Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
Canto 4a
De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer
Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu
Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva
Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî
Hoofdstuk 4 Satî Verlaat Haar Lichaam
Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid
Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden
Hoofdstuk 7 Het Offer ten Uitvoer Gebracht door Daksha
Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud
Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis
Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's
Hoofdstuk 11 Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen
Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God
Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja
Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena
Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning
Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen
Hoofdstuk 17 Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde
Hoofdstuk 18 Mahârâja Prithu Melkt de Aarde
Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhârgavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor de copyrights op deze vertaling geldt de z.g. ShareAlike regeling: men is vrij te copiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en link naar deze site bhagavata.org) en dat men er geen commercieel doel mee dient. Voor alle andere gebruik zal men kontakt moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 02-10-2009.
Stamboom van de Dochters van Manu
(1) S'rî Maitreya zei: Svâyambhuva Manu verwekte bij zijn vrouw S'atarûpâ zowel [als twee zoons] drie dochters genaamd Âkûti, Devahûti en Prasûti, zoals u weet [zie 3.12: 56]. (2) Hoewel Âkûti broers had, werd ze aan de grote wijze Ruci uitgehuwelijkt op voorwaarde dat de koning, die ondersteund werd door de religieuze riten en de instemming van zijn vrouw, de daaruit resulterende zoon zou krijgen. (3) Hij, de allermachtigste, grote wijze Ruci, werd de voortplanting toevertrouwd en verwekte in haar een stel kinderen van de grootste spirituele en brahmaanse kracht. (4) Het mannelijk kind van de twee, Yajña ['Hij van het Offer'], was een rechtstreekse verpersoonlijking van Vishnu terwijl het andere vrouwelijke kind Dakshinâ Zijn onafscheidelijke volkomen deelaspect, de Godin van het Geluk [Lakshmî] was. (5) De zeer machtige zoon die door de dochter ter wereld werd gebracht werd naar het huis van de overgelukkige Svâyambhuva Manu gebracht, terwijl Ruci Dakshinâ bij zichzelf hield. (6) De Heer en meester van alle offers die altijd naar haar verlangde, trouwde en Zijn vrouw [Lakshmî] die zeer verguld was Hem als haar echtgenoot te hebben, bracht twaalf zoons ter wereld. (7) De twaalf waren: Tosha, Pratosha, Santosha, Bhadra, S'ânti, Idaspati, Idhma, Kavi, Vibhu, Svahna, Sudeva en Rocana. (8) In het tijdperk van Svâyambhuva stonden ze bekend als de Tushita halfgoden, met Marîci aan het hoofd van de wijzen en Yajña als de Koning der Verlichte Zielen. (9) De twee zoons van Manu, Priyavrata en Uttânapâda, waren in die periode van het grootste en hun zonen en kleinzonen verspreidden zich alom. (10) Mijn beste, aangaande Svâyambhuva die zijn dochter aan Kardama overhandigde, hebt u me uitgebreid horen spreken [zie 3.12: 57]. (11) De grote persoonlijkheid Svâyambhuva gaf Prasûti aan Daksha, de zoon van Brahmâ, wiens nageslacht zich enorm over de drie werelden verspreidde. (12) Ik vertelde u reeds over de negen dochters van Kardama die de echtgenotes werden van negen grote wijzen van geestelijke kennis [zie 3.24: 21-25]. Luister nu naar mijn beschrijving van de geslachten die uit hen voortkwamen. (13) De dochter van Kardama, de vrouw van Marîci ook wel Kalâ genaamd, bracht Kas'yapa en Pûrnimâ ter wereld wiens kinderen zich over de aarde verspreidden. (14) Pûrnimâ kreeg zoons met de namen Virajâ, Vis'vaga, o overwinnaar, en een dochter genaamd Devakulyâ. Door het water dat van de Heer Zijn lotusvoeten afspoelde werd zij het heilige van de Ganges. (15) De vrouw van Atri Muni, genaamd Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde zoons: Dattâtreya, Durvâsâ en Soma [de maangod], welke [gedeeltelijke] incarnaties zijn van respectievelijk de Superziel [Vishnu], Heer S'iva en Heer Brahmâ.'
(16) Vidura zei: 'O geestelijk leraar, vertel me hoe in het huis van Atri de belangrijkste goden aangaande de aangelegenheden van de handhaving, schepping en vernietiging met een bepaald doel konden verschijnen.'
