Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling: http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 11:
Algemene Geschiedenis
Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie
Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's
Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer
Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven
Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva
Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken
Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid
Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ
Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële
Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden
Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst
Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis
Hoofdstuk 13 De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ
Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu
Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's
Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer
Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders
Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers
Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis
Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting
Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad
Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter
Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana
Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat
Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven
Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ
Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God
Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke
Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen
Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie
Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Svâmî Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashtha, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
zal men de BhaktiVedânta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Voor de copyrights op deze vertaling geldt de z.g. ShareAlike regeling: men is vrij te copiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en link naar deze site bhagavata.org) en dat men er geen commercieel doel mee dient. Voor alle andere gebruik zal men kontakt moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 02-10-2009.
De Vloek over de Yadu-dynastie
(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig een conflict voor [tussen de Kaurava's en de Pândava's]. (2) De Allerhoogste Heer, de aarde verlossend van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68]. (3) Nadat de Yadu's onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13]. (4) Zij die in alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'
(5) Met dat voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van een vloek die door de brahmanen over hen werd uitgesproken. (6-7) Door middels Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden, alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de [toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5: 23-24].'
(8) De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de ouderen van dienst. (9) Wat bracht hen ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden.'
(10) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het enige dat Hem nog te doen stond. (11-12) Nadat ze zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga verdrijft. (13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'
(16) O Koning, de wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren die de dynastie zal vernietigen!'
(17) Hevig geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen. (18) 'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!' Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen ze naar huis. (19) Met de schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was. (20) Toen ze de knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ ontsteld en raakten ze verscheurd door angst. (21) Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de knots over was in zee liet werpen. (22) Een of andere vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka]. (23) De vis werd uit zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt]. (24) De Opperheer, zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de vloek van de brahmanen.'
Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's
(1) S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd om met Krishna van aanbidding te zijn, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69]. (2) Wie ook die begiftigd is met zinnen zou, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda die zo aanbiddelijk is voor zelfs de besten der onsterfelijken? (3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi die bij hem was langsgekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden met de nodige hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was geboden. (4) S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf, u die er evenzogoed bent voor de miserabelen als voor allen op het pad van Uttamas'loka, is als de komst van een goede vader omdat u verschijnt voor het heil van alle belichaamde zielen. (5) Wat de goden doen resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21]. (6) De goden die zich gedragen als je schaduw, zijn hun aanbidders van dienst naar gelang het karma dat men heeft en het respect dat men voor ze koestert, maar de heiligen zijn van genade voor de gevallen zielen [ongeacht wat ze doen. Zie ook 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (7) O brahmaan, [ookal dacht u er misschien niet aan mij te instrueren,] niettemin vraag ik u naar wat we het best kunnen doen om de Allerhoogste Heer te behagen. Over Hem met geloof te vernemen is voor zij die gedoemd zijn te sterven de manier om bevrijd te raken van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33]. (8) Toen ik lang geleden [in een voorgaand leven] Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt, aanbad, wilde ik begoocheld door Zijn mâyâ een kind op de wereld zetten en streefde ik er niet naar om bevrijd te raken [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20]. (9) O u waarachtig in de gelofte, instrueer ons daarom alstublieft, zodat we door u zonder veel moeite bevrijding mogen vinden uit deze wereld die zo vol van gevaren ons steeds weer in angst verzet.'
(10) S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus ertoe verzocht door de intelligente Vasudeva was de deva-rishi blij zich tot hem te kunnen richten want zijn kwaliteiten deden hem denken aan de Heer. (11) S'rî Nârada zei: 'De vraag die u stelde wat betreft het bhâgavata-dharma is de juiste, o beste van de Sâtvata's, want door dat dharma wordt het hele universum gezuiverd. (12) Door erover te horen of te praten, door erop te mediteren, het met eerbied te aanvaarden of het te waarderen als anderen het volbrengen, zuivert die rechtschapenheid met het ware terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en de hele wereld. (13) Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt. (14) Om duidelijkheid in dezen te verschaffen haalt men vaak als voorbeeld de volgende oude geschiedenis aan van een gesprek tussen de zonen van Rishabha en de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was. (15) De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had een zoon die Âgnîdhra heette. Van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.3]. (16) Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, beschouwt men als een volkomen expansie van Vâsudeva. Van Hem waren er honderd zoons die de Veda's perfect in acht namen. (17) Van hen was de oudste, Bharata [zie 5.7], volledig Nârâyana toegewijd. Dit wonderschone deel van de aarde genaamd Bhârata-varsha [of India] heeft aan hem haar naam te danken. (18) Toen er een eind kwam aan zijn aardse genoegens en hij zijn materiële bestaan afzwoer, verliet hij huis en haard en bereikte hij in drie opeenvolgende geboorten biddend tot Heer Hari zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen. (19) Negen van zijn [Rishabha's] zoons waren de geheel souvereine meesters over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig andere zonen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtdragende vedische offerplechtigheden vrijmaakten [zie 5.2: 19-21]. (20-21) De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana waren wijzen die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid. Door hun geleerdheid in de geesteswetenschap waren ze van een grote inzet en trokken ze rond slechts gekleed door de wind [ofwel naakt]. (22) Zij [genaamd de nava-yogendra's] trokken rond over de aarde en zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als één en dezelfde gedaante van de Allerhoogste Heer en als gelijkstaande aan het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7]. (23) Ongehinderd naar believen gaan ze naar waar ze maar willen en reizen ze aldus vrijelijk door de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, de onderworpenen, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij die bovennatuurlijke talenten hebben en de slangachtigen en bezoeken ze de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen en de koeien. (24) Eens in Ajanâbha [zoals India voorheen heette] arriveerden ze tijdens de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] die werd uitgevoerd zoals de zieners het wensten. (25) Toen ze de zuivere toegewijden zagen die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, kwamen de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, overeind uit respect. (26) De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet ze blij daarover plaats nemen en betoonde ze alle respect die ze verdienden. (27) Nederig zich verbuigend voor hen negen die zo straalden in hun luister als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] ging de koning, in opperste staat van bovenzinnelijke verrukking, ertoe over hen vragen te stellen. (28) S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als de directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu, als de dienaren van Vishnu die rondtrekken terwille van de zuivering van alle werelden. (29) Ik denk dat het bereiken van de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is om een menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20]. (30) Derhalve vraag ik u, o zondelozen, wat het hoogste goed zou zijn in deze materiële oceaan alwaar het voor menselijke wezens slechts voor de duur van een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt. (31) Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst als u ons ertoe in staat acht daarover te vernemen; daarmee tevreden zal Hij, de Ongeboren Heer, Zich zelfs geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'
(32) S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten spraken aldus er door Nimi toe verzocht, o Vasudeva, op hun beurt eerbiedig vol genegenheid tot de koning in de aanwezigheid van de priesters en de deelnemers aan de offerplechtigheid. (33) S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat als men in zijn intelligentie voortdurend verstoord aanwezig is in deze wereld omdat men het tijdelijke [lichaam] aanziet voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden als men de lotusvoeten aanbidt van de Onfeilbare, aangezien alle vrees zijn einde vindt in die staat [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14]. (34) De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mens die worstelt met zijn intelligentie met gemak inzicht kan krijgen in de Allerhoogste Ziel. (35) Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17]. (36) Wat men met het volgen van de eigen aard ook doet met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27]. (37) Voor degenen die geleid door de begoochelende energie en vergeetachtig met God zich afkeerden in het zich valselijk identificeren [met het lichaam] zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen. Om die reden behoort een intelligent persoon Hem, de Heer, volledig en zuiver toegewijd te aanbidden en zijn geestelijk leraar te beschouwen als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34, 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7]. (38) Door de intelligentie van de dualistische ervaring kan men als in een droom zich dingen zien manifesteren of kan men verlangens opmerken die buiten de werkelijkheid staan. Een intelligent iemand moet om die reden de geest onder controle krijgen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35]. (39) Vernemend over de in alle opzichten gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van Wie de daarmee samenhangende namen worden bezongen in deze wereld, moet men zingend zonder de materiële omgang die men heeft [met een vrouw, een huis en kinderen] vrij en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen. (40) Als men daarbij zweert ontwikkelt men door het zingen van Zijn zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan in een luidkeels lachen, hardop huilen en in een als een waanzinnige opgewonden raken waarbij gezongen en gedanst wordt zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*]. (41) Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand [van Hem] beschouwend [**]. (42) Toewijding, de aanwezigheid ervaren van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie [kenmerken] die zich op hetzelfde moment voordoen bij iemand die in het proces verkeert van het toevlucht zoeken - ongeveer zoals dat gaat met iemand die bezig is met eten en dan de bevrediging vindt met de voeding die hij krijgt en de honger die hij terugdringt. (43) Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, en als gevolg daarvan zal hij dan direct de bovenzinnelijke vrede bereiken [zie B.G. 2: 71].'
(44) De koning zei: 'Alstublieft vertel me nu over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en dankzij welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'
(45) S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikârî] die deze Ziel, dit basisprincipe van het gehele bestaan, ziet in alle bestaansvormen [van de materie en de geest] èn tegelijkertijd in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel vanuit het gezichtspunt dat alle bestaansvormen zich bevinden in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30]. (46) In de voorgaande fase, het middelste platform, is hij [de madhyama], van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en slaat hij geen acht op de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***]. (47) Hij die in zijn toewijding voor de Heer gewetensvol in de weer is met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo respectvol omgaat met de toegewijden noch met mensen in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 & 7.14: 40]. (48) Hij die ondanks dat zijn zintuigen bezig zijn met de zinsobjecten geen afkeer koestert noch zich verheugt en dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu is daadwerkelijk een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3]. (49) Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld, hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven omdat hij de Heer in gedachten houdt [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57]. (50) In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde. (51) Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egobepaalde sentiment van een lichamelijk begrip van bestaan in de zin van het hebben van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, het behoren tot een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of tot een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14]. (52) Hij die niet van het dualistisch denken is van 'mijn' en 'dijn' wat betreft bezittingen of het lichaam, iemand die van gelijkheid en vrede is met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25]. (53) Hij die niet verleidt door de vormen van weelde die er zijn in de drie werelden, nog niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer die de toevlucht vormen voor de goddelijken en anderen die - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke als hun eigen ziel zien, is de grootste Vaishnava [zie ook 18: 66]. (54) Nogmaals: hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten, de voeten van al die grootste heldendaden, hoe kan er van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, er voor hen die van aanbidding zijn nog enige pijn van betekenis zijn? De brandende hitte van de zon kan toch ook geen werking hebben als de maan is opgekomen [zie ook 10.14: 58]? (55) Hij verlaat nimmer het hart van degene die men beschouwt als Zijn meest vooraanstaande toegewijde, ookal riep die maar per toeval Hem direct aan [door Zijn namen], Hij die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt ongeacht hoeveel die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4].'
Voetnoten:
*: S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook citerend: 'harer nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir anyathâ [Adi 17.21]': 'In dit tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt hierbij aan dat men het volgende vers bestudeert: 'parivadatu jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam vicârayâmah hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het Krishna-bewustzijn definieert.
**: S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, we het slachtoffer zullen worden van phalgu-vairâgya, of onvolwassen verzaking.
***: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana en bhajana. Arcana heeft betrekking op het platform van de sâdhana-bhakti, waarin men de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de Vaishnava-ceremoniën.'
*4: Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen (dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva), het gedrag (âcâra), de spraak (vâkya) en de uiterlijke kenmerken (lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie soorten van karma, namelijk karma gebaseerd op het genieten van de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke kleuren, gedaanten en namen van de vier yugâvatâra's, de vier incarnaties van de Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat is het proces van het aanbidden van ieder van Hen? (5.19).
De bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de volgende verzen: (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4) 3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en (9) 5.20-42.
Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer
(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert. (2) Met het koesteren van de nectar van de woorden die u bezigt in het bespreken van de onderwerpen betreffende Hari, ben ik nog niet verzadigd met die remedie voor de pijn die een sterveling ervaart als hij wordt geplaagd door de misère van samsâra.'
(3) S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat er voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2]. (4) Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens die aldus werden geschapen met behulp van de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], geeft Hij ze een leven met de drie geaardheden. (5) Het levende wezen nu dat door de Opperziel werd opgewekt geniet met de geaardheden van de geaardheden en denkt daardoor dat dit geschapen lichaam het ware zelf is en de meester en raakt aldus verstrikt [zie ook B.G. 15: 8, vergelijk 11.2: 37]. (6) Door de zintuiglijk gestuurde handelingen houdt de eigenaar van het lichaam zich op basis van verlangens bezig met verschilende karmische - baatzuchtige - activiteiten en plukt hij daar de verschillende vruchten van. En zo beweegt hij zich dan zowel in een staat van geluk door deze wereld als in het tegendeel daarvan [zie B.G. 2: 62]. (7) Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen tot aan het einde van de wereld hulpeloos geboorte en dood. (8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51]. (9) Zeer zeker zal er zich een verschrikkelijke droogte voordoen op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en zullen door de in die tijd oplopende hitte van de zon de drie werelden in ernstige mate verschroeien. (10) Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur dat uit de mond van Sankarshana omhoogschiet door de winden aangewakkerd alle windrichtingen in lichterlaaie zetten. (11) Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven en daardoor zal alles onder water komen te staan. (12) O Koning, als een vuur dat zonder brandstof komt te zitten, zal daarna het universum, de Oorspronkelijke Gedaante van de Allerhoogste Heer, door Hem worden opgegeven als hij de subtiele werkelijkheid van het ongeziene binnengaat [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15]. (13) De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur. (14) Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die geen greep meer krijgt, lost op in de ether. De ether door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd gaat dan over in het ego [van het niet-weten]. (15) De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48]. (16) Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'
(17) De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen die traag van begrip zijn met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.'
(18) S'rî Prabuddha zei: 'Als je kijkt naar mensen die leven als man en vrouw moet je begrijpen dat wat ze allemaal doen om resultaten te behalen met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten. (19) Welk geluk valt er te verwachten van het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en van de zo lastig te vergaren weelde waarvoor men pijn en moeite doet maar waarvan men de dood van de ziel als resultaat heeft? (20) Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] waar men zich op deze manier op instelt met het baatzuchtig streven, niet duurzaam is en gekenmerkt wordt door een daaruit resulterend [competitief] tegen elkaar afleggen van gelijken, hoger geplaatsten en lager geplaatsten [B.G. 8: 16]. (21) Daarom moet iemand die graag alles wil weten van het hoogste goed, zijn toevlucht zoeken bij een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34]. (22) Aan zijn voeten moet men, met de goeroe als zijn ziel en godheid, het bhâgavata dharma [of emancipatieproces, zie ook 11.2: 34] leren te respecteren waarmee zonder bedrog trouw van dienst zijnd de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevredengesteld [**]. (23) Op basis van een geest die in ieder opzicht van de onthechting is behoort men zoals het hoort, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens, een relatie op te bouwen met de heiligen en de heiligheid [vergelijk 11.2: 46]. (24) Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20]. (25) Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met oude vodden aan je lijf en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen te mediteren terwille van het Ware Zelf dat Alomtegenwoordig is [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10]. (26) Met geloof in de geschriften die betrekking hebben op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15]. (27-28) Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnentwille. Van welke aanbidding men ook is, welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men er ook op nahoudt, met inbegrip van alles wat je lief is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, moet men allemaal aan het Allerhoogste opdragen [zie ook B.G. 9: 27]. (29) Met het van dienst zijn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] moet men vriendschap koesteren voor zowel de [gewone] mensen als voor hen die een heilig respect hebben, voor de zuiverste zielen onder hen, zoals de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel. (30) In gezamenlijke besprekingen, in het wederzijds tot elkaar aangetrokken zijn en in het elkaar tevreden stellen, is er dankzij de heerlijkheden van de Heer in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot de] ziel [zie ook B.G. 3: 38]. (31) Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men door de toewijding een lichaam dat bewogen is door extase [zie ook 11.2: 40]. (32) Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, soms schept men er groot genoegen in en spreekt men, soms handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, naar het voorbeeld van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35]. (33) Aldus bekend rakend met het bhâgavata dharma en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'
(34) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid die is geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'
(35) S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] het volgende behelst: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, alsook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem en de geestelijke activiteit van een ieder apart tot leven worden gewekt en zich blijven bewegen. (36) Dit kan noch door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem of door de zinnen worden omvat, precies zoals een vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken. Zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken. De Veda's immers ontkennen dat het Allerhoogste Zelf in woorden uit te drukken zou zijn - dat lukt slechts in indirecte bewoordingen, woorden die verwijzen naar dat waarzonder de schriftuurlijk voorgeschreven beperkingen geen doel zouden hebben [vergelijk 10.87]. (37) In den beginne Eén zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid daarna bekend als het drievoudige dat in het samengaan met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het ik-besef het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva]. Die individualiteit nam de gedaanten aan van de geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]. Aldus behept met een grote schakering aan energieën, is het het Allerhoogste voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele alleen dat gemanifesteerd is [als de Absolute Waarheid of het Brahman, zie ook mahat-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14]. (38) Deze Ziel, nimmer geboren en nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, en die Ziel, alomtegenwoordig en onvergankelijk, is zuiver bewustzijn op dezelfde manier als de [ene] levensadem [prâna] dat vanbinnen is die met demacht der zinnen zich manifesteerde als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***]. (39) [Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige [micro-organismen], begeleidt het vitale beginsel van de adem de individuele ziel [zie ook linga] van de ene [levensvorm] naar de andere. Precies zoals de ziel los van het denken onveranderlijk dezelfde blijft als het geheugen zich weer herstelt ontwakend uit een diepe slaap waarin het ego en de zinnen samen waren opgegaan [zie B.G. 2: 22]. (40) Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, dat voortsproot uit het baatzuchtig handelen overeenkomstig de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, als men volledig gezuiverd is, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealisee rd, op dezelfde manier als men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'
(41) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3. 5]. (42) In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de Kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'
(43) S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4: 16-17 en 4.29: 26-27]. (44) In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18]. (45) Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3: 8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7]. (46) Zeker zal men, als men overeenkomstig wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid tewerkgaat en offers brengt voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die, om de belangstelling op te wekken, is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4: 17-23]. (47) Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7]. (48) Met het hebben verworven van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij de genade van de traditie werd doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20]. (49) Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend enzovoorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de verschillende delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6]. (50-51) Met het zich in hart en ziel voorbereiden met alle beschikbare ingrediënten, met de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd en met het besprenkelen van de vloer en de zitplaats, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten die men van heilige merktekens heeft voorzien op Zijn hart en andere delen van Zijn lichaam en vervolgens van aanbidding te zijn met de daartoe bestemde mantra [4*]. (52-53) Met de mantra's die bij Hem horen moet men van aanbidding zijn voor iedere afzonderlijke beeltenis en de ledematen ervan, Zijn speciale kenmerken [zoals zijn cakra] en Zijn metgezellen [zoals de pañca-tattva, zie b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5]. Met alle respect de aanbidding zoals vastgelegd aanvullend met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [bedoeld voor het aanbrengen van tilaka en met bloemenslingers, wierook, lampen en dergelijke offergaven, behoort men met eerbetoon en gebed zich voor de Heer te verbuigen. (54) Daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op het hoofd aanvaarden van de overblijfselen van de aanbidding, Hem weer respectvol op de voor Hem bestemde plaats terugzetten. (55) Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel aanbidt die aanwezig is in het vuur, de zon, het water enzovoorts, alsook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8], zal snel bevrijd raken.'
Voetnoten: *: Als een kwaliteit word weggenomen verdwijnt het verschil tussen een element en dat element dat er vroeger in de evolutie van het universum aan voorafging, het verandert dan erin, of lost erin op: aldus vindt de vernietiging van het universum plaats.
** S'rîla Rûpa Gosvâmî formuleerde vier vereisten waaraan men moet voldoen om vooruit te komen in dezen: '[1] Het aanvaarden van de toevlucht van een bonafide geestelijk leraar, [2] het worden ingewijd door de geestelijk leraar en het van hem leren om van toegewijde dienst te zijn, [3] het met geloof en toewijding opvolgen van de opdrachten van de geestelijk leraar, en [4] het volgen in de voetsporen van de grote âcârya's [leraren] onder leiding van de geestelijk leraar.' (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.74)
*** S'rîla Madhvâcârya citeert hierbij, uit de Moksha-dharma sectie van Vyâsadeva's Mahâbhârata, de Heer die zegt:
aham hi jîva-samjño vai
mayi jîvah sanâtanah
maivam tvayânumantavyam
dristho jîvo mayeti ha
aham s'reyo vidhâsyâmi
yathâdhikâram îs'varah'Het levende wezen, bekend als de jîva, verschilt niet van Mij, daar hij mijn expansie is. Aldus is het levende wezen eeuwig, zoals Ik, en bestaat het altijd in Mij. Maar je moet niet gekunsteld denken, 'Nu heb ik de ziel aanschouwd.' Het is eerder zo dat Ik, als de Hoogste Persoonlijkheid van God, je deze zegen zal vergunnen als jij er werkelijk voor in aanmerking komt.'
*4 Precies zoals iedere prâkrita, onpersoonlijke, materialistische toegewijde de Heer aan het aanbidden is in Zijn gedaante van de Tijd met pragmatisch verdraaide klokken en niet-geschrikkelde weekindelingen [zie de Orde van de Tijd en kâla om dit recht te zetten] als zijnde de godheid van voorkeur met mantra's als 'wees op tijd' en 'tijd is geld', zo voorziet de klassieke bhakti met de kanishthha of beginnende, personalistische toegewijde meer waarachtig naar de vedische autoriteit erin ook de persoonlijke gedaante van de Heer in de vorm van een beeltenis te aanbidden met 'om namo bhagavate vâsudevâya' [4.8: 54], de Gâyatrî, deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, en andere mantra's. In al deze gevallen moet worden gedacht aan wat Vyâsa in 11.2: 47 zegt over mûrti-aanbidding in het algemeen.
De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven
(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft vertel ons over de handelingen van ieder van deze zelfgekozen verschijningen waarmee de Heer optrad, heeft opgetreden en zal optreden in deze wereld [zie ook 2.7].'
(2) S'rî Drumila zei: 'Waarlijk, hij die tracht de onbegrensde, bovenzinnelijke kwaliteiten van de Onbegrensde op te sommen is voorzeker een persoon met de intelligentie van een kind; men kan er op de een of andere manier op den duur in slagen het aantal stofdeeltjes van de aarde te tellen, maar dat lukt niet met de kwaliteiten van het Reservoir van alle Vermogens [zie ook 10.14: 7, 10.51: 38]. (3) Toen de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God Nârâyana Zijn volkomen deelaspect binnenging, het vanuit Hemzelf gegenereerde lichaam van het universum geschapen uit de vijf materiële elementen, raakte Hij aldus bekend als de Purusha [zie ook 1.3: 1]. (4) In de uitgebreidheid van dit drie-werelden-lichaam van Hem zijn er van Zijn zinnen zowel de zinnen van waarnemen als handelen van de belichaamde wezens, is er van Zijn aard de geestelijke kennis en van Zijn traditie kracht en vermogen. Hij is de oerbeweger [de oorspronkelijke doener èn niet-doener] die met de goedheid en de andere kwaliteiten van schepping, vernietiging en behoud is [zie B.G. 3: 27, 13: 30 en S.B. 6.17: 19, 3.26: 7, 3.27: 2, 3.32: 12-15, 10.46: 41, 10.83: 3]. (5) In den beginne manifesteerde Hij in het scheppen van dit universum vanuit de geaardheid hartstocht de Ene die de honderden [wijzen] sturing gaf [Heer Brahmâ]; in het handhaven als de beschermer van het dharma van de tweemaal geborenen manifesteerde Hij zich als Vishnu, de Heer van het Offer en voor de vernietiging in de geaardheid onwetendheid nam Hij de gedaante aan van Rudra [Heer S'iva]; aldus is Hij die Oorspronkelijke Persoon altijd van schepping, handhaving en vernietiging onder de geschapen wezens [zie ook 2.10: 41-46, 4.29: 79, 4.30: 23].
(6) Als Nara-Nârâyana, de beste der wijzen volmaakt van vrede, werd Hij geboren uit Mûrti, de dochter van Daksha en echtgenote van Dharma [*]. Staande voor het beëindigen van alle materiële arbeid sprak Hij die zelfs vandaag nog leeft en wiens voeten worden gediend door de grootste wijzen, over het werk en bracht Hij ook Zelf het werk ten uitvoer dat moest worden verricht [zie B.G. 9: 27 en ook 2.7: 6, 4.1: 49-57, 5.19: 9]. (7) Heer Indra angstig denkend 'Hij wil mijn koninkrijk inpalmen', zette Cupido in die zich begevend naar Badarikâs'rama met zijn metgezellen de Apsara's, met zijn pijlen, de blikken van de vrouwen en de zachte bries van de lente, niet bekend met Zijn grootheid, het probeerde Hem te treffen. (8) De Oorspronkelijke Godheid die begrip had voor de overtreding van Indra, sprak vrij van trots lachend tot hen die op hun benen stonden te trillen: 'Alstublieft, vreest niet, o machtige Madana [Heer der Liefde], o god van de wind en echtgenotes van de halfgoden, alstublieft aanvaard deze gaven van Ons, ontzeg deze âs'rama niet uw genade'.
(9) O god der mensen [Nimi], nadat de Schenker van Onbevreesdheid aldus had gesproken, bogen de goden zich beschaamd voor Hem en zeiden smekend om mededogen met hun hoofden naar beneden: 'O Almachtige, dit is voor U niet zo verrassend, U de Allerhoogste Onveranderlijke voor wiens voeten in grote getalen zij zich verbuigen die nuchter zijn en genoeg aan zichzelf hebben [zie ook 1.7: 10]. (10) Voor hen die U van dienst zijn om daarmee hun materiële leefwerelden te transcenderen en Uw verblijf te bereiken, zijn er door de verlichte zielen [of de halfgoden] vele obstakels opgeworpen, maar voor de andere soort van toegewijde, de toegewijde die in offerplechtigheden met het brengen van offers die godsbewusten hun aandeel toekent, is er geen sprake van iets dergelijks omdat hij met U als zijn Beschermer immers met zijn voet heenstapt over de hindernis die [met die goden] de kop opstak [zie ook 9.4: * en 10.2: 33]. (11) Sommigen proberen de honger, dorst en andere seizoensgebonden fysieke toestanden die zich mettertijd met ons kunnen voordoen te boven te komen door hun adem, tong en seksuele aandrang te beheersen, maar ze vallen [door die frustratie] ten prooi aan de woede en verspelen daarmee de vrucht van hun lastige boetedoeningen. Met hun zinloos geworden verzaking zijn ze als mensen die grenzeloze oceanen wisten over te steken maar in het water van de hoefafdruk van een kalf verdrinken [zie B.G. 17: 5-6, 6.1: 16 en vergelijk 5.8: 23 en 10.12: 12].'
(12) Met deze lofuitingen van hen manifesteerde Hij toen voor hun ogen [een reeks van] vrouwen hoogst wonderbaarlijk van verschijning, die allen fraai aangekleed van toegewijde dienst waren voor de Almachtige [zie ook 2.7: 6]. (13) Toen ze deze vrouwen voor zich zagen waren de volgelingen van de goden verbijsterd door hun schoonheid en geur die wedijverde met die van de godin van het fortuin en waren ze verslagen in hun eigen weelde. (14) Voor hen die zich voor Hem hadden gebogen zei de Heer der Heerscharen met een flauwe glimlach: 'Alstublieft kies een van deze dames zo geschikt als een sieraad van de hemel.'
(15) Met het laten weerklinken van de lettergreep 'om', boden de dienaren van de halfgoden Hem hun eerbetuigingen en keerden ze terug naar de hemel, waarbij ze Urvas'î, de beste der Apsara's, voorop lieten gaan. (16) Neerbuigend voor heer Indra in zijn vergadering vertelden ze hem, terwijl de ingezetenen der drie hemelen toehoorden, over de kracht van Nârâyana. Hierdoor stond hij versteld. (17) Acyuta in de gedaante van de [bovenzinnelijke] zwaan sprekend over zelfverwerkelijking, Dattâtreya, de Kumâra's en Rishabha, is de Vader, de Allerhoogste Heer Vishnu, die voor het welzijn van de ganse wereld middels Zijn expansies nederdaalt in deze wereld [B.G. 14: 4]. Door Hem, de doder van Madhu, werden in Zijn paard-incarnatie [Hayagrîva] de oorspronkelijke teksten van de Veda's teruggebracht. (18) In zijn vis-incarnatie [Matsya] werden Vaivasvata Manu [Satyavrata], de planeet aarde en de kruiden beschermd; in Zijn zwijn-incarnatie [Varâha] de aarde bevrijdend uit de wateren, werd [Hiranyâksha] de demonische zoon van Diti gedood; als een schildpad [Kurma] hield Hij toen de nectar werd gekarnd de berg op Zijn rug en [als Vishnu] bevrijdde Hij de koning der olifanten [Gajendra] die zich aan Hem overgaf toen hij in nood verkeerde vanwege de krokodil. (19) De ascetische wijzen [de Vâlakhilya's] die gebeden brengend ten val waren gekomen [in het water van de hoefafdruk van een koe] verloste Hij van [een lachende] Indra; Hij verloste Indra van de duisternis van het gedood hebben van Vritrâsura; Hij verloste de echtgenotes van de halfgoden [die door Bhaumâsura waren] gevangen gezet in het asura paleis; als Nrisimhadeva doodde Hij Hiranykas'ipu, de asurakoning, om de geheiligde toegewijden van angst te vrijwaren. (20) Voor het heil van de godsvrezenden doodde Hij de daitya leiders in de slag tussen de goden en de demonen [zie 8.10], middels Zijn verschillende verschijningen [de ams'a-avatâra's] gedurende de heerschappij van iedere Manu beschermt Hij al de werelden en als Heer Vâmana pakte Hij onder het voorwendsel van de liefdadigheid de aarde af van Bali en gaf Hij haar in handen van de zoons van Aditi. (21) Als Heer Paras'urâma bevrijdde Hij de aarde van de leden van de heersende kaste en vernietigde Hij, als het vuur dat Hij afstammend van Bhrigu was, zevenentwintig keer de dynastie van Haihaya. Als de echtgenoot van Sîtâ [Râmacandra] onderwierp Hij de oceaan en doodde hij Tienkop [Râvana] met inbegrip van de soldaten van Lankâ. Met het vertellen van de verhalen over de heerlijkheden van Hem die altijd zegerijk is, wordt de besmetting van de hele wereld tenietgedaan. (22) De Ongeboren Heer [als Krishna] Zijn geboorte nemend in de Yadu-dynastie, zal, teneinde de overlast terug te dringen van de aarde, daden volbrengen die zelfs voor de goddelijken moeilijk op te brengen zijn; als [de Boeddha] zal Hij met argumenten van speculatieve aard degenen verbijsteren die niet geschikt zijn de vedische offers te brengen en aan het einde van Kali-yuga zal Hij [als Heer Kalki] een einde maken aan de heersers van twijfelachtig allooi. (23) Van de zo heel glorieuze Heer van het Levend Wezen [de Heer van het Universum Jagadîs'vara] aldus omschreven, o machtig gearmde, zijn er ontelbare verschijningen en handelingen precies als deze.'
Voetnoot:
*: Volgens de Matsya Purâna (3.10), werd Dharma, de vader van Nara-Nârâyana Rishi, geboren uit de rechterborst van Brahmâ en trouwde hij later met dertien van de dochters van Prajâpati Daksha.
Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva
(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'
(2) S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen vooropgaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13]. (3) Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding zijnde, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die de uitnemendheid van hun ziel is en de Allerhoogste Beheerser, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23]. (4) Er zijn vele mensen die geen kans zien zich bezig te houden met de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] en nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; het zijn zij die vallen in de categorie van de vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke die de genade van persoonlijkheden als u verdienen. (5) En dan nog raken ook de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die [door initiatie] toegang kregen tot de Heer Zijn lotusvoeten, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [de meest uiteenlopende] levensopvattingen [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43]. (6) Onwetend over karmische zaken drukken zij die feitelijk tekort schieten in ervaring maar arrogant zichzelf heel geleerd achten, verrukt over de schoonheid van de taal zich uit in [voor de halfgoden] flatterende verhandelingen waarmee ze de draad kwijtraken [zie ook B.G. 9: 3]. (7) Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn. (8) Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de seks als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en het doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen] in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16]. (9) Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor zij die zich heiligden en de Heer lief zijn en hebben ze ook geen achting voor de Beheerser Zelf [zie ook b.v. 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2: 42-43]. (10) De Ziel van de hoogst aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen aangaande hun eigen grillige zingenoegens. (11) Met motivatie voor de seks en het consumeren van vlees en alcohol dat men steeds aantreft in het geconditioneerde levende wezen vormt een praktijk die in geen enkel heilig geschrift staat voorgeschreven; de voorschriften op dit punt voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, zijn er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39]. (12) De enige weelde waar het om gaat is de vrucht te plukken van het dharma [de rechtschapenheid met de natuur, de religiositeit] waarvan er de kennis is in combinatie met de wijsheid en de daarop volgende bevrijding. Maar vanuit het familieleven heeft men geen oog voor de onoverkomelijke greep van de dood op het lichaam [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook 4.22: 10]. (13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat evenzo een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet met een begerige vorm van geweld [zoals met het grootschalig slachten van dieren]; op dezelfde manier is seksuele gemeenschap er voor het overwinnen [van de aandrang om kinderen te krijgen, zoals met het naar de w.c. gaan] en niet zozeer voor het zinnelijk genot [B.G. 7: 11]; voor dit allerzuiverste van de plichtsbetrachting zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15]. (14) Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8]. (15) Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser die leeft [in hun lichaam en] in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val. (16) Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid overwonnen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's, 10.2: 32]. (17) Deze moordenaars van het eigen zelf die het ontbreekt aan vrede, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen. (18) Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de begoochelende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen de duisternis binnen met achterlating van hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes.'
(19) De achtenswaardige koning zei: 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in ons bijzijn duidelijkheid over.'
