenen wat niet is verstrekt door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's: het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'
(29) De zoon van Vyâsa zei: 'Zij die in hun arrogantie over de geboorte, relaties en de volheden die hen groot gemaakt hadden, o beste onder de Bharata's, als lompe kerels met barse woorden dit aan Râma duidelijk maakten, verdwenen daarop de stad in. (30) Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en horend van hun onwelvoeglijke woorden zei de Onfeilbare Heer kwaad geworden, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen: (31) 'Met hun uiteenlopende hartstochten van een grote bek zijnd hebben deze onoprechte lieden duidelijk niet de vrede op het oog. Ze moeten blijkbaar middels een lijfstraf de les gelezen krijgen zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen! (32-33) O, met hen de vrede zoekend kwam Ik naar hier, na met beleid de Yadu's die kookten van de woede alsook Krishna die boos was tot bedaren te hebben gebracht; en diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen het vol van verbeelding, slecht als ze zijn in hun minachting voor Hem - voor Mij dus -, om zich te bedienen van barse bewoordingen!! (34) Ugrasena zou op geen enkele manier geschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen?? (35) En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], dankzij wie de hemelse pârijâta boom die uit het bereik der onsterfelijken naar beneden werd gebracht wordt genoten [zie 10.59: 38-39], die Zelfde Persoon zou niet eens in aanmerking komen voor een hoge zetel??? (36) Hij, de Heerser over het Volkomen Geheel, wiens twee voeten door de Godin van het Geluk zelf worden aanbeden; Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou dat wat hoort bij een mensenkoning niet eens verdienen?!?! (37) Hij van wie al de hooggeplaatste heersers van de wereld op hun helmen het stof van Zijn lotusvoeten houden; de plaats van aanbidding van al de heilige plaatsen van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik naast de godin, als delen van een deel, eveneens voortdurend met zorg het stof dragen; waar zou Zijn koninklijke troon staan?????! (38) De Vrishni's genieten maar een klein stukje grond dat hen vergund werd door de Kuru's? En daamee zouden Wij zogenaamd de schoenen zijn, terwijl de Kuru's dan het hoofd zouden wezen?!!!? (39) Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn, welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen? (40) Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's!', en aldus in woede ontstoken Zijn ploeg ter hand nemend rees Hij op als wou Hij de drie werelden verzengen.
(41) Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar Zich toe en sleurde haar mee met de bedoeling d'r in de Ganges te werpen. (42-43) Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden meegesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om in leven te blijven, met hun families hun heil bij de Meester. Met Lakshmanâ en Sâmba voorop geplaatst vouwden ze daarbij hun handen: (44) 'Râma, o Râma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij de verdwaasden die slecht van begrip geen weet hebben van Uw Majesteit, moet U de overtreding maar vergeven. (45) Van het opwekken, het voortduren en het weer herenigen [van het universum] bent U alleen de unieke oorzaak; en de werelden zijn dienovereenkomstig, zo zegt men, het speelgoed waarmee U speelt, o Hemelse Heer. (46) U alleen, o Onbegrensde, draagt speels op Uw hoofd de aardbol, o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en als de schepping eindigt bent U degene die neerligt om de Enkele en Unieke Ene te blijven die in Zijn eigen lichaam het universum weer heeft opgenomen [zie ook 6.16: 29-64]. (47) De woede van U bedoeld voor het onderricht van iedereen, o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid, is er niet uit hatelijkheid of afgunst maar is er voor het doel van de handhaving en bescherming van het levende wezen. (48) Alle eer aan U, o Ziel van Alle Wezens, o Belichamer van Alle Energieën [met de symbolen die u draagt], o Onuitputtelijke, Maker van het Universum; laat er het eerbetoon zijn voor U die wij zochten voor onze toevlucht.'
(49) S'rî S'uka zei: 'Heer Bala aldus gunstig gestemd door de overgegeven zielen die in hoge nood verkeerden vanwege het beven en schudden van hun woonplaats, verloste hen toen zeer kalm en genadig van hun angst met de woorden: 'Wees maar niet bang'. (50-51) Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana als liefdevolle vader een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdentwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen halskettingen om. (52) De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde die gift en vertrok, uitgewuifd door Zijn weldoeners, met Zijn zoon en schoondochter. (53) Nadat Hij in Zijn stad was teruggekeerd en Hij de verwanten had ontmoet die Hem, de Hanteerder van de Ploeg, in hun harten hadden gesloten, verhaalde Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders over alles wat zich had afgespeeld tussen Hem en de Kuru's. (54) En waarlijk, zelfs vandaag nog vertoont deze stad de tekenen van Râma's macht, zoals ze laag bij de Ganges gelegen naar het zuiden opvallend omhoogsteekt.'
Aldus eindigt deel drie van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd, met bijzondere dank aan Sakhya Devi Dasi voor het proeflezen en corrigeren van het manuscript. http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/