(17) Maitreya zei: 'Er toe aangezet door Heer Brahmâ om zich voort te planten ging Atri, de belangrijkste van de geleerden in de spirituele kennis, tezamen met zijn vrouw naar de grote berg met de naam Riksha om daar te verblijven voor boetedoeningen. (18) Op die plaats in de tuin van het woud waren er vele bloemen, as'oka-bomen die overal groeiden en was er het geluid van het vallende water van de Nirvindhyâ-rivier. (19) Het denken beheersend door de ademhaling te reguleren, verbleef de wijze daar, een honderdtal jaren de lucht etend terwijl hij op het ene been van de non-dualiteit stond. (20) Hij dacht: 'Mijn toevlucht zoekend geef ik me aan Hem over, moge Hij die voorzeker de meester van het universum is, mij een zoon schenken die gelijk Hemzelve is.' (21) Door het vuur dat uit het hoofd van de wijze voortkwam en gevoed werd door zijn adembeheersing, werd hij, met de beoefening van zijn boete over de drie werelden, opgemerkt door de drie belangrijkste goden. (22) Met het zich verspreiden van de roem van zijn eer, gingen de Apsara's, de muni's, de Gandharva's, de Siddha's, de Vidyâdhara's en de Nâga's, op weg naar de plaats van zijn meditatie. (23) Toen hij het gelijktijdige verschijnen van al deze halfgoden en grote persoonlijkheden zag klaarde de geest van de wijze op, die op zijn ene been tot bewustzijn was gekomen. (24) De symbolen van hun persoonlijke toebehoren herkennend [trommel, kus'agras en werpschijf] en de stier, de zwaan en Garuda waarop ze waren gezeten, wierp hij met gevouwen handen zich rechtuit voor hen neer, hen zijn eerbetuigingen brengend. (25) Verblind door de stralende gloed van hun glimlachende gezichten en de zichtbare voldoening van hun genadevolle blikken, sloot de wijze zijn ogen. (26-27) Zijn hart op hen vestigend prevelde hij de extatische woorden van de gebeden die hij met gevouwen handen aan de eerbiedwaardige heersende halfgoden opdroeg. Atri zei: 'Ik buig me neer voor u, de Heer Brahmâ, Heer S'iva en Heer Vishnu die, zoals steeds in de verschillende tijdperken, uw lichamen hebt aangenomen in het verdeeld zijn naar de geaardheden der natuur in de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Wie van u is het die in werkelijkheid door mij werd aangeroepen? (28) Wees zo genadig, leg mij die zo hevig twijfelt uit, hoe het zo kan zijn dat, hoewel me ver boven de geesten der belichaamden bevindend, u allen hier bent verschenen terwijl ik, om een kind te krijgen, mijn denken concentreerde op de Ene Grote Heer van Al het Geluk?
(29) Maitreya zei: 'O machtige, na aldus kennis te hebben genomen van de woorden van de grote wijze, gaven alle drie de hoofdgoden hem glimlachend en in vriendelijke bewoordingen antwoord. (30) De halfgoden zeiden: 'Zoals u het hebt besloten, zo zal het geschieden en niet anders; voor u, wiens vastbeslotenheid nimmer week o beste brahmaan, zijn wij allen van de Ene waar u zo waarachtig op mediteerde. (31) Daarom zullen onze volkomen deelaspecten - de zoons die uit u zullen worden geboren - zeer vermaard in de wereld zijn, beste wijze, en tot uw grote geluk zullen ze ook uw goede naam verspreiden.'
(32) Terwijl de echtelieden toekeken keerden de leidende halfgoden, die op die manier, volmaakt aanbeden als ze waren, hun zegeningen hadden uitgesproken, van daar terug. (33) Soma verscheen als een gedeeltelijke expansie van Heer Brahmâ, Dattâtreya als een oppermachtige yogi van Heer Vishnu en Durvâsâ als een partiële incarnatie van S'ankara [S'iva]. Verneem nu over de generaties die voortkwamen uit Angirâ. (34) S'raddhâ, de vrouw van Angirâ, bracht de dochters Sinîvâlî, Kuhû en Râkâ ter wereld met Anumati als de vierde. (35) Benevens hen werden de zoons uit hem geboren zeer beroemd in het tijdperk van Svârocisha Manu [de tweede Manu na Svâyambhuva]: de machtige Utathya en Brihaspati, die het volle van het brahmaanse in eigen persoon was. (36) Pulastya verwekte bij zijn vrouw Havirbhû, Âgastya, die in zijn volgende leven Dahrâgni [die van het vuur van de spijsvertering] zou zijn, en Vis'ravâ, de grote der verzaking. (37) Uit Vis'ravâ kwam de halfgod Kuvera, de koning der Yaksha's [zijn bovennatuurlijke bedienden] ter wereld, geboren uit Idavidâ terwijl de zoons Râvana, Kumbhakarna en Vibhîshana werden geboren uit een andere vrouw [genaamd Kes'inî]. (38) Gati, de echtgenote van Pulaha, o toegewijde, bracht drie kuise zonen ter wereld [Karmas'reshthha, Varîyân en Sahishnu] die alles van karma afwisten en eveneens zeer respectvol en tolerant waren. (39) Kriyâ, de vrouw van de wijze Kratu, bracht van haar kant zestigduizend wijzen voort levend naar de Vâlakhilya [een aantal Rig-veda verzen over het teruggetrokken bestaan], die uitblonken met de brille van het brahmaanse [ze stonden ook bekend als de kleinen door Brahmâ voortgebracht, die de wagen van de zon omringen]. (40) Van Ûrjâ [ook Arundhatî genoemd], uit de wijze Vasishthha, o grote, kwam