(20) S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden. (21) In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot. (22) De menselijke wezens zijn in die tijd vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer. (23) Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga'], Amala ['de Onberispelijke'], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel']. (24) In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [overeenkomstig de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen. (25) In die tijd aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20]. (26) In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt']. (27) In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn attributen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het Kaustubha-juweel]. (28) In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de stervelingen die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de tantra's [zoals b.v. in 1.10: 16-18 en 10.4: 17-24 en ***] met: (29-30) 'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Heer van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].' (31) O Koning, aldus prijst men in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier men overeenkomstig de schriftuurlijke voorschriften ook van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38]. (32) De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en begeleiders, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met: (33) 'O Allerhoogste Persoonlijkheid laat mij Uw voeten aanbidden. Steeds mediteert men erop want ze maken een eind aan de vernedering waaronder we te lijden hebben als gevolg van de invloed der materie. Alleszins beantwoordend aan het ware verlangen van de ziel, vormen ze het verblijf en het pelgrimsoord waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen. Zij, die het leed wegnemen van Uw dienaren, zijn de meest achtenswaardige toevlucht, ze zijn de boot voor de oceaan van geboorte en dood. (34) O Allerhoogste Persoonlijkheid, laat me de lotusvoeten eren van U die in reactie op de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], met het afzien van de weelde van S'rî die zo fel begeerd wordt door de goddelijken, [als Râma, Krishna, de Boeddha, als Jezus, als Caitanya etc.] genadevol voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, zich begaf naar het afgelegen gebied [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyâsa] om Uw voorwerp van verlangen na te jagen [Uw missie, Uw dharma, Uw aanwezigheid als de Heer der toegewijden, 4*].' (35) O Koning, aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, met Zijn namen en gedaanten zoals die passen bij iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk. (36) De gelovigen [die van geestelijke vooruitgang zijn en] bekend met de waarde van het tijdperk van Kali, spreken er hun lof over uit erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkel] gezamenlijk bezingen zo goed als alle doeleinden kunnen worden bereikt. (37) Werkelijk, er bestaat voor de belichaamden die ronddolen in dit universum geen grotere verworvenheid dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23*]. (38-40) Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen omdat men in die tijd, o grote monarch, in verschillende plaatsen de toegewijden aantreft die Nârâyana zijn toegewijd. Men vindt ze met name in grote getalen in de provincies van Zuid-India. De mensen daar die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, zijn grotendeels toegewijden met een zuiver hart voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (41) O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9]. (42) Van degene die gefixeerd op Zijn voeten van aanbidding is en om die reden geliefd is bij Heer Hari, de Allerhoogste Beheerser die zich in het hart vestigde zo gauw men zich niet meer op andere zaken richtte, worden welke soort van onregelmatigheden ook die zich op de ene of de andere manier voordeden allemaal uitgezuiverd [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'
(43) S'rî Nârada zei: 'Nadat hij aldus had vernomen over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de heer van Mithilâ zich waarlijk voldaan en sprak hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden uit voor de wijze zonen van Jayantî [de Yogendra's 5.4: 8]. (44) Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming. (45) U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult zich eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, nadat u zich heeft vrijgemaakt van alle materiële zorgen, het Allerhoogste bereiken. (46) De aarde raakte vervuld van de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon. (47) Toen jullie voor Krishna jullie liefde bewezen van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met Hem als zoon, zijn jullie harten gezuiverd geraakt. (48) Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die wedijverend zich afgunstig betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem terwijl ze neerlagen, zaten etc., hebben een positie bereikt op hetzelfde niveau; hoe zou het dan wel niet hen vergaan die Hem gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya & Vijaya]? (49) Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen met het verhullen van Zijn volheid als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6]. (50) Van Hem die nederdaalde om de asura leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en om de [toegewijden de] bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'
(51) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze gekoesterd hadden op. (52) Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome, historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.'
Voetnoten:
*: Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34: 11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen, de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.
** Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de khadira houten sruvâ die de sruk bediend voor het gieten van ghee in het vuur.
***: De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook 1.16: 20] verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.
4* De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van Heer Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad Bhâgavatam'.
Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam Heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met Heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens. (2-4) Indra de oppermachtige heerser en zijn goden [de Marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de As'vin's], de kunstenaars [de Ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de Rudra's], de goden van het intellect [de Vis'vedeva's], de goden van de handel [de Sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Ghandarva's en Apsara's], zij die uitmunten [de Nâga's], de vervolmaakten [de Siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de Guhyaka's], de zieners [de Rishi's], de voorvaderen [de Pita's] alsook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die overal in het universum de onzuiverheden verdrijft en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden. (5) In die schitterende stad rijk aan een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna die zo prachtig is om te zien.
(6) Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, waarbij ze zich uitdrukten in bekoorlijke denkbeelden en woorden. (7) De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen aan Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen die zijn verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de machtige gebondenheid aan karmische verwikkelingen. (8) U, die middels de materiële energie die bestaat uit de drie geaardheden, de manifestatie beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf, bevindt zich in die materiële natuur, maar U raakt door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische activiteiten, o U Onoverwinnelijke, omdat U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3: 22]. (9) O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt niet zozeer tot stand gebracht door bezweringen, het respecteren van voorschriften, het bestuderen van de geschriften, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen als door het trouw luisteren naar de grootsten onder de zielen die zich in de goedheid bevindend volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38]. (10) Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in hun gepacificeerde harten, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags vereren van Uw gedaanten [van ziel, ego, geest en intelligentie, de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34]. (11) Op hen [Uw voeten] mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur plengen in het [nirukta-]proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, met het kennis verwerven omtrent Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [zelfs meer] volmaakt aanbeden door de oudere, voorbeeldige toegewijden [zie uttama en 11.2: 45-47]. (12) S'rî, Uw gezellin, voelt met onze verwelkte bloemenslinger voor U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn! (13) Uw voeten die als een vlag die een vlaggenmast siert met drie machtige stappen [de bezitsdrang verslaan en het water van de Ganges doen] neerkomen in ieder van de drie werelden [zie 8.20], creëren angst en onbevreesdheid onder respectievelijk de strijdkrachten van de Asura's en de goddelijken. Voor zij die zich heiligden zijn ze er voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen zijn ze er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige. Mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden bevrijden van onze zonden. (14) Als ossen bijeengehouden door [het touw door] de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, waarbij ze onder de controle staand van de Tijd onderling in strijd verkeren. Mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12]. (15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid. Men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de alles beheersende tijdfactor bent die zich doet gelden als een drievoudig rad, dat U de Allerhoogste Persoonlijkheid bent die in de gedaante van de Tijd ononderbroken in Zijn voortgang het einde afroept over alles [*]. (16) Het mannelijke [van Mahâ-Vishnu], dat van U [als Vadertje Tijd] het potente zaad van deze schepping krijgt, bevrucht de uitgebreidheid van de materie [mahat-tattva]. Van daaruit genereert Hij wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd met diezelfde natuur, vanuit het Zelf - zoals een gewone foetus wordt voortgebracht - het gouden voorwereldlijke ei van het universum dat zich onderscheidt door zijn [zevenvoudige] gelaagdheid [zie kosha]. (17) Daarmee bent U van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser omdat Uzelf, o Meester der Zinnen, in Uw bezigheden nimmer raakt aangetast door de zinsobjecten die zich manifesteerden als gevolg van de werking van de geaardheden der natuur, terwijl anderen die op eigen houtje bezig zijn ermee in angst verkeren [zie ook B.G. 16: 23-24]. (18) De zestienduizend [vrouwen van U] waren zo betoverend op de momenten dat ze, met het tonen van hun gevoelens middels hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido op U afvuurden. Maar met hun berichten en avances van de echtelijke liefde, waren ze met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36]. (19) De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de heilige waterstromen afkomstig van het baden van Uw voeten zijn in staat alle besmetting van de drie werelden teniet te doen. Zij die streven naar zuivering en omgang willen hebben zoeken [daarom] op twee manieren hun toenadering [tot U], namelijk door hun oren te laten luisteren naar de verhalen van de traditie en door hun lichaam in contact te brengen [met de wateren] die wegvloeien van Uw voeten.'
(20) De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die honderden [wijzen] onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen. (21) S'rî Brahmâ zei: 'O Heer, we verzochten U voorheen om de last van de aarde terug te dringen. O Onbegrensde ziel, aan dat verzoek hebt U beantwoord zoals we het vroegen. (22) Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, is het waarlijk Uw glorie door U in alle richtingen verspreid, die de besmetting van al de werelden wegneemt. (23) Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, met het voor het heil van het universum aannemen van een gedaante, met grootmoedige daden activiteiten zonder weerga aan de dag gelegd. (24) O Heer, de mensen die zich heiligden in het Kali-tijdperk en luisteren naar en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14]. (25) O Allerhoogste Persoonlijkheid, sedert Uw nederdalen in de Yadu-vams'a zijn er honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester. (26-27) Voor U, o Grondvesting van Alles, bestaat er geen verplichting meer aan de godsbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom vragen wij U of U van zins bent naar Uw hemelverblijf te vertrekken en of U er alstUblieft samen met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door wilt gaan om de dienaren van Vaikunthha [van Heer Vishnu] te beschermen.'
(28) De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u zei, o heerser der halfgoden, naar uw wens is al het werk volbracht dat nodig was om de last van de aarde weg te nemen. (29) Deze zelfde Yadu-familie is, vanwege de dreiging die ze vormde de hele wereld te verzwelgen met de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals de kust dat doet met de oceaan. (30) Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's terug te trekken, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd. (31) Op dit moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondeloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'
(32) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer van de Wereld viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen. Daarna keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats. (33) Toen de Opperheer vervolgens zag hoe er zich in de stad Dvârakâ allerlei kwalijke ontwikkelingen voordeden, richtte Hij zich tot de verzamelde Yadu-ouderen. (34) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich overal voordoen zijn het gevolg van de vloek die de brahmanen tegen ons uitspraken, hij is onmogelijk tegen te gaan. (35) Als we ons leven voort willen zetten zouden we niet langer hier moeten blijven, o eerbiedwaardigen. Laten we dat niet op de lange baan schuiven maar vandaag nog naar dat zo heilige oord Prabhâsa vertrekken [**]. (36) De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte toen het wassen met zijn fasen. (37-38) Als ook wij naar de voldoening der voorvaderen aldaar een bad nemen en verschillende soorten voedsel offeren voor de halfgoden en de achtenswaardigen der geleerdheid en tevens giften uitdelen met ons geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen we door onze goedgeefsheid het gevaar weten te bezweren zoals men met boten erin slaagt de oceaan over te steken.'
(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's die op deze manier door de Fortuinlijke werden geïnstrueerd kwamen tot een besluit en spanden hun paarden voor hun wagens om zich naar de heilige plaats te begeven. (40-41) O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], die als een immer trouwe volgeling van Krishna ter ore kwam wat door de Heer was gezegd, benaderde met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Heer der heerscharen van heel het levende universum en richtte met zijn hoofd gebogen aan Zijn voeten zich met gevouwen handen tot Hem. (42) S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek van de brahmanen te herroepen, U dat niet kunt doen! (43) Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13]. (44) Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren. Als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen. (45) Hoe kunnen wij, die U steeds toegewijd waren als we lagen, zaten, liepen, stonden, baadden, recreëerden en aten en zo meer, nu U, het allerbeminste Zelf, ooit vaarwel zeggen? (46) Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen. (47) De slechts in lucht geklede zondeloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad opwaarts sturen, gaan naar de verblijfplaats bekend als Brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32]. (48-49) Daarentegen zullen wij, o Grootste der Yogi's, die langs de wegen der baatzuchtige arbeid rondtrekken door deze wereld, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en de liefdesavonturen die U hebt in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'
(50) S'rî S'uka zei: 'Aldus op de hoogte gesteld, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, onder vier ogen uitvoerig met Zijn geliefde dienaar Uddhava.'
Voetnoten: *: Tijd in drieën kan worden beschouwd als de drie soorten seizoenen, zomer, winter en voorjaar/herfst of als de drie naar de cyclische orde, de cakra, van de zon, de maan en de sterren, in de zin van verleden, heden en toekomst en als de tijd van de natuur, de cultuur en het psychologisch ervaren [zie ook tri-kâlika, 5.22: 2, tijdcitaten en de B.G. 10: 30 & 33, 11: 32].
**: Prabhâsa is een beroemde heilige plaats zich bevindend in de buurt van het Veraval treinstation, in de streek van Junagarah. Aan de voet van dezelfde pippala-boom waaronder Heer Krishna werd beweerd te hebben neergelegen bevindt zich nu een tempel. Een mijl verderop van de boom vandaan, aan de kust, is er de Vîra-prabhañjana Mathha, en men zegt dat vanaf dat punt de jager Jarâ de pijl afschoot welke het einde markeerde van Zijn aardse bestaan [zoals beschreven in de laatste twee hoofdstukken van dit Canto].
Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de dynastie terug te trekken], en om die reden zien Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn terugkeer naar Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag [na heden] deze stad verzwolgen worden door de oceaan. (4) Als Ik, o man van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Wees ervan overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een gelijkgezinde geest [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Deze tijdelijke wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon die niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken, niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie daarom met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis en wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door tegenslagen. (11) Ontstegen aan de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een onvolwassen kind zou zijn. (12) Als men voor zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene zijn die telkens weer het onderspit delft.'
(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te bewijzen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in sannyâsa. (15) Deze verzaking o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6: 33-34]. (16) Ik ben met mijn bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig het proces zoals dat door U wordt onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ, belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw mâyâ. (18) Daarom benader ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf Vaikunthha.'
(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks waarnemen. (21) En zo kunnen zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich ophoudend in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Dit aangaande is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.
(25) Yadu, zeer goed thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de kans waar hem vragen te stellen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o brahmaan? Hoe kan u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezighoudend, door de wereld reizen met het vertrouwen van een kind? (27) Normaal gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) Een capabele, geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'
(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.
(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite eenvoudig schikken naar wat door het lot is bepaald. (38) Van de berg [die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka-3] anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige reden van bestaan [zie ook 10.22: 31-35 en B.G. 17: 20-22].
(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Naar het voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te raken. (41) Een yogi mag dan in deze wereld leven in aardse lichamen en hun karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.
(42) Overeenkomstig de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden der natuur bewogen worden door de Tijd.
(44) Een wijze, die van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet, zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie ook sâkhya].
(45) Briljant, gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een vuur ook niet besmet raakt. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen en soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat nog te gebeuren staat [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 14]. (47) Vanuit Zijn eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen [de 'ware' en 'onware', god of dier].
(48) Afgedwongen door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) Zoals men de ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].
(50) Een yogi verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste tijd [naar gelang de cakra-orde]. Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen wordt als die met zijn stralen de wateren binnendringt. (51) Als de zon uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. Zo ook wordt de ziel, die voor de tragen van begrip in reflecties [van verschillende zelven] uiteen lijkt te zijn gevallen, niet als verschillend gezien.
(52) Men zou zich nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwelijke metgezel. (54) Als gehechte partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Op elkaar vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten enzovoorts. (56) Wat zij ook wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar verlangens, zelfs als dat moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen kwamen na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen van de Heer. (59) Het paartje zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) De aanblik van het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, vervulde de ouders van vreugde. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een net dat hij had uitgespreid. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het voedsel te brengen. (65) Toen de vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren. (66) Gebonden door haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het net. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Kijk hoe helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben, tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig levensdoel [de purushârtha's] en heb aldus mijn gezin te gronde gericht! (69) Zij die geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me achtergelaten in een leeg huis. (70) Wat is nu nog de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam leven in het lege nest?' (71) Toen hij ze vol leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn verstand op nul en belandde ook hij in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar huis.
(73) Een gezinshoofd die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede met de ziel behagen schept in de materiële tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit, zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan toe was met het behoud van zijn gezin. (74) De persoon die met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17, 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39, 7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].'
Voetnoot:
*: Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.
Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ
(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien er zowel voor hen die in de hemel verkeren als voor hen die in de hel zitten er het zinnelijk geluk is o Koning, en omdat er voor alle belichaamde wezens eveneens het ongeluk bestaat [van het logisch tegendeel, de schaduw, de terugslag], behoort een intelligent iemand niet een dergelijk geluk na te streven [zie ook B.G. 16: 16].
(2) Zo afwachtend als een python moet men eten wat bij toeval wordt verkregen, of het nu veel of weinig, smakeloos of zuiver en zalig voedsel is [7.13: 37-38]. (3) Voor vele dagen vastend moet men zijn vrede bewaren en rustig afwachten als er geen voedsel voor handen is, net als de python die eet wat de voorzienigheid verschaft [7.15: 15]. (4) Als men zowel geestelijk als fysiek sterk zijnde het lichaam in stand houdt zonder veel moeite te doen, blijft men vredig en heeft men geen last van slaperigheid. Ook al is men overal toe in staat, toch moet men [in dat geval] niets ondernemen.
(5) Een wijze die aangenaam is, vol van ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en niet is te overwinnen [in zijn weten], is zeer zeker nimmer verstoord, net als de kalme wateren van de oceaan [zie ook B.G. 12: 15]. (6) Berooid dan wel florerend met het verlangde, neemt een wijze, met Nârâyana als de Allerhoogste, net zoals de oceaan met de rivieren, niet toe noch neemt hij af [B.G. 2: 70].
(7) Bij het zien van een vrouw komt degene die zijn zinnen niet de baas is, in de ban rakend van die verleidelijke, bedrieglijke energie van God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in het vuur beland. (8) Met het zien van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon zonder onderscheidingsvermogen met zijn hang naar zinsbevrediging zich geprikkeld voelen door lustige verlangens en zonder twijfel, zoals een mot zijn vernietiging vindt, zijn geestelijke orde teloor zien gaan [B.G. 2: 62-63].
(9) Met het nuttigen van kleine beetjes voedsel, afdoende om het lichaam in leven te houden, behoort men wijs de [sociale] zekerheid [in geweldloosheid] met de huishouders te beoefenen en aldus van de bezigheid van een honingbij te zijn [5.5: 3, 7.2: 11-13, 7.12: 6. 7.14: 5, 7.15: 15 en B.G. 4: 21]. (10) Een intelligent mens moet aan de kleinste alsook aan de grootste religieuze geschriften de essentie ontlenen, precies zoals een honingbij dat doet met al de grote en kleine bloemen [11.7: 23, B.G. 15: 15]. (11) Niet als de bij een verzamelaar wezend, behoort men met de buik als zijn bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te aanvaarden dat werd geschonken in liefdadigheid en het niet te bewaren voor de nacht of de dag erna. (12) Een bedelmonnik moet geen voorraad aanleggen voor 's avonds of de volgende dag omdat hij anders als een honingbij die steeds meer verzameld teloor zal gaan.
(13) Een bedelmonnik behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet een van hout of met zijn voet, omdat hij anders, zoals een olifant wordt gevangen door een wijfjesolifant, door het lichamelijke contact in de greep van de materie komt. (14) Om de dood niet te vinden moet een man van wijsheid nimmer achter een vrouw aanzitten, omdat hij anders ten onder zal gaan zoals een olifant verslagen wordt door anderen die sterker zijn dan hij.
(15) Rijkdom die met grote moeite werd vergaard door een hebberige persoon wordt door zo iemand niet genoten noch weggegeven aan anderen; die rijkdom wordt eerder door iemand anders genoten die er toevallig tegenop loopt en het zich toeëigent zoals men de honing wegsteelt uit een bijenkorf [zie 5.13: 10]. (16) Zoals een honingdief vooropgaat in het genieten van de honing die met moeite werd verzameld, gaat ook de asceet voorop in het genieten van de fel begeerde zegening van de welvaart die met veel problemen werd verworven door huishouders [zie b.v. 1.19: 39 en 7.14: 17].
(17) Een toegewijde die in het bos leeft moet nooit luisteren naar wereldse liedjes en muziek; dat moet men inzien naar het voorbeeld van het hert dat gevangen werd nadat het verbijsterd raakte door de lokroep van de jager [zie de bhajans]. (18) Plezier belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke liederen, kwam Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, ten val toen hij als een troeteldier helemaal in de ban raakte van de vrouwen [zie *, 5.8 en 5.25: 11].
(19) Zoals een vis met zijn verstand op nul aangetrokken door de smaak aan de haak geslagen wordt en de dood vindt, kan ook een persoon, verstoord door wat de tong hem influistert, tegen beter weten in zijn leven vergooien. (20) De geschoolden die zich inperken beteugelen snel de materiële zinnen, maar dat geldt niet voor de tong, want daarvan neemt de smaak voor voedsel toe met het vasten [zie het prasâdam-gebed]. (21) Zolang de tong niet is verslagen kan een mens, ook al heeft hij alle andere zinnen verslagen, niet zeggen dat hij zichzelf meester is; maar heeft hij eenmaal zijn tong in bedwang, dan is hij alles de baas [zie ook 8: 16 en B.G. 2: 59].
(22) In de stad Videha leefde vroeger een prostituee genaamd Pingalâ. Verneem nu van mij o zoon van koningen, wat ik van haar heb geleerd. (23) Zij als een dame van plezier stond op een avond, om een klant haar huis in te krijgen, buiten in de deuropening om haar mooie figuur te laten zien. (24) O beste onder de mannen, uit op geld bezag ze de mannen die ze voorbij zag komen op straat als klanten die bereid zouden zijn de prijs te betalen. (25-26) Met hun komen en gaan dacht ze, aldus levend van het verkopen van haar liefde: 'Misschien zal een of andere vent die genoeg op zak heeft me voor de liefde benaderen en me een bom duiten bezorgen.' Aldus vol van ijdele hoop niet slapend en in de deuropening leunend, de straat op en neer lopend en weer terugkerend naar haar huis, werd het middernacht. (27) Terneergeslagen liet ze in haar verlangen naar geld haar gezicht hangen en ontwaakte in haar zorgelijkheid toen een allerverhevenste onthechting welke haar het geluk bracht. (28) Onthechting werkt als een zwaard dat snijdt door het verstikkende netwerk van hoop en verlangens. Luister alstublieft naar het lied dat ze zong na deze omslag in haar denken. (29) Beste Koning, duidelijk is dat hij die zich niet van de wereld weet af te keren nimmer dat wat hem lichamelijk bindt wil loslaten, net zo min als een mens verstoken van wijsheid het idee van bezit op wil geven. (30) Pingalâ zei: 'Zie toch eens hoe fout ik zit! Ik lijk wel gek met wat ik me voorstel in mijn wellust met een nepminnaar. (31) Met het hebben afgezien van het genoegen dat van Hem is, Hij het Liefst en Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst onbeduidend van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte temperend, ellende, angst, leed, treurnis en illusie veroorzaakt. (32) O hoe nutteloos heb ik, met het onderwerpen van mijn ziel aan de marteling, bezig zijnd als een publieke vrouw - het laakbaarste beroep van alle - in mijn verlangen met mijn lichaam seksueel te genieten en daar geld mee te verdienen, mij verkocht aan versierders die, belust op mij, zelf beklagenswaardig zijn. (33) Welke andere vrouw zou zich zo wijden aan dit huis met de negen deuren dat, opgetrokken met de beenderen van een ruggengraat, de ribben, de handen en de benen, en bedekt met een huid, met haar en nagels, vol ontlasting zit en urine lekt [vergelijk B.G. 5: 13 en 4.25-28]? (34) Van al de bewoners van Videha ben ik degene die werkelijk aan verstandsverbijstering lijdt, ik ben immers de persoon die zeer onkuis zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die ons de Ziel geeft, Acyuta.. (35) Door de prijs te betalen van het geven van mezelf aan Hem, de weldoener die absoluut het meest geliefd is, de Heer en Ziel van iedereen die leeft met een lichaam, kan ik erop rekenen te zullen genieten als Ramâ. (36) Hoeveel feitelijk geluk hebben het zingenot en de mannen die mijn zinnen streelden mij nu verschaft? Het voor ogen hebben van een vrouw of [zelfs] de goden heeft allemaal, verdeeld over de tijd, zijn begin en einde. (37) Mijn persoon zo wanhopig moet daarom de Allerhoogste Heer Vishnu die het geluk brengt dat ik nu ervaar, op de een of andere manier hebben behaagd met het afzien van mijn zinsbevrediging! (38) Een vrouw die het werkelijk slecht getroffen heeft zou niet met dergelijke hindernissen op het pad der zelfverwerkelijking te maken krijgen, want die vormen er de oorzaak van dat een persoon de gebondenheid van zich afschud en de [ware] vrede vindt. (39) Nu ik ermee ophou valse hoop te koesteren in samenhang met de seksuele omgang, zoek ik, met het op mijn hoofd aanvaarden van de grote hulp die Hij biedt, mijn toevlucht bij Hem, de Oorspronkelijke Beheerser. (40) Tevreden in de volle overtuiging dat ik het aldus zal redden ongeacht wat ik op mijn pad vindt, zal ik erin slagen het leven op prijs te stellen met enkel de Ene, het Zelf van de Liefde en het Geluk dat vrij is van twijfel. (41) Als men zoals ik in het behagen van zijn zinnen, verstoken is van inzicht en beland is in de diepe put van de materiële oceaan, is er toch niemand anders dan de Oorspronkelijke Beheerser ertoe in staat om het levende wezen te verlossen dat in de greep verkeert van het serpent van de tijd [zie ook 10.34]? (42) Op het moment dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen als verkerend in de greep van de slang der tijd, wordt hij, oplettend onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen beschermer.'
(43) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een einde te maken aan de wanhoop die teweeg gebracht wordt door het begeren van minnaars, zat ze neer op haar bed met de innerlijke vrede die ze gevonden had. (44) Met het inzicht dat het grootste ongeluk eruit bestaat dat men steeds verlangt en dat het vrij zijn van verlangens het tegendeel inhoudt, sliep Pingalâ gelukkig nu ze het smachten naar minnaars van zich af had geschud.'
Voetnoot:
*: Rishyas'ringa, dat 'hoorn van een hert' betekent naar het hert dat muzikaal is aangetrokken, was de jonge zoon van de wijze Mrigî, met opzet door zijn vader grootgebracht in een atmosfeer van complete onschuld. Mrigî Rishi dacht dat als hij zijn zoon nooit blootstelde aan de aanblik van vrouwen hij altijd en eeuwig een volmaakte brahmacârî zou blijven. Maar per toeval ontvingen de bewoners van het naburige koninkrijk, die te lijden hadden onder een langdurige droogte, het advies van boven dat de regen alleen maar naar hun koninkrijk zou terugkeren nadat de brahmaan genaamd Rishyas'ringa er zijn voet in gezet had. Om die reden zonden ze prachtige vrouwen naar de hermitage van Mrigî om Rishyas'ringa te verleiden en hem met zich mee te voeren. Daar Rishyas'ringa nog nooit van vrouwen had gehoord, liep hij zonder problemen in hun val [geciteerd van pp 11.8: 18].
Onthechting van Al het Materiële
(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een onbegrensd geluk bereiken.
(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.
(3) Ikzelf, die als een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Van hen die vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.
(5) Eens arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal. (7) In haar verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-] geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een verwijderde en er nog maar één overbleef, was er geen geluid meer te horen. (9) Ik o onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde. (10) In een plaats waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen, zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) De geest moet worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] waarin men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich zorgvuldig op één punt concentreert [het ware zelf, zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft opgegeven, het nirvâna omdat men in sattva sterk geworden niet langer het vuur van de rajas en de tamas [het vuur van het materieel bestaan] van brandstof voorziet [zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].
(13) Aldus verankerd in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passeerde [zie B.G. 7: 27-28].
(14) Alleen rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet stellen maar weinig spreken. (15) Zich een huis bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk leven, zie B.G. 4: 18] is iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is zich op te houden in een hol dat door een ander werd gemaakt.
(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men omschrijft als kaivalya [of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G. 7: 5 en *]. (19) Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel de regel danwel de directie aangeeft van de mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping [zie ook 3.26: 19]. (20) Aan die draad, die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie ook B.G. 7: 7]. (21) Zoals de spin tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.
(22) Ongeacht waar de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie B.G. 8: 6]. (23) O Koning, een wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm, dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.
(24) Dit is wat ik weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis die ik verwierf door te leren van mijn eigen lichaam. (25) Met het lichaam heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik onthecht in het leven moet staan. (26) Het lichaam zit vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam als een boom die alvorens te sterven zijn zaad afwerpt. (27) Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (28) Nadat de Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van de vele soorten materiële lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en bereikte Hij zo het geluk. (29) Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig, een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik is.
(30) Aldus [met al deze vierentwintig plus één meesters] het beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid en vals ego rond over deze aarde. (31) Voorzeker kan de kennis van één leraar niet erg solide zijn of volledig [zie 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten benaderd.'
(32) De Opperheer zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer Dattâtreya was, zie 2.7: 4 en **] nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen, van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij was gekomen. (33) Na de woorden van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen gelijkgezind bewustzijn.'
Voetnoten: *: Vers 3.25: 34 in aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat het enkel op de Heer gericht zijn, niet als jnâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp. 11.9: 10].
**: De paramparâ [pp. 11.9: 32] bevestigt: 'Dit vers [2.7: 4] vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig stelt het huidige vers, vandito sv-arcito râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, de avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura bevestigt dit nog eens.'
De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in b.v. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (2) Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (3) Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15]. (4) Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (5) Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42]. (6) Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast, belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat. (7) Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18].
(8) De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (9) Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (10) Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel. (11) Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (12) De âcârya kan men beschouwen als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (13) Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].
(14-16) Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts. Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11]. (17) Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (18) Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (19) En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34]. (20) Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid. (21) Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20]. (22) Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14].
(23) Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (24) Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (25) Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73]. (26) Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22]. (27-29) Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (30) In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28]. (31) De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27]. (32) Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (33) Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (34) Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.'
(35) S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige? (36-37) Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.'
Voetnoot:
*: Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt, met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend dat men aldus voor altijd vastzit in, nitya-baddha, gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.
Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij [*]. (2) Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn als wat men ervaart in een droom. (3) Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding. (4) Van het levende wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel van [de bevrijding door] kennis. (5) Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, die er aldus is in één vertoning van karakter. (6) De twee vrienden vormen een paar vogels van een gelijke [spirituele] aard die een nest in een boom blijken te hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste van de twee is [zie ook 6.4: 24]. (7) Hij die niet van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie ook B.G. 4: 5]. (8) De verlichte persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich [als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (9) Vrij van de smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte zinsobjecten [zie B.G. 3: 28]. (10) Als gevolg van de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is' [zie ook B.G. 3: 27]. (11) Een intelligent iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid. (12-13) Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met] de dingen. (14) De persoon van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde lichaam. (15) Soms wordt het lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk [zie B.G. 14: 22-25]. (16) Ontstegen aan het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren [zie ook B.G. 5: 18]. (17) Hij die innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in, zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand [zie ook 5.9]. (18) Iemand die volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang [de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die voor een koe zorgt die geen melk meer geeft. (19) O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij te hebben [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (20) Een wijs iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (21) Als men nu dit op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van de ziel bestaande [**] materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (22) En als je er dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (23-24) Een gelovig persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde brengt [de purushârta's], een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o Uddhava. (25) Met de toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de sat-sanga [de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'
(26-27) S'rî Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o Uttamas'loka, nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden? AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (28) Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het verlangen van hen die bij Je horen.'
(29-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet verliest, de shath-guna [de verschillende vormen van materiële ellende], overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G. 18: 66] met het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der waarheidlievenden [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20]. (33) Zij die, of ze nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door andere zaken, beschouw ik als de de beste toegewijden. (34-41) Mij ziend, Mij aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen, met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille ten dienste van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor onsterfelijkheid.
(42) De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de Vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst. (43-45) Via de zon kan men Mij vinden met een keur aan verzen [als de Gâyatrî], met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de Sûrya-namskar]. In het vuur vindt men Mij als men ghee offert. Men kan Mij vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend beginsel [aanwezig als de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29]. In water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die water aanwenden [zie B.G. 9: 26]. In de aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v. Prasâda Sevâya en de Bhoga-ârati]. En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de kenner van het veld [zie Paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie niyama]. (46) Aldus devoot geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (47) Met de verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook B.G. 5: 29].
(48) O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd zijn de ware weg ben [zie ook 4.31: 12]. (49) Om die reden, o kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt, spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim [van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G. 18: 63 & 68].'
Voetnoten: *: De paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van de verrukking; sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.
**: Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam, de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid, wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens uiteindelijk één wezen zijn zonder een afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn [onafhankelijk van elkaar, zie 5.18: 12]; denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is, vâsudeva sarvam iti, B.G. 7: 19]; en denken dat het materiële universum [het onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie ook 1.2: 11]. Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per dag zingen van deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, of het zo lang aandacht besteden aan de andere bhajans.
Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis
(1-2) De Allerhoogste Heer zei: 'Mysticisme noch analyse, algemene vroomheid en ook niet de studie van geschriften; boetedoeningen, verzaking, gewenste en vrome werken noch liefdadigheid; het naleven van geloften, plechtigheden, vedische hymnen, pelgrimeren, algemene discipline noch de basisregels omvatten Mij in de mate waarin de sat-sanga [zie 11.11: 25] Mij omvat die alle gehechtheid aan zinsbevrediging wegvaagt. (3-6) Door alleen maar sat-sanga bereikten vele levende wezens zoals de zoons van Diti, de kwaadaardigen, de dieren, de vogels, de zangers en dansers van de hemel, de excellenten en vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de schatbewaarders, de wetenschappers onder de mensen en de handelaren, de arbeiders en de vrouwen, de ongecivilisee rden en zij die van de hartstocht en de traagheid zijn in ieder tijdperk steeds Mijn verblijf. En zo lukte dat ook Vritrâsura, de zoon van Kayâdhû [Prahlâda, zie 6.18: 12-13] en anderen zoals zij, Vrishaparvâ [zie 9.18: 26], Bali, Bâna, Maya alsook Vibhîshana [de broer van Râvana], Sugrîva [de leider van de Vânara's] en Hanumân, Jâmbavân, Gajendra, Jatâyu, Tulâdhâra, Dharma-vyâdha, Kubjâ en de gopî's in Vraja, alsook de vrouwen van de brahmanen [zie 10.23] en anderen. (7) Zij die niet de heilige schrift bestudeerden, noch de grote heiligen aanbaden, bereikten, zonder geloften te hebben afgelegd en zonder boetedoeningen, Mij door Mijn gezelschap. (8-9) Door enkel de liefde inderdaad bereikten de gopî's, de koeien, de onbeweeglijke schepselen, de dieren, de slangen [als Kâliya] en anderen die verbijsterd waren in hun intelligentie, zonder moeite de volmaaktheid door naar Mij te komen, Ik die niet kan worden bereikt met een groots opgezet ondernemen in de yoga, met analyseren, met liefdadigheid, geloften, boetepraktijken, rituele offerplechtigheden, exegese, persoonlijke studie of door zich aan te sluiten bij de wereldverzakende orde. (10) Toen Akrûra Mij en Balarâma naar Mathurâ bracht waren de bewoners steeds zeer gehecht aan Mij met geesten vervuld van de grootste liefde. Met Mij als de enige die ze gelukkig kon maken waren ze er allerellendigst aan toe nadat ze van Mij gescheiden waren [zie 10: 39]. (11) Al de nachten die ze in Vrindâvana met Mij, hun teer beminde Geliefde, hadden doorgebracht o Uddhava, schenen hen slechts een kortstondig moment toe, maar weer verstoken van Mij leken die nachten wel een kalpa te duren. (12) Zij die in hun bewustzijn aan Mij gebonden waren in de intimiteit waren zich niet meer bewust van hun eigen lichamen, net zoals wijzen die volledig verzonken het bewustzijn verliezen van zaken zo nabij als namen en vormen, als ze als rivieren die de oceaan instroomden zich ver verwijderd hebben [in het voorbije, zie B.G. 2: 70]. (13) De vrouwen met Mij, een bekoorlijke minnaar naar hun zin, de geliefde van de vrouw van een andere man, hadden geen idee van de eigenlijke positie van Mij, de Allerhoogste Absolute Waarheid, die ze met honderdduizenden tegelijk bereikten. (14-15) Derhalve o Uddhava, geef de voorschriften, de reglementen ermee en de cultuur der riten terwille van zichzelf op, geef dat op wat je te weten kwam en nog te weten zult komen; ga alleen voor Mij, de eigenlijke beschutting van de ziel binnenin al de belichaamden; met die enkele toewijding moet je bij Mijn genade niets te vrezen hebben van welke zijde ook [vergelijk B.G. 18: 66].'