Citraketu voort als de belangrijkste van zeven zoons die allen grote en zuivere wijzen waren van de Absolute Waarheid. (41) Dat waren Citraketu, Suroci, Virajâ, Mitra, Ulbana, Vasubhridyâna en Dyumân. Ook werden er S'akti en andere zoons geboren uit een andere vrouw van hem. (42) Ook Citti [eveneens bekend als S'ânti], de vrouw van Atharvâ, kreeg in volkomen toewijding tot de Dadhyañca gelofte [de gelofte der meditatie] een zoon genaamd As'vas'irâ. Verneem nu over het geslacht van Bhrigu. (43) Bhrigu, zeer fortuinlijk, verwekte bij zijn vrouw Khyâti, de zoons Dhâtâ en Vidhâtâ en een dochter genaamd S'rî, die van grote toewijding voor de Heer was. (44) Âyati en Niyati, twee dochters van de wijze Meru, werden uitgehuwelijkt aan hen beide waaruit Mrikanda en ook Prâna voortkwamen. (45) Mârkandeya Muni werd geboren uit Mrikanda en uit Prâna kwam de grote wijze Vedas'irâ voort wiens hoogst machtige zoon genaamd Kavi Bhârgava ook bekend stond als Us'anâ [ofwel S'ukrâcârya]. (46-47) O Vidura, ik heb voor u gesproken over hoe zij, al de grote wijzen, met hun afstammelingen de drie werelden bevolkten met hun kleinzoons geboren uit het nageslacht van de wijze Kardama. Het met geloof hierover vernemen zal terstond de overmaat aan terugslagen van de zonde terugdringen.
Prasûti, een dochter van Manu, trouwde met de ware zoon van Brahmâ, Daksha. (48) Bij haar verwekte hij zestien lotus-ogige dochters waarvan er dertien werden uitgehuwelijkt aan Dharma en er een aan Agni werd gegeven. (49-52) Eén dochter schonk hij aan de voorvaderen tezamen en één gaf hij er aan Heer S'iva de verlosser der zondaars. S'raddhâ, Maitrî, Dayâ, S'ânti, Tushthi, Pushthi, Kriyâ, Unnati, Buddhi, Medhâ, Titikshâ, Hrî en Mûrti zijn de namen van Daksha's dochters die aan Dharma werden geschonken, van wie S'raddhâ S'ubha kreeg, Maitrî Prasâda, Dayâ Abhaya, S'ânti Sukha, Tushthi Muda, Pushthi SMâyâ, Kriyâ Yoga, Unnati Darpa, Buddhi Artha, Medhâ Smriti, Titikshâ Kshema en Hrî Pras'raya kreeg. Mûrti, een vergaarbekken van alle goede kwaliteiten, bracht de wijzen Nara en Nârâyana ter wereld. (53) Het verschijnen van Hen beide verheugde het ganse universum en vulde ieders geest van blijdschap; in alle richtingen over de rivieren en de bergen werd de atmosfeer aangenaam. (54-55) Uit de hemelen weerklonken muziekinstrumenten en er werden bloemen uit de lucht naar beneden gestrooid, de tevreden wijzen hieven vedische hymnen aan en de Gandharva's en Kinnara's begonnen te zingen. De prachtige maagden uit de hemel dansten, daar alle goede voortekenen te zien waren en de halfgoden, Brahmâ en de anderen droegen allen hun gebeden van respect op. (56) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoonlijkheid, die door Zijn eigen uitwendige energie de variëteit van al het bestaande schiep dat zich in Hem bevindt zoals de wolkenmassa's in de lucht worden gevonden, en die vandaag verschenen is in de gedaante van deze wijzen in het huis van Dharma. (57) Moge Hij die door de Veda's wordt begrepen en die, teneinde een einde te maken aan het onfortuinlijke van de geschapen wereld, ons, de halfgoden, schiep met de geaardheid goedheid, ons Zijn genadevolle blik vergunnen welke de smetteloze lotus waarin de godin van het geluk huist overtreft'.
(58) O Vidura, de Allerhoogste Heer, aldus geprezen door de verzamelde halfgoden die de genade van Zijn blik vonden, vertrok na die aanbidding naar de Gandhamâdana-heuvel. (59) Deze twee partiële [ams'a-]incarnaties van de Allerhoogste Heer Hari, zijn hier nu verschenen om de last te verlichten van de wereld als de twee van Krishna die de besten zijn die de Kuru en Yadu-dynastie voortbrachten. (60) Svâhâ [dochter van Daksha], de vrouw van Agni, de leidende godheid van het vuur, bracht drie zonen voort: Pâvaka, Pavamâna en S'uci die zich voeden met de offergaven. (61) Uit hen werden vijfenveertig vuurgoden voortgebracht, zodat tezamen in werkelijkheid er negenenveertig van hen zijn, de vaders en grootvader meegerekend. (62) Door de namen van de negenenveertig vuurgoden laten de kenners van Brahmân zich leiden in hun vuuroffers. (63) Hun voorvaderen zijn deze Agnishvâtta's, Barhishada's, Saumya's en Âjyapa's; ze gaan dan wel met, dan wel zonder vuur te werk en Svadhâ, Daksha's dochter is hun feitelijke echtgenote. (64) Uit hen kwamen twee dochters voort, Vayunâ en Dhârinî, die beide expert waren in zowel de kennis als de overstijging met de onpersoonlijke weg van Brahmân. (65) De vrouw van Bhava [een naam van S'iva], genaamd Satî, hield zich gewetensvol bezig met het dienen van Bhava de halfgod, maar was zelf, ondanks haar kwaliteiten en karakter, er niet toe in staat een soortgelijke zoon te krijgen. (66) Haar eigen vader had zich namelijk ten ongunste woedend opgesteld tegenover de foutloze [S'iva], zodat ze zelfs nog voordat ze de volwassenheid had bereikt, in yoga verbonden haar lichaam moest opgeven.
Daksha Vervloekt Heer S'iva
(1) Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn eigen dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde? (2) Hoe kon hij hem haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, met een vredelievende persoonlijkheid en van binnenuit tevreden zonder vijandschap, de grootste halfgod van het universum is? (3) Zeg me daarom, o brahmaan, wat de reden is waardoor de schoonvader en schoonzoon ruzieden en waardoor Satî het leven opgaf dat onmogelijk op te geven is.'
(4) Maitreya zei: 'Voorheen, hadden de leiders, grote wijzen en onsterfelijken van de schepping tezamen met hun volgelingen en de filosofen zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid. (5) Toen hij [Daksha] die grote vergadering binnenkwam gaf dat de wijzen een kijk op hem, die vrij van duisternis was, als zijnde stralend met de luister gelijk die van de zon. (6) Zij, de leden van de vergadering, tezamen met hen die voor het vuur zorgden, stonden, onder de indruk van zijn luister, uitgezonderd Heer Brahmâ en Heer S'iva, allen van hun zitplaatsen op. (7) Daksha, hij van alle weelde, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene, de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing zitten. (8) Door de zittende Heer S'iva, die hem geen respect toonde, voelde hij zich echter beledigd en zijn beheersing verliezend sprak hij tot hem met een kwade blik in zijn ogen. (9) 'Luistert naar me, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken, o vuurgoden, hoe ik tot u spreek over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie. (10) Hij, die behoort tot de heersers van het universum, heeft, met een gebrek aan manieren en schaamteloos, de faam bezoedeld en bedorven van hen die het pad van de zachtmoedigen volgen. (11) Hij heeft het aanvaard van een ondergeschikte positie te zijn, zich als een eerlijk mens opstellend in het nemen van de hand van mijn dochter, in de aanwezigheid van vuur en brahmanen. (12) De hand van haar nemend die ogen heeft gelijk die van een hertje, heeft hij, met zelf de ogen van een aap, mij, die zo'n verwelkoming toekomt, niet geëerd door van zijn zitplaats op te staan. (13) Zonder acht te slaan op de regels en voorschriften, heeft hij, onzuiver en trots, gebroken met de beleefdheidscode; hoewel ik het niet wilde, heb ik mijn dochter weggegeven alsof de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra werd gegeven. (14-15) In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd, lachend en huilend als een waanzinnige, met zijn haar in de war zich besmeurend met de as van de brandstapel. Hij heeft een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hun leider en hun Heer, vergroofd in de geaardheid onwetendheid. (16) Aan hem, de Heer der Spoken, die verstoken is van alle reinheid, die er met zijn hart zo ver vandaan is, heb ik helaas, zoals de hoogste meester het verlangde, Satî gegeven.'
(17) Maitreya zei: 'Aldus S'iva beledigend die zich van vijandigheden weerhield, ging Daksha woedend daarop zijn handen en mond wassen met water en begon hij zijn vervloeking: (18) 'Dat aandeel van het offer aan de goden dat de halfgoden hebben tezamen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen, is er niet voor de laagste der halfgoden.' (19) Hoewel gevraagd door de leden van de vergadering het niet te doen, vertrok hij, Daksha, na S'iva te hebben vervloekt, vandaar huiswaarts, o Vidura, daar hij zeer kwaad geworden was. (20) Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandîs'vara, een van zijn volgelingen, rood aan en blind van woede vervloekte hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaats vond.