(16) S'rî Uddhava zei: 'Het horen van Jouw woorden, o meester van alle yogameesters, heeft de twijfel niet weggenomen die zich nestelde in mijn hart en waardoor mijn geest de weg kwijt is.'
(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij, het levende wezen Zelve, is vanbinnen aanwezig samen met de prâna, want Hij ging het hart binnen Zijn plaats hebbend in de subtiele geluidsvibratie die de geest in beslag neemt in de grovere vorm van de verschillende intonaties van korte en langere klinkers en medeklinkers. (18) Precies zoals vuur opgesloten in hout, met behulp van lucht, door wrijving ontstoken heel klein wordt geboren en aangroeit met ghee, manifesteer Ik Mij dienovereenkomstig in dit gesproken [vedische] woord. (19) Aldus zijn er als [Mijn] transformaties de spraak, de functie van de handen en de benen, de geslachtsdelen en de anus [de karmendriya's]; de reuk, de smaak, het zien, de tastzin en het horen [de jñânendriya's] en de functies van iemands overtuiging, wijsheid en eigenbelang [of de 'geest, de intelligentie en het valse ego'] zowel als het primaire van de materie [de pradhâna of de draad, zie 11.9: 19] en de rajas, tamas en de sattva [de guna's]. (20) Waarlijk is dit levende wezen dat, één en ongemanifesteerd zijnde begaan is met de drievoudigheid, de bron van de lotus der schepping. Hij, eeuwig als Hij is, verschijnt, in de loop van de tijd Zijn vermogens opdelend, in vele verdelingen, net als zaden dat doen nadat ze vielen in een vruchtbare bodem. (21) Net zoals stof zich uitstrekt langs de schering en de inslag van zijn draden, bevindt het geheel van dit universum, zich lang en breed uitbreidend, zich in Hem [op Zijn draad, zie ook 6.3: 12 en B.G. 7: 7]. Van dit materiële bestaan is er sinds mensenheugenis deze boom [dit organisch lichaam], die van nature met het opbloeiend voortbrengen van vruchten is geneigd tot vruchtdragende arbeid [ofwel karma]. (22-23) Van deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee zaden [zonde en deugd], honderden van wortels [de levende wezens], drie stammen beneden [de geaardheden], vijf stammen boven [de elementen], vijf sappen voortgebracht [geluid, vorm, aanraking, smaak en geur], elf vertakkingen [de geest en de tien indriya's]; twee vogels die er hun nest hebben [de jîva en de âtmâ], drie soorten van bast [de lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het geluk en het ongeluk]. De wellustige levend in een huishouding geniet van één vrucht van de boom, terwijl de zwaangelijke anderen die in het woud leven met de hulp van de aanbiddelijken [de toegewijden, de goeroes] de Ene kennen die bij machte van Zijn mâyâ verschijnt in vele gedaanten. (24) Aldus van een zuivere toegewijde dienst zijnd die zich ontwikkelde door het aanbidden van de goeroe, behoort de nuchtere persoon middels de scherpe bijl van de kennis te kappen met het subtiele lichaam van gehechtheid dat de individuele ziel er op nahoudt zodat hij met de grootste zorg spiritueel levend de Allerhoogste Ziel bereikt. Daarna moet hij afzien van de middelen waarmee hij zijn doel bereikte [zie ook B.G. 15: 3-4].'
De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's zijn zaken van de geest en niet van de ziel; middels de goedheid kan men de andere twee tegenspel bieden terwijl de goedheid zelf door karakter en verstandig zijn wordt beheerst [*]. (2) Karakter versterkt de religieuze beginselen die bepalend zijn voor de toegewijde dienst voor Mij. De geaardheid goedheid zal resulteren in [bhâgavata-]dharma als men op een bezonnen wijze de innerlijke kracht cultiveert.. (3) Dharma maakt met het groeien van de goedheid een eind aan de hartstocht en de onwetendheid. De goddeloosheid, hun wortel, is goeddeels snel overwonnen als die twee door de goedheid worden overtroffen. (4) De aangehangen doctrine, zoals men met water omgaat, de mensen waar men mee leeft, iemands leefomgeving en hoe men zich gedraagt met de tijd, de beroepsmatige bezigheid, iemands milieu alsook welke meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen men erop nahoudt, zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid overheerst. (5) Dat wat de klassieke wijzen in dezen positief waarderen behoort tot de goedheid, dat wat ze kritiseren behoort tot de onwetendheid en dat waar ze onverschillig over zijn behoort tot de hartstocht. (6) Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, moet iemand de zaken behorende tot de geaardheid goedheid cultiveren zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die tot geestelijk inzicht leidt. (7) Op dezelfde manier als vuur, dat in een bamboebos werd opgewekt door de wrijving van de staken, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt ook het vuur van het materiële lichaam tot bedaren dat werd opgewekt door de interactie van de natuurlijke geaardheden.'
(8) S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen zijn over het algemeen goed op de hoogte van het feit dat zinsbevrediging een bron van moeilijkheden vormt, o Krishna, maar niettemin gaan ze zich eraan te buiten. Hoe komt het dat men zich willens en wetens gedraagt als honden, ezels en geiten?'
(9-10) De Allerhoogste Heer zei: 'Geobsedeerd door wat het zijne is denkt de dwaze persoon niet aan de gevolgen van zijn genieten en zo werpt in zijn geest zich de o zo verschrikkelijke hartstocht op. De geest die dan grillig in de hartstocht zich van alles inbeeldt met allerlei plannetjes raakt vanwege die begeertigheid geheel bepaald door de geaardheden en wordt zo onverdraaglijk. (11) Met de zinnen niet onder controle gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht en beheerst door verlangens, over tot baatzuchtige handelingen, ook al is men zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk. (12) Hoewel de intelligentie van een geschoold iemand versluierd raakt door onwetendheid en hartstocht, ontwikkelt zich bij hem geen gehechtheid omdat hij, met die besmetting duidelijk voor ogen, de geest zorgvuldig weer op het goede spoor zet. (13) Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28]. (14) Het yogasysteem dat in deze zin wordt onderricht door Mijn leerlingen onder leiding van Sanaka [de Kumâra's] komt erop neer dat de geest zich van alles afkeert en zonder omwegen zich in Mij verdiept Als hij zoals het hoort [middels mantra's, zie ook 8.3: 22-24].'
(15) S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in deze yoga onderricht? Dat wil ik graag weten.'
(16) De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte namen uit de geest van hem die van het innerlijk goud is [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over het zo hoogst subtiele, allerhoogste doel van de wetenschap der yoga. (17) Sanaka en de anderen zeiden tegen hem: 'De geest is gericht op de zinsobjecten en zodoende nemen de zinsobjecten de geest in beslag. O Meester wat is voor iemand die wenst bevrijd te raken, voor iemand die graag de zinsbevrediging te boven wil komen, de aangewezen methode om zich aan die gebondenheid te ontworstelen [zie ook B.G. 2: 62-63]?'
(18) De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar slaagde er niet in, met zijn geest die verbijsterd was door de creatieve arbeid, de essentiële waarheid onder woorden te brengen [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32-37 en 10: 13]. (19) Met het verlangen het tot een een goed einde te brengen herinnerde hij zich de oorspronkelijke God [waaraan hij was ontsproten, zie 3.8], en op dat moment werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan]. (20) Toen ze naderbij komend Mij zo voor zich zagen brachten ze, met Brahmâ voorop, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze: 'Wie bent U?' (21) Aldus werd Ik er door de weetgierige wijzen toe verzocht om de uiteindelijke waarheid uiteen te zetten. Alsjeblieft Uddhava, verneem nu van Mij wat ik hen toen zei. (22) Als jullie denken dat er met de eenheid van het zelf geen substantieel verschil zou bestaan tussen jullie en Mij, hoe zouden jullie dan een dergelijke vraag kunnen stellen o geleerden, of hoe zou Ik als spreker dan gezag kunnen uitoefenen [of een toevlucht kunnen vormen]? (23) Julie vraag van 'Wie bent U' zou een loos gebaar van woorden zijn als jullie zouden doelen op de vijf elementen waaruit onze lichamen zijn samengesteld of als jullie zouden doelen op de essentie die we gemeen hebben. (24) Dat wat door de geest, de spraak, het zien alsook door de andere zinnen wordt gehanteerd ben Ik allemaal. Er is werkelijk niets dat buiten Mij bestaat; dat is wat jullie goed moeten begrijpen. (25) De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest beste mannen, maar voor het levende wezen waarvan Ik de Ziel ben, zijn zowel de geest als de zinsobjecten uiterlijke verschijningsvormen. (26) Met de geest die steeds weer opnieuw teruggrijpt op de zinsobjecten die genoten worden en met de zinsobjecten die [zo] weer het denken stimuleren moet degene die van Mijn bovenzinnelijke [Hamsa-]gedaante is afstand nemen van zowel het denken als het zinsobject [zie ook vritti en neti neti]. (27) Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie die voortvloeien uit de geaardheden der natuur. De individuele ziel staat met kenmerken verschillend van hen bekend als de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5]. (28) De materieel gemotiveerde intelligentie vormt de gebondheid die de ziel bezighoudt met de natuurlijke geaardheden, maar als men zich bevindend in Mij, in de vierde staat van bewustzijn [turîya], erin slaagt ermee te breken komt men op dat moment los van het denken en de zinsobjecten [zie 11.3: 35]. (29) De gebondenheid van de ziel die het gevolg is van het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde doel. Hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in de vierde staat, de bezorgdheid [over die egokwesties] te laten varen. (30) Zolang als een persoon zijn aandacht verdeelt over verschillende doeleinden en hij niet zijn rust kan vinden met de daartoe geëigende methoden [zoals vermeld] is hij, ook al is hij wakker, met zijn ogen open aan het dromen en niet bewust aanwezig, net als iemand die in zijn slaap wat ziet [zie ook B.G. 2: 41]. (31) De vormen van bestaan gescheiden de de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, vanwege de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener die vol is van motieven en doelstellingen net zo begoochelend zijn als wat men heeft in een droom. (32) Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uiterlijke wereld op dat moment. In zijn dromen ondergaat hij in de geest met al zijn zinnen dezelfde ervaring. Diep in slaap verliest hij zijn bewustzijn. Maar één in zijn herinnering wordt hij in zijn getuige zijn van het functioneren van de drie opeenvolgende bewustzijnsstaten heer en meester over zijn zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8]. (33) Als men in Mij verkerend de drie staten van bewustzijn overziet die voortkomen uit de natuurlijke geaardheden van Mijn begoochelend vermogen, wees dan vastbesloten over het doel Mij te aanbidden als aanwezig zijnde in het hart. Snijdt voor dat doel met het zwaard des onderscheids dat werd aangescherpt met de logica en de instructies omtrent het ware, de banden door met de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels. (34) Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, met voorstellingen die zich vandaag voordoen en morgen weer verdwenen zijn, zo flakkert als het brandende uiteinde van een bewegende fakkel. Het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnt in vele onderverdelingen die zich manifesteren als een illusie van een drievoudig onderscheiden vorm van dromen die in het leven werd geroepen door de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9: 15, 15: 16, linga en siddhânta]. (35) Als men de blik afwendt van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, stil geworden met het beëindigen van de materiële hunkering, komen tot de realisatie van het eigenlijke geluk. Dat geluk ziet men ontstaan als men vrij van materieel gemotiveerd handelen is. De keren dat men van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, vast te houden aan het beëindigen van het aardse om niet te dolen tot het leven ten einde is. (36) Net zoals iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam nu zit of staat, of hij nu naar Gods wil het leven verlaat of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa]. (37) Zolang als het lichaam er door het lot beschikt nog is en er nog karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties. Hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet langer dat gedroom cultiveren. (38) O geleerden, nu Ik u deze vertrouwlijke analyse en de yoga, de wetenschap van de bewustzijnsvereniging, heb uitgelegd, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om de aandacht te vestigen op de eigenlijke verplichtingen. (39) Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet alsook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing. (40) Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting enzovoorts, vinden, omdat ze geen affiniteit hebben met de geaardheden, hun toevlucht en dienst in Mij.
(41) Aldus werd er door Mij een einde gemaakt aan de twijfels van al de wijzen die werden aangevoerd door Sanaka en die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen. (42) Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats.'
Voetnoten:
* In het Sanskriet is de term sattva, behalve dat dat goedheid, innerlijke kracht, verstandig zijn en ware aard betekent, een ander woord voor karakter. Karakter, zedelijke ruggengraat, wordt ook omschreven als s'ila of svarûpa; 'vorm, vroomheid, moraliteit, gewoonte of gebruik' of 'de eigen vorm, je ware aard' of de constitutionele positie in de omgang met Krishna zoals Svâmî Prabhupâda dat het liefst noemde.
De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu
(1) S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, superieur als je ze combineert of is anders één van hen het belangrijkste? (2) Het werd door Jou duidelijk gemaakt o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder dat men er verlangens bij koestert alleszins het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'
(3) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die onder de invloed van de tijd verloren ging toen de eindvernietiging plaatsvond werd ten tijde van de schepping door Mij onder woorden gebracht voor Brahmâ. Ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (4) Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu. De zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu namen het op hun beurt aan van Manu [zie 8.1 & 8.13 en B.G. 4: 1-3]. (5-7) Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de Kimdeva's], de halfmensen [Kinnara's], de slangentypes [de Nâga's], de wildemannen [de Râkshasa's], en de aapachtigen [Kimpurusha's]. Uit de levende wezens die vanwege hun geneigdheden verdeeld zijn in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (8) Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld. Daarin vormen sommige filosofieën geestelijke erfopvolgingen terwijl andere van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (9) De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn begoochelend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat overeenkomstig hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (10) Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten terwijl anderen het hebben over roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid. De één staat het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking of consumptie, terwijl andere mensen pleiten voor opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (11) Met een onvermijdelijk begin en einde aan de schamele doelen die men bereikt met zijn karma is er het vooruitzicht van de ellende die daaruit resulteert. Zich bevindend in onwetendheid is men miserabel vol van jammerklachten. (12) Iemand die zijn bewustzijn op Mij gevestigd heeft, o geschoolde, en die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, kent het geluk van Mijn geestelijk lichaam. Hoe kan een dergelijk geluk nu bereikt worden door hen die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (13) Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is onder alle omstandigheden en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (14) Iemand die zijn bewustzijn op Mij, Mij en niemand anders dan Mij, heeft vastgelegd verlangt niet de positie in te nemen van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch wil hij een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch begeert hij de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of een tweede geboorte [zie b.v. 5.1: 6]. (15) Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch zelfs Mijn eigen Zelf is Mij zo dierbaar als jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (16) De wijze die vredig is zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig is jegens wie dan ook en van een gelijkgezinde blik is, volg Ik altijd op de voet zodat er zuivering is bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (17) Niet uit op zinsbevrediging en van een geest die steeds aan Mij gehecht is ervaren de grote zielen die innerlijk vrede hebben en zich inzetten voor alle individuele zielen wiens bewustzijn niet beheerst wordt door het lustmatige, Mijn geluk dat niet op een andere manier kan worden gekend dan door volledige onthechting. (18) Ook al wordt hij geplaagd door zinnelijke verlangens, dan nog is de toegewijde van Mij die niet zijn zinnen de baas werd - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die soort van invloed [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64]. (19) Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, worden op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, in de toewijding de zonden volledig verbrand, o Uddhava. (20) Het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, vrome handelingen noch vedische studie, boete noch verzaking ontwikkelen zo goed een greep op Mij als een sterk ontwikkelde toegewijde dienst. (21) Men verwerft Mijn genade door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde. Met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs zij die honden eten zuiveren van de last van hun geboorte. (22) Zeker is dat noch dharma begaan met waarachtigheid en genade, noch kennis gekoppeld aan verzaking het bewustzijn volledig zuivert als men het moet stellen zonder de toegewijde dienst aan Mij. (23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind staan, hoe kan nu zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken en kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Door degene wiens spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, door hem van wie er onbeschaamd een luidkeels zingen is en er sprake is van dansen in de verbondenheid van Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka en 11.2: 40]. (25) Zoals goud dat gesmolten in het vuur zijn onzuiverheden prijsgeeft en terugkeert naar zijn oorspronkelijke staat wordt van de geestelijke ziel de smet van het karma verdreven als men in Mijn liefdevolle dienst van aanbidding is voor Mij. (26) Zo goed als het gezichtsvermogen zich herstelt als het oog eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel die schoongewassen werd door het luisteren naar en het bezingen van de vrome verhalen over Mij, op precies dezelfde manier weer de Ene Subtiele Essentie. (27) Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2: 62-63]; evenzo raakt de geest systematisch in Mij verzonken als men Mij in gedachten houdt. (28) Daarom zijn de materiële zorgen die men heeft als de drogbeelden die men heeft in een droom; in Mij verzonken geeft men ze op. Als men geheel in Mijn liefde opgaat raakt de geest gezuiverd. (29) Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [seksuele omgang met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en zich met grote zorg te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (30) Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19: 17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44-45 & 48].'
(31) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijn van degene die bevrijd wil raken? Wil Je alsJeblieft uitweiden over de meditatie?'
(32-33) De Allerhoogste Heer zei: 'Rechtop en comfortabel zittend op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren waarop men ademt - het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd - moet men stap voor stap beoefenen terwijl men zijn zinnen in bedwang houdt [zie prânâyâma, en B.G. 4: 29]. (34) Met behulp van de levensadem [prâna] in de geest het geluid AUM oproepend, moet men dat geluid opwaarts stuwen, als de vezels in een lotusstengel, om het luid te laten vibreren [in de neus] als een bel zodat de geluiden der recitatie weer tot eenheid worden gebracht [anusvâra **]. (35) Het ademen dat aldus is verenigd met de Pranava [zie ook 9.14: 46] moet zorgvuldig tien keer herhaald worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand zijn ademen onder controle heeft [***]. (36-42) Met de ogen half gesloten en rechtop zittend moet men, waakzaam vanbinnen terwille van de hoogste bevrijding, zich concentreren op de lotus in het hart die naar boven is gericht. In de werveling van haar acht kelkbladeren stelt men vervolgens de één na de ander zich de zon, de maan en het vuur voor. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorstellen, zo bevorderlijk voor de meditatie, die zachtgeaard en vriendelijk is en is toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk is de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach alsmede de oren met stralende, haaienvormige oorhangers. Men moet mediteren op de goudkleurige kleding, de huid met de kleur van regenwolken, de krul op de borst die de schuilplaats vormt voor de godin, de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, en de rijkdom van de woudbloemenslinger. Men moet mediteren op alle prachtige en bekoorlijke delen van Mijn lichaam: de voeten met de glanzende belletjes, het rijk gloeiende Kaustubhajuweel, de stralende kroon en de polsbanden, de gordel en de armbanden, op het genadige glimlachen en op de allerfijnst besnaarde oogopslag. Dit moet men doen door de geest terug te trekken van de zinnen. Op deze manier moet men intelligent de wagenmenner [de ziel, de meester der intelligentie], sober en ernstig, [met liefde] leiden in de richting van Mijn volledigheid. (43) Als men met deze oefening al de lichaamsdelen overziet moet men vervolgens het bewustzijn terugtrekken en, zich concentrerend op één plek en nergens anders, opnieuw met liefde mediteren op de prachtige glimlach van het gezicht. (44) Aldus met het terugtrekken van de geest gevestigd geraakt in de ether, moet men ook deze concentratie weer opgeven en naar Mij opgestegen aan niets anders meer denken. (45) Zodoende volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel Mij in het zelf en al de zelven in Mij, net zoals de stralen van de zon zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9: 29]. (46) Van de yogi die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefent zal snel heel de begoochelde staat van geest van hem die zich de eigenaar, de kenner en de doener noemt, zijn oplossing vinden [vergelijk: 2.2: 8-14].'
Voetnoten: * Om dit vers niet verkeerd te interpreteren met het Sanskriet woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd door Svâmî Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed in de cultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben als ze samenleven in een tempel of in een huishouden. Dit was een van de grote wapenfeiten van hervoming naar aanleiding van een traditionele tempelroutine die negatief was over het samenleven met vrouwen.
** Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist om deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, te beoefenen om de met de moderne tijd ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare Râma, Râma Râma, hare hare en dan AUM te zeggen en de Gâyatrî als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door alle geïnitieerde toegewijden.
*** Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in het zuiden staat [zie ook cakra].
Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als een yogi zijn aandacht op Mij fixeert en zich zo verbonden heeft met het overwonnen hebben van zijn zinnen en ademen, verwerft hij de mystieke perfecties van de yoga.'
(2) Uddhava zei: 'O Jij die alle yogi's de volmaaktheid schenkt, zeg me alsJeblieft welke methode men moet volgen om zich te concentreren en hoe die mystieke perfectie precies werkt. En, Acyuta, hoeveel volmaaktheden zijn er?
(3) De Allerhoogste Heer zei: 'De meesters van de yoga spreken van achttien mystieke volmaaktheden [siddhi's] en meditaties [die tot hen leiden], waarbij acht van hen primair in Mij te vinden zijn en er zich tien [secundaire] manifesteren uit de kwaliteit [der goedheid]. (4-5) Het vermogen om, wat betreft de vorm, zich in te leven in het kleinste [animâ], in het grootste [mahimâ] of in het lichtste [laghimâ in verhouding tot garimâ, het zwaarste], het vermogen om welk materieel voorwerp dan ook te verwerven [prâpti], om zintuiglijk te genieten wat er maar te zien en te horen is [prâkâmya], om de overhand te hebben met het aanwenden van de krachten [îs'itâ of îs'itvâ], om ongehinderd door de geaardheden op magische wijze zaken onder controle te krijgen [vas'itvâ] en om aan ieder verlangen te beantwoorden dat [Zijn] genade zoekt [kâmâvasâyitâ], zijn de acht mystieke volmaaktheden, o zachtgeaarde. Weet dat dat degenen zijn die oorspronkelijk bij Mij horen. (6-7) Om in dit lichaam niet te worden geplaagd door honger en dorst en dergelijke, om dingen ver weg te zien en te horen, om met de snelheid van de geest zich te verplaatsen, om naar believen iedere willekeurige vorm aan te nemen, om de lichamen van anderen binnen te gaan, te sterven bij wilsbesluit, getuige te zijn van het spel [van de meisjes van de hemel] met de goden, om naar eigen besluit van volmaakt succes te zijn, en om zijn wilsuiting ongehinderd nageleefd te krijgen [zijn de tien secundaire siddhi's]. (8-9) Kennis te hebben van het verleden, het heden en de toekomst, om vrij te zijn van de dualiteiten, weet te hebben van wat anderen denken, om de werking van het vuur, de zon, het water, vergif enzovoorts te stoppen en niet door anderen overweldigd te zijn, zijn de perfecties die worden beschreven als zijnde het resultaat van het zich concentreren in de yoga. Verneem alsjeblieft nu van Mij met behulp van welke meditatiemethoden zich welke volmaaktheden voordoen.
(10) Degene die Mij aanbidt, Ik die alle fijnstoffelijke vormen van bestaan beziel, verwerft de animâ-perfectie [om het kleinste binnen te gaan] door zich te concentreren op de werkelijkheid der elementen. (11) Men verwerft de mahimâ-perfectie [om het grootste binnen te gaan] door de aandacht te vestigen op het totaal van de materie dat door Mij tot leven is gewekt alsook op de omstandigheid van ieder van de materiële elementen afzonderlijk [van het grote van de ether te zijn, het vuur, het water, de lucht en de aarde]. (12) De yogi kan laghimâ [lichtheid] verwerven door zijn bewustzijn tot rust te brengen in Mij als zijnde de fijnstoffelijke substantie van de [natuurlijke verdeling van de] tijd [als de basis of oersubstantie] voor de materiële elementen die er zijn in de vorm van atomen [zie ook cakra]. (13) Hij die met zijn geest op Mij gefixeerd zijn denken geheel concentreert binnen het emotionele van het Ik-principe, verkrijgt de siddhi van de prâpti [het mystiek verwerven] waarmee hij zich de eigenaar kan noemen van de zinnen van alle levende wezens. (14) Om van Mij, wiens verschijning zintuiglijke waarneming teboven gaat, de buitengewoon bijzondere siddhi der prâkâmya te verkrijgen [om van wat dan ook wanneer dan ook te genieten] moet men zijn geestelijke activiteit verankeren in Mij als zijnde de Superziel die de draad vormt die door het grote van de materie heenloopt [zie ook sûtra]. (15) Als men zijn bewustzijn in Vishnu plaatst, de Oorspronkelijke Beheerser van de Drie [guna's, zie ook B.G. 7: 13] in de vorm van de Tijd, zal men de siddhi van îs'itvâ [de oppermacht] verwerven waarmee men het geconditioneerde lichaam [het veld] en zijn kenner kan beheersen [*]. (16) De yogi die zijn geest plaatst in Mij, Nârâyana als gekenschetst door het woord Fortuinlijk [bhagavat] en bekendstaand als het vierde [vlak voorbij de andere drie **], vermag, begiftigd met Mijn natuur, het mystieke vermogen te verwerven van vas'itva [te onderwerpen met magie]. (17) Met de geest die in Mij zuiver is zich concentrerend op het onpersoonlijke [brahman] dat vrij is van materiële kwaliteiten [bovenzinnelijk], verwerft men het opperste geluk waarin het verlangen zijn volledige bevrediging vindt [kâmâvasâyitâ].
(18) Zich op Mij concentrerend, de Heer van S'vetadvîpa, de personificatie van de goedheid, de optelsom van alle dharma, verkrijgt een persoon de vrijheid van de zes golven [anûrmi-mattvam, zie ook shath-ûrmi]. (19) Gevestigd in Mij, de verpersoonlijking van de ether, zich concentrerend op het bovenzinnelijk geluid dat aanwezig is in de prâna [zie 11.14: 35], neemt men de Zwaan waar [Heer Hamsa of de heilige persoon, zie 11.13: 19] en hoort men de woorden die worden uitgesproken door alle levende wezens [dûra-s'ravana, zie ook divyam s'rotam]. (20) Met het samenvoegen van zijn ogen met de zon en de zon met zijn ogen [dat bovenzinnelijk doend en niet fysiek erin starend] kan men, met zijn geest in meditatie, alles zien wat ver weg is [dûra-dars'ana, zie ook 2.1: 30]. (21) Met het volledig verzinken van de geest in Mij kan men met de wind [de adem, de subtiele lucht], die de geest volgt zodat het lichaam op Mij gericht is, door de kracht van die meditatie het [fysieke] zelf zich zien bewegen in de richting waar de geest zich beweegt [manojava]. (22) Als men zijn toevlucht neemt tot de macht van Mijn Yoga [waarmee Ik verschillende gedaanten aanneem], is men in staat, onverschillig de vorm die men wenst aan te nemen, de vorm die men in gedachten had laten verschijnen [kâmarûpa]. (23) Als men het als een siddha verlangt het lichaam van een ander binnen te gaan moet men, met het loslaten van het eigen lichaam, zichzelf in dat lichaam projecteren, door er, net als de wind, in binnen te gaan via de vitale adem, zoals een bij die van bloem verwisselt [para-kâya-praves'anam]. (24) Met de hiel de anus blokkerend en de vitale adem van het hart omhoog brengend naar de borst en dan van de keel naar het hoofd gaand, moet men, zich bevindend op de top van de schedel [de brahma-randhrena], [om te kunnen sterven] het materiële lichaam opgeven en zichzelf sturen in de richting van de geestelijke wereld [svacchandu-mrityu, zie ook 2.2: 19-21]. (25) Als men de hemelen der goddelijken wenst te genieten moet men, zich in Mij bevindend, mediteren op de geaardheid goedheid zodat men de in goedheid verkerende vrouwen van de halfgoden eraan ziet komen per vimâna [devânâm saha-krîdânudars'anam]. (26) Als iemand volledig van Mij overtuigd is en weet dat hij in Mij zijn vervulling zal vinden, Ik die er ben terwille van het ware, zal hij als gevolg daarvan krijgen waar hij op uit was [yathâ-sankalpa-samsiddhi]. (27) Degene die tot de realisatie kwam van Mijn aard, oppermacht en heerschappij, is iemand die geen strobreed in de weg kan worden gelegd daar zijn wilsbesluit en gezag zo goed is als het Mijne [âjñâpratihatâ gatih, zie ook B.G. 9: 31].
(28) Een yogi die zuiver van karakter middels zijn toewijding voor Mij zich weet te concentreren [dharâna], krijgt inzicht in de drie fasen van de tijd [verleden, heden en toekomst], met inbegrip van de kennis omtrent geboorte en dood [zie tri-kâlika]. (29) Van een wijze onderlegd in de yoga wiens bewustzijn tot vrede is gebracht middels Mijn yoga kan het lichaam geen schade oplopen als gevolg van vuur en dergelijke elementen, net zoals waterdieren geen schade ondervinden van het water waarin ze leven [zie ook 7.5: 33-50]. (30) Hij [mijn toegewijde] wordt onoverwinnelijk als hij mediteert op Mijn expansies die zijn opgesierd met de S'rîvatsa en de wapens, de vlaggen, ceremoniële parasols en verschillende waaiers [zie ook B.G. 11: 32].
(31) De man van wijsheid die Mij aldus aanbidt middels het proces van het zich concentreren in de yoga zal de mystieke volmaaktheden bereiken zoals beschreven, in ieder opzicht [naar gelang de aard van zijn praktijk]. (32) Welke perfectie zou er nou moeilijk te verwerven zijn voor een wijze die in Mij, met het doen van zijn meditaties, de zaak in z'n greep kreeg nadat hij de zintuigen, zijn ademen en zijn geest de baas werd? (33) Men zegt wel dat ze [de siddhi's], voor degene die de hoogste vorm van yoga beoefent waarmee men alle volmaaktheid in het leven rechtstreeks van Mij verkrijgt, belemmeringen vormen waarmee men zijn tijd verspilt. (34) De vele volmaaktheden die men in deze wereld heeft van geboorte, van kruiden, verzakingen en door mantra's worden allen verkregen door de yoga; met geen enkele andere methode kan men de eigenlijke perfectie van de yoga bereiken [***]. (35) Van alle perfecties ben Ik inderdaad de oorzaak en de beschermer. Ik ben de Heer van de Yoga [de uiteindelijke vereniging], de Heer van de analyse, het dharma en de gemeenschap van vedische leraren. (36) Op dezelfde manier als de materiële elementen binnenin en buiten de levende wezens bestaan besta Ik Zelve, de Ziel, die zich niet [door iets groters] laat overdekken, binnen en buiten al de belichaamde wezens [zie ook B.G. 2: 29-30].'
Voetnoten:
*: Vers 15 heeft betrekking op het realiseren van de spirituele volmaaktheid door te mediteren op het persoonlijke, transcendentale aspect van de tijd van Vishnu als de essentiële samenhangende substantie, in tegenstelling tot het mediteren van de tijd zoals vermeld in vers 12, dat meer betrekking heeft op het onpersoonlijk aspect van de natuurlijke orde eigen aan de elementen, van de cakra, welke het wapen van Vishnu is.
**: Behalve de drie guna's in relatie tot Heer Nârâyana, is er ook sprake van de drie vlakken van bestaan van het fysieke grove van het grote van het universum bestaande uit de vijf elementen; het astrale, subtiele, van de tien werkende en waarnemende zintuigen en hun voorwerpen, de geest en de intelligentie, en het causale vlak van het bewustzijn en de kenner; ofwel kort gezegd: de wereld, het zinnelijk lijf en de individuele kenner waarbij er dan de Oorspronkelijke Persoon van God is als de vierde [zie ook B.G. 13: 19].
***: De eigenlijke perfectie van de yoga wordt, indachtig vers 35 erop volgend, Krishna-bewustzijn genoemd door de Vaishnava's die het Bhâgavatam in het Westen verdedigen.
De Volheden van de Heer
(1) S'rî Uddhava zei: 'Jij bent de grootste, het Allerhoogste Zelve. Aan Jouw zijn geen grenzen gesteld, Je bent zonder een begin en een eind. Je bent de ware beschermer en de handhaving, vernietiging en schepping van alles wat bestaat. (2) O, Allerhoogste Heer, terwijl Je voor de goddelozen moeilijk te begrijpen bent, aanbidden de brahmanen Jou in Je werkelijkheid van aanwezig zijn in zowel de hogere als de lagere levensvormen van de schepping. (3) AlsJeblieft vertel me over de verschillende gedaanten [van Jou, zie catur vyûha] met behulp waarvan de grote wijzen die Je met toewijding aanbidden die volmaaktheid [die de allerhoogste is] bereiken. (4) O handhaver van Alle Wezens, aan het oog onttrokken ben Je bezig als de Eigenlijke Ziel van de levende wezens. Jij slaat hen gade terwijl zij, door Jou(w uiterlijkheid) begoocheld, Jou niet kunnen zien. (5) En, alsJeblieft, leg me uit o grootste Macht, wat al Je potentieel is door Jou gemanifesteerd in alle richtingen op aarde, in de hemel en in de hel; mijn eerbetuigingen aan Jouw lotusvoeten, die het verblijf vormen van alle heilige plaatsen.'