(21) 'Moge hij die in betrekking tot de lichamelijkheid van hem hier er afgunst op na houdt jegens de niet-afgunstige Heer S'iva en dus met stomheid is geslagen in een dualistische visie, zijn zin voor de werkelijkheid verliezen. (22) Hij die zich aangetrokken voelt tot het bestaan van pretentieuze religiositeit van huishouders en volgens de voorschriften van de Veda's te werk gaat in een verlangen naar materieel geluk en vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie verloren zien gaan. (23) Laat hij die met de intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het sexleven, die uitzinnige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen. (24) Mogen zij die Daksha navolgen in zijn beledigingen en die in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft zijn geraakt in hun materialistische opvoeding en intelligentie, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden. (25) Laten zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden van de bekoorlijke, bloemrijke taal der Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, gehecht blijven. (26) Laten die brahmanen, die het zochten in scholing, verzaking en geloften om er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'
(27) De woorden aanhorend van deze vloek aldus tegen de klasse der tweemaal geborenen, formuleerde Bhrigu in reactie daarop een onoverkomelijke vervloeking in overeenstemming met de brahmaanse manier van afstraffen: (28) 'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen. (29) Laten zij, die de reinheid hebben afgezworen, dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, zich maar overgeven aan de leiding van S'iva van wie men het spirituele heeft van het vinden van verlichting in bedwelming. (30) Aangezien u in waarheid de brahmanen en de trouw aan de Veda's belastert, hebt u derhalve uw toevlucht gezocht in de zwakheid van het atheïsme. (31) In de Veda's die voorzeker het goedgunstig pad van alle mensen zijn en welke in het verleden altijd strikt werden nageleefd, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst]. (32) Met het belasteren van die opperste en zuiverste geest, welke de eeuwige weg der waarachtigen is, bent u gedoemd in het atheïsme te belanden waarin u uw godheid, de Heer der materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'
(33) Maitreya zei: 'Aldus ter sprake gekomen in de vloek van Bhrigu, ging S'iva, de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen weg. (34) Daarvan, o grote meester, verkeren zelfs de vaderen der wereld voor een duizendtal jaren in aanbidding, daar dat de manier is waarop de Hoogste Persoonlijkheid, de leider aller wijzen, behoort te worden gerespecteerd. (35) Hun harten zuiverend, met het aldaar, waar de Ganges samenkomt met de Yamunâ, nemen van hun ceremonieel afsluitend bad, gingen ze allen heen, terug naar hun eigen verblijfplaatsen.'
Het gesprek tussen Heer S'iva en Satî
(1) Maitreya zei: 'Met het op deze manier aanhouden van de hartgrondige vijandschap die bestond tussen de schoonvader en de schoonzoon, was zelfs een zeer lange tijd gemoeid. (2) Toen Daksha door Brahmâ, de allerhoogste leraar, werd aangewezen als de belangrijkste van alle stamvaders van de mensheid, raakte hij zeer opgeblazen. (3) S'iva en zijn volgelingen negerend begon hij, na eerst een Vâjapeya-offer [het offer van 'de beker van de kracht of de veldslag'] te hebben gebracht, aan de beste van alle offers genaamd het Brihaspati-offer [het offer van de belangrijkste offeraar der gebeden en gaven].(4) Daartoe verzamelden zich alle goddelijken en geleerden der wijsheid, de voorvaderen en de halfgoden en de fraai opgesierde echtgenotes die hun mannen begeleidden. (5-7) Satî, de dochter van Daksha en vrouw van S'iva, hoorde de hemelbewoners het hebben over het grote festival dat door haar vader werd gehouden, en toen ze bij haar in de buurt de mooie vrouwen van de godbewusten, met glinsterende ogen en oorbellen van alle kanten in mooie jurken en volledig opgesierd, rond zag vliegen met hun echtgenoten om daar naar toe te gaan, richtte ze zich verontrust tot haar echtgenoot, de Heer en meester der Bhûta's [zij die van de materie en de doden zijn]. (8) Satî zei: 'Je schoonvader, Daksha, is van plan een groot offer te brengen waar al de godbewusten naar toe gaan en waar wij ook zeker dus naar toe kunnen gaan, mijn liefste, als je dat wilt tenminste. (9) Zeker zullen mijn zussen met hun echtgenoten er ook naar toe gaan er naar uitziend hun verwanten te treffen; zou je alsjeblieft er mee in willen stemmen die bijeenkomst bij te wonen samen met mij en al de sieraden die me gegeven zijn? (10) Ik zal daar dan zeker mijn zusters en hun echtgenoten, mijn liefhebbende tantes en mijn moeder ontmoeten; ik heb er reeds lang naar uitgezien hen te treffen alsook de offervanen te zien gehesen door de grote wijzen, o genadige. (11) Door jou, als zijnde de ongeborene, schijnt deze uiterlijke manifestatie, vanuit de ziel geschapen als een interactie naar de drie geaardheden, zo wonderbaarlijk toe; niettemin beschouw ik mezelf, als een vrouw naar jouw genoegen, als niet bekend met de waarheid, en als jouw armzalige, zou ik graag mijn geboorteplaats weer eens zien, o Bhava [S'iva als de Heer van het bestaan]. (12) O onstoffelijke, met je blauwe keel, voorzeker vliegen alle vrouwen, opgesierd en met hun echtgenoten en vrienden, daar in grote getale naar toe, prachtig in de lucht met hun witte zwanen die hen hoog dragen. (13) Hoe kan ik fysiek onaangedaan zijn, o beste der halfgoden, als dochter vernemend van het festival dat plaats vindt in het huis van mijn vader; ook al al is men niet uitgenodigd kan men toch nog wel naar het huis van zijn vriend, van zijn echtgenoot, zijn vader of zijn geestelijk leraar gaan, is het niet? (14) Wees daarom zo aardig voor me, o onsterfelijke en vervul mijn verlangen, o eerbare, o meedogende Heer, in het volle van mij te beschouwen als je fysieke wederhelft, wees alsjeblieft zo genadig gehoor te geven aan mijn verzoek.
(15) De wijze zei: 'De bevrijder van de berg Kailâsa [Heer S'iva], aldus aangesproken door zijn liefste, gaf, beminnelijk als hij was voor zijn verwanten, glimlachend antwoord, zich onderwijl de hartverscheurende boosaardige woorden herinnerend die Daksha had gesproken in de aanwezigheid van de bewakers van de schepping. (16) De grote Heer zei: 'Wat je zei, mijn liefste schoonheid, is zeker waar; men kan, zelfs ongenood, naar vrienden gaan, mits ze er niet op uit zijn fouten te vinden en belangrijker, ze niet van de woede zijn in hun trots over hun identificaties. (17) Door de zes kwaliteiten van de deugd van scholing, verzaking, weelde, schoonheid, jeugd en een goede afkomst zijn zij die arrogant zijn verblind; zonder achting voor de grote zielen verliezen ze hun juiste zin en raken ze vervreemd in onwaarheid. (18) Men behoort niet naar het huis van verwanten en vrienden te gaan die, afhankelijk daarin, op die manier gestoord zijn in hun geesten en hun gasten koeltjes onthalen, ze met geheven wenkbrauwen en met woede in hun ogen tegemoet tredend. (19) De pijlen van een vijand zijn nog niet zo kwetsend als de pijn die men, in een deel van zijn hart, ondervindt vanwege de begoochelende, barse woorden van verwanten, onder wie degene die gekwetst is dag en nacht moet lijden. (20) Het is duidelijk dat jij, die je met je knappe gezicht zo goed gedraagt, wordt gezien als de lieveling van de dochters van de Prajâpati [Daksha]; niettemin zal je door je verbondenheid met mij, met mij die door je vader niet geëerd wordt, door hem pijn ondervinden. (21) Iemand die van streek is met een brandend hart is, wat betreft de vrome roep van hen die in hun geesten altijd uitzien naar de oorspronkelijke persoon, niet direct in staat om zelfs maar te tippen aan hun standaard, net zo min als demonen er niet toe in staat zijn in afgunst op de Heer. (22) O liefste jonge vrouw van me, de opzet wederzijds voor elkaar op te staan en elkaar te verwelkomen met eerbetoon is gepast, maar zeer zeker richten zij, die van de wijsheid zijn met de intelligentie jegens het Allerhoogste, zich naar de Oorspronkelijke Persoon die zich in het lichaam bevindt, en zeker niet naar degene die zich vereenzelvigt met het lichaam. (23) Het zuivere bewustzijn dat bekend staat als Vâsudeva wordt daarin onthuld omdat de persoon dan in de goedheid is en niet overdekt [door duisternis]; de Allerhoogste Heer wordt door mij daarin altijd met de naam van Vâsudeva [de 'God van de ziel'] gerespecteerd, omdat Hij het transcendentale is. (24) Derhalve moet je hem, Daksha en zijn Vis'vasrik volgelingen aanwezig bij de offerplechtigheid, niet ontmoeten, hoewel hij je jouw lichaam schonk, o Satî, daar hij afgunstig mij, die onschuldig was, met wrede bewoordingen heeft beledigd. (25) Als je ertoe besluit erheen te gaan mijn woorden in de wind slaand, dan zullen de zaken zich niet voor jou ten goede keren; als je door je familielid beledigd bent, zal die belediging rechtstreeks gelijk staan aan de dood.