(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze vraag, o beste van alle vragenstellers, werd door Arjuna ten tijde van de vernietiging gesteld toen hij met zijn rivalen de strijd wilde aanbinden [te Kurukshetra, zie B.G. 2: 54, 13: 1-2, 14: 21, 18: 1]. (7) Zich bewust van het feit dat het doden van zijn verwanten een goddeloze, abominabele daad was met de heerschappij voor ogen, zag hij er van af en zei hij met een wereldse geest: 'Dan ben ik degene die afslacht en zijn zij degenen die worden afgeslacht' [B.G. 1: 37-45, vergelijk 2: 19]. (8) Hij, die net als jij een tijger is onder de mensen, stelde Mij voorafgaande aan de veldslag vragen en werd toen door Mij met logische argumenten voorgelicht inzake de materie.
(9) Ik ben van al deze levensvormen hun Ziel, o Uddhava, hun Begunstiger en Beheerser, Ik ben de handhaving, schepping en vernietiging van al de levende wezens. (10) Ik ben het doel van hen die naar vooruitgang streven, de Tijd van hen die controle uitoefenen, van de geaardheden der natuur ben Ik het evenwicht en de natuurlijke deugd der godvruchtigen ben Ik ook. (11) Van alles wat kwaliteit heeft ben Ik de leidraad, van alles wat groot is ben Ik de totaliteit, van het subtiele ben Ik de geestelijke ziel en onder de zaken die moeilijk te overwinnen zijn ben Ik de geest. (12) Ik ben Hiranyagarbha [Brahmâ de oorspronkelijke leraar] van de Veda's, van de mantra's ben Ik de drie-letterige Omkâra, van de letters ben Ik de eerste [de 'a'], en van de heilige versvoeten ben Ik de drievoetige [de Gâyatrî-mantra]. (13) Van al de goden ben Ik Indra, onder de Vasu's ben Ik Agni, onder de zoons van Aditi ben Ik Vishnu [Vâmana] en onder de Rudra's ben Ik de Rood-Blauwe [S'iva, zie ook 3.12: 7]. (14) Bhrigu ben Ik onder de brahmaanse wijzen, van de brahmaanse koningen ben Ik Manu, van de brahmaanse halfgoden ben Ik Nârada en onder de koeien ben Ik Kâmadhenu [de koe van overvloed]. (15) Van de volmaakten van beheersing ben Ik Kapila, Garuda ben Ik onder de vogels, Daksha onder de stamvaders, en Aryamâ onder de voorvaderen. (16) O Uddhava ken Mij onder de zoons van Diti als Prahlâda, de beheerser der onverlichten, ken Mij als de [orde van de] maan voor de sterren en de kruiden, en als Kuvera, de heer der rijkdom onder de Yaksha's en Râkshasa's. (17) Airâvata ben Ik onder de statige olifanten, Varuna, de meester ben Ik onder de wezens van het water, van de dingen die verhitten en licht geven ben Ik de zon, en onder de menselijke wezens ben Ik de heerser over het rijk. (18) Uccaihs'ravâ ben Ik onder de paarden, onder de metalen ben Ik het goud, Yamarâja ben Ik onder de regelaars en ook ben Ik Vâsuki onder de serpenten. (19) Anantadeva ben Ik onder de gekraagde slangen, van alle beesten met tanden en hoorns ben Ik de leeuw, van de geestelijke orden [de statusgroepen, de âs'rama's] ben Ik de vierde [de sannyâsî's] en onder de roepingen [varna's] ben Ik de eerste [de brahmanen] o zondeloze. (20) Onder de heilige plaatsen en dat wat stroomt ben Ik de Ganges, de oceaan ben Ik onder de watervlakten, de boog onder de wapens en de vernietiger van Tripura [S'iva] onder hen die de boog hanteren. (21) Meru ben Ik onder de bergen, onder de onbegaanbare plaatsen ben Ik de Himalaya's, van de bomen de as'vattha, en onder de planten ben Ik de planten die graankorrels hebben [gerst]. (22) Onder de priesters ben Ik Vasishthha, onder hen die zweren bij de Veda ben Ik Brihaspati, Kârttikeya [Skanda] ben Ik onder de legeraanvoerders en onder hen die van geestelijke vooruitgang zijn ben Ik de hoogste heer die ongeboren is [Brahmâ, de Schepper]. (23) Van de offers ben Ik de studie van de Veda, van de geloften ben Ik de gelofte der geweldloosheid [vegetarisme], en van alle zuiveraars ben Ik het zuivere vuur, de wind, de zon, het zuivere water en de spraak in eigen persoon. (24) Van het yogaproces ben Ik het eindstadium van de samâdhi, omzichtig advies ben Ik onder hen die de overwinning verlangen, van alle onderscheidingsvermogen ben Ik de metafysische logica [of de spirituele wetenschap van het onderscheiden van geest en stof], en onder de speculatieve filosofen ben Ik de keuze. (25) Onder de dames ben Ik S'atarûpâ [de vrouw van Manu, zie 3.12: 54] en onder de mannen ben Ik Svâyambhuva Manu, de wijze Nârâyana [zie 10.87: 4] ben Ik onder de wijzen alsook Sanat-kumâra onder de celibatairen. (26) Van de religieuze beginselen ben Ik de verzaking, van alle zaken die fundamenteel zijn ben Ik het innerlijk besef, van de geheimhouding ben Ik de vriendelijkheid en de stilte, en van het seksuele paar ben Ik de ongeborene [de stamvader, de Prajâpati die Brahmâ is]. (27) Van wat steeds waakzaam is ben Ik het zonnejaar, van de seizoenen ben Ik het voorjaar, van de maanden ben Ik Mârgas'îrsha [November-December], en van de huizen van de maan [de zevenentwintig nakshatra's] ben Ik Abhijit. (28) Van de yuga's ben Ik Satya-yuga, onder de nuchteren ben Ik Devala en Asita, van de bewerkers van de Veda ben Ik Dvaipâyana [Vyâsadeva], en onder de geleerden geschoold in de spiritualiteit ben Ik S'ukrâcârya. (29) Van hen die aanspraak kunnen maken op de naam Bhagavân [de Allerhoogste Heer] ben Ik Vâsudeva, onder Mijn toegewijden ben Ik jou inderdaad [Uddhava], onder de aapachtigen ben Ik Hanumân, en onder de wetenschappers ben Ik Sudars'ana. (30) Van de juwelen ben Ik de robijn, van alles wat mooi is ben Ik de lotuskelk, van alle grassoorten ben Ik het kus'agras en van de rituele uitgietingen ben Ik de ghee van de koe. (31) Van het ondernemen ben Ik het fortuin, van de bedriegers ben Ik het gokken, de vergevingsgezindheid ben Ik onder de toleranten en het karakter ben Ik van hen die van de geaardheid goedheid zijn. (32) De geestelijke en lichamelijke kracht ben Ik van de sterken. Alsjeblieft, weet dat Ik onder de toegewijden de verrichte [toegewijde] arbeid ben en dat onder Mijn negen gedaanten [de nava mûrti], waarmee deze Sâtvata's Mij aanbidden, Ik de Opperste Oorspronkelijke Gedaante ben [Vâsudeva]. (33) Onder de zangers van de hemel ben Ik Vis'vâvasu en onder de hemelse dansmeisjes ben Ik Pûrvacitti. Ik ben de onverzettelijkheid van de bergen en het aroma waargenomen van de aarde. (34) Ik ben de fijne smaak van water en van de zaken die het meest schitterend zijn ben Ik de Zon. Ik ben het schijnsel van de maan, de sterren en de zon, en Ik ben de bovenzinnelijke geluidsvibratie in de hemel [zie ook 11.15: 19]. (35) Onder hen die van de brahmaanse cultuur zijn ben Ik Bali, van de helden ben Ik Arjuna en inderdaad ben Ik het zich opwerpen, het zich handhaven en het uiteindelijke opgaan van alle levende wezens. (36) Van de macht der zinnen ben Ik het lopen, de spraak, de uitscheiding, het hanteren en de seksuele vreugde [de karmendriya's] alsmede de aanraking, het zicht, de tast, het gehoor en de reuk [de jñânendriya's].
(37) Dit alles wat Ik opsomde - de subtiele vorm van de aarde [de reuk], van de lucht [de tast], van de ether [het geluid], van het water [de smaak], van het vuur [het licht]; het geheel van de materie, de zestien elementen [die vijf basiselementen, de indriya's en de geest], de persoon, het ongemanifesteerde en de geaardheden rajas, tamas en sattva - staat met inbegrip van de geestelijke kennis en de vaste overtuiging [ermee] voor Mijn persoon, Ik die de Allerhoogste ben. (38) Ik ben de Opperste Beheerser van het levende wezen, de guna's en de grotere werkelijkheid. Ik, de Ziel van allen, ben waarlijk alles, Hij buiten wie er hoe dan ook niets bestaat. (39) Het kan Me lukken in een zekere tijd de atomen te tellen maar dat lukt Me niet met de volheden van Mij, Ik die de universa schep met miljoenen tegelijk [vergelijk 10.14: 7]. (40) Welke macht, schoonheid, roem, heerschappij [zie 11.15], bescheidenheid, verzaking, plezier, fortuin, kracht, tolerantie of wijsheid het ook betreft, het vormt allemaal een integraal onderdeel van Mij. (41) Al deze geestelijke volheden die Ik kort voor je opsomde [zie ook B.G. 7, 9 en 10] zijn, met ieder van hen vervat zijnde in toepasselijke termen [in de geschriften, in de leringen], er dienovereenkomstig ook als transformaties van de geest. (42) Beheers [om die reden] de geest, beheers de spraak, beheers je ademen en zinnen. Beheers jezelf met je ziel zodat je nimmer weer zult struikelen op het pad van het materieel bestaan. (43) Zeker is iemand die met behulp van zijn intelligentie niet geheel zijn spraak en geest beheerst, een transcendentalist wiens geloften, boetedoening en liefdadigheid wegsijpelen als water uit een ongebakken pot. (44) Daarom moet degene die in zijn toewijding voor Mij zich heeft ingepast in Mijn bhakti zijn woorden, levensadem en geest beheersen en aldus, met die intelligentie, aan zijn levensdoel beantwoorden.'
Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders
(1-2) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen die de bhakti voorschrijft en die worden gerespecteerd door alle varnâs'rama volgelingen en zelfs door hen die dat systeem niet volgen. Je zou me dit proces moeten uitleggen waarin de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult met Jouw genade tot liefdevolle toegewijde dienst kan komen. (3-4) De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarover Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen, zoals ze vandaag de dag door Jou zijn onderwezen, nadat ze zolang gegolden hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet langer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en Kali-yuga]. (5-6) Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar Je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jezelf [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is verlaten, o Madhusûdana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o Heer, zal dan spreken over de kennis die verloren ging? (7) Beschrijf daarom zolang Je nog onder ons verkeert alsJeblieft voor mij o Meester, o Kenner van Alle Dharma, wie ervoor in aanmerking komt om de oorspronkelijke plichten, die kenmerkend zijn voor Jouw bhakti, uit te voeren en op welke manier dat moet geschieden.'
(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, die blij was met dat verzoek van de beste van Zijn toegewijden, sprak toen terwille van het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de gewone man de oorzaak van het hoogste welbevinden. Alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hoe ze [de plichten] worden nageleefd door hen die respect hebben voor het varnâs'rama-systeem. (10) In het begin was er het tijdperk van Krita waarin de menselijke wezens tot één klasse behoorden die hamsa wordt genoemd. De burgers van die tijd zijn van hun geboorte af aan goed op de hoogte van de uit te voeren plichten - om die reden kennen de geschoolden dat tijdperk als Krita-yuga, het tijdperk van de plichtsbetrachting. (11) Om te beginnen wordt aan de [onverdeelde] Veda uitdrukking gegeven met de Pranava, waarbij men Mij kent als plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1.17: 24]. Daarmee aanbidden zij die verankerd in de verzaking vrij zijn van zonden Mij als Heer Hamsa. (12) Aan het begin van Tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, ontstond vanuit de prânâ in Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's Rig, Sâma en Yajur] waarmee Ik verscheen in de drie vormen van offeren [vandaar de naam Tretâ, zie ritvik]. (13) Uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid kwamen de geschoolden, de krijgers, de kooplieden en de arbeiders voort [de varna's] waarvan de individuele handelingen te herkennen zijn als [respectievelijk] die van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (14) De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst houden zich degenen op die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde houdt zich op in Mijn hoofd [zie âs'rama's]. (15) Afhankelijk van de superieure danwel inferieure positie die men overeenkomstig zijn geboorte inneemt in Mijn lichaam ontwikkelde de hogere en lagere menselijke aard zich van de mensen behorende tot de verschillende maatschappelijke klassen [varna's] en statusvormen [âs'rama's]. (16) Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding voor Mij, mededogen en waarachtigheid zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (17) IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, aandacht hebben voor het brahmaanse en leiderschap vormen de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (18) Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, liefde voor het brahmaanse en altijd druk in de weer met het vergaren van geld zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (19) Betrouwbaar te zijn in het dienen van de brahmanen, de koeien en de godvrezenden en volmaakt tevreden zijn met wat ermee verdiend wordt vormen de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (20) Onrein, achterbaks, diefachtig, ongelovig, ruziezoekerig, wellustig, licht ontvlambaar zijn en steeds maar smachten naar vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (21) Het is de plicht van alle leden van de samenleving om geweldloos, waarheidlievend en eerlijk te zijn, vrij te zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk na te streven van alle levende wezens.
(22) Als hij zoals het hoort [middels samskâra's] een nieuw leven begint met het zich kwijten van zijn taken [de zonden overwint, het karma afwerpt, en daar traditioneel aan gepaard met initiatie in de Gâyatrî de heilige draad ontvangt], behoort een tweemaal geborene verblijvend in de leefgemeenschap van de goeroe, met zijn zinnen in bedwang het voorschrift na te leven dat men de heilige boeken moet bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (23) Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (24) Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer hanteren en het zich ontdoen van ontlasting en urine doet hij in stilte [Vaishnava's mompelen met hun japa]. Hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, ook niet het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'ikhâ]. (25) Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zichzelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (26) Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtends en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (27) In de leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men Mij herkennen. De âcârya moet men nooit en te nimmer afgunstig het respect misgunnen met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de vuistregel en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10.81: 39, 10.45: 32 en 11.15: 27]. (28) 's Avonds en 's morgens moet men hem het voedsel brengen dat werd ingezameld en het overhandigen tezamen met andere artikelen. Daarbij behoort men met ingetogenheid blij te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (29) Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen repect te tonen voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (30) Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er zonder te breken met de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook Kumâra's]. (31) Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het Ware Zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met het in acht nemen van de grote gelofte [zie yama]. (32) Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (33) Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen - of met op seks beluste levende wezens - blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen eigen huishouding op nahoudt [die niet getrouwd is: de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (34-35) Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer hanteren, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken - dit alles vormt de vrijwillige boete die met Mij, Ik die zich ophoudt in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen [alle âs'rama's] o Uddhava. (36) Een brahmaan die zich aldus houdt aan de grote gelofte wordt helder als vuur een onberispelijke toegewijde van Mij waarvan het karma verbrandde door de intensiteit van de boete. (37) Na aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd te hebben behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met zijn toestemming.
(38) Hij moet een gezin stichten of anders leven in het woud [een kluizenaar worden] of, behorende tot de besten der tweemaal geborenen [de brahmanen], een [bedel-]monnik worden. Iemand die zich niet aan Mij heeft overgegeven kan niets anders doen dan zich systematisch van de ene geestelijke afdeling ontwikkelen tot de volgende. (39) Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kwaliteiten die jonger is. Met de eerste echtgenote van eenzelfde levensroeping mag er een andere volgen [die van een lagere klasse of kaste is]. (40) Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid vormt de praktijk van alle tweemaal geborenen, maar alleen de brahmanen houden zich bezig met het aanvaarden van liefdadigheid, vedisch onderricht en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (41) Als een intellectueel [de brahmaan] het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor zijn boetvaardigheid, geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee niet kan verenigen met zijn spiritualiteit, leven van het vergaren van korenaren die werden achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (42) Zeker is dat een een brahmaan een lichaam heeft om de last te dragen van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld zodat hij een onbegrensd geluk in het hiernamaals vindt en niet voor doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (43) Geheel tevreden met het zich bezighouden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, degene die zijn geest op Mij vestigde - en aldus niet zo erg gehecht is - de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (44) Zij die zowel de geschoolden verheffen als zij die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, net als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (45) Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (46) Een menselijke vorst geniet, met het op aarde verdrijven van alle zonden, aldus de hemel, samen met Indra zich in een hemels voertuig verplaatsend zo schitterend als de zon. (47) Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]. In geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen]. (48) Een koning mag in geval van nood zichzelf in leven houden door tewerk te gaan als een koopman, of door te jagen of door naar voren te treden als een man van kennis. De weg van een hond kan hij echter nooit volgen. (49) Een vais'ya kan het werk doen van een s'ûdra en een s'ûdra kan het werk verrichten van een handwerksman en manden en matten vervaardigen om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar als dat voorbij is moet men niet een kostwinning beneden zijn stand willen [zie ook 7.11: 17]. (50) Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke vergezeld van [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (51) Er met hen die van je afhankelijk zijn niet over in verlegenheid verkerend of men nu zijn geld verkrijgt zonder zich in te spannen of door zich eerlijk in te spannen, behoort men van gepast respect te zijn met behulp van vedische rituelen. (52) Voor familieleden moet men geen gehechtheid koesteren, noch moet men zich gaan opwinden [met het idee de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat dat wat in het verschiet ligt net zo tijdelijk is als dat wat zich heeft afgespeeld. (53) Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; net als met een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer verdwenen als men van lichaam verwisselt [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (54) Daarvan overtuigd zal een bevrijde ziel die zich niet met het lichaam identificeert en onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, niet verstrikt raken in huiselijke aangelegenheden. (55) Als men met de activiteiten van een gezinsleven Mij aanbidt, mag men als toegewijde thuis blijven of het woud ingaan, of ook, als nazaten de verantwoordelijkheid over kunnen nemen, de wereldverzakende orde oppakken. (56) Hij die gebrand is op vrouwen echter en wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in zijn gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (57) 'Och mijn arme oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen en mijn kleine, weerloze kindjes! Hoe moeten zij nu leven als ze ellendig het zwaar te verduren hebben als ik er niet ben?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (58) Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, het hart van zo iemand in beslag zijn genomen en zal hij ontevreden over hen piekerend met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'
Voetnoten:
* De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta, hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent alsook verwijderd en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20 van dit hoofdstuk en 1.17: 24], is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijk leraar [zie ook pp. 11.17: 23].
** Dit proces van 'in orde brengen' wordt de samâvartana-samskâra genoemd die de voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na met de goeroe te hebben geleefd.
Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men in de derde levensfase zich in het woud wil terugtrekken moet men tewerk gaan in vrede. Terwille van die vrede moet men de echtgenote met zich meenemen of anders haar aan de zoons toevertrouwen. (2) Men moet zorgen voor een zuiver [*] levensonderhoud op basis van de knollen, wortels en vruchten van het woud, en zich kleden in boombast, gras, bladeren of dierenvellen. (3) Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar, de nagels en het lichaam zelf vuil en de tanden niet gereinigd [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich te baden en ['s nachts] op de grond te slapen. (4) Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer [de offervuren in vier richtingen en de zon daarboven], de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou van het in de winter je tot aan je nek onderdompelen in water verdragend, behoort men, bezig zijnd zoals hiervoor vermeld, de boetedoening uit te voeren [zie ook 4.23: 6]. (5) Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden. (6) Met een praktische instelling naar gelang de plaats, de tijd en waar hij toe in staat is, moet hij persoonlijk dat verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19]. (7) Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren. (8) Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de door de vedische experts voorgeschreven geloften voor de wijze met betrekking tot de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya]. (9) Als hij er die praktijk op nahoudt zal de wijze, vanwege de boete, zo vermagerd zijn dat men zijn aderen kan zien. Aldus van aanbidding voor Mij, het Doel van Alle Boete, bereikt hij Mij in de wereld der zieners [zie ook maharloka]. (10) Bestaat er dan een grotere dwaas dan iemand die voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke en tot de bevrijding leidende boete is, maar die beoefent met het doel van oppervlakkige zinsbevrediging [zie ook vântâs'î]? (11) Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23]. (12) Als alles wat werd verworven door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, voor hem niets anders is dan de hel en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt aangeland het offervuur opgeven en zich aansluiten bij de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].
(13) Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het positioneren van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*]. (14) Aan de geschoolde die uit respect voor de waarheid sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbijgaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6: 25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7]. (15) Zo de wijze het al wenst kleding te dragen, bedekt hij zich met een lendendoek [of kaupîna]. Niet meer meedragend dan het hoogst noodzakelijke van een staf en een waterpot geeft hij al het overige op. (16) Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen hem zeggen dat het velig is [om niet te trappen op levende wezens], hij behoort water te drinken dat hij filtreerde met zijn kleed, hij behoort zich te bedienen van waarachtige en zuivere woorden en hij moet dat doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver. (17) Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling vormen de strikte discipline voor de stem, het lichaam en de geest. Van hem bij wie er geen sprake is van dezen, Mijn beste, kan men ondanks zijn bamboestokken niet zeggen dat hij een echte sannyâsî is [zie ook tridanda]. (18) Als hij uit gaat bedelen bij de vier varna's moet hij de onreine huishoudens [de zondige, vervuilde] uit de weg gaan als hij willekeurig zeven verschillende huizen benadert waar hij genoegen moet nemen met wat hem wordt toebedeeld [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8]. (19) Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, erdoor schoon gewassen, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat ervan overbleef schoonmaken en in zijn geheel verorberen. (20) Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met zijn zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in zijn realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan]. (21) Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en met zijn bewustzijn gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze zich te concentreren op enkel de ziel als zijnde niet-verschillend van Mij. (22) Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen die zich laten leiden door zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding. (23) Met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle dankzij het bewustzijn dat hij van Mij heeft, moet de wijze, met het ervaren hebben van het grotere geluk in de ziel, derhalve leven in onthechting van de zinledigheid van de lust. (24) Hij behoort te reizen naar de zuivere toevluchtsoorden op aarde met rivieren, bergen en wouden. De steden, dorpen en weidegronden moet hij enkel betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven terwille van het lichaam. (25) De levensorde die zich ophoudt in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, omdat door het voedsel dat wordt verkregen door verzamelen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden. (26) Men moet nimmer het vergankelijke dat men waarneemt in de directe ervaring aanzien voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van alle materieel gemotiveerde handelingen in deze wereld en in de volgende. (27) Met moet met de aandacht naar binnen gericht zich afkeren van het universum dat in het Zelf geheel is verknoopt met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra]. Men moet niet aan die begoochelende materiële energie blijven denken. (28) Of het nu iemand betreft die zich heeft overgegeven aan de kennis der zelfverwerkelijking en onthecht is van uiterlijke verschijningsvormen, of dat het nu gaat om iemand die als Mijn toegewijde niet [meer] naar de bevrijding verlangt [als een paramahamsa], in beide gevallen geeft men het op met wat er aan rituelen en kentekenen staat voorgeschreven voor de levensfase [de âs'rama]; zo iemand wordt verondersteld de regels en voorschriften te zijn ontgroeid [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*]. (29) Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige terughoudendheid ['ronddolen als een koe']. (30) Hij moet zich nimmer strikt houden aan wat volgens de Veda's zou moeten [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig enkel maar praten terwille van het argument. (31) Iemand die de heiligheid vond moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren voor het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15]. (32) De Allerhoogste is de Ziel die zich bevindt in zowel alle levende wezens als in het eigen lichaam. Net zoals de maan in verschillende waterbekkens wordt weerspiegelt zijn ook de materiële lichamen individuele vonken [of reflecties] van de Ene [zie ook B.G. 6: 29 & 13: 34]. (33) Hecht verankerd in de eigen overtuiging moet men [de sannyâsî] er niet over in zitten als er soms geen [of niet het juiste] voedsel voorhanden is, en ook moet men niet staan te juichen als er genoeg van is; beide zaken zijn bij God geregeld. (34) Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden. Met die kracht immers bezint men zich op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, tot bevrijding leidt [zie B.G. 6: 16]. (35) Al het voedsel, alle kleding en al het beddegoed dat hij op zijn weg vindt moet de wijze accepteren, of het nu van een goede of een slechte kwaliteit is [zie ook 7.13]. (36) Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moeten door degene die tot spiritueel inzicht is gekomen zonder enige dwangmatigheid worden uitgevoerd, precies zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit. (37) Aan het idee dat men een afgezonderd bestaan zou leiden komt een einde als men zich Mij realiseert. In een enkel geval houdt zo'n idee stand totdat het lichaam het begeeft, maar dan zal daarna zich met Mij alles ten goede keren. (38) Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die Mij nog niet serieus in overweging heeft genomen, met de weerzin die zich opwierp in het verlangen naar de spirituele volmaaktheid, het als zijn plicht zien een wijze [bonafide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4: 34 & 17: 14]. (39) De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar die Mij belichaamt dienen, totdat hij een duidelijk inzicht heeft verkregen in het spirituele [zie ook 11.17: 27]. (40-41) Hij dan die niet de zes ondeugden de baas is [de anartha's], hij die zich als de wagenmenner van het lichaam laat leiden door de zinnen, hij die niet onthecht verstoken is van de kennis, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en hij die Mij, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf ontkent, is, omdat hij niet heeft afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bederft, zowel in deze wereld als in de volgende het spoor bijster.
(42) Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn, boete en onderscheidingsvermogen kenmerkt degene die in het woud leeft, de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya. (43) Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens zoals men dat kan zien bij allen die Mij aanbidden, vormt ook de weg van de huishouder die zijn vrouw benadert als de tijd er rijp voor is [zie ook B.G. 7: 11]. (44) Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt en niets en niemand anders toegewijd is, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en komt tot een vastberaden toegewijde dienst tot Mij. (45) Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt. (46) Als hij zo overeenkomstig zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd heeft, en begiftigd met kennis en wijsheid geheel doordrongen is van Mijn verheven positie, zal hij Mij zeer spoedig bereiken. (47) Allen die het varnâs'rama-systeem volgen kenmerken zich door een traditionele gedragscode die het dharma verzekert. Dit plichtsbesef gecombineerd met Mijn bhakti geeft de hoogste volmaaktheid des levens. (48) O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men zich als toegewijde volmaakt kan inzetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.'
Voetnoot:
* S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkur citerend uit de Manu-samhitâ wijst erop dat het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze niet dranken gebaseerd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, ook niet onder het voorwendsel van medicinaal gebruik.
** Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet, ongeacht het levensstadium waarin hij zich bevindt'.
De Perfectie van de Spirituele Kennis
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Iemand die, toegerust met de kennis overeenkomstig de orale traditie, zelfgerealiseerd is en zich niet verliest in gissingen over wat ware kennis is, moet, op de hoogte van het feit dat dit universum zowel als de kennis erover in hoge mate illusoir is, zijn schreden naar Mij richten. (2) Voor de spiritueel filosoof ben Ik de enige ware liefde, het eigenbelang, het motief en de slotconclusie alsook de verheffing en de weg naar de hemel; buiten Mij als zijnde de favoriet bestaat er voor hem geen ander doel. (3) Zij die in ieder opzicht volkomen zijn in de kennis en de wijsheid, kennen Mijn lotusvoeten als het allerhoogste voorwerp [van aanbidding] en om die reden is de geleerde transcendentalist die op basis van de spirituele kennis aan Mij vasthoudt, Mij het meest dierbaar [zie ook B.G. 7: 17-18]. (4) Dat wat het loon is van verzakingen, het bezoeken van heilige plaatsen, het doen van japa, het beoefenen van liefdadigheid en het verrichten van andere vrome daden is niet te vergelijken met de volmaaktheid die men verwerft met slechts een fractie van deze spirituele kennis [vergelijk 10.46: 32-33]. (5) Aanbid daarom liefdevol gestemd Mij met de spirituele kennis waarmee je je ziel kent o beste Uddhava, en waarmee je van succes bent met de kennis en de wijsheid. (6) De wijzen verzekerden zich van de hoogste volmaaktheid door met het offer van de vedische kennis en wijsheid Mij, de Heer van Alle offers, te aanbidden die de Opperziel in henzelf is. (7) O Uddhava, de manifeste wereld die is verdeeld in drie afdelingen en zich voortdurend omvormt, bestaat uit de begoochelende energie die zich in het heden doet gelden. Maar omdat die manifestatie niet aanwezig is in den beginne en er ook niet meer is als het einde daar is, mag je je afvragen in welke relatie ze [de geaardheden] dan tot [het ware van] jou staan. Ze hebben slechts betrekking op het geboren worden en zo meer van je materiële lichaam. Dat wat er eerst niet was en er op het einde ook niet is, is er enkel maar tijdelijk.'
(8) S'rî Uddhava zei: 'O Beheersing van het Universum, o Jij in de Gedaante van het Universum, verklaar alsJeblieft de bhakti-yoga jegens Jou waar ook de groten op uit zijn, en die deze uitgebreide, terdege gevestigde kennis omvat die zo traditioneel is als de [oorspronkelijke] onthechting en wijsheid [van Brahmâ]. (9) O Heer, voor degene die gekweld op de gewelddadige materiële weg is overweldigd door de drievoudige misère [zie 1.17: 19], zie ik geen andere beschutting dan het bladerdak van Jouw twee lotusvoeten die de nectar doen neerregenen. (10) AlsJeblieft beur deze persoon op die, gebeten door de slang van de tijd, hopeloos ten val kwam in dit donkere gat. Beur deze persoon op die zo erg smacht naar wat onbeduidend geluk. O Macht van het Verstaan, stort uit Je woorden van genade die iemand tot de bevrijding wekken!'
(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat je nu vraagt werd in het verleden door de koning die niemand als zijn vijand beschouwt [Yudhishthhira] gevraagd aan Bhîshma, de beste van de verdedigers van het dharma, terwijl wij allen aanwezig aandachtig luisterden [zie 1.9: 25-42]. (12) Toen de oorlog tussen de nazaten van Bharata voorbij was, vroeg hij, overmand door de vernietiging van zijn geliefde weldoeners, wat, met alles wat hij had gehoord over de vele religieuze beginselen, nu uiteindelijk de aard van de bevrijding is. (13) Ik zal je de vedische kennis beschrijven die bestaat uit onthechting, zelfverwerkelijking, geloof en toegewijde dienst, zoals die vernomen werd uit de mond van degene die voor God een eed had afgelegd [te weten Bhîshma]. (14) Als men met de negen, elf, vijf en drie elementen die men terugvindt in alle levende wezens getrouw de waarheid het ene element [van de Geest van het Absolute, de Superziel, de Heer, zie 1.2: 11] in hen ziet, draagt die spirituele kennis Mijn goedkeuring weg. (15) Niet van al de elementen onderhevig aan de drie geaardheden zijnd maar meer de Ene die dit universum handhaaft, schept en vernietigt voor zich ziend, is men feitelijk van de kennis der zelfverwerkelijking [vijñâna]. (16) Met moet alleen datgene als het ware en eeuwige beschouwen wat zowel aanwezig is in den beginne, als in de tussentijd waarin het met de ene vorm overgaat in de andere, als op het laatst wanneer het zich handhaaft als alles zijn vernietiging vindt. (17) Met de vier soorten van bewijs - de vedische waarheid [s'ruti], de waarheid van de directe ervaring [pratyaksha], de waarheid per traditie [aitihya of smriti], en de waarheid van het logisch doorredeneren [anumâna] - ontwikkelt men onthechting van de wisselvallige aard van de werkelijkheid der tegenstellingen [zie pramâna]. (18) Omdat alle materiële activiteiten van voorbijgaande aard zijn is er tot aan de wereld van Viriñca [brahmaloka] het ongeluk te vinden. Een intelligente persoon die inziet dat al wat men ervaren heeft tijdgebonden is zal ook begrijpen dat dat evenzo geldt voor al het overige in het universum [zie tevens shath-ûrmi, 11.3: 20 en B.G. 8: 16]. (19) Omdat je van Me houdt sprak Ik voorheen met je over bhakti-yoga, o zondeloze. Laat Me nu ook uitweiden over de manier waarop men de verheffing van Mijn toegewijde dienst bereikt. (20-24) Geloof in de nectar van de vertellingen over Mij, steeds Mijn heerlijkheden bezingen, verankerd zijn in de gehechtheid van de ceremoniële aanbidding, zich met lofzangen en gebed tot Mij verhouden; van een hoge achting zijn voor Mijn toegewijde dienst, met het hele lichaam zijn eerbetuigingen brengen, van de eersteklas aanbidding van Mijn toegewijden zijn, zich bewust zijn van Mij als zijnde aanwezig in alle levende wezens, alles wat men normaal doet aan Mij opdragen alsook het metwoorden hooghouden van Mijn kwaliteiten , de geest op Mij richten en alle materiële begeerten afwijzen; te Mijnentwille het met het geld op te geven alsook met het zinnelijk genot, het materieel geluk en de hartstochten; aan liefdadigheid doen en offers brengen in eerbetoon, de namen herhalen om Mij te bereiken en zich aan geloften en verzakingen houden; dat zijn de manieren waarop, Uddhava, bij die mensen die zich daadwerkelijk inzetten voor het dharma, zich de liefdevolle dienst voor Mij ontwikkelt - welk ander doel zou er voor Mijn toegewijde nou overblijven? (25) Als in vrede verkerend het bewustzijn is verzonken in de ziel, bereikt men, met de kracht van de geaardheid goedheid, religiositeit, spirituele kennis, onthechting en volheid. (26) Als men echter gefixeerd op de materiële verscheidenheid, zijn zinnen najaagt in alle richtingen en men aan de hartstocht verslingerd raakt, moet je weten dat men met dat [materialistische] bewustzijn gewijd aan zaken van voorbijgaande aard, het tegenovergestelde bereikt. (27) Van dharma zegt men dat het leidt tot Mijn toegewijde dienst. Spirituele kennis acht men als de visie van de aanwezigheid van de Superziel. Onthechting ziet men als het verlies van de belangstelling voor zinsobjecten en de volheid herkent men in de animâ en dergelijke [perfecties en vermogens zie 11.15 & 11.16 en bhaga].'