Satî Verlaat Haar Lichaam
(1) S'rî Maitreya zei: 'Na dit gezegd te hebben over het einde van het lichaam van zijn vrouw was Heer S'iva stil. Daar zij door S'iva het van de twee kanten te zien kreeg van zowel bezorgd zijn over als bang zijn voor het bezoeken van haar verwanten, wist ze in dubio niet hoe ze zich moest opstellen. (2) Niet gehonoreerd in haar verlangen haar familieleden te treffen was ze daar zeer spijtig over en liet ze uit genegenheid haar tranen de loop; trillend keek ze naar haar Bhava, de ongeëvenaarde, met woede alsof ze hem wilde vermoorden. (3) Toen verliet ze zwaar ademend hem, de heilige haar zo dierbaar die zij haar helft van het lichaam had gegeven; emotioneel door haar treurnis en woede ging ze, met haar hart gezet naar haar vader, naar haar familiehuis uit liefde voor zijn belichaming, in haar intelligentie begoocheld door haar vrouwelijke aard. (4) Zo vlotjes alleen vertrekkend werd Satî, die geen angst kende, snel gevolgd door Manimân en Mada met de stier Nandî in het gezelschap van de duizenden van metgezellen en Yaksha's van de drieogige [Heer S'iva]. (5) Op de uitgedoste stier gezet, werden haar lievelingsvogel, bal, spiegel, lotusbloem, witte parasol, muskietennet, bloemenslingers en andere zaken met haar meegevoerd onder de begeleiding van de muziek van trommels, schelphoorns en fluiten. (6) Ze arriveerde toen daar waar de offerplechtigheid, opgeluisterd door de geluiden van vedische hymnen, werd gehouden in de aanwezigheid van de grote wijzen en grote geesten van overal samengekomen terwille van het offeren met al de offerdieren, potten, klei, hout, ijzer, goud en het gras en de huiden om op te zitten. (7) Toen ze daar aankwam werd ze niet met respect verwelkomt uit angst voor degene die het offer bracht [Daksha], behalve dan natuurlijk door haar eigen zussen en moeder, die haar met eerbied omhelsden met verheugde gezichten en kelen verstikt door tranen van genegenheid. (8) Maar Satî, niet verwelkomd door haar vader, kon het niet aanvaarden te worden geëerd door de begroetingen van haar zusters, moeder en tantes die met gepast respect naar behoren haar op de hoogte stelden en haar geschenken en een zitplaats boden. (9) Ziend dat haar vader geen offergaven had voor S'iva en dat het offerperk zonder achting voor de godheid was, de Heer niet in de offerbijeenkomst ontvangend, werd Satî zeer kwaad en keek ze laaiend alsof ze de veertien werelden met haar blikken wilde verzengen. (10) De godin begon, goed te horen in het bijzijn van allen, met woorden vol van woede, S'iva's tegenstanders te vervloeken die zo trots waren op hun moeizame offers, onderwijl zijn Bhûta's, die bereid waren tot de aanval over te gaan, gebiedend zich terug te houden. (11) De gezegende zei: 'Niemand in deze wereld is zijn rivaal, er is niemand belichaamd die hem dierbaar is of zijn vijand is; jegens S'iva, het meest geliefde wezen van het universum, die vrij is van vijandigheid is er, behalve u, niemand die reden heeft afgunstig op hem te zijn. (12) In tegenstelling tot u, o tweemaal geborene, zoekt hij geen fouten in de kwaliteiten van de zoekers der waarheid, met anderen vergroot hij zo veel mogelijk ieder beetje goed uit dat hij aantreft en met hem, de grootste van alle personen, bent u het die aan het foutvinden is. (13) Dit denigreren van hen die van de glorie zijn door degenen die het vergankelijke lichaam aanzien voor het ware zelf, is een lelijk kwaad, dat een afgunst inhoudt op grote persoonlijkheden die waarlijk zeer nuttig is in het, bij het stof van die voeten der heiligheid, neerhalen van henzelf. (14) Personen die slechts maar een enkele keer vanuit het hart de twee lettergrepen van zijn naam uitspreken, zien hun zondige handelen onmiddellijk verslagen; die S'iva wiens gebod nooit wordt geminacht en die van een onberispelijke reputatie is - daar bent u vreemd genoeg afgunstig op. (15) Bezig aan zijn lotusvoeten oefenen de hogere persoonlijkheden die de bovenzinnelijke verrukking nastreven hun denken en voor de gewone man is hij de nectar die gezocht wordt die alle wensen in vervulling doet gaan; jegens hem, de vriend van alle levende wezens van al de drie werelden, is het van alle mensen u die zo is. (16) Denkt u nu werkelijk dat anderen dan u zoals Heer Brahmâ en zijn brahmanen er geen weet van hebben dat hij die als ongunstig wordt geassocieerd met de demonen, die met zijn loshangende samengeklitte haren van de begraafplaats is omhangen met schedels en besmeurd is met as, door hen goedgunstig oftewel S'iva wordt genoemd, op hun hoofden de bloemen nemend die van zijn voeten afvielen? (17) Men zou zijn oren moeten dichtstoppen en weg moeten gaan als er niets anders kan worden gedaan als men wordt geconfronteerd met mensen die onverantwoordelijk de heerser der religie belasteren; en àls men er toe in staat is, zou men met geweld de tong van dergelijke kwaadsprekende godslasteraars moeten uitsnijden en vervolgens zijn eigen leven moeten opgeven. Dat is de manier om dat soort zaken aan te pakken! (18) Daarom zal ik niet langer dit lichaam met me meezeulen dat ik van u, die God belastert, heb ontvangen; om je te zuiveren van het abusievelijk gegeten hebben van giftig voedsel kan men het beste gaan overgeven. (19) De wegen van de mensen en de goden scheiden zich als het denken, in feite van de grote wijzen zich in zichzelf