(28-32) S'rî Uddhava zei: 'Van hoeveel soorten van onthoudingen [yama] en inachtnemingen [niyama] is er sprake, o Onderwerper van de Vijand, wat is evenwicht, wat is zelfbeheersing, beste Krishna, wat is tolerantie en wat heet stabiliteit, mijn Heer? Wat is liefdadigheid, wat is boete, heldhaftigheid, wat zegt men over waarheid en werkelijkheid, wat is verzaking en weelde, wat is wenselijk, wat een offer en wat is een religieuze vergoeding? Wat denk Je dat de kracht van een persoon is, o Fortuinlijke, de volheid en de winst, o Kes'ava, wat heet scholing, bescheidenheid, wat is superieur, wat is schoonheid en wat is geluk en ook het ongeluk? Wie heet geschoold, wie is een dwaas, wat is de ware weg en wat de dwaalweg, wat is de hemel en wat is de hel en wie noem Je een vriend en wat heet een thuis? Wie is welvarend, wie is arm, wie is een ellendeling en wie een beheerser; alsJeblieft praat met me over al deze zaken alsook over de tegengestelde kwaliteiten, o Heer der Waarachtigen.'
(33-35) De Allerhoogste Heer zei: 'Geweldloosheid, waarheidsliefde, het niet begeren of toeëigenen van het bezit van anderen, onthechting, bescheidenheid, zonder bezitsdrang zijn, geloven in God, celibatair en stil zijn, standvastigheid, vergevingsgezindheid en onbevreesdheid enerzijds, en reinheid [vanbinnen en vanbuiten], het bidsnoer hanteren, boete doen, opofferen, vertrouwen koesteren, gastvrij zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, handelen en streven terwille van het Allerhoogste, tevreden zijn en het dienen van de geestelijk leraar anderzijds zijn de twaalf onderdelen die men van yama in gedachten houdt en die samen met die van de niyama door mensen toegewijd worden gecultiveerd, mijn beste, en afhankelijk van wat iemand wil resultaat opleveren [in de zin van zaligheid of voorspoed]. (36-39) Evenwichtigheid houdt de gedurige verzonkenheid van de intelligentie in Mij in [zie ook 11.16: 10] en zelfbeheersing is de volmaakte discipline van de zintuigen; tolerantie betekent dat men het ongeluk moet verdragen en stabiliteit is het overwinnen van de tong en de geslachtsdelen. De hoogste liefdadigheid is het opgeven van de roede [anderen te bestraffen], boete herinnert men zich als het opgeven van de lust, heldhaftigheid bestaat eruit je eigenliefde te overwinnen en werkelijkheid impliceert dat men de Heer overal ziet. Waarachtigheid houdt in dat men van de ware en aangename bewoordingen is die door de wijzen worden goedgekeurd, reinheid betekent dat men onthecht is van het verrichten van productieve arbeid [zie ook b.v. 1.1: 2 en B.G. 18: 6] en van de verzaking zegt men dat die van sannyâsa, de wereldverzakende orde is. Voor mensen vormt religiositeit de na te streven weelde, ben Ik de Meest Fortuinlijke, is religieuze vergoeding de donatie [ter compensatie] van de genoten spirituele kennis en vormt de adembeheersing de grootste kracht. (40-45) De volheid is Mijn goddelijke aard [zie 11.16 en bhaga], de winst is Mijn bhakti, scholing houdt het teniet doen in van de verdeeldheid van het zelf [zie siddhânta en advaita] en bescheidenheid is de weerzin tegen nalatigheid wat betreft voorgeschreven plichten [tegen zonde dus]. Schoonheid is het hebben van goede eigenschappen als onthecht zijn van materieel verlangen en dergelijke, geluk betekent dat men boven voor- en tegenspoed staat, ongeluk bestaat uit het mediteren op het geluk van de lust, en een wijs iemand is iemand die weet heeft van de bevrijding uit de gebondenheid. Een dwaas is degene die zich identificeert met zijn lichaam en zo meer [het denken etc.], de juiste weg is de weg die tot Mij leidt, de dwaalweg moet worden begrepen als de weg die leidt tot de verbijstering van het verstand, en de hemel moet men zien als het overwegen van de geaardheid goedheid. De hel is het domineren van de geaardheid der onwetendheid, de ware vriend is de geestelijk leraar die Ik ben, Mijn beste vriend en je thuis is het menselijk lichaam. Voorzeker wordt iemand rijk genoemd die rijk is aan goede kwaliteiten terwijl een armoedzaaier iemand is die ontevreden is. De ellendeling is degene die zijn zintuigen niet de baas is, een beheerser is iemand die zijn intelligentie niet vastlegt op de materiële aangelegenheid en van het tegengestelde [in kwaliteiten] is degene die gehecht is aan zijn zinsbevrediging. Dit, Uddhava, zijn de onderwerpen waar je naar vroeg en die Ik zo allemaal netjes heb toegelicht. Maar wat heb je aan de uitvoerige beschrijving van de kenmerken van goede en kwade eigenschappen als het voor ogen hebben van goed en kwaad nog steeds de fout inhoudt dat men het ware goede [van de transcendentie] niet voor zich heeft dat losstaat van die twee [vergelijk met 3.10: 28-29, 6.16: 10-11, 11.7: 8, 11.11: 16 en B.G. 7: 5].'
Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting
(1) S'rî Uddhava zei: 'Naar de eer van Jou de Beheerser, o Lotusogige, concentreren de heilige geschriften, die de positieve en negatieve voorschriften bevatten, zich op de deugd en de ondeugd van het karma [akarma en vikarma]. (2) Ze handelen ook over de verscheidenheid van het varnâs'rama-systeem waarin de vader van een hogere [anuloma] dan wel een lagere klasse [pratiloma] kan zijn dan de moeder, ze gaan over hemel en hel en behandelen de onderwerpen van het hebben van bezittingen, de leeftijd, de plaats en de tijd [zie ook 4.8: 54 en *]. (3) Hoe kunnen mensen die deugd en ondeugd niet uit elkaar kunnen houden nu bevrijd raken zonder Jouw verbodsbepalende en regulerende woord [vergelijk 11.19: 40-45]? (4) De vedische kennis die uit Jou voortvloeit biedt zowel de voorvaderen, de goden als de menselijke wezens een superieur inzicht in de niet zomaar voor iedereen duidelijke zin van het leven, dat waar we naar streven en wat we daarvoor moeten aanwenden. (5) Het verschil tussen deugd en ondeugd ziet men met behulp van Jouw vedische kennis, het is een inzicht dat niet uit zichzelf ontstaat, maar het zijn ook Jouw Veda's die een dergelijk verschil weer uitvlakken en dus duidelijk verwarring stichten...'
(6) De Allerhoogste Heer zei: 'De drie wegen van de yoga die Ik heb beschreven met het verlangen het menselijk wezen de volmaaktheid te schenken, zijn het pad van de filosofie [jñâna], het pad van de arbeid [karma] en het pad van de devotie [bhakti]; er zijn buiten hen geen andere wegen te vinden [zie ook B.G. inhoud en trikânda]. (7) Voor hen die het niet meer zien zitten met prestatiegerichte werkzaamheden en zich op dat punt onthouden van handelingen is er de yoga van de spirituele kennis en voor hen die daar bewust niet afkerig van zijn en wèl voelen voor materieel geluk is er het pad van de karma-yoga. (8) Als het voorviel dat er zich geloof in mijn verhalen en wat er allemaal zo bijhoort ontwikkelde, zal voor zo een persoon die noch afkerig, noch al te gehecht is, het pad van de bhakti-yoga de volmaaktheid brengen. (9) Zolang men geen genoeg heeft van baatzuchtige arbeid en geen geloof hecht aan mijn verhandelingen of luisteren etc. [7.5: 23-24], moet men maar zo doorgaan [zie ook 1.2: 7, 11.5: 41]. (10) Iemand zal niet naar de hemel gaan, maar ook niet in de hel belanden, Uddhava, als hij eraan vasthoudt niets anders te doen dan zijn voorgeschreven plichten en hij zonder nevenmotieven van aanbidding is met het brengen van offers [zie ook B.G. 8: 16]. (11) Als men, in deze wereld levend, zonder te zondigen vasthoudt aan zijn plichten en zuiver is [in zijn motieven], verwerft men bovenzinnelijke kennis en bereikt men eventueel, als het lot gunstig gezind is, Mijn Mijn bhakti [vergelijk 1.5: 23-31]. (12) Net als de bewoners van de hel, verlangen zelfs de bewoners van de hemel naar deze planeet aarde die zo bevorderlijk is voor de spirituele kennis en de toegewijde dienst die in beide posities van weinig waarde lijken te zijn (13) Een menselijk wezen zou nimmer naar de hemel moeten streven of in de hel moeten willen belanden, noch zou een wijs iemand naar deze planeet aarde moeten verlangen, omdat men op basis van een dergelijke lichamelijke betrokkenheid een dwaas wordt. (14) Dit wetende behoort iemand, voordat hij doodgaat, zich te beijveren voor de transcendentie in de wetenschap dat, hoewel [het lichaam is] onderworpen aan de dood, het [materieel bestaan] de volmaaktheid van de levensbestemming binnen bereik brengt. (15) Een vogel die het nest opgeeft dat hij bouwde in een boom die werd omgezaagd door een paar boodschappers van de dood, bereikt het geluk bij de genade van het niet gehecht zijn. (16) Wetend dat met iedere dag en nacht de levensduur bekort wordt heeft men, gegrepen door de angst, begrip voor de bovenzinnelijke positie en bereikt men vrij van begeerte de volmaakte vrede. (17) Het menselijk lichaam dat de bron vormt van alle zegeningen verkrijgt men zomaar ookal komt dat maar zelden voor [gezien de enorme keuze aan levensvormen op de planeet]. Het vormt een schip dat buitengewoon geschikt is voor zijn taak, gegeven een geestelijk leraar als de kapitein en voortgedreven door de gunstige winden die Ik vertegenwoordig. Maar als iemand de oceaan van het materieel bestaan er niet mee oversteekt is hij de moordenaar van zijn eigen ziel. (18) Een yogi, die geen hoop koestert in materiële aangelegenheden, heeft zijn zinnen geheel in bedwang en is onthecht. Hij moet zich concentreren om de geest te stabiliseren in de discipline die hij erop nahoudt met de ziel. (19) Geconcentreerd op het spirituele vlak moet de geest, als die plots wordt weggetrokken uit zijn positie, zorgvuldig, volgens de regels van de kunst, onder controle van het zelf worden gebracht [zie ook B.G. 6: 26]. (20) Men moet, als men vanuit het goede opererend zijn adem en zijn zinnen onderwerpt, niet vergeten wat de zin van het denken is. De geest moet steeds met behulp van de intelligentie worden teruggeleid naar het toezicht van de ziel [om die te dienen, zie B.G. 3: 42]. (21) Dit waarlijk allerverhevenste yogaproces bestaat eruit dat men nauwlettend steeds de geest observeert met het doel om hem geheel in bedwang te krijgen. Men moet er vertrouwenwekkend mee omgaan alsof het een paard is dat men wil temmen [zie ook B.G. 6: 33-34]. (22) Door te analyseren hoe de verschillende onderdelen en beginselen van de spirituele kennis samenhangen en in strijd verkeren, hoe ze ontstaan en weer verloren gaan, moet men de aandacht er steeds bijhouden totdat de geest zijn vervulling heeft bereikt. (23) Van degene die met afdoende tegenzin de materie heeft losgelaten geeft de geest, die aan de hand van de vedische voorschriften steeds bezig wordt gehouden met het analyseren van alles waar die op gericht is, het op zich met dat onderwerp valselijk te vereenzelvigen. (24) Men moet de geest op geen andere manier richten op het doel van de yoga dan met de onthoudingen en procedures van de [achtvoudige] yogamethode, met de logische analyses van de spirituele beschouwing of middels de oefeningen van respect voor Mijn gedaante [karma-, jñâna- en bhakti-yoga]. (25) Als een yogi door nalatigheid een verwerpelijke daad begaat, moet hij met enkel de yogamethode die zonde weer verzengen. Met dit soort zaken moet hij nooit en te nimmer anders tewerk gaan [vergelijk 1.5: 17, B.G. 4: 19, 9: 30]. (26) De gestadige praktijk die een ieder er met zijn eigen methode op nahoudt vormt een lovenswaardige deugd, maar door de aard der vruchtdragende [karmische] handelingen is men niet zuiver bezig. Aan de hand van deze deugd en ondeugd worden de disciplinaire inachtnemingen [van de niyama] ingesteld vanuit het verlangen de verschillende vormen van gehechtheid los te laten. (27-28) Als bij hem het geloof in Mijn vertellingen is ontwaakt en hij afkeer koestert voor al het karma moet hij [de âtmânandi bhakta] die bekend is met de misère die gevormd wordt door de lust - ondanks dat hij niet volledig van beheersing is in het proces van de verzaking - door dat inzicht gesterkt in zijn overtuiging overgaan tot het verheerlijken van Mij [bhajana]. Aldus blijft hij in zijn geloof gelukkig en heeft hij daarbij spijt van de zinsbevrediging die leidde tot het ongeluk. (29) Al de lusten die een wijze in zijn hart heeft worden vernietigd als hij, Mij voortdurend aanbiddend in de bhakti-yoga zoals beschreven, zijn hart stevig in Mij heeft verankerd [zie sthita-prajña]. (30) De knopen in het hart worden doorsneden, alle twijfels worden aan stukken gesneden en de keten van de baatzuchtige handelingen komt ten einde als Ik wordt gezien als de Opperziel van Allen. (31) Om die reden is voor een yogi die, verbonden in Mijn toegewijde dienst, zijn geest op Mij vestigde, over het algemeen noch het pad van de kennis, noch het pad der onthechting [van baatzuchtig handelen] de manier om gelukkig te worden in deze wereld. (32-33) Mocht hij op de een of andere manier de hemel, de zaligheid of Mijn verblijf begeren, dan wordt alles wat wordt verkregen door baatzuchtig handelen, door boete te doen, de kennis te cultiveren en door de dingen los te laten; werkelijk alles wat wordt bereikt door de mystieke yoga, liefdadigheid, religieuze inachtnemingen, gunstige handelingen of anderszins, met gemak door Mijn toegewijde bereikt in de liefdevolle dienst aan Mij. (34) De geheiligden die nuchter zijn, de toegewijden die zonder twijfel één zijn van hart jegens Mij, verlangen het inderdaad nimmer dat Ik ze de verlichting of de vrijheid van geboorte en dood verleen. (35) Men stelt dat men maar beter niets kan begeren, opdat zich bij hem die niet uit is op enig persoonlijk voordeel, bij hem die begeerteloos is, zich als het hoogste stadium van bevrijding de bhakti voor Mij kan voordoen [zie ook 2.3: 10]. (36) Ongunstige kwaliteiten ontspruitend aan zwakheden kunnen zich in de zuivere toegewijden met Mij nimmer [weer] opwerpen omdat zij vrij van begeerte onder alle omstandigheden stabiel zijn in het bewustzijn. Ze behoren nu tot degenen die zich hebben bewogen voorbij dat wat met een materieel ingesteld verstand kan worden begrepen [zie ook B.G. 9: 30].
(37) Zij die deze methoden volgen zoals Ik ze nu heb onderricht, bereiken de geborgenheid van Mijn verblijfplaats in de rechtstreekse waarneming van dat wat de Absolute Waarheid is.'
Voetnoot:
*: De vaidehaka's bestaan uit hen geboren uit een s'ûdra vader en een brâhmana moeder, de sûta's zijn zij die geboren zijn uit een kshatriya vader en een brâhmana moeder of van een s'ûdra vader en een kshatriya moeder. De mûrdhâvasikta's zijn zij geboren uit een brâhmana vader en een kshatriya moeder. Ambashthha's zijn zij die geboren zijn uit een brâhmana vader en een vais'ya moeder [dezen werken vaak in de gezondheidszorg]. Karana is de naam voor hen die geboren zijn uit een vais'ya vader en een s'ûdra moeder of een kshatriya vader en een vais'ya moeder.
Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het opgeven met deze manieren om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te staan voor de eindigheid van het materieel bestaan. (2) Van de standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in religieus opzicht]. (4) Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik aan de orde terwille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel. (6) Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan [zie varnâs'rama].
(7) Wat de juiste en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen. (8) Van alle plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (9) De tijd noemt men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd] ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het seizoen, het geld - de lakshmî-, de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig, willekeurig idee van de tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) Het zuivere en onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***]. (11) Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde, toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige [dan wel deugdzame] reactie. (12) Onder de invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur. (13) Men beschouwt dat als zuiverend wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp. (14) Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan overeenkomstig het zuivere, de reinheid van het [oorspronkelijke] zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het tegenovergestelde.
(16) Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat niet deugt] feitelijk door hen vervaagd [4*]. (17) Hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd. (18) Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Ervan uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd onder de mensen. (20) Door de strijd is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel overweldigd door de duisternis. (21) O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63]. (22) Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (23) De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te nemen. (24) Alleen al door hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun beminden. (25) Onderworpen [in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed. Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer zinsgenoegens [zie ook 5.5: 17]? (26) Sommige mensen, zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam]. (28) Gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de mist staren. (29-30) Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die terwille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (31) Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden, de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het realiseren van de ziel]. (32) Gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25]. (33-34) 'Als we hier op aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.
(35) De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij dierbaar [de 'andere goeroes']. (36) Het bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman] dat zich manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15]. (41) Bijvoorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik and Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) Wat zij [karma-kânda] voorschrijven [dat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duiden [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden [als filosofie], de kern van deze zaak is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 4: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben het voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard [5*]. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.'
Voetnoten:
*: S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'
**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn.' Derhalve is de - vorm van, de soort van - tijd waarmee men de omgang met de Opperheer of de Heer Zijn zuivere toegewijde bereikt, de tijd die gunstig heet, terwijl de vorm van tijd die politiek, economisch of sociaal bepaald wordt en waarmee men die omgang verliest, een tijd is die hoogst ongelukkig wordt genoemd. Religieuze timing - overeenkomstig de zon en de maan b.v. - is sat kâla, of ware timing en juiste conditionering, terwijl menselijk bepaalde timing zoals de standaardtijd asat kâla is, ofwel een tijdconditionering inhoudt die is gebaseerd op vals gezag, een karma gemotiveerde tijd gedreven door nevenmotieven. Wetenschappelijk betreft het een biologisch conflict op het niveau van het zenuwstelsel tussen de natuurlijke prikkels van de tijd, zoals de regelmaat van het daglicht, en de culturele prikkels van de tijd die hier met lineaire en gegeneraliseerde tijdsbegrippen als de gemiddelde tijd en de zonetijd, haaks op staan. De tijdzin van de moderne mens is daardoor gestoord, hij lijdt onder de psychologische tijd, een instabiel gevoel van de tijd dat fundamenteel is voor de cultuurneurose.
***: Een voorbeeld ter illustratie bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er op een politieke manier de waarheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus Christus bijvoorbeeld, of de Mahâmantra van Heer Caitanya, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, ter vergeving van de zonde van het pragmatisch afwijken van Gods natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok instellen op de tijd van de natuur, op de tijd van Krishna, om in overeenstemming te verkeren met het religieuze inzicht [zie f.c.o.]. En tenslotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid afgemeten aan de relatieve maat, zoals dit vers stelt, die men met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn kan respecteren met een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden of door twee klokken die men tegelijk gebruikt: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde, karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid tewerk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in 'A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].
4*: De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.
5* Het 'wegverklaren' hangt samen met de relatie tussen vorm en inhoud. In de bhakti staat men voor Zijn vorm, die van de âcârya en die van de medetoegewijden als de toegangspoort tot de vedische kennis. Is men eenmaal door die poort naar binnen, dan speelt de poort waar de Heer met zijn gedaante voor staat minder een rol dan de inhoud die de jñâna dan voor zijn rekening neemt. Dringt men door tot de inhoud, dan is de vorm aldus net zo overbodig als de verpakking van een product dat men wil gebruiken nadat het gekocht is. Maar Heer Krishna is natuurlijk zowel de vorm als de inhoud. In die zin vindt men Hem juist op de weg naar binnen. Het wegverklaren geldt de vorm dus. Een en ander toont de noodzaak van de trikânda drieledigheid van de yoga aan: karma-yoga vormt de weg, bhakti-yoga vormt de winkel en de jñâna-yoga toont de spirituele boodschappen die men daar kan halen.
Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter
(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basislementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester, ik hoorde je spreken over negen, elf en vijf plus drie basiselementen [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat het er [niet achtentwintig maar] zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'
(4) De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen zoals het hen uitkomt; per slot van rekening, wat zouden zij die zich inlaten met [het mystieke vermogen] van Mijn mâyâ, nu niet mogen beweren? (5) 'Het is niet zoals jij het zegt, het is zoals ik het stel: dit is wat mijn onoverkomelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie darshana's en 6.4: 31]. (6) Omdat Mijn energieën op elkaar inwerken ontstaan er meningsverschillen onder hen die dit onderwerp bespreken, maar als men vrede vind in het beheersen van zijn zinnen komt er een einde aan het meningsverschil en houdt het argumenteren op [men bereikt de ware aard van de allerhoogste geest, âtmatattva]. (7) Omdat de verschillende elementen [subtiel en grofstoffelijk] elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil een spreker een indeling geven van oorzaken en gevolgen. (8) Met die indelingen verwijst het ene element weer naar de andere elementen: of het er nu is als oorzaak of gevolg, in één enkel element [de ether m.n.] vindt men al de andere elementen weer terug en omgekeerd [*]. (9) Als men aan de hand van een zekere indeling zich daarom uitdrukt in termen van oorzaak en gevolg, aanvaard Ik wat men met zo'n standpunt [logisch] onder woorden brengt mits het geleid wordt door de rede [wetenschappelijk bewezen wordt, duidelijkheid verschaft omtrent de tijd en de plaats]. (10) Een persoon die onvermijdelijk onwetend ter wereld komt kan niet van zichzelf weten wat zelfverwerkelijking inhoudt, die kennis ontleent hij aan iemand anders die bekend is met het principe van de werkelijkheid [vergelijk 11.21: 10]. (11) Er bestaat overeenkomstig deze kennis in de materiële aard der goedheid niet het geringste verschil tussen de purusha, de oorspronkelijke persoon, en îs'vara, de beheerser. Er vanuit gaan dat er een dergelijk verschil zou zijn is een zinloze onderneming [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (12) De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt. Deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, die overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid heten te zijn, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (13) In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19-21]. (14) De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus Mijn negen elementen van de schepping waarnaar verwezen werd [in vers 1]. (15) Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o Mijn beste, en de geest is er voor beiden. (16) Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (17) In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum, het universum dat door de werking van sattva en de andere geaardheden de vorm aanneemt van de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken [zie ook 2.10: 10]. (18) Al de elementen die hun vermogens verwierven omdat de blik van de Heer op hen rustte, ondergaan in de manifeste werkelijkheid transformatie en vormen, vermengd dankzij de kracht van de natuur, het eivormig universum [zie ook 2.5: 35, 3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (19) Als men over de schepping spreekt als bestaand uit slechts zeven elementen: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether enerzijds met de individuele kenner en de Opperziel anderzijds, zijn er als gevolg van deze tweevoudige, fundamentele basis het lichaam, de zinnen en de levensadem. (20) En als men uitgaat van zes elementen: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element dat met hen is samengevoegd, projecteerde Hij eerst deze schepping en ging Hij er vervolgens naar binnen. (21) Als men het heeft over vier elementen ontstaan het vuur, het water en de aarde uit het Oorspronkelijke Zelf; door deze elementen is er dan het zichtbare resultaat van deze kosmos. (22) Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (23) Zo ook rekent men met zestien elementen als men de ziel gelijk stelt aan de geest. Met dertien elementen zijn er de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (24) Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen. Ook kent men er negen met de acht natuurlijke elementen [de vijf grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] en de Genieter die daar boven staat. (25) Aldus werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten, dat is de schittering die men aantreft onder de geschoolden.'
(26) S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel ze fundamenteel verschillend zijn, elkaar wederzijds omvatten o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan: men ziet de ziel in de materiële natuur en de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (27) AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren; maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (28) De levende wezens hebben inderdaad van Jou de kennis en door de macht van Jouw uiterlijkheid raken ze die kennis weer kwijt. Alleen Jij bent ervan op de hoogte wat dat begoochelend vermogen van Jou allemaal inhoudt en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'
(29) Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] zijn twee van elkaar verschillende zaken, o beste van alle personen, die beiden onderhevig zijn aan de omvorming die er is dankzij de werking van de guna's der schepping. (30) Beste Uddhava, Mijn begoochelende energie bestaande uit de drie geaardheden is verantwoordelijk voor een veelvoud aan manifestaties zowel als voor een verscheidenheid aan vormen van waarneming. Deze veranderlijkheid op basis van de guna's kent drie aspecten: het ene heet adhyâtma, dan is er adhidaiva en het andere heet adhibhûta [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (31) Zoals er de op zichzelf bestaande Superziel is die de eigenlijke oorzaak vormt van zowel de subjectieve ervaring [adhyâtma], de natuur die de bron van de waarneming is [adhidaiva], als het waar te nemen fenomeen [adhibhûta], is er ook de zon, die onafhankelijk aan de hemel staat en zorgt voor het gezichtsvermogen [adhyâtma], de uiterlijkheid van de natuur [adhidaiva] en het specifieke, gereflecteerde beeld [adhibhûta] die samen bijdragen tot dat wat er te zien is door de opening van het oog. (32) En dat [drievoudige] geldt behalve voor de ogen ook voor de tastzin en wat men daarmee ervaart, het gehoor en zo, de tong en waar die mee bezig is, de neus met wat er te ruiken valt en het bewustzijn en dat wat erbij hoort. (33) De veranderingen, die het gevolg zijn van deze onrust van de geaardheden die zijn oorsprong heeft in de primaire natuur [pradhâna], is er de oorzaak van dat er verbijstering is en er van alles aan de hand is met het door de grotere werkelijkheid opgewekte drievoudige, valse ego dat, onderhevig aan verandering, in onwetendheid de zaken naar zijn hand wil zetten [mahat-tattva, zie ook ***]. (34) Als het ontbreekt aan de volle kennis van de Superziel raakt men, in zijn ijver dingen te bespreken, verwikkeld in zinloze speculaties over het feit of er nu wel of niet een verschil bestaat [tussen purusha en prakriti], met uitspraken als 'dit is werkelijk en dat niet', en die speculaties duren voort zolang iemand zijn aandacht van Mij heeft afgewend, Ik die [kwalitatief] gelijk ben aan hemzelf.'
(35-36) S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten als gevolg van de baatzuchtige handelingen die ze verrichten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen omdat ze, hoofdzakelijk op de hoogte van materiële kennis, in staat van illusie verkeren.'
(37) De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van de mens die wordt bepaald door zijn baatzuchtig handelen is, van de ene wereld naar de volgende, gebonden aan de vijf zintuigen. De ziel, die los daarvan bestaat, volgt die geest [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (38) De geest die trouw mediteert op wat hij hoort [van de tradities] of ziet van de zinsobjecten, ontwikkelt zich door zijn gebondenheid aan het karma en lost weer op [met het verdwijnen van de zinsobjecten]. Als gevolg daarvan gaat de herinnering verloren [aan voorgaande levens]. (39) Deze complete vergeetachtigheid van het zich niet herinneren van een voorgaand zelf dat om een of andere reden in beslag werd genomen door de voorwerpen van de zintuigen, is wat men de dood noemt. (40) O man van liefdadigheid, wat men een geboorte noemt is de volledige identifcatie van een persoon met het lichaam dat hij aannam, zoals men dat doet in een droom of als men fantaseert. (41) En net zoals men in een droom of een fantasie zich niet een voorgaande droom of fantasie herinnert, denkt men ook dat men geen voorgaand bestaan zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (42) Omdat men een nieuw grofstoffelijk lichaam krijgt en een geest die daarbij hoort, dringt zich in de ziel de waarheid op van de drievoudige werkelijkheid met als gevolg een innerlijk besef dat verschilt van het uiterlijke, alsof men kinderen kreeg met een slechte inborst. (43) Want geschapen lichamen, Mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan door de kracht van de tijd die onzichtbaar zijn werk doet, die men in zijn subtiliteit niet kan waarnemen. (44) De levensduur, de omstandigheden en zomeer van alle geschapen wezens worden erdoor bepaald, zoals ook de vlam van een kaars, de stroom van een rivier of de vrucht van een boom erdoor bepaald worden. (45) Net zo goed als men het verkeerd heeft als men zegt 'dit licht staat gelijk aan de lamp' en 'deze stroom water staat gelijk aan de rivier', is het ook fout om te zeggen 'dit lichaam staat gelijk aan de persoon', het is een manier van redeneren van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (46) Een persoon overlijdt niet, noch spruit hij voort uit het zaad van zijn handelen, hij is onsterfelijk. Het is door illusie dat men als vuur in hout is verenigd [met zijn materiële bestaan. Zie B.G. 2: 24]. (47) Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen de negen staten van het lichaam die men aldus heeft. (48) Deze meer en minder verheven toestanden van het lichaam dat men te danken heeft aan zijn eigen motieven, worden vanwege zijn gebondenheid aan de geaardheden door de ene ziel aanvaard als het eigene, terwijl de andere ziel er [met de nodige inspanning in de yoga] afstand van neemt [bij de genade Gods]. (49) Men kan zijn eigen geboorte afleiden uit de geboorte van zijn zoon en men kan zijn eigen dood achterhalen aan de hand van de dood van zijn vader [of zijn voorouders], [maar] hij die zichzelf herinnert met al de zaken van geboorte en dood is nimmer onderhevig aan dat wat wordt geregeerd door deze dualiteit. (50) Zoals hij die, bekend met de boom zijn zaad en zijn wasdom, de getuige is die losstaat van de geboorte en dood van die boom, is men analoog daaraan de getuige die losstaat van [de geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (51) De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, beland, geheel verbijsterd materiële vormen voor het ware houdend, in de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (52) Ronddolend op basis van zijn karma gaat hij dan, als hij de geaardheid goedheid volgt, naar de wijzen en de goden; volgt hij de leidraad van de hartstocht dan begeeft hij zich onder de mensen of raakt hij in de greep van de duisternis, en richt hij zich naar de onwetendheid dan beland hij tussen de geesten en de spoken of bereikt hij het dierenrijk [zie ook B.G. 6: 41-42, 9: 25; 17: 4]. (53) Zoals men geneigd is mee te doen als men personen ziet dansen en zingen, raakt men, ook al is men een stille getuige die op zich niets doet, als men geplaatst wordt voor de kwaliteiten van de materie op dezelfde manier in de ban van het materiële denken [zie ook 11.21: 19-21]. (54-55) Zoals bomen lijken te bewegen met water dat beweegt en de wereld lijkt rond te draaien met ogen die worden rondgedraaid, zijn ook de mentale indrukken die men heeft van zinsobjecten niet werkelijk. Net zoals de dingen die men in een droom ziet drogbeelden zijn, is ook de ziel zijn voorstelling van een materieel leven waarin hij zijn zinsbevrediging ervaart een drogbeeld. (56) Voor iemand die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële leven niet op, ookal is het een illusoire aangelegenheid, net zoals de nare dingen die men in een droom ervaart [zich steeds weer herhalen kunnen *5]. (57) Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die een spelletje spelen met de zintuigen, bedenk hoe op basis van de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel. (58-59) Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of als anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft wordt of opgesloten, of als men bij herhaling wordt bespuugt of ondergeplast door onwetende mensen, behoort iemand die het Allerhoogste voor ogen heeft en aldus geschokt in moeilijkheden verkeert, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'
(60) S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten? AlsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (61) De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt. Behalve voor hen die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, weegt zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële bepaaldheid het zwaarst.'
Voetnoten:
*: Twee voorbeelden: potten zijn gemaakt van aarde die er bestond als een voorgaand element of behoren tot het gruis dat er was als een latere substantie, of anders nam de tijd ze als een ander element allen tezamen door in ze door te dringen. Of de elementen van de natuur verschenen zich uitbreidend in de ruimte die aan hen vooraf ging en alle behoren ze tot de fysieke vorm die naderhand tot stand kwam, en de vitale adem ging ze allen binnen als een ander element.
**: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rî Caitanya Mahâprabhu beschreef de eigenlijke situatie als acintya-bhedâbheda-tattva - de hoogste genieter en de beheerste levende wezens zijn gelijktijdig één en verschillend. In de materiële geaardheid goedheid wordt de eenheid waargenomen. Als men dan vordert, tot het stadium vis'uddha-sattva, of gezuiverde spirituele goedheid, vindt men geestelijke verscheidenheid in de kwalitatieve eenheid, waarmee men zijn kennis van de Absolute Waarheid vervolmaakt' [zie ook siddhânta].
***: Om de basistermen die in dit hoofdstuk worden gebruikt van elkaar te onderscheiden: Prakriti is de materiële natuur met haar levende wezens en guna's, pradhâna is de voorwereldlijke, ongedifferentieerde staat van de materie zonder de specifieke schepselen en guna's en de mahat-tattva vormt de totaliteit van de grotere werkelijkheid van dat alles, die ook wel bekend staat als het principe van het intellect of de kosmische intelligentie. De purusha is de oorspronkelijke persoon die de genieter is: de Heer en de levende wezens die kwalitatief gelijk aan elkaar zijn.
*4: Overeenkomstig de welbekende uitzondering die de regel bevestigt stelt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura hier dat met de mystieke macht van jâti-smara men zich zijn voorgaande geboorte kan herinneren. Patañjali in de Yoga Sutra III.18 zegt: 'Indrukken die, meegedragen in het zelf, naar de oppervlakte komen, geven inzicht in voorgaande levensstaten'.
*5: Het klassieke filosofische standpunt hier verdedigd is: 'Als men een lichaam heeft is men een ziel, als men een lichaam is is men een varken', waar het varken hier de gevallen ziel is die telkens weer terugkeert naar een materialistisch bestaan.
Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana.
(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Na er aldus toe verzocht te zijn door Uddhava, de grootste van de toegewijden, begon de leider der Dâs'ârha's wiens heldenmoed het zo waard is te worden besproken, te praten met lofprijzingen voor de woorden van Zijn dienaar. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden van een slecht iemand. (3) Een persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen door pijlen die het hart doorboren, als door het met zich mee moeten dragen van pijlen die bestaan uit de ruwe woorden van onwaarachtige mensen. (4) Wat dit betreft Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld. Luister alsjeblieft goed, Ik zal je het nu vertellen. (5) Het verhaal stamt van een bedelmonnik die, nadat hij werd beledigd door slechte mensen, zijn kalmte bewaarde door zichzelf voor te houden dat het een gevolg was van zijn daden in het verleden. (6) In Avantî [in het district Malwa] leefde eens een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te verdienden met zaken doen. Maar hij was een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49]. (7) Hij had geen achting voor zijn verwanten en gasten, zelfs niet in woorden. En met zijn gebrek aan religiositeit bekommerde hij zich ook niet om zijn eigen noden als het er tijd voor was. (8) Met hem zo slecht gemanierd ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden een afkeer jegens de ellendeling. Vijandig onthielden ze hem hun genegenheid. (9) Op deze manier zowel in het dharma als wat betreft het plezier tekortschietend werden de vijf eisers van het geofferde [de godheden, zie pañca-bhâga], boos op die obsessieve schatbewaarder die wat betreft de beide werelden verstek liet gaan [deze en de volgende]. (10) Door hen te verwaarlozen verloor hij al zijn vrome krediet, o grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had ingespannen ging verloren. (11) Omdat hij slechts in naam een brahmaan was Uddhava, werd een deel van zijn welvaart ingepalmd door zijn verwanten, een deel door dieven, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie ook 10.49: 22]. (12) Toen hij aldus verstoken van religiositeit en liefde zijn weelde had verloren, ontwikkelde zich bij hem, verwaarloosd als hij was door zijn familie, een moeilijk te dragen zorgelijkheid. (13) Voor een lange tijd treurde hij verstikt in tranen om zijn verloren rijkdom en daaropvolgend overviel hem een grote minachting voor alle wereldse zaken.
(14) Hij hield zichzelf toen voor: 'Hoe jammer om mezelf zo pijnlijk in te spannen met al dit gezwoeg dat geen genoegen verschaft en voor de liefde van God ook niet goed is. (15) Over het algemeen resulteert de rijkdom van ellendelingen nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leidt het tot een kwelling en als je dood gaat beland je ermee in de hel. (16) Hoe zuiver de roep ook die beroemdheden mogen genieten of hoe lofwaardig de kwaliteiten der deugdzamen ook zijn, het gaat allemaal teloor met slechts een klein beetje hebzucht, net als wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke schoonheid. (17) Met het opbouwen, beschermen, spenderen, verliezen van en zich verheugen over het kapitaal, moet de mens zwoegen, vrezen, zich zorgen maken en in onzekerheid verkeren. (18-19) Diefstal, geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17: 24] zijn de vijftien ongewenste zaken die bekend staan als het gevolg van het koesteren van rijkdom. Daarom moet hij die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen zich verre houden van het onwenslijke dat voor weelde doorgaat. (20) De broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn in de liefde, veranderen allen voor een enkele rooie cent van het ene op het andere moment in vijanden. (21) Zelfs maar voor een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich over aan de woede en vergeten ze als een tegenstander die uit is op vernietiging zomaar in een oogwenk hun welgezindheid. (22) Met het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen waardering voor. En zo begeven ze zich op het hellend vlak [zie ook B.G. 16: 19-20]. (23) Welke persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang tot de hemel en de bevrijding, hecht zich nu aan eigendom en zou ervoor kiezen zich op te houden in het rijk der betekenisloosheid waar hij onderhevig is aan de dood? (24) Gelijk een geldbeluste Yaksha niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie van de goden, de zieners, de voorvaderen, de verwanten, de levende wezens en zichzelf, komt men ten val. (25) Verdwaasd door mijn jeugd, kracht en weelde, door de middelen waar de slimme jongen zich van bedient om alles voor elkaar te krijgen, heb ik mijn leven verspild met het najagen van geld. Wat kan ik als een oude man daar nu mee bereiken [zie B.G. 3: 35]? (26) Waarom zou een intelligent man constant moeten lijden in een vruchteloos najagen van rijkdom? Zeker is dat iemand in deze wereld hoogst verbijsterd raakt als gevolg van haar begoochelende macht. (27) Wat voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die bevrediging schenken? Of anders gezegd, wat zou het voor nut hebben voor degene die verkeert in de greep van de dood, om van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende geboorte oplevert? (28) De Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat en die tevreden over mij, me tot deze toestand van onthechting voerde, vormt zonder twijfel de boot die de ziel vervoert [zie ook 11.17: 44]. (29) Met de tijd die me rest zal ik, opdat ik de vrede in mezelf mag vinden, zonder [nog langer] in de war te zijn over mijn ware eigenbelang mijn lichaam de nodige beperkingen opleggen [zie ook 2.2: 3, 7.12: 6]. (30) Mogen de goden, de heersers over de drie werelden, hier blij mee zijn. Was het niet Khathvânga die in een mum van tijd de geestelijke wereld bereikte?'
(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, die de knopen in zijn hart ontwarde, een vreedzame en stille bedelmonnik. (32) Hij trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem daarmee beheerst [zie tri-danda], haar steden en dorpen binnen om te leven van de liefdadigheid. (33) Toen ze hem die zich vertoonde als een oude vieze bedelaar zagen, werd hij door mensen van lagere komaf onteerd met een hoop beledigingen, mijn beste. (34) Sommigen van hen pakten hem de drievoudige staf af, zijn bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden. Die lieten ze hem dan zien en boden ze opnieuw aan, en dan pakten ze ze weer van hem af. (35) En als hij aan de oever van de rivier zijn deel van het voedsel wilde genieten dat hij had vergaard met zijn bedelen, urineerden de grote zondaars erop en spuugden ze op zijn hoofd. (36) Hij die volgens de gelofte van de stilte niet sprak ranselden ze af en maakten ze met hun woorden belachelijk zeggend: 'Deze hier is een dief'. En met dat ze dat zeiden bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen daarbij uitriepen: 'Bindt hem vast, knevel hem!'(37) Sommigen kritisee rden hem beledigingen toeslingerend als: 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom nadat ie door zijn familie werd uitgestoten, zich hier maar op heeft toegelegd'. (38-39) 'Kijk eens hoe deze persoon zo machtig en standvastig als een grote berg, in stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven met dergelijke opmerkingen de spot met hem, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, terwijl ze hem vastketenden, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een huisdier. (40) Aldus onderworpen aan alles wat anderen hem aandeden, de hogere machten voor hem in petto hadden en hij aan zichzelf te danken had [zie kles'a], begreep hij dat wat hem ook overkwam hem door het lot werd toebedeeld. (41) Beledigd door laag bij de grondse mensen die hem uit zijn tent probeerden te lokken, zong hij, zich strak aan zijn plichten houdend en vastbesloten vanuit het goede, het volgende lied [zie ook B.G. 18: 33].
(42) De brahmaan zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch is het te wijten aan de halfgoden, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd. Het is, zoals het heersend gezag dat stelt [de s'ruti], niets dan de geest die de oorzaak is. Het is de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven. (43) De geest die blijk geeft van de kwaliteiten der geaardheden wordt sterk door hen bepaald en geeft aanleiding tot de verschillende soorten van witte [goedheid], rode [hartstocht] en zwarte [onwetendheid] handelingen die leiden tot de omstandigheden [de maatschappelijke klassen] die corresponderen met dezelfde kleuren. (44) De Superziel die niet erbij betrokken zijnde en goud [stralend in zijn eigen licht] zijn bestaan heeft naast de worstelende geest, mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die, met het beeld van de wereld dat hij in zich draagt, de zinsobjecten koestert. Het is in die betrokkenheid bij de geaardheden van de natuur dat men [als de vonk van God die de individuele ziel is] verstrikt raakt in de gehechtheid [zie ook B.G. 3.42: 43]. (45) Liefdadigheid, het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en de zuivering door geloften houden alle het onderwerpen van de geest in. En daarbij is het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de geest [samâdhi], het doel van de activiteiten. (46) Zeg me wat voor nut rituelen en dergelijke voor iemand nog hebben wiens geest eenmaal tot rust is gekomen in het volmaakt verankerd zijn in liefdadigheid en andere processen? En [omgekeerd] hoe kan men zich bezighouden met deze processen van liefdadigheid en dergelijke als men de weg kwijt is met een geest die men niet onder controle heeft? (47) Sedert mensenheugenis valt al het overige, de [zinnen en hun] goden bijvoorbeeld, onder de controle van de geest en valt de geest nimmer onder de controle van ook maar iets of iemand anders [dan de Allerhoogste]. Angstwekkend als een god [Aniruddha] is hij dienovereenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36, *]. (48) Erin mislukkend [als men werelds betrokken is] die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [zie B.G. 6: 6] die in zijn aandrang zo moeilijk te beheersen kwelt en toeslaat, veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn, onnodige tweestrijd en zijn dan met de stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen. (49) Met het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van hun geest, in de zin van 'ik' en 'mijn', dwalen de mensen rond in duisternis wiens intelligentie verblind is door deze moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand anders'. (50) Met het stellen dat [adhibhautika] deze of gene mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, kan men zich afvragen welke ruimte dit begrip dan aan de ziel biedt; geluk en leed behoren de aarde toe [en niet de ziel]. Op wie zou je boos moeten zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen tanden? (51) Als men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden, hoe houdt dat lijden dan verband met de ziel als die pijn geheel en al onderhevig is aan verandering [terwijl de ziel dat niet is]. Op wie zou het levende wezen ooit boos moeten zijn als het ene lichaamsdeel het andere pijn doet? (52) Als de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, kan er door een andere aard dan die van iemand zelf er geen sprake zijn van lief en leed. Het is immers zo dat niets losstaat van de ziel. Zo'n claim zou vals zijn. Maar kan men [zichzelf of de ziel als] de schuldige aanwijzen als er geen geluk en leed is [in de ziel die de getuige is. Zie B.G. 2: 14]? (53) Als de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe kan dat dan verband houden met de ziel die niet geboren wordt. De hemellichamen hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen. Een planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten. Op wie moet het levend wezen, als men het onderscheidt van zijn [hemel-]lichaam, nu kwaad worden? (54) Als we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen? Duidelijk is dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam dat toegerust is met bewustzijn en [op zichzelf] niet leeft anderzijds, geen van beiden de grondoorzaak van het karma vormen natuurlijk. Wat blijft er dan nog over om je druk over te maken? (55) Als we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel met dat idee? De ziel blijft [onaangedaan] bij de tijd, zoals een vuur zich niet aan zijn vlammen brandt of de sneeuw niet [onder zijn kou zal lijden]. Op wie moet je nu kwaad worden als de dualiteit niet opgaat voor het allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en tijdcitaten]? (56) Niet door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er voor hem, [de geestelijke ziel] superieur in bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat gestalte geeft aan het materiële bestaan. Hij die tot dit inzicht komt heeft niets te vrezen van andere levende wezens. (57) Door de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk te overwinnen oceaan van materiële onwetendheid over kunnen steken. Hier ben ik zeker van dankzij de genade van de grote zieners uit het verleden [of de âcârya's] die verankerd zijn in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6: 1-2].'
(58) De Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht geraakt, met zijn huis achter zich gelaten en met zijn vrij van neerslachtigheid over de aarde rondtrekken en desondanks beledigd zijn door schurken, zond de wijze die zijn plichtsbetrachting niet had opgegeven dit lied op. (59) Wat betreft de oorzaak van het verdriet en leed van een individuele ziel is er geen andere dan de geest. Het is de geest die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9: 29]. (60) Daarom in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie die in Mij is verzonken de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip] van de yoga [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka-vers 1]. (61) Wie dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd worden door de dualiteiten.'
Voetnoten:
*: Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische mâyâvâda-boeddhistische techniek om je op je essentie te concentreren en vormt een bewust gecreëerde illusie [zie Boeddhisme]. Neti-neti zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang. Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties, moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift, de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga sûtra's I.1&2 atha yogânus'ânamam, yogah citta vritti nirodah, moeten worden vertaald met 'nu, als de les van de yoga, ga het gepieker tegen van de geest over wereldse zaken' en niet met 'de yogales nu bestaat eruit de werking van de geest te stoppen'. Natuurlijk moet je je verstand gebruiken, je geest inzetten in gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem van God; de geest is per slot van rekening een aspect van het goddelijke bestuurd door Aniruddha in de catur vyûha (zie ook vritti en siddhi).
De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarvan op de hoogte is een persoon meteen in staat de verbijstering die is gebaseerd op de dualiteit los te laten. (2) In den beginne, in het tijdperk der plichtmatigheid [Krita] en voor die tijd bestonden er mensen van een hoog onderscheidingsvermogen voor wie de ziener en het geziene eenvoudigweg één en hetzelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (3) Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen die de materiële natuur voortbracht enerzijds en het grote geheel [de integriteit van de natuur zelf] anderzijds [prakriti en purusha, zie 11.22]. (4) Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, die bestaat uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken, symmetrie en complementariteit], terwijl het andere wezen hij is, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (5) Als antwoord op de verlangens van het levende wezen manifesteerden zich door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], zich de geaardheden: tamas, rajas en sattva [de guna's]. (6) Vanuit de realisatie van dezen deed zich de mogelijkheid van de leidraad van de oer-natuur voor [de sûtra] omdat in de transformatie van de grotere werkelijkheid [de mahat-tattva] die daarmee gemoeid is zich de identificatie ontwikkelde [van de purusha als ahankâra die leidde tot vals ego], hetgeen de oorzaak van de verbijstering is. (7) Dat ik-bewustzijn [of valse ego] is aldus van de drie categorieën en [bedient overeenkomstig afwisselend] met emotie, helderheid en onwetendheid [zich van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (8) Uit de traagheid van het valse ego ontwikkelden zich de subtiele gevoelens met de grove materie, aan de helderheid ervan ontsproten de zintuigen, en uit de goedheid van het geïdentificeerde zelf ontwikkelden zich de elf goden [zie deva]. (9) Door het onder Mijn invloed samengaan van al de elementen kwam het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].
(10) In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnenin dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8]. (11) Hij, de ziel van het universum gedrven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], samen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (12) De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (13) De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen van de zielen die verstrikt zijn in de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (14) Door boete, yoga en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (15) Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid. (16) Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn van de manifestatie, is allemaal het product van de combinatie van de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (17) Dat wat de oorzaak vormt van iets is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht. De transformatie [zowel als het ingrediënt en hij die transformeert en niet zozeer deze of gene vorm] is het werkelijke van alledaagse gebruiksvoorwerpen als zaken van goud en dingen van klei [vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (18) Iets dat werkzaam is als een voorafgaand ingrediënt in de productie van een ander ding dat aldus een modificatie van dat ingrediënt is, wordt het ware van iets genoemd als het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (19) De materiële natuur die de basis vormt [âdhâra] van het oorzakelijke ingediënt [het getransformeerde], het ware van de Oorspronkelijke Persoon [Hij die transformeert], en dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [de transformatie], deze drie [resp. prakriti, Purusha en kâla] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het Brahman] die Ik ben. (20) Zolang Ik erop toezie zal de rijke schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten generatie na generatie zonder ophouden worden gehandhaafd tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24]. (21) Als de universele gedaante die van Mij doordrongen is de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden ervoor in aanmerking om [weer op te lossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking vervolgens in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als het ahânkara ego van de passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn rustplaats vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelve verblijvend alleen overblijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Net zoals de duisternis zich niet kan handhaven met de zon die oprijst aan de hemel, kan ook van degene die dit nauwlettend bestudeert de verbijstering van de geest der dualiteit zich niet handhaven in het hart. (29) Dit is wat Ik, Hij die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, had te zeggen wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] welke de band der twijfels doorbreekt van mensen die in hun levens met de stroom mee en tegen de stroom inroeien.'
De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven
(1) De Opperheer zei: 'O beste van alle personen, probeer te begrijpen wat Ik je nu ga zeggen over de manier waarop iemand wordt beïnvloed door een bepaalde geaardheid van Mijn materiële natuur [*]. (2-5) Met de geaardheid goedheid vindt men gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, tolerantie, onderscheidingsvermogen, boetvaardigheid, waarachtigheid, mededogen, heugenis, tevredenheid, verzaking, begeerteloosheid, gelovigheid, bescheidenheid en innerlijke tevredenheid. Met de geaardheid hartstocht loopt men op tegen lusten, ondernemingszin, zelfmisleiding, ongenoegen, hoogmoed, een verlangen naar complimenten [m.n. bij vrouwen], partijdigheid, zinsbevrediging, overhaast tewerk gaan, behoefte aan erkenning, hoon, machtsvertoon en straffen met harde hand. Met de geaardheid onwetendheid is er intolerantie, hebzucht, bedrieglijkheid, geweld, hysterie, huichelarij, lusteloosheid, ruzie, weeklagen, begoocheling, depressiviteit, laksheid, valse hoop, angst en indolentie. Dezen, de een na de ander beschreven, vormen het leeuwendeel van de effecten van de geaardheden. Verneem nu over hun combinaties [zie ook B.G. 14]. (6) O Uddhava, de alledaagse handelingen in de geest van 'ik' en 'mijn' zijn er zo van hun combinatie, net zoals de activiteiten van de geest, de zinnen, hun voorwerpen en de vormen van de levensadem er zijn als een combinatie van hen [zie ook 11.23: 49, 11.24: 7, 11.24: 13]. (7) Als een persoon verankerd is in religiositeit, economische ontwikkeling en zinsbevrediging brengt ieder van de geaardheden zich onderling vermengend hierbij het geloof, de weelde en het plezier met zich mee. (8) In het geval iemand in de rol van een huishouder [rajas] van een toewijding is die zich kenmerkt door een materieel gemotiveerde praktijk [tamas] en als gevolg daarvan vasthoudt aan zijn persoonlijke [religieuze] plichtsvervulling [sattva] is er duidelijk sprake van een combinatie van geaardheden. (9) Uit een persoon zijn kalmte kan men afleiden dat hij bewogen wordt door goedheid, zijn lust duidt op de geaardheid hartstocht en uit zijn woede kan men opmaken dat hij in de greep van onwetendheid verkeert. (10) Als iemand Mij, met het vervullen van zijn plichten, onafhankelijk van het behalen van resultaten aanbidt met toewijding, moet men begrijpen dat een dergelijke man, danwel vrouw, zich bevindt in de geaardheid goedheid. (11) Mij met zijn plichten aanbidden in de hoop op zegeningen moet men begrijpen als zijnde van de geaardheid hartstocht, en als men het doet met geweld op het oog behoort dat tot de onwetendheid [zie ook B.G. 17: 20-22]. (12) Men zou kunnen zeggen dat de geaardheden sattva, tamas en rajas betrekking hebben op de individuele ziel en niet op Mij; men is aan hen gebonden omdat ze, zoals ze zich in de geest opwerpen, leiden tot iemands gehechtheid aan materiële resultaten [zie ook B.G. 4: 14]. (13) Als de geaardheid goedheid - welke zuiver is, van het licht en goedgunstig - heerst over de andere twee, zal een man gezegend zijn met geluk, religiositeit, kennis en andere goede eigenschappen [zie ook B.G. 14: 11, 18: 37]. (14) Als de hartstocht het wint van zowel de goedheid als de traagheid raakt men verstrikt in baatzuchtige arbeid, het verdedigen van een goede naam en het welvarend zijn, omdat men dan door de gehechtheid van het partijdige en veranderlijke is en dus ongelukkig [zie ook B.G. 14: 12, 18: 38]. (15) Als onwetendheid hartstocht en goedheid overvleugelt is men zijn onderscheidingsvermogen kwijt, is het bewustzijn oversluierd, verliest men zijn initiatief en beland men in verbijstering en geklaag, met te veel slapen, geweld en valse verwachtingen [zie ook B.G. 14: 13, 18: 39]. (16) Als het bewustzijn weer helder wordt en de zinnen niet langer worden afgeleid, heeft men lichamelijk zelfvertrouwen en is men van een onthechte geest; dan kan men spreken van de goedheid van Mijn toevlucht. (17) De hartstocht herken je aan de volgende symptomen: de intelligentie is verstoord door te veel drukte, men slaagt er niet in zich los te maken van het zintuiglijke, men voelt zich niet op zijn gemak met zijn lichaam en de geest is wispelturig. (18) Falen in de hogere functies van het bewustzijn, versuffen, je niet kunnen concentreren, je verstand verliezen, in het duister tasten en neerslachtig zijn moet je begrijpen als behorend tot de geaardheid onwetendheid. (19) Neemt de geaardheid goedheid toe, dan neemt de kracht van de godsbewusten toe, neemt de hartstocht toe dan winnen de onverlichte zielen aan kracht en als de geaardheid onwetendheid toeneemt, o Uddhava, treedt de wildeman naar voren. (20) Weet dat de bewustzijnstoestand van het waken er is bij genade van de geaardheid goedheid, dat slaap een aanduiding vormt voor de hartstocht, dat de diepe slaap er is met de onwetendheid van het levende wezen, terwijl de vierde staat [turîya, het transcendentale] de drie doordringt [zie ook 7.7: 25 en B.G. 6: 16]. (21) In de geaardheid goedheid klimmen spirituele mensen hoger en hoger op, in de geaardheid onwetendheid zakt men, het hoofd eerst, steeds verder af en in de geaardheid hartstocht blijft men halverwege steken [zie ook B.G. 6: 45, 16: 19]. (22) Zij die sterven in de geaardheid goedheid gaan naar de hemel, zij die heengaan in hartstocht gaan naar de wereld der mensen en zij die dood gaan in onwetendheid gaan naar de hel. Maar zij die vrij zijn van de geaardheden komen naar Mij [zie ook B.G. 9: 25, 14: 18]. (23) Werk plichtmatig gedaan als een offer voor Mij zonder de resultaten te verlangen, verkeert in de geaardheid goedheid, werk gedaan met het oog op een of ander resultaat verkeert in de geaardheid hartstocht en als men gewelddadig tewerk gaat of jaloers en zo, verkeert men in de geaardheid onwetendheid [B.G. 17: 20-22]. (24) Kennis in de geaardheid goedheid is emancipatoir [van de verlichting], in hartstocht is men meningen toegedaan en in onwetendheid is men van een materialistische overtuiging. Spirituele kennis daarentegen die op Mij is gericht beschouwt men als vrij van de geaardheden [zie ook 6.14: 2]. (25) Als men zijn verblijf heeft in het woud [men een kluizenaar is] is men van de geaardheid goedheid, als men onder de mensen verblijft [familie] is men van de hartstocht zo zegt men, en als men zich ophoudt in een gokhuis is men van de geaardheid onwetendheid, maar Mijn verblijf bevindt zich boven de geaardheden [zie ook 7.12: 22, 11.18: 25]. (26) Een werker vrij van gehechtheid is van de geaardheid goedheid, verblind door persoonlijke verlangens is men een man van de hartstocht, en bij iemand die het niet meer helder voor ogen staat spreekt men van onwetendheid [zie 11.22: 38-39]. Hij [echter] die bij Mij zijn toevlucht heeft gezocht is vrij van de geaardheden. (27) Als men van de ziel is verkeert het geloof in goedheid, maar als men van de hartstocht is hecht men geloof aan vruchtdragend handelen, aan karma. Areligieus zijnd is men van de geaardheid onwetendheid, maar dat geloof dat Mij ten dienste staat is ontstegen aan de geaardheden. (28) Voedsel dat zonder moeite verkregen wordt, goedgunstig is en zuiver beschouwt men als zijnde van de geaardheid goedheid, [sterk] appellerend aan de zintuigen is het van de geaardheid hartstocht en onzuivere voeding die iemand doet lijden is van de onwetendheid [zie ook B.G. 17: 7-10]. (29) Geluk ontleend aan de ziel is van de geaardheid goedheid maar opgewekt door zinsobjecten is het van de hartstocht. Men spreekt van de geaardheid onwetendheid als men zijn geluk ontleent aan misvatting en ontaarding, maar geluk dat vrij is van de geaardheden treft men in Mij aan [zie 11.15: 17 & B.G. 5: 21, maar ook 6: 7].
(30) En aldus behoren de materiële substantie, de plaats, de vrucht van het handelen, de tijd, de kennis, de handeling, degene die handelt, het geloof, de staat van bewustzijn en de bestaansvormen en levensbestemmingen, allen tot de drie guna's. (31) Alle vormen van bestaan die men ziet, hoort of die men zich voor de geest haalt, worden, samengesteld als ze zijn uit de guna's, gereguleerd en bewaakt door de genieter die subtiel van aard is, o beste onder de mannen [zie ook linga]. (32) Deze bestaansvormen [en levensstadia] van de genieter ontstaan uit het karma dat men heeft met de geaardheden der natuur. O zachtmoedige, door de individuele ziel die Mij toegewijd is in bhakti-yoga worden de zich in de geest manifesterende geaardheden overwonnen. Een dergelijke ziel komt in aanmerking voor Mijn bovenzinnelijke liefde. (33) Daarom moeten zij die dit menselijk lichaam verwierven, zo slim zijn de geaardheden uit hun hoofd te zetten en Mij aanbidden, de bron van de kennis en wijsheid. (34) Een geschoold, wijs mens die vrij van begoocheling is moet Mij zonder gehechtheid aanbidden en, met zijn zinnen onder controle zich wendend tot de geaardheid goedheid, de geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid overwinnen. (35) En ook de geaardheid goedheid moet hij aldus verbonden [in toewijding] overwinnen. De ziel wiens intelligentie de vrede vond door zich niet te bekommeren om de geaardheden, raakt bevrijdt van hen met het opgegeven hebben van dat wat de oorzaak vormde van de verhulling van zijn ziel en bereikt Mij. (36) Het levende wezen, dat als een individuele ziel door Mij aldus is bevrijd van de geaardheden der natuur die zich in zijn geest nestelden, vindt zo, door de werking van de Absolute Waarheid, de volkomenheid en hoeft noch wat betreft het innerlijk noch wat betreft het uiterlijke bestaan nog langer rond te dolen.'
Voetnoot:
* Het woord natuur kan letterlijk worden genomen als de geaardheden in de zin van de seizoenen en hun bijbehorende primaire godheden. Krishna zegt dat Vishnu, die de oorspronkelijke beheerser boven de geaardheden is, de beste van alle goden is [10.89: 14-17], van de goedheid is [11.15: 15], de zuiverste geaardheid [B.G. 14: 6], die leidt tot de goddelijkheid die Hij is [B.G. 14: 14] en dat van de seizoenen Hij het lenteseizoen is [B.G. 10: 35]. Als zodanig is de lente/herfst Zijn seizoen van evenwicht en de geaardheid goedheid. Op dezelfde manier is de onbeweeglijkheid van de koude representatief voor de geaardheid onwetendheid die beheerst wordt door S'iva en is de hyperactiviteit en hitte van de zomer een verto0n van de geaardheid hartstocht waarover Brahmâ heerst.
Het Lied van Purûravâ
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het hebben verworven van dit menselijk lichaam bereikt men, onder Mijn leiding levend met Mijn dharma, de Opperziel van het Spiritueel Geluk, Mij, die Zich bevindt in het hart. (2) Door toegewijd vast te houden aan de kennis der zelfverwerkelijking raakt de ziel die geheel loskwam van dat wat hem materieel afzonderde [de identificatie], niet verstrikt temidden van de illusoire producten van de materiële geaardheden die tijdgebonden als ze zijn niets wezenlijks voorstellen ondanks het feit dat ze zich als echt in het hier en nu voor zijn ogen manifesteren. (3) Men moet nooit en te nimmer de omgang zoeken met materialisten gewijd aan het bevredigen van hun geslachtsdelen en magen omdat hij die dergelijke mensen volgt, net als een blinde die zich laat leiden door een blinde, in de donkerste put beland. (4) De nakomeling van Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook 9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong het volgende machtige lied toen hij een einde wist te maken aan zijn verbijstering, door zich te vermannen in de onthechting die hij in zijn scheiding van Urvas'î voelde. (5) Toen ze hem verliet rende hij bij haar vertrek haar als een waanzinnige naakt achterna tegen haar schreeuwend: 'O mijn echtgenote, jij vreselijke vrouw, stop alsjeblieft!' (6) Na al die jaren nog steeds niet te zijn voldaan met het bevredigen van zijn onbeduidende lusten, besefte hij wiens geest bezeten was van Urvas'î niet hoeveel dagen en nachten er zo waren verstreken.
(7) Aila zei: 'Hoe betreurenswaardig de mate waarin ik begoocheld raakte! Met mijn bewustzijn besmet door de lust was ik, in de kraag gegrepen door deze godin, me niet bewust van het verstrijken van mijn tijd van leven. (8) Onder haar invloed had ik, helaas, voor zo vele jaren die zo vele dagen omvatten, er werkelijk geen idee van of de zon nu op- of onderging. (9) Hoe onfortuinlijk die totale verbijstering van mij waardoor het lichaam van deze machtige keizer, dit kroonjuweel der koningen, een knuffelbeest werd voor de vrouwen! (10) Toen ze mij, de machtige heerser, met mijn hele koninkrijk erbij achterliet als was ik een grasspriet, holde ik, schreeuwend als een waanzinnige, naakt achter de vrouw aan. (11) Waar nu blijf ik met de invloed, kracht en macht van de persoon die ik ben? Ik holde achter deze vrouw aan die wegliep bij mij, net als een ezel die met de hoef ter afstraffing in het gezicht wordt getrapt! (12) Wat voor nut heeft de kennis, de verzaking en de boete, het aandacht besteden aan de geschriften, of wat voor zin heeft de afzondering en stilte voor hem wiens geest in beslag wordt genomen door vrouwen? (13) Naar de hel met de dwaas die ik ben en die niet weet wat goed voor hem is, ik die dacht een geleerde te zijn met het bereiken van een oppermachige positie, maar in de greep van de vrouwen belandde als was ik een os of een ezel! (14) Met al die jaren dat ik Urvas'î's lippen bediende kreeg ik, met de lust die aan mijn geest ontsproot, nimmer genoeg van de nectar, net als een vuur dat men nimmer tevreden kan stellen met offergaven. (15) Wie, behalve de Innerlijk Voldane Heer der Wijzen, de Opperheer die Boven het Zintuiglijke staat, zou ertoe in staat zijn iemand anders te verlossen die zijn verstand verloor met een dame van plezier? (16) Mezelf niet in de hand hebbend zag ik, traag van begrip, geen einde komen aan mijn verwarring, ookal werd ik door de godin welbespraakt met adviezen bijgestaan [zie 9.14: 20-22]. (17) Wat kan zij t.o.v. een 'ziener' als ik nu verkeerd gedaan hebben, ik die een stuk touw voor een slang houdend niet doorheeft wat hij werkelijk voor zich heeft? Ben ik niet degene die zijn zinnen niet de baas was? (18) Wat heeft dit vuile lijf, onrein, vol van kwalijke luchten, nu te bieden, wat stellen die 'bloeiende kwaliteiten' enzovoorts nu voor eigenlijk, ze vormen duidelijk een valse schijn die is gebaseerd op onwetendheid! (19-20) Het valt niet uit te maken of dit lichaam toebehoort aan je ouders, echtgenote, werkgever, het vuur, de honden en jakhalzen, de ziel of je vrienden. Aan die afstotelijke materie raakt men [niettemin] gehecht en men steekt als het om een vrouw gaat de loftrompet over een lief neusje, een mooie glimlach en een mooi gezicht, maar men stevent er recht mee op de laagste bestemming af. (21) In welk opzicht verschilt men nu van wormen als men geniet van dat wat is samengesteld uit huid, vlees, bloed, spieren, vet, beenmerg en been, urine, ontlasting en pus? (22) Als je doorhebt wat het beste voor je is, moet je er niet over peinzen vrouwen achterna te lopen of met mannen om te gaan die vrouwen achterna lopen, dit enkel vanwege het feit dat de geest verenigd met de zinnen reikt naar de zinsobjecten en zo van streek raakt [vergelijk 5.5: 2, 7.12: 9, 9.19: 17, 9.14: 36]. (23) Een ding dat men niet ziet of hoort geeft geen aanleiding tot mentale beroering, hij immers die zijn zintuigen niet inzet vindt de vrede, hij heeft zijn geest in bedwang. (24) Als de zintuigen met de zes vijanden van de geest [shath-varga], nog zelfs niet door de wijzen kunnen worden vertrouwd, wat zou iemand als ik dan moeten doen? Daarom moet men zich niet hechten aan vrouwen of omgang zoeken met mannen die aan vrouwen gehecht zijn [zie ook yoshita].'
(25) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij die als de god der goden en mensen aldus zijn [klaag]lied zong, gaf toen de wereld van Urvas'i op. Met het zich realiseren van Mij, de Superziel, in zijn hart vond hij de vrede en kwam door de bovenzinnelijke kennis een einde aan zijn illusie. (26) Iemand die verstandig is rekent daarom af met slecht gezelschap. Hij kan zich maar beter hechten aan toegewijden, omdat men alleen maar door de woorden van heiligen kapt met de diepe gehechtheid van de geest. (27) De toegewijden die hun geesten op Mij hebben gericht zijn niet afhankelijk [van lusten] en zijn met een gelijkgezinde blik geheel vreedzaam, vrij van bezitsdrang, vals ego, tegenstellingen en begeerte. (28) O allerfortuinlijkste ziel, deze hoogst fortuinlijke zielen bespreken voortdurend Mijn verhalen. Deze gesprekken hebben het vermogen om van een ieder die eraan deelneemt de zonden geheel uit te wissen. (29) Zij die luisteren, zingen en ze daadwerkelijk met respect ter harte nemen, zij trouw van ziel die van dat besluit zijn, bereiken Mijn toegewijde dienst. (30) anders zou er verder nog overblijven [nog te berevoor de toegewijde die het heeft gebracht tot Mijn toegewijde dienst, de dienst van Mij van de Talloze Kwaliteiten, Ik die de Absolute Waarheid ben die de Ervaring van het Geestelijk Geluk Omvat. (31) Net als de koude, de angst en de duisternis zich zal oplossen voor hem die zijn beroep doet op de allerhoogste zegening van het vuur [Agni], wordt evenzo de traagheid van begrip, het gevoel van onveiligheid en de onwetendheid weggenomen van degene die de godsvruchtigen van dienst is. (32) Voor hen die kopje onder gaan en weer boven komen drijven in de angstwekkende oceaan van het materieel bestaan vormen de vrome toegewijden, die zo vreedzaam zijn in hun begrip van het Absolute, een hoogst verheven toevlucht zo goed als een sterk schip in het water voor een drenkeling [vergelijk 11.23: 28 en 11.17: 44]. (33) Met het voedsel als dat wat de levende wezens doet leven, met Mij als de toevlucht van hen die in nood verkeren en de religie als dé verworvenheid voor mensen die overlijden, vormen de toegewijden de toevlucht voor hen die er beducht voor zijn af te glijden. (34) De toegewijden schenken je de ogen terwijl de zon je de wereld laat zien nadat hij opging; de toegewijden zijn degenen die te aanbidden zijn, je [ware] familie, evenzogoed als ze je eigenlijke ziel zijn en ook Mij vertegenwoordigen [zie ook b.v. 1.1: 15, 3.5: 47, 3.6: 28, 11.2: 6]. (35) Hij [Purûravâ] die zich om die reden aan het Allerhoogste had overgegeven, reisde, aldus bevrijd van het verlangen naar de wereld van Urvas'î, verlost van alle gehechtheid en waarlijk in zichzelf tevreden rond over deze aarde.'
Over het Respecteren van de Vorm van God
(1) S'rî Uddhava zei: Kan Je alsJeblieft de yoga uitleggen van het dienen van Jou als beeltenis, o Meester. Wie is van die aanbidding, welke vorm respecteert men in die aanbidding en op welke manier aanbidt men Je dan, o Meester van de Sâtvata's [zie ook mûrti en 11.3: 48-55]? (2) De wijzen Nârada, Bhagavân Vyâsa en mijn leermeester de zoon van Angirâ [Brihaspati] zeggen herhaaldelijk dat er niets zo bevorderlijk is voor iemands welzijn. (3-4) De woorden die hierover uit Jouw lotusmond vloeiden werden gebezigd door de grote ongeboren Heer [Brahmâ] sprekend tot zijn zoons met Bhrigu aan het hoofd, en door de grote Heer S'iva pratend met de godin [Pârvatî, zie B.G. 3: 9-10]. Dit [dienen van Uw beeltenis] wordt op prijs gesteld door alle klassen en geestelijke orden van de samenleving en is, denk ik, het meest geschikt voor vrouwen en de werkende klasse, o Grootmoedige. (5) O Heer met de Lotusogen, alsJeblieft, o Beheerser van Alle Beheersers van het Universum, spreek tot Je bhakta, die zo vol gehechtheid is, over deze manier om bevrijd te raken van de karmische gebondenheid.'
(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Er is geen einde aan de talloze voorschriften voor wat men moet doen in [bhakti-]yoga [zie b.v. B.G. 1-6]; dus, Uddhava, laat Me het in het kort netjes, stap voor stap uitleggen. (7) Men moet naar behoren van aanbidding zijn door te kiezen voor een van de drie soorten van processen van eerbetoon: zoals het moet overeenkomstig de Veda's, overeenkomstig de verklarende literatuur [tantra's als de Pañcarâtra] en overeenkomstig een combinatie van hen. (8) Alsjeblieft luister goed naar de manier waarop een persoon, die naar de voor hem relevante voorschriften [*] de status van een tweede geboorte verwierf, met toewijding van aanbidding moet zijn voor Mij. (9) Met de noodzakelijke hulpmiddelen moet hij, verbonden in de bhakti, vrij van nevenmotieven Mij, zijn aanbiddelijke goeroe, vereren met behulp van een beeltenis, of met een altaar, met een vuur, met de [stand van de] zon, met water of met Mij als zijnde aanwezig in het tweemaal geboren hart zelf [**]. (10) Wat betreft de twee soorten van zuivering moet men eerst een bad nemen en zijn tanden poetsen en ten tweede een bad nemen in de mantra's met gebruikmaking van klei en dergelijke [zie tilaka, kavaca en 6.8: 3-10]. (11) Teneinde zijn karma af te schudden behoort hij die volmaakt gefixeerd is in zijn overtuiging over te gaan tot Mijn rituele aanbidding [pûjâ] met het naleven van in de Veda's voorgeschreven plichten [zie ook 11.14: 35] als het respecteren van ceremonies en dergelijke op de drie overgangstijden van de dag.
(12) Er zijn acht soorten van vormen waarmee men zich Mij herinnert: in steen, hout, metaal, een smeerbare substantie [zoals klei], geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeld dat men vasthoudt in de geest. (13) De persoonlijke gedaante die er aldus in twee soorten is - te weten, wel en niet aan verandering onderhevig - hoeft, in geval van een permanente installatie in de tempel, o Uddhava, niet tevoorschijn worden gehaald (âvâhana) of weer worden opgeborgen (udvâsa). (14) Tijdelijk geïnstalleerd heeft men deze twee opties, maar met het toewijzen van een vaste plaats doen zich de volgende twee mogelijkheden voor: niet uit een smeerbare substantie bestaand [of van verf of hout] wordt het gewassen, maar in alle andere gevallen wordt het gereinigd zonder water. (15) Er is de aanbidding van de verschillende vormen van Mij met hulpmiddelen van de beste kwaliteit en er is de aanbidding van een toegewijde vrij van materiële verlangens die gebruik maakt van wat er maar zonder moeite voorhanden is, zowel als voorzeker de aanbidding in het hart met behulp van wat men zich in de geest voorstelde.
(16-17) Gewoontegetrouw baden en opsieren wordt het meest op prijs gesteld met een beeltenis [in de tempel], Uddhava, voor een altaar is dat een oefening van respect in mantra's [tattva-vinyâsa] en voor het vuur worden offergaven [van sesam, granen e.d.] verzadigd van de ghee het beste geacht. Voor de zon is dat een respectvolle begroeting met een meditatie in âsana's [zie Sûrya-namskar] en voor het water zijn offergaven van water en dergelijke [Mij] het liefst. (18) Als zelfs maar een beetje water dat door Mijn bhakta wordt aangeboden met geloof [Mij] het meest dierbaar is [zie ook B.G. 9: 26], hoeveel te meer zou dat dan niet voor voedsel, bloemen, lampen, geuren en wierook gelden? Daarentegen zal het vele dat wordt geofferd door niet-toegewijden niet Mijn bevrediging teweegbrengen [zie ook B.G. 16]. (19) Goed gewassen, de noodzakelijke hulpmiddelen bijeen gebracht hebbend, met de halmen [van het kus'agras] van de zitplaats die werd geregeld naar het oosten gericht, en neerzittend met het gezicht naar het oosten of het noorden, of anders direct met de beeltenis voor zich, moet hij dan van eerbetoon zijn [vergelijk 1.19: 17, 4.24: 10, 8.9: 14-15]. (20) Met het zingen van mantra's en het toewijzen ervan aan zijn eigen lichaam en het lichaam van Mijn beeltenis moet hij [het altaar en de beeltenis] met de hand schoonvegen en op de goede manier de heilige dienschaal en het vat voor het sprenkelen van het water voorbereiden. (21) Met het water van het vat de plek van de beeltenis, de gebruiksartikelen en zijn eigen lichaam besprenkelend, moet hij vervolgens drie vaten met water klaarzetten en voorzien in de nodige goedgunstige zaken die beschikbaar zijn [zoals bloemen, granen, grashalmen, sesamzaad, etc., zie ***]. (22) Met de drie watervaten die er zijn voor het water voor Zijn voeten [pâdya], Zijn handen [arghya], en Zijn mond [âcamana] moet de aanbidder dan van zuivering zijn met de mantra's voor [respectievelijk] het hart [hridayâya namah], het hoofd [s'îrase svâhâ] en de pluk met haar [s'ikhâyai vashath] alsook met de Gâyatrî. (23) Hij wordt geacht te mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante van Mij die, binnenin dit lichaam dat volledig zuiver is dankzij de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het hart en wordt ervaren in het laten weerklinken van de Pranava [zie ook 2.2]. (24) Met behup van die, vanuit zijn eigen realisatie begrepen, bemediteerde gedaante volmaakt van aanbidding zijnde in het lichaam dat, van Zijn aanwezigheid doordrongen geraakt, zich oplaadde, moet hij gewetensvol het eerbetoon uitvoeren waarbij hij Hem uitnodigt [nyâsa] door Zijn ledematen te beroeren met mantra's zodat hij zich met de gerespecteerde beeltenis en met alles wat er nog meer bij kwam kijken kan verenigen. (25-26) Men moet terwille van het realiseren van beide [het plezier en de bevrijding], met achting voor zowel de Veda's als de tantra's, met behulp van de artikelen der aanbidding voor Mij de offers brengen van het pâdya, arghya en âcamana water, na zich voor zichzelf een voorstelling te hebben gemaakt van Mijn zitplaats met de negen s'akti's en [de beeltenissen van] het dharma enz. [*4] als zijnde een stralende lotus met acht kelkbladen met binnenin de werveling de saffranen meeldraden. (27) De een na de ander moet hij de Heer Zijn schijfwapen [de Sudars'ana cakra], Zijn schelphoorn [de Pâñcajanya], Zijn knots [de Kaumodaki] en Zijn pijlen en boog achten [de S'arnga], Zijn [Balarâma voorwerpen van de] ploeg en het kaakbeen [hala en mushala], Zijn juweel [de Kaustubha], Zijn bloemenslinger [de Vaijayantî] en Zijn krul met witte haren op Zijn borst [de S'rîvatsa]. (28) Garuda, Nanda, Sunanda, Pracanda, Canda, Mahâbala Bala, Kumuda en Kumudekshana [zijn de namen van Zijn draagvogel en acht metgezellen]. (29) Durgâ, Vinâyaka [Ganes'a], Vyâsa, Vishvaksena [zie 6.8: 29, 9.21: 25-26], de geestelijk leraren en de goddelijken behoren ieder vanaf hun eigen plaats met hun gezicht naar de beeltenis van de Heer toegedraaid te worden aanbeden met het sprenkelen van water en andere rituelen [*5]. (30-31) Gebruik makend van met sandelhout, us'îra wortel, kamfer, kunkuma en aguru geparfumeerd water, behoort de aanbidder iedere dag [de beeltenis] te baden voor zover zijn middelen het toestaan; ook moet hij hymnen aanheffen, zoals die van het vedisch hoofdstuk bekendstaande als Svarna-gharma, de aanhef genaamd Mahâpurusha, de Purusha-sûkta [uit de Rig Veda] en gezangen uit de Sâma Veda zoals de Râjana en dergelijke. (32) Met kleding, een heilige draad, sierselen, tilaka-tekens, bloemenslingers en geurige oliën behoort Mijn toegewijde Mij met liefde op te sieren zoals is voorgeschreven. (33) Hij die van aanbidding is moet met geloof Mij pâdya en âcamana water, geuren en bloemen, ongebroken granen, wierook, lampen en dergelijke artikelen aanbieden. (34) Naar gelang de draagkracht moet men voorzien in offergaven van voedsel als kandij, zoete rijst, rijstmeelcake met ghee [s'ashkulî], zoete cake [âpûpa], zoete rijstmeelballen met kokosnoot [modaka], hartigzoete tarwecake met ghee en melk [samyâva], yoghurt en groentesoepen. (35) Het masseren met zalf, het reinigen van de tanden met gebruikmaking van een spiegel, het baden, voedsel om te kauwen en voedsel dat niet moet worden gekauwd, het dansen en het zingen moet er zijn op speciale dagen of anders iedere dag. (36) In een offerperk opgezet zoals staat voorgeschreven behoort men, met een gordel om, met een vuurplaats en een hoogte om op te offeren, met de hand een vuur aan te leggen en aan te steken dat gelijkmatig is opgebouwd. (37) Met het uitspreiden [van kus'agras, matten] en het dan besprenkelen en ceremonieel [anvâdhâna] volgens de regels plaatsen van hout in het vuur behoort hij, met het hebben voorzien in het âcamana water, de artikelen om te offeren te besprenkelen en op Mij te mediteren als Me bevindend in het vuur. (38-41) Met het mediteren op Hem, met Zijn schelphoorn, schijf, knots en lotus, Zijn vier armen en de rust die van Hem uitgaat, als zijnde schitterend met een kleur van gesmolten goud; met Zijn kledingstuk met de kleur van de meeldraden van een lotus, glanzende helm, armbanden, gordel, de sierselen aan Zijn armen, de S'rîvatsa op Zijn borst, de stralende Kaustubha en een bloemenslinger; met het werpen van stukken hout gedrenkt in ghee in het vuur en het in de loop van het arghya-ritueel doen van de twee offers van het sprenkelen van de ghee [op twee manieren genaamd Âghâras] en het doen van [twee verschillende] uitgietingen van ghee [genaamd Âjyabhâgas], behoort de intelligente persoon in het vuur, met basismantra's en de [zestien regels van de] Purusha-sûkta lofzang, de offergaven genaamd Swishthakrit te offeren voor Yamarâja en de andere halfgoden, met voor ieder op zijn beurt de gepaste mantra [zie ook 11.14: 36-42, 11.19: 20-24, 11.21: 15]. (42) Na aldus van aanbidding te zijn geweest en vervolgens eerbetuigingen te hebben gebracht aan Zijn metgezellen, behoort hij offers te brengen met het zingen van de mantra voor de godheid in kwestie, daarbij in gedachten houdend dat de Absolute Waarheid het Oorspronkelijke Zelf van Nârâyana is. (43) Nadat hij het âcamana water heeft aangeboden en aan Vishvaksena de resten van het voedsel heeft gegeven, dient hij vervolgens toebereide betelnoot aan te bieden alsmede reukwater voor de mond [zie ook 11.3: 48-53, 11.25: 28]. (44) Hij moet zich [dan] voor een zekere tijd [zie kâla, 11.21: 9] verliezen in viering door zelf te luisteren en anderen te doen luisteren naar Mijn verhalen, door Mijn bovenzinnelijke handelingen uit te beelden en door hardop te reciteren, met elkaar mee te zingen en te dansen [zie ook b.v. 11.5: 36-37, 11.14: 23-24]. (45) Met gebeden uit de Purâna's, met grote of kleine gebeden uit andere oude geschriften en met gebeden geschreven door anderen [zie bhajans] of afkomstig uit meer algemene bronnen, moet men ter aarde geworpen de eer betonen en zeggen: 'O Heer, alstUblieft schenk mij Uw genade'. (46) Met het hoofd naar Mijn voeten gebracht en met de handpalmen bijeen [kan hij een gebed doen als:] 'O Heer, alstUblieft, bescherm deze overgegeven ziel die in deze materiële oceaan er bang voor is door de dood te worden verzwolgen' [vergelijk B.G. 11: 19]. (47) Aldus biddend moet hij de offerrestanten van Mijn genade naar zijn hoofd heffen en moet hij dit gebed nog een keer doen als hij respectvol afscheid moet nemen van de beeltenis opdat het licht [van de beeltenis] zijn plaats vindt in het licht [van het eigen hart *6].
(48) Wanneer men ook geloof ontwikkelt in Mij in de vorm van welke beeltenis of andere manifestatie ook, moet men voor die vorm van eerbetoon zijn, want Ik, de Oorspronkelijke Ziel van Allen, bevind Me zowel in alle levende wezens als in iemand zelf [zie ook B.G. 6: 31 en *7]. (49) Op deze manier zal door de processen van handelen in yoga een persoon met achting voor de Veda en meer toegespitste teksten in zowel dit leven als het volgende leven bij Mijn genade de verlangde vervolmaking verwerven. (50) Teneinde Mijn beeltenis naar behoren een plaats te geven moet de toegewijde een stevige tempel bouwen en fraaie bloementuinen aanleggen [om bloemen te verschaffen] voor de dagelijkse pûjâ, feestelijke bijeenkomsten en jaarlijkse evenementen. (51) Hij die land, winkels, steden en dorpen ter beschikking stelt teneinde de continuïteit te verzekeren van de dagelijkse aanbidding en de jaarlijkse feestdagen, zal een weelde verwerven gelijk aan die van Mij. (52) De beeltenis installeren geeft heerschappij over de gehele aarde, het bouwen van een tempel geeft de zeggenschap over de drie werelden en het uitvoeren van de pûjâ en andere soortgelijke diensten verschaft iemand het bereik van Brahmâ. Doet men alle drie, dan zal men een status verwerven gelijk aan die van Mij. (53) Hij [echter] die vrij van nevenmotieven overgaat tot bhakti-yoga bereikt dat wat het resultaat is van toewijding in yoga: als hij zo van aanbidding is verwerft hij Mij [zie ook 5.5: 14, 11.12: 24 en B.G. 6: 44]. (54) Hij die het eigendom wegsteelt dat door hemzelf werd geschonken of door anderen werd gedoneerd aan de goden en de brahmanen, is een worm in de ontlasting die honderdmiljoen jaar lang zijn geboorte moet nemen [vergelijk 10.64: 39]. (55) De dader [schuldig aan dat stelen] en zijn medeplichtige alsook degene die er toe aanzet en degene die dat goedkeurde, delen allen in de karmische terugslag ervan in het leven dat erop volgt waarin zij al naar gelang hun betrokkenheid daarvan de gevolgen zullen ondervinden.'
Voetnoten:
*: De paramparâ zegt hiertoe dat leden van de drie hogere klassen van de samenleving allen de status van tweemaal geboren zijn bereiken door inwijding in de Gâyatrî-mantra. Naar de traditie mogen brâhmana jongens na de nodige voorbereiding worden geïnitieerd op hun achtste, kshatriya jongens als ze elf zijn en vais'ya jongens als ze twaalf zijn.
**: De materialistische toegewijde - bijna iedereen dus - is van toewijding met behulp van een beeld van God in de vorm van een tijdtabel, met het altaar in de vorm van zijn bureau op kantoor, met het vuur in het fornuis waarop hij regelmatig zijn maaltijden gekookt krijgt, met de zon met de datum die hij respecteert en met de klok die hij pragmatisch manipuleert, met het water met de dagelijkse douche die hij neemt en met de afwas die hij doet, en met het tweemaal geboren hart met de dagelijkse contemplaties overeenkomstig de wijsheid die hij verwierf als een volwassene uit de persoonlijke ervaring en van zijn leraren. Aldus is iedereen, min of meer van toegewijde dienst naar de praktijken der devotie hier vermeld, zij het op een onbewust, materialistisch en nogal onpersoonlijk niveau (zie prâkrita).
***: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî geeft citaten uit de vedische literatuur die stellen dat water bestemd voor het wassen van de voeten moet worden gecombineerd met gierstzaden, dûrvâgras vermengd met water, vishnukrânta bloemen en andere zaken. Het water gebruikt voor arghya behoort met de acht volgende zaken samen te gaan - geurige olie, bloemen, ongebroken graankorrels, gepelde graankorrels, de tippen van kus'agras, sesamzaad, mosterdzaad en dûrvâgras. Het water voor het sippen moet jasmijnbloemen bevatten, gemalen kruidnagel en kakkola bessen.' (p.p. 11.27: 21).
*4: De zetel van dharma stelt men zich hier voor als bestaande uit rechtschapenheid, wijsheid, onthechting en heerschappij als de poten, het tegengestelde ervan als de zijkanten en de drie guna's als de drie planken voor de bodem.
*5: Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî zijn de persoonlijkheden hier vermeld eeuwig bevrijde zielen van de Heer die zich ophoudt in de geestelijke hemel, voorbij de materiële manifestatie. Niet zo zeer de Ganes'a die hier in de wereld, als de zoon van heer S'iva, beroemd is voor het schenken van financieel succes, en de godin Durgâ, de vrouw van Heer S'iva, die beroemd is als het uitwendige, begoochelend vermogen van de Opperheer.' (p.p. 11.27: 29).
*6: Toegewijden accepteren bloemen, voedsel of vuur dat van de beeltenis komt naar gebruik met het eerst naar hun hoofd toebrengen ervan als een teken van respect.
*7: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Door geregeld, trouw aanbidden begrijpt men geleidelijk aan dat de beeltenis volledig identiek is aan de Allerhoogste Heer Zelve. In dat stadium, rijst men, bij machte van de mûrti-verering, op tot het tweede-klas platform van de toegewijde dienst. In dit meer ontwikkelde stadium verlangt men er meer naar vriendschap te sluiten met andere toegewijden van de Heer, en geeft men, terwijl men stevig gevestigd raakt in de gemeenschap der Vaishnava's, het materiële leven volledig op zodat men geleidelijk aan zijn volmaaktheid vindt in het Krishnabewustzijn' (p.p. 11.27: 48).
Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men inziet dat de wereld, deze combinatie van materie en persoon, is gebaseerd op één en dezelfde werkelijkheid, moet men ervan afzien de aard en handelwijze van iemand anders te prijzen of te kritiseren. (2) Hij die de aard en handelingen van iemand anders prijst of kritiseert verliest snel de greep op dat wat voor hemzelf van belang is omdat hij verstrikt raakt in een zelfgeschapen werkelijkheid. (3) Iemand die zich bewust is van de objectieve verscheidenheid is [zich net zo min bewust van de ene werkelijkheid] als een ziel van wie de zinnen overweldigd door de slaap in het fysieke omhulsel het illusoire ervaren van een droom of het doodse van een toestand van bewusteloosheid. (4) Hoe kan men nu goed van kwaad onderscheiden met deze tot de verbeelding behorende materiële dualiteit? Als we die overwegen in de geest en uitdrukken in woorden schieten we tekort in waarheid [*]. (5) Schaduwen, echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, geven aanleiding tot motieven [in de mens]; op dezelfde manier geeft het lichaam en al het materiële begrip dat erbij hoort aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft. (6-7) De Opperziel die alleen het universum schept en wordt geschapen in de vorm van de Heer, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt teruggetrokken als de Beheerser. Zo kan men dan niet van een levensvorm spreken die los van Hem zijn bestaan zou hebben, en zodoende bestaat er voor de drievoudige manifestatie [van de wereld] die als onlosmakelijk deel van het Allerhoogste Zelf bestaat uit de geaardheden, geen [andere of van Hem onafhankelijk bestaande] basis. Weet dat het drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar gelang respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een voortbrengsel is van de begoochelende materiële energie [die onder de invloed staat van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14: 19]. (8) Iemand die verankerd in de kennis zoals vastgelegd en gerealiseerd door Mij hier weet van heeft, verwijt of prijst niet [denkend aan een andere oorzaak], hij beweegt zich zo vrij door de wereld als de zon doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14: 22-25]. (9) As men door persoonlijke ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke waarheid en door zelfverwerkelijking er weet van heeft dat het niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men zich vrij van gehechtheid in deze wereld rond te te bewegen [zie ook B.G. 2: 16].'
(10) S'rî Uddhava zei: 'O Heer wie is het nu precies die de ervaring ondergaat van het [veranderlijke] materiële bestaan? Die ervaring is niet echt eigen aan de [onveranderlijke] ziel, de ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het geziene dat [als datgene wat zelf verandert] op zich geen ervarend zelf heeft. (11) De onuitputtelijke ziel, vrij van de geaardheden, is net als een vuur zuiver, zelfverlicht en onbedekt, terwijl het materiële lichaam is als brandhout dat van niets weet. Wie van de twee is nu de ervaring eigen van een materieel leven in deze wereld?'
(12) De Opperheer zei: 'Zolang de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan dat voor een bepaalde tijd zijn vruchten afwerpt desondanks betekenisloos zijn vanwege een gebrek aan onderscheidingsvermogen. (13) Ook al is de materiële substantie er niet werkelijk [d.w.z. niet permanent], de materiële omstandigheid houdt [wat betreft de elementen waaruit ze is ogebouwd] niet op te bestaan en men moet, met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, daarvan de nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35 & 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14]. (14) Dat [dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, zal echter degene die ontwaakt is geenszins in de war brengen. (15) Geweeklaag, uitgelatenheid, angst, vrees, begeerte, verwarring en gesmacht en dergelijke, ziet men met het tot stand komen en afsterven van iemands identificatie met het lichaam [ahankâra] en is niet afhankelijk van de ziel [die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12, 11.23: 50-56, 11.25: 30]. (16) Voor het valse gemotiveerd zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma. Hem worden dan, afhankelijk van zijn relatie met de leidraad van de grotere natuur, verschillende namen toegedacht als hij onder het gestrenge regime van de Tijd zich rondbeweegt in de materiële oceaan. (17) Dit zonder een vaste basis in de vele vormen vertegenwoordigd zijn van de geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam en de baatzuchtige arbeid, zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd aangescherpt in de aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze die zich zonder verlangens over de aarde rondbeweegt. (18) Spirituele kennis [impliceert] het onderscheiden [van geest en stof en wordt gevoed door] de Schrift en boetedoening, persoonlijke ervaring, historische verslagen en logische afleidingen. [Zij is gebaseerd op] dat wat er gelijkelijk is aan het begin en het einde van dit [scheppingsgebeuren] en hetzelfde blijft daar tussenin, te weten de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla]. (19) Net zoals goud de constante factor vormt die aanwezig is voordat het wordt verwerkt, als het wordt verwerkt en in het eindproduct na het verwerken, ben Ik aanwezig vermomd in de verschillende geaardheden [van de verwerking] van deze schepping. (20) Mijn beste, deze geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities [van waken, slapen en onbewuste slaap], vormt met zijn manifestatie in de vorm van de geaardheden als het veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk 11.22: 30], de vierde factor [het 'goud'] die als een onafhankelijke grootheid staat voor de enkelvoudige waarheid van ieder van hen. (21) Dat wat er voorheen niet was noch er nadien is, en er halverwege ook niet is [als iets onafhankelijks] vormt enkel maar een aanduiding; wat er ook maar geschapen werd en wordt gekend aan de hand van iets anders, is feitelijk alleen maar dat andere iets; dat is hoe Ik het zie. (22) De geestelijke werkelijkheid van God zoals die bestaat in zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties. Om die reden treedt deze schepping, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan verandering, naar voren als zelf-verlicht, ook al is hij er niet werkelijk [zie ook siddhânta]. (23) Als men op deze manier door de logica van het onderscheid duidelijkheid heeft verkregen over het Absolute van de Spirituele Waarheid, moet men zich ter zake kundig uitspreken tegen en kappen met de twijfel omtrent het Zelf en in de tevredenheid van zijn eigen geestelijke geluk afzien van alle lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3: 34]. (24) Het lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem, de buitenlucht, het water, het vuur of een geest die enkel maar uit is op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de inperking. (25) Wat is de verdienste van hem die naar behoren Mijn identiteit heeft vastgesteld en in zijn concentratie zijn zinnen - die door de geaardheden worden bestuurd - volmaakt heeft weten te richten? En omgekeerd wat zou men hem verwijten die door zijn zinnen wordt afgeleid? Wat kan het de zon nou schelen als er wolken voor langstrekken of als het opklaart? (26) Zo goed als de hemel zelf niet anders wordt van de komende en gaande kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde of van de kwaliteiten der seizoenen [de hitte en de kou], staat ook de Onvergankelijke Allerhoogste boven de invloed van de natuurlijke geaardheden van sattva, rajas en tamas, die ervoor zorgen dat hij die zijn lichaam voor het ware zelf aanziet in de materie gevangen zit [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13]. (27) Desondanks moet, totdat door hecht verankerd te zijn in Mijn bhakti-yoga de onzuiverheid van de geest der hartstocht is uitgebannen, de gehechtheid worden geschuwd die samenhangt met de kwaliteiten die eigen zijn aan de begoochelende materiële energie [zie B.G. 7: 1, 14 en **]. (28) Op dezelfde manier als een ziekte die niet goed behandeld werd regelmatig zich doet gelden en de mens ellende bezorgt, zal de geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting een onervaren yogi kwellen die er nog allerlei gehechtheden op nahoudt. (29) Onvolkomen yogi's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van de menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a. S'rî S'rî S'ikshâshthaka-4] die door de dertig goden op hen af worden gestuurd [zie tridas'a] zullen, vanwege hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven hun yogapraktijk [in een nieuw leven] weer oppakken, maar nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G. 6: 41-42]. (30) Het normale levende wezen dat de gevolgen moet ondervinden van zijn baatzuchtige arbeid bevindt zich bewogen door deze of gene impuls in die staat tot op het moment dat hij sterft. Maar hij die intelligent is is, ondanks dat hij zich bevindt in de materiële positie, niet zo [wankelmoedig] omdat hij met de ervaring van het geluk dat hij vond zijn materiële verlangens heeft opgegeven. (31) Hij wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er geen moment bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt, urineert, voedsel tot zich neemt of wat hij nog meer doet dat voortkomt uit zijn geconditioneerde aard. (32) Een intelligent iemand houdt niets anders voor essentieel. Telkens als hij de niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen ziet, weerlegt hij vanuit zijn logica het afzonderlijke bestaan ervan, zodat ze zijn als de dingen van een droom die hun waarde verliezen als men wakker wordt. (33) De materiële onwetendheid die onder invloed van de materiële geaardheden vele vormen aanneemt ziet de geconditioneerde ziel aan voor een onlosmakelijk deel van zichzelf, maar met die onwetendheid is het afgelopen als men enkel maar Zijn visie ontwikkelt, Mijn beste. De ziel daarentegen is niet iets wat men aanneemt of achter zich kan laten. (34) Als de zon opkomt wordt de duisternis voor het menselijk oog verdreven, maar dat opkomen schept nog niet de dingen die er dan te zien zijn. Zo ook maakt een doortastend en gedegen onderzoek van het ware van Mij een einde aan de duisternis van iemand's intelligentie [maar is dat nog niet de oorsprong van zijn ziel]. (35) Deze zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke in wie de woorden hun afronding vinden, en door wiens drijvende kracht de spraak en de adem zich bewegen. (36) Ieder idee van dualiteit in het zelf is voor de unieke ziel slechts een hersenschim; voor zo'n idee bestaat er geen andere basis [om tot rust te komen] dan de eigen ziel [vergelijk 7.13: 7]. (37) De dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen, is tevergeefs [zie ook 5.6: 11].
(38) Het lichaam van een yogi die met een gebrek aan ervaring overgaat tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan zich opwerpende stoornissen. In dat geval is het volgende de voorgeschreven gedragswijze: (39) Sommige stoornissen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met concentratie [dhâranâ], boetedoening [tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden. (40) Sommige nadelige zaken kan men stap voor stap te boven komen door voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga [zie ook B.G. 6: 25]. (41) Enkelen [onder de yogi's] maken hun zelfbeheerste lichaam geschikt door zich met behulp van verschillende methoden op het jeugdige vast te leggen en proberen aldus perfect te zijn in hun materiële beheersing [siddhi's]. (42) Door hen die in een goede conditie verkeren wordt dat niet hooggehouden, er zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het lichaam, net als de vrucht van een boom, toch zal sterven [zie ook 11.15: 33]. (43) Iemand met een toegewijde geest hecht er geen waarde aan om regelmatig de yoga te beoefenen met het oog op het realiseren van een gezond lichaam, hij die Mij is toegewijd geeft de yoga [voor dat doel] op [*4]. (44) De yogi die dit proces van de yoga volgt laat zich, bevrijd van verlangens met het zich op Mij beroepen, niet ontmoedigen door tegenslagen en ervaart [zo] zijn zielsgeluk.'
Voetnoten:
*: In tegenstelling tot populaire inzichten dat het medium de booschap zou zijn, wordt hier duidelijk gesteld dat het medium dus niet de boodschap is. De woorden en de ideeën, en ook de z.g. vaste vorm der dingen, zijn allen vals in verhouding tot de oorspronkelijke waarheid, het bericht, de essentie. Dat wat uitgedrukt wordt is de essentie, niet de uitdrukking zelve. Zo is het ene levende wezen van de persoon en de levende materiële natuur met haar Tijd als het mannelijk aspect de essentie, en zijn alle ideeën, gefixeerde dingen ervan en woorden erover in feite vals. Aldus hebben we de paradox van de in zichzelf valse uitdrukking in dingen, woorden en ideeën, deze zin voor u als lezer b.v., van wat op zich waar is als de heelheid van het leven. Zo zijn er dan beelden van Krishna die worden vereerd met de waarschuwing ze beslist niet als materieel te mogen zien. Aldus zijn kritiek en lof, goed en kwaad, noties die de plank misslaan van wat objectief de waardevrije werkelijkheid is van brahman, de Absolute Waarheid van de werkelijkheid die vanbinnen zowel als van buiten vrij is van illusie. Of zoals men dat heden ten dage zegt: wetenschap is waardevrij.
**: De strekking van dit vers is dat, ookal is de materiële natuur, als Zijn gigantische virâth-rûpa gedaante, niet verschillend van de Opperheer (zoals uitvoerig beschreven in dit en andere hoofdstukken), degene die het materiële verlangen nog moet overwinnen niet kunstmatig zijn heil moet zoeken in materiële zaken, met de verklaring dat ze toch niet van de Heer zouden verschillen [zie p.p. 11.28: 27].
***: Met betrekking tot boete zij de beginner eraan herinnerd dat vrijwillige boete, vrijwillig lijden en afzien, beter is dan opgelegde boete in de vorm van een ziekte, vervolging door de wet, nood lijden en calamiteiten e.d. Zoals het is met de Joden in Exodus die er klaar voor waren om Egypte te verlaten moet men klaar staan voor de komst van de Heer [zie ook 11.17: 42 en B.G. 2: 40, 12: 16].
*4: Men zij er hier aan herinnerd dat types als Râvana en Hiranyakas'ipu eveneens aan yoga deden en de geschiktheid verwierven; het verwerven van perfecties op die manier kan evenzogoed een demonisch iets zijn en vormt dus geen geloofsartikel zoals dat hier wordt gesteld. Het gaat meer om het motief dat de yogi de Heer bereikt. Beheersing, gezondheid en orde is een schone zaak om te realiseren, maar zonder de Heer is het evenzogoed een zaak van de duivel.
Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen
(1) S'rî Uddhava zei: 'Dit yogaproces is, zo denk ik, allermoeilijkst in de praktijk te brengen voor iemand die niet spiritueel is. AlsJeblieft o Acyuta, zeg me in eenvoudige bewoordingen hoe iemand er met gemak in kan slagen [zie ook B.G. 6: 33-34]. (2) Over het algemeen, o Lotus-ogige, raken yogi's gefrustreerd als ze hun geest willen oefenen en worden ze, als het ze niet lukt de verzonkenheid te bereiken, het moe te proberen de geest te onderwerpen. (3) Om die reden, o Lotus-ogige, zijn de zwaangelijken er gelukkig mee hun toevlucht te zoeken bij Jouw lotusvoeten, o Heer van het Universum. Maar zij die prat gaan op de resultaten van hun yoga doen dat niet en worden verslagen door Jouw materiële energie. (4) Het wekt geen verbazing Acyuta, dat Jij een vriend bent voor alle dienaren die, zonder een andere toevlucht, vereend zijn in de vertrouwlijkheid met Jou, Jij die vol genegenheid was voor de dier-gelijken [Vânara's] terwijl de zijkanten van je voetenbankje werden overdekt door de stralende helmen van de grote beheersers [Brahmâ b.v.]. (5) Wie zou, bekend met het voordeel dat Jij biedt, o Allerhoogste Ziel, Verlener van Alle Volmaaktheden en Heer het meest geliefd bij hen die hun toevlucht zoeken, Jou nu van de hand wijzen of ooit iets anders toegewijd zijn om enkel maar een goed gevoel te hebben en dan [Jou] te vergeten? Zou er ook maar iets te wensen overblijven als we het stof van Jouw voeten dienen [zie ook 10.44: 15, 10.47: 46]? (6) Zelfs niet met een levensduur zolang als die van Brahmâ zouden de geschoolden - al hun werk ten spijt - er toe in staat zijn uitdrukking te geven aan de dankbaarheid [die we Jou verschuldigd zijn] o Heer. Want Jij toont Je weg op twee manieren: in de vorm van het verstandelijk begrepene [gezag van de Superziel] van binnen teneinde zich de vreugde te heugen en de âcârya vanbuiten om het onfortuinlijke te verdrijven van het belichaamd zijn [de caittya- en de paramparâ-guru].'
(7) S'rî S'uka zei: 'Aldus door Uddhava die zeer aan Hem was verknocht ertoe verzocht, sprak de Heer liefdevol met een aantrekkelijke glimlach, Hij die het universum als Zijn speeltje heeft en middels Zijn eigen energieën de drie verschillende persoonlijke gedaanten van de Beheersers [de guna-avatâra's] heeft aangenomen. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu hier voor jou het dharma uitleggen dat in relatie tot Mij het meest zegenrijk is en waarmee een sterfelijk wezen, dat met geloof tewerk gaat, de zo onoverwinnelijke dood overwint. (9) Als men aan Mij zijn geest en intelligentie heeft opgedragen, behoort men stapsgewijze alle arbeid te Mijnentwille [leren] te verrichten, en daarbij, bij de genade van de eigen liefdevolle geest, de manier waarop Ik Mijn plichten nakom in gedachten te houden. (10) Men moet zijn toevlucht zoeken in de heilige plaatsen die worden bezocht door Mijn vrome toegewijden en [het voorbeeld te volgen van] de handelingen van Mijn toegewijden optredend onder de goddelijken, hen die van de duivel zijn bezeten en onder de menselijke wezens. (11) Alleen dan wel in samenkomst behoort men overeenkomstig de maanstand, bij speciale gelegenheden en met feestdagen zich bezig te houden met zang en dans en dergelijke, en gul te zijn met bijdragen. (12) Men moet Mij met een zuiver hart in zichzelf aanwezig zien als de Superziel die zich, net als de onbegrensde ether, binnen en buiten alle levende wezens bevindt alsook in jezelf [zie ook B.G. 13: 16 en 1.7: 10]. (13-14) O heldere geest, als men met Mijn liefde aldus van respect is voor alle levende wezens, heeft men met zo'n benadering zijn toevlucht genomen tot zuiver spirituele kennis. Als men op deze manier de brahmaan en de uitgestotene, de dief en degene die trouw is aan de brahmaanse cultuur, de zon en de vonk, de zachtgeaarde en de wreedaard gelijkgezind beziet, mag men zich een wijs mens noemen [zie B.G. 5: 18]. (15) Van de persoon die voortdurend op Mijn aanwezigheid in alle mensen aan het mediteren is, zal snel de rivaliteit, de afgunst, het neerkijken op anderen en het valse ego verdwijnen. (16) Onverschillig erover uitgelachen te worden door vrienden of zonder zich te schamen voor uiterlijkheden, moet men als een stok op de grond gevallen zijn eerbetuigingen brengen aan [allen,] zelfs [aan] honden, uitgestotenen, koeien en ezels [zie ook de s'ikshâshthaka-3]. (17) Zolang men niet de visie heeft ontwikkeld van Mij als zijnde aanwezig in alle levende wezens, zal men op deze wijze met wat men zegt, denkt en doet met het lichaam van aanbidding moeten zijn [zie ook tridanda]. (18) Voor degene die door kennis en realisatie de alomtegenwoordige Superziel ziet, is alles gebaseerd op de Absolute Waarheid. Aldus vrij van alle twijfel bestaat er voor zo iemand de plicht zich uit de wereld terug te trekken. (19) Dit met de functies van je geest, je woorden en je lichaam gaan voor de waarheid van Mij in alle levende wezens, acht Ik de meest geëigende van alle processen. (20) Mijn beste, omdat deze door Mij op volmaakte wijze ingestelde methode vrij is van de geaardheden en geen nevenmotieven kent is er als men probeert Mij aldus van dienst te zijn Uddhava, bijgevolg niet het geringste verlies [zie ook B.G. 2: 40]. (21) O beste onder de vromen, van welk werelds ondernemen ook zal de angst en dat alles niks om het lijf hebben als het, aan Mij, het Allerhoogste, opgedragen zijnde, religieus is in de neiging tot een handelen dat vrij is van nevenmotieven [zie ook B.G. 18: 6]. (22) Het in dit leven op deze manier via het valse en sterfelijke bereiken van Mij, het onsterfelijke, vormt de schranderheid der schranderen en de intelligentie der intelligenten. (23) Hiermee is zowel in het kort als tot in detail het volledige overzicht geboden van de Absolute Waarheid die een wetenschap vormt die zelfs voor de goden moeilijk toegankelijk is. (24) Met het naar behoren hebben doorgrond van deze kennis die steeds weer met logische argumenten voor je werd uiteengezet, zal een persoon zijn twijfels uitgebannen zien en bevrijd zijn. (25) Hij die zich enkel maar concentreert op deze vraag van jou die naar behoren door Mij werd opgehelderd, reikt tot het eeuwige geheim van de Veda's, het Allerhoogste Absolute van de Waarheid. (26) Ik zal als vanzelf Mijn gezag verlenen aan degene die deze Allerhoogste Spirituele Waarheid zonder enig voorbehoud verkondigt als de traditie voor Mijn toegewijden. (27) Hij die hardop dit Allerhoogste reciteert dat zo heiligend en helder is, zal, omdat hij met de lamp der kennis Mijn aanwezigheid gestalte geeft, alle dagen zuivering vinden. (28) De persoon die aandachtig, met geloof hier regelmatig naar luistert is Mij bovenzinnelijk toegewijd [is een bhakta] en raakt niet verstrikt in karmische terugslagen [zie ook B.G. 3: 9]. (29) Uddhava, o vriend, heb je het spirituele nu duidelijk voor de geest en heeft het weeklagen en de illusie die in je geest opkwam nu het veld geruimd [zie 11.6: 42-49 en ook B.G. 18: 72]? (30) Vertel dit niet aan een schijnheilig iemand, een atheïst of een bedrieger, en zeg het ook niet aan iemand die niet wil luisteren of een opstandige niet-toegewijde [vergelijk met B.G. 18: 67]. (31) Deel dit met de persoon die vrij is van deze slechte eigenschappen, met hem die geheiligd en zuiver is, hij die vriendelijk toegenegen is en het welzijn van de brahmanen voor ogen heeft, zowel als met arbeiders en vrouwen als ze van bhakti zijn [vergelijk B.G. 9: 32]. (32) Voor de onderzoekende geest die hiervoor volledig begrip heeft, is er verder niets meer om in te drinken; wat zou iemand nog meer in zich op moeten nemen als hij gedronken heeft van de smakelijkste ambrozijnen drank die er is? (33) Ongeacht wat mensen van succes met de vier levensdoelen [catuh-vidah] ook vinden in geestelijke kennis, in baatzuchtige arbeid, in mystieke yoga, in alledaagse bezigheden of in politiek besturen, kan je in gelijke mate in Mij vinden. (34) Als een sterveling zich opoffert en al zijn baatzuchtige arbeid opgeeft in het verlangen naar het bijzondere van Mij, komt hij in dat proces van het bereiken van de onsterfelijkheid met Mij op dat moment in aanmerking voor het delen in de weelde die bij Mij hoort'
(35) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij de woorden van Uttamas'loka had aangehoord en hem aldus het pad van de yoga was getoond, zei Uddhava met zijn handen samengevouwen niets omdat zijn keel was dichtgesnoerd door de liefde en zijn ogen overstroomden van de tranen. (36) Volledig door de liefde van de kaart zichzelf intomend om zijn geest in evenwicht te krijgen o Koning, sprak hij, zich dankbaar voelend, met gevouwen handen voor de Grote Held der Yadu's en raakte daarbij met zijn hoofd Zijn lotusvoeten aan. (37) S'rî Uddhava zei: 'De grote duisternis van de begoocheling waar ik in belandde, werd in de aanwezigheid van de Zon die Jij bent verdreven. Welke kou, duisternis en vrees zou zich kunnen doen gelden met degene die Jou benaderde, o Ongeboren Oorspronkelijke Persoon? (38) Door Jou die in Je goedheid zo genadig bent werd aan mij, Je dienaar, als antwoord de fakkel geboden die bestaat uit Jouw wijsheid. Wie ook die dankbaarheid voelt is er toe in staat af te zien van de basis van Jouw voeten en elders zijn heil te zoeken?(39) Het door Jouw mâyâ stevig bindende touw van mijn genegenheid voor de zich naar Jouw wil uitbreidende schepping [de familie] van de Dâs'ârha's, Vrishni's, Andhaka's en Sâtvata's, werd doorkliefd met het zwaard van de juiste kennis omtrent de ziel. (40) Mogen er mijn eerbetuigingen voor Jou zijn, o Grootste der Mystici, leg me alsJeblieft uit hoe ik stabiel kan zijn met de transcendentale aantrekking van Jouw lotusvoeten.'
(41-44) De Allerhoogste Heer zei: 'Alsjeblieft, o Uddhava, aanvaard Mijn advies om naar Mijn hermitage genaamd Badârika te gaan. Zuiver je aan de oevers aldaar met het water wegstromend van Mijn voeten door er in te baden en het te beroeren [zie 5.17]. Wees met je ogen gericht op de Alakanandâ [een zijrivier van de Ganges] gezuiverd van alle smetten en kleed je met boombast Mijn beste, leef van wat het bos je biedt en vindt vrij van begeerte het geluk. Oefen met je intelligentie, spirituele kennis en wijsheid, verdraagzaamheid met alle dualiteiten, houdt heilig vast aan je principes, beteugel je zinnen, en verkeer in vrede en verzonkenheid. Hecht geloof aan en mediteer op dat wat je van Mij leerde te onderscheiden. Als je met je woorden en geest in Mij verzonken je ertoe wijdt om Mijn deugd te verwerkelijken zal je, met die disipline de oversteek wagend tot voorbij de drie bestemmingen [de guna's], vervolgens Mij bereiken.'
(45) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer Vol van Begrip, omliep Uddhava Hem linksom en ondanks dat hij op het moment van zijn vertrek vrij was van de invloed der materiële tegenstellingen, doordrenkte hij, met een brekend hart met zijn hoofd voorover, Zijn voeten met zijn tranen. (46) Het er moeilijk mee hebbend om te vertrekken was hij niet in staat Hem te verlaten zodat hij buiten zichzelf overweldigd door grote pijn afscheid nam en daarbij keer op keer zijn eerbetuigingen bracht en de slippers van Zijn Handhaver op zijn hoofd nam [*]. (47) Daarna Hem in zijn hart installerend, ging de grote toegewijde naar het luisterrijke pelgrimsoord [dat als zodanig ookwel Vis'âlâ wordt genoemd] waar de Enige Vriend van het Universum het over had. Daar bereikte hij, nadat hij gewetensvol de boetedoeningen had volbracht, de bestemming van de Heer [Vaikunthha]. (48) Onverschillig wie ter wereld die oprecht gelovig de dienst aanvaardt van deze oceaan van vervoering, deze nectarzee van kennis die door Krishna, Hij wiens voeten worden gediend door de meesters van de Yoga, voor Zijn toegewijde werd bijeengebracht, zal bevrijd raken. (49) Ik buig voor de Eerste en Grootse Persoonlijkheid genaamd Krishna, die zorgt dat Zijn vele toegewijden de nectar van de oceaan te drinken krijgen, de essentie van de Veda's, de essentie van de genoten spirituele kennis en wijsheid die Hij, als de auteur van de Veda's, gelijk een bij levert teneinde de angst weg te nemen van het materieel bestaan.'
Voetnoot:
*: De paramparâ voegt hier toe: 'Volgens het S'rîmad Bhâgavatam [3.4: 5], vernam Uddhava toen hij onderweg was naar Badarikâs'rama over de Heer Zijn reis naar Prabhâsa. Terugkerend en Heer Krishna achterna komend, trof hij de Heer alleen, vlak na het zich terugtrekken van de Yadu dynastie. Na opnieuw genadevol geïnstrueerd te zijn door de Persoonlijkheid van God (tezamen met Maitreya, die juist was aangekomen), voelde Uddhava dat zijn kennis van de waarheid nieuw leven was ingeblazen, en begaf hij zich toen, op last van de Heer, op weg.'
Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie
(1) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Wat deed de Opperheer en Beschermer van Alle Levende Wezens in Dvârakâ nadat Uddhava, de grote toegewijde, was vertrokken? (2) Vertel alsjeblieft hoe Hij, de Leider van de Yadu's die in Ieders Ogen het Meeste Geliefd is, Zijn lichaam opgaf toen Zijn familie de vernietiging vond na door de brahmanen vervloekt te zijn [zie 11.1]? (3) Gehecht aan Zijn gedaante konden de vrouwen hun ogen er niet van afwenden, en doorgedrongen tot de oren van de wijzen wilde de gedaante met het veroveren van een vaste plaats in hun geest niet meer verdwijnen. En welk een aantrekkingskracht ging er niet uit van de woorden die de eerzuchtige dichters bezigden om uitdrukking te geven aan de schoonheid ervan? En wat te zeggen van hen op het slagveld die, toen ze de gedaante zagen op Arjuna's strijdwagen, een soortgelijke status verwierven?'
(4) De machtige rishi [S'uka] zei: 'Met voor ogen het aantal grote verstoringen welke zich vertoonden in de hemel, op aarde en in het uitspansel, richtte Krishna zich als volgt tot de Yadu's die bijeen zaten in de Sudharmâ-hal [zie 10.50: 54 en ook 1.14]. (5) De Allerhoogste Heer zei: 'O beste der Yadu's, met deze beangstigende, grote en onheilspellende voortekenen, die zijn als de vlaggen van de koning van de dood, moeten we geen moment langer in Dvârakâ blijven. (6) De vrouwen, de kinderen, en de ouden van dagen moeten naar S'ankhoddhâra [halverwege Dvârakâ en Prabhâsa] en wij zullen naar Prabhâsa vertrekken alwaar de Sarasvatî westwaarts stroomt. (7) Daar moeten we ons zuiveren door te baden, te vasten en onze geesten te concentreren, en zullen dan de goden [de beeltenissen] aanbidden met verschillende offerandes, wassingen en âlepa [insmeren met sandelhout]. (8) Als de brahmanen vol van genade de plechtigheden hebben opgevoerd, zullen we ze koeien, land, goud, kleding, olifanten, paarden, wagens en huizen schenken [zie ook 3.3: 26-28]. (9) Zo moet het allemaal gaan willen we het onheil afwenden en het geluk afroepen, want als je de besten onder de levende wezens eer aandoet - de goden, de brahmanen en de koeien - roept dat het allerhoogste af [vergelijk met 10.24: 25].' (10) Toen ze allen aldus naar de Vijand van Madhu hadden geluisterd, zeiden de ouderen onder de Yadu's 'Zo zij het!', en staken ze per boot over [naar het vaste land] om zich in wagens op weg te begeven naar Prabhâsa. (11) Aldaar volbrachten ze overeenkomstig de instructies van de Heer van de Yadu's, de Allerhoogste Persoonlijkheid, met bovenzinnelijke toewijding en wat nog meer hen kracht zou verlenen, al de gelukbrengende offerrituelen. (12) Toen, zoals het was voorbeschikt [zie 11.1: 4] verloren ze hun verstand toen ze dronken van een grote hoeveelheid zoetsmakende maireya [honingdrank] die door zijn ingrediënten hun geest benevelde [zie ook 6.1: 58-60]. (13) Onder de helden die waren verbijsterd als gevolg van Krishna's begoochelend vermogen deed zich een verschrikkelijke ruzie voor omdat ze beschonken van het overmatig drankgebruik arrogant werden. (14) In woede ontstoken pakten ze hun wapens op - hun bogen, zwaarden, bhalla-pijlen [pijlen met een speciale pijlpunt], knotsen, lansen en speren - en bevochten elkaar daar aan de kust. (15) Met wapperende vlaggen in hun wagens rijdend, op olifanten en andere draagdieren - ezels, kamelen, stieren, buffels, muildieren en zelfs mensen - traden ze elkaar kwaad tegemoet, aanvallend met pijlen als waren ze olifanten die elkaar in het bos met hun slagtanden te lijf gaan. (16) Met hun vijandschap gewekt in de slag vocht Pradyumna verwoed tegen Sâmba, Akrûra tegen Bhoja, Aniruddha tegen Sâtyaki, Subhadra tegen Sangrâmajit, Sumitra tegen Suratha en de twee Gada's [de broer en een zoon van Krishna] tegen elkaar. (17) Ook anderen zoals Nis'athha, Ulmuka en meer onder leiding van Sahasrajit, S'atajit en Bhânu, traden tegen elkaar in het geweer en doodden elkaar verblind als ze waren door de bedwelming en compleet in de war door Mukunda. (18) Met het volledig laten varen van hun vriendschap slachtten de Kunti's, de Kukura's, de Visarjana's, de Madhu's en Arbuda's, Vrishni's en Andhaka's, de Bhoja's, de Sâtvata's, de Dâs'ârha's en de inwoners van Mâthura en S'ûrasena elkaar af. (19) In staat van begoocheling doodden verwanten verwanten en vrienden vrienden; zoons vochten met hun vaders en met hun broers, neven met ooms, ooms van vaders zijde tegen ooms van moeders zijde en weldoeners vochten tegen weldoeners. (20) Toen hun pijlen opraakten, hun bogen gebroken waren en hun projectielen opgebruikt, namen ze bamboestaken [eraka, zie 11.1: 22] ter hand. (21) Die staken vastgeklemd in hun vuisten veranderden in ijzeren staven zo sterk als bliksemstralen toen ze hun vijanden ermee te lijf gingen, en hoewel Krishna ze probeerde te stoppen, vielen ze Hem ook aan. (22) In de war met hun geesten vol moord en doodslag, zagen ze Balarâma voor een vijand aan o Koning en hieven ze hun wapens ook tegen Hem op. (23) De Twee mengden zich toen ook allerverwoedst in de strijd, o zoon van de Kuru's, en gingen, de staken in Hun vuisten als knuppels hanterend, in de strijd er toe over te doden. (24) In de greep van de vloek der brahmanen en met hun geesten beneveld door Krishna's mâyâ, leidde de furie van de wedijver nu tot hun vernietiging, zoals een vuur van bamboestaken dat doet met een bos.
(25) Toen al Zijn clans waren vernietigd op deze manier, concludeerde Krishna dat zoals gepland [11.1: 1-4] wat er nog restte van de last van de aarde was weggenomen. (26) Balarâma ging aan de kust van de oceaan over tot meditatie op de Oorspronkelijke Persoon en liet toen met het doen opgaan van Zichzelf in Zichzelf de wereld der mensen achter zich. (27) Toen Hij zag dat Râma was heengegaan vlijde de Allerhoogste Heer, de Zoon van Devakî, Zich in stilte bij een pippala boom neer op de schoot der aarde [zie ook 3.4]. (28-32) Met het vertonen van Zijn vierarmige gedaante verdreef Zijn schitterende gloed, als een vuur zonder rook, de duisternis in alle richtingen. Bij Zijn S'rîvatsa-teken en Zijn wolken-grijsblauwe kleur droeg Hij een hemels stel geelzijden kledingstukken en straalde Hij als gesmolten goud. Zijn gezicht dat als een blauwe lotus prachtig glimlachte met Zijn bekoorlijke lotusogen, werd opgesierd door Zijn haarlokken en glanzende haaienvormige oorhangers. Magnifiek met een gordel, een heilige draad, een helm en armbanden; armversieringen, halssnoeren, enkelbelletjes en koninklijke tekenen, was er daar het Kaustubha kleinnood. En zo zat Hij daar met Zijn rechtervoet roze als een lotus op Zijn dijbeen geplaatst, met de vormen van Zijn persoonlijke wapens in Zijn handen en met een slinger van woudbloemen om Zijn nek. (33) Zijn voet die de vorm had van de kop van een hert werd [toen] getroffen door de pijl van een jager genaamd Jarâ die dacht dat hij een hert zag. De pijl die was vervaardigd uit een fragment dat was overgebleven van het ijzer [van de door de brahmanen vervloekte en vernietigde knots 11.1: 23]. (34) Toen hij de vierarmige persoonlijkheid zag viel hij, bang dat hij een overtreding had begaan, met zijn hoofd naar beneden neer aan de voeten van de Vijand der Asura's: (35) 'Dit is gedaan door een zondige persoon die uit onwetendheid handelde; o Madhusûdana, alstUblieft vergeef deze zondaar zijn daad, o Uttamas'loka, o Zondeloze. (36) O Meester, wat ik Hem, Vishnu, heb aangedaan, U heb aangedaan, was verkeerd; o U, van wie de voortdurende herinnering de duisternis der onwetendheid van alle mensen vernietigt, zo zegt men. (37) Om die reden, doodt me alstUblieft nu meteen o Heer van Vaikunthha, zodat ik, die in werkelijkheid een zondige hertenjager ben, niet nogmaals een dergelijke overtreding zal begaan tegen de Enige Ware [*]. (38) Wat kunnen wij, onzuiver van geboorte, nu over Hem, over U [en de vernietiging van de Yadu's], zeggen? Uw mystieke macht wordt immers [zelfs] niet doorgrond door Viriñca, Rudra en zijn andere meesters en zoons van het vedisch woord omdat hun blik op Uw wezen is verduisterd door Uw begoochelend vermogen!'
(39) S'rî Bhagavân zei: 'Vrees niet o Jarâ, alsjeblieft sta op, want wat jij deed was Mijn verlangen; je hebt Mijn permissie je naar de geestelijke wereld te begeven, de plaats voor hen die het goede doen.'
(40) Na aldus te zijn geïnstrueerd door Krishna, de Fortuinlijke die Zijn eigen belichaming voortbracht, omliep hij Hem drie keer en vertrok hij, zich voor Hem verbuigend, met een verheven geest [een 'vimâna', ook wel: hemelvoertuig] naar de hemel. (41) Dâruka die probeerde te ontdekken waar Krishna was gebleven, kon, toen hij bij Hem in de buurt kwam de aromatische tulasî ruiken en benaderde Hem toen. (42) Hij trof Hem daar schitterend en gloeiend aan, omringd door Zijn wapens en rustend aan de voet van de as'vathha. Met zijn hart overweldigd door emoties haastte hij zich van de wagen en viel hij met tranen in de ogen neer aan Zijn voeten. (43) 'O Meester, Uw lotusvoeten niet ziend ben ik mijn visie kwijt en heb ik geen weet van de windrichtingen, noch kan ik de vrede vinden; net zoals het is als men met een nieuwe maan 's nachts in de duisternis beland.'
(44) En terwijl hij dat zei rees recht voor de ogen van de wagenmenner de wagen hoog op in de lucht samen met de paarden en de vlag van Garuda die hem sierde, o Koning der koningen. (45) Met Vishnu's goddelijke wapens die volgden, sprak Janârdana tot de menner die stomverbaasd was door die gebeurtenis: (46) 'O menner, begeef je op weg naar Dvârakâ en stel Onze familieleden op de hoogte van de wederzijdse vernietiging van hun naaste verwanten, van Mijn toestand en van het heengaan van Sankarshana. (47) Jij en je verwanten moeten niet langer in Dvârakâ blijven. Nu dat de Yaduhoofdstad door Mij is verlaten zal hij in zee zinken. (48) Jullie moeten ieder je eigen familie en ook Onze ouders meenemen, en samen, onder de hoede van Arjuna, naar Indraprastha gaan. (49) Jij echter, die goed doordrongen bent van de kennis en je niets aantrekt van Mijn mâyâ, zal als je goed standhoudt in Mijn toegewijde dienst, begrijpen wat Ik allemaal arrangeerde en er vrede mee hebben.'
(50) Na aldus door Hem te zijn aangesproken omliep hij Hem met het keer op keer bieden van zijn eerbetuigingen. Toen ging hij, nadat hij zijn hoofd naar Zijn lotusvoeten had gebracht, zwaar te moede op weg naar de stad.'
Voetnoot:
*: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura vraagt zich af, aangezien herten van nature angstig en timide zijn, hoe zich welk hert dan ook ooit kon ophouden op het schouwtoneel van die grote veldslag, en hoe een jager kalmpjes zijn gang kon gaan temidden van al dat vergoten bloed. Daarom waren het zich terugtrekken van de Yadu-dynastie en Heer Krishna's eigen verdwijnen van deze aarde geen materiële historische gebeurtenissen; ze vormen daarentegen meer een vertoon van de Heer Zijn innerlijk vermogen voor het doel van het afronden van Zijn aardse spel en vermaak [p.p. 11.30: 37]. Ook vormt de naam van de jager, Jarâ, wat oude dag betekent, aanduiding van de metaforische strekking van deze gebeurtenis [zie ook voetnoot 10.87:*]. In de Mahâbhârata-tâtparya-nirnaya schreef S'rî Madhvâcârya-pâda dat de Heer voor Zijn missie weliswaar een lichaam van materiële energie had geschapen waarin de pijl werd geschoten, maar dat de eigenlijke vierarmige gedaante nimmer werd geraakt door de pijl van Jarâ, die feitelijk een incarnatie van de Heer Zijn toegewijde Bhrigu Rishi is. In een voorgaand leven had Bhrigu Muni offensief zijn voet geplaatst op de borst van Heer Vishnu.
De Hemelvaart van Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen arriveerden aldaar Brahmâ met zijn gemalin Bhavânî samen met S'iva en de halfgoden onder leiding van Indra en de wijzen samen met de heren der mensen. (2-3) De voorvaderen, de volmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de grote ego's, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders en de wildemannen, zij van bijzondere vermogens en de dansmeisjes van de hemel en allen horend bij Garuda [de dvijâ's] die graag getuige wilden zijn van het heengaan van de Allerhoogste Heer, bezongen en prezen vol enthousiasme de geboorte en handelingen van S'auri. (4) Zij, samendrommend in de hemel in een groot aantal vimâna's, o Koning, strooiden, verenigd in bovenzinnelijke toewijding, bloemen uit. (5) Toen de Opperheer de grote vader en zijn machtige expansies zag concentreerde Hij Zich in Zichzelf, de Almachtige, en sloot Zijn lotusogen. (6) Zonder in een mystieke trance het voorwerp te verbranden dat gunstig is voor alle vervoering en meditatie, te weten Zijn lichaam dat hoogst aantrekkelijk is voor al de werelden, ging Hij Zijn eigen verblijf binnen [vergelijk 4.4]. (7) En terwijl in de hemel pauken weerklonkenn en er bloemen neerregenden volgden Hem toen Hij de aarde verliet de Waarheid, Rechtschapenheid, Bestendigheid, Roem en Schoonheid [zie ook 10.39: 53-55]. (8) De halfgoden en anderen met Brahmâ aan het hoofd die niet op de hoogte waren van [alles] wat Krishna had gedaan, zagen Hem niet allemaal Zijn verblijf binnengaan, maar zij die dat wel deden waren hoogst verbaasd. (9) Net zoals de weg van de bliksem die zich via de wolken door de hemel beweegt, door stervelingen niet kan worden vastgesteld, konden zo ook de goden niet uitmaken welke weg Krishna volgde. (10) Brahmâ, S'iva en de anderen echter, ervan getuige, verheerlijkten verwonderd het yogavermogen van de Heer, waarna een ieder zich naar zijn eigen wereld begaf. (11) O Koning, u moet begrijpen dat het verschijnen, de handelingen van Zijn begoochelend vermogen en het verdwijnen van de Allerhoogste op de manier zoals dat gebeurt met normale belichaamde wezens, een vertoning vormt. Het is een schouwspel waarmee Hij net als een acteur met behulp van Zichzelf dit universum in gang zet door erin binnen te gaan, erin op te treden en tenslotte er een eind aan te maken. Na opgehouden te zijn [met de vertoning] verwijlt Hij dan in de grootheid van het Allerhoogste Zelf. (12) Hij die de zoon van Zijn goeroe in zijn eigen lichaam weer terugbracht na te zijn weggevoerd naar de wereld van Yamarâja [10.45] en Hij die tevens bescherming bood tegen het oppermachtige wapen dat jou verbrandde [1.12]; Hij die zelfs S'iva overwon die de dood vormt voor de boodschappers van de dood [10.63], waarom zou Hij, die de hertenjager [Jarâ] compleet met zijn lichaam naar de geestelijke wereld overbracht, er niet toe in staat zijn Zichzelf te behouden? (13) Ondanks het feit dat Hij, in het bezit van onbegrensde vermogens, de enige oorzaak is van de handhaving, schepping en vernietiging van alle geschapen wezens, verlangde Hij het niet Zijn lichamelijkheid hier in de sterfelijke wereld te behouden. Wat voor nut heeft het voor Hem, die de bestemming vormt voor hen die zich op Hem fixeerden, om vast te houden aan de uiterlijkheid [zie ook 3.2: 10-11]? (14) Een ieder die, 's morgens vroeg opstaand, met zorg deze allerhoogste bestemming van Krishna verheerlijkt, zal met de toewijding ongetwijfeld die onovertroffen bestemming bereiken [zie ook B.G. 8: 6].
(15) Dâruka die zonder Krishna in Dvârakâ arriveerde, bevochtigde met zijn tranen de voeten van Vasudeva en Ugrasena voor wie hij zich ter aarde wierp. (16-17) Hij verhaalde van de voltallige vernietiging van de Vrishni's, o heerser der mensen, en dat vernemend waren de mensen met hun harten van slag buiten hun zinnen van verdriet. Overweldigd door de scheiding van Krishna sloegen ze zich op hun gezicht en haastten ze zich naar de plaats waar hun verwanten levenloos lagen. (18) Toen Devakî, Rohinî en Vasudeva daarop hun zoons niet konden vinden, verloren ze getroffen vol tranen hun bewustzijn. (19) Gekweld door hun scheiding van de Allerhoogste Heer gaven ze toen ter plekke hun levens op en klommen de echtgenotes met het omhelzen van hun [dode] echtgenoten, mijn beste, op de brandstapel. (20) En zo gingen ook de vrouwen van Balarâma, Zijn lichaam omhelzend, het vuur binnen en traden eveneens de echtgenotes van Vasudeva tezamen met zijn lichaam alsook de schoondochters van de Heer die bij Pradyumna en de anderen hoorden in het vuur. En zo verging het ook de vrouwen van Krishna die volkomen in Hem verzonken met Rukminî, de eerste koningin voorop, het vuur ingingen. (21) Arjuna van streek vanwege de scheiding van Krishna, zijn geliefde vriend, troostte zich met de bovenzinnelijke woorden van Krishna's lied [zoals 2: 11-12, 2: 20-21, 2: 27, 4: 7, 4: 6, 7: 25 en 14: 27 van de Bhagavad Gîtâ]. (22) Voor de verwanten, waarvan er geen familieleden meer over waren, liet Arjuna als voorgeschreven, voor hen die de dood hadden gevonden, naar de orde van de leeftijd van de overledenen, de begrafenisrituelen voltrekken. (23) Dvârakâ verlaten door de Heer, raakte direct daarop overstroomd door de oceaan met uitzondering van, o Koning, de residentie van de Hoogste Persoonlijkheid van God [zie een archeologische afbeeldingen 1,2 & 3 van de plaats]. (24) Precies daar is Madhusûdana, de Allerhoogste Heer, eeuwig aanwezig; de enkele herinnering eraan, als het goedgunstigste van alles wat goedgunstig is, neemt al het ongunstige weg. (25) Arjuna, die de overlevenden - de vrouwen, de kinderen en de bejaarden van degenen die de dood vonden - herhuisvestte in Indraprastha, plaatste daar Vajra [Aniruddha's zoon] op de troon. (26) Toen ze van Arjuna vernamen over de dood van hun vriend, o Koning, vertrokken al uw grootvaders om de grote reis te maken, nadat ze eerst u tot de handhaver van de dynastie hadden uitgeroepen [ze gingen noordwaarts, zie ook 1.15: 34-51]. (27) Een sterveling die met geloof zingt over de geboorte en handelingen van Vishnu, de God der Goden, zal volledig verlost raken van al zijn zonden [zie S'rî Das'âvatâra Stotra]. (28) Aldus werden de aantrekkelijke en allergunstigste heldendaden en kindertijd-wederwaardigheden van de incarnatie [met al Zijn expansies, zie 10.1: 62-63] van de Allerhoogste Heer Hari hier [in dit verhaal van de Fortuinlijke] beschreven alsook elders [in andere geschriften]. De persoon die ze bezingt zal de bestemming bereiken van de bovenzinnelijke toegewijde dienst die het doel is van alle volmaakte wijzen [de paramahamsa's].'
Aldus eindigt het elfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd 'Algemene Geschiedenis'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/