verheugend, niet in staat is de geboden van de Veda na te volgen; en op de eigen plichtsvervulling teruggeworpen moet men dan niet die van een ander gaan kritiseren. (20) Naar waarheid wordt er in de Veda's onderscheid gemaakt tussen handelingen in gehechtheid en handelingen in onthechting [pravritti en nivritti dharma], zodat van de beide kenmerken er twee keuzen zijn; om van beide te zijn is een tegenstrijdigheid en zo is het dan dat geen van deze activiteiten naar de zin zijn van hij die van de transcendentie is [S'iva]. (21) O vader, werd niet al de welvaart die we van u hebben, verworven langs de weg der offers? In het genoegen vinden in het voedsel en de geofferde benodigdheden werd het lofprijzen van hem die zijn oorzaak vindt in het ongemanifesteerde bereikt door de zelfgerealiseerden! (22) Met dit lichaam van u dat niet Heer S'iva toebehoort in het begaan hebben van deze overtredingen, moet genoeg genoeg zijn met zo een verwerpelijke geboorte; ik schaam me er diep voor om verwant te zijn met zo een slechte persoon door die geboorte; het is zo beschamend bij iemand te horen die grote persoonlijkheden beledigt. (23) Met het hebben van deze familieband met u wordt ik er zeer triestig onder zo gauw ik mijn grote Heer S'iva mij 'dochter van Daksha' hoor noemen, al mijn vreugde en glimlachen verdwijnen dan onmiddellijk; derhalve zal ik deze zak met beenderen uit uw lichaam voortgebracht opgeven! '
(24) Maitreya zei: 'Aldus tot Daksha sprekend in het offerperk, zette ze zich in stilte neer op de grond met het gezicht naar het noorden en na water te hebben beroerd, sloot ze, gehuld in saffraankleurige kleding, haar ogen, de verzonkenheid vindend in het proces van de yoga. (25) De inwaarts en uitwaarts gaande adem in evenwicht brengend in de beheersing van de yogahouding stuurde zij, die geen blaam treft, haar levensadem naar boven, met intelligentie geleidelijk aan hem opheffend van de navel naar het hart in de richting van de luchtpijp en de keel en vandaar naar tussen haar wenkbrauwen. (26) Zodoende concentreerde zij, die keer op keer vol van respect op de schoot van de meest aanbiddelijke van alle heiligen had gezeten, uit eigen beweging zich op de lucht en het vuur binnen in haar lichaam in haar wens het op te geven als gevolg van haar woede jegens Daksha. (27) Daar zag men toen dat, door het enkel maar te denken aan niets anders dan de nectar van de lotusvoeten van haar echtgenoot, de hoogste geestelijk leraar van het universum, het lichaam van Satî, gezuiverd door de handeling, spoedig in lichterlaaie stond van het vuur dat voortkwam uit haar verzonkenheid.
(28) Van hen die er aldaar getuige van waren, deed er zich in de lucht en de aarde, een luidruchtig en wonderbaarlijk groots brullend ohhh voor: 'Helaas, Satî de geliefde godin van de meest respectabele halfgod, heeft haar leven opgegeven uit woede over Daksha. (29) Oh, zie toch hoe enorm zielloos hij is, de Prajâpati uit wie alle generaties zijn ontsproten; met zijn gebrek aan respect heeft zij vrijwillig haar lichaam opgegeven; zij, zijn eigen dochter Satî, die ons herhaaldelijk respect waardig is. (30) Zo hard van hart en het brahmaanse onwaardig zal hij wijd en zijd een slechte roep verwerven in de wereld, omdat hij met zijn overtredingen als een vijand van Heer S'iva niet heeft verhinderd dat zijn eigen dochter zich voorbereidde op de dood!' (31) Terwijl de mensen zo onderling in gesprek verkeerden na getuige te zijn geweest van de wonderbaarlijke dood van Satî, stonden de dienaren van S'iva met geheven wapens op met de bedoeling Daksha te doden. (32) Met dat hij hen er toen zo zag aankomen offerde Bhrigu echter snel offergaven in het zuidelijke deel van het vuur, onder het reciteren van hymnen uit de Yajur Veda tegen de vernietigers van een offer. (33) Door de gaven die werden geofferd door Bhrigu manifesteerden zich bij duizenden de halfgoden genaamd de Ribhu's die door de maan [Soma] en boetedoeningen grote kracht hadden verworven. (34) De geesten en Guhyaka's [bewakers] door hen aangevallen met de stukken brandhout uit het vuur, vluchtten aldus, door de gloed van enkel de brahmaanse macht, in alle richtingen.
Het verhinderen van Daksha's offerplechtigheid
(1) Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî vanwege het beledigd zijn door Daksha en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgebracht uit Daksha's offervuur, gaf hij blijk van een ongekende woede. (2) Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide alsof hij van electriciteit was of van vuur, en direct opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet hij de haar op de grond. (3) Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen in één en dat een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (4) Op zijn vraag aan de grote Heer, met gevouwen handen: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer der Geesten?', werd hem gezegd: 'Jij als de aanvoerder van mijn metgezellen, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'
(5) Aldus opgedragen, woedend door de verpersoonlijking van de woede zelve die door de goddelijken wordt aanbeden, omliep hij hem, de machtige, zich, met zijn niet te weerstane macht begiftigd, beschouwend als zijnde van het grootste vermogen, mijn beste Vidura, in staat om welke macht tegen hem dan ook het hoofd te bieden. (6) Gevolgd door de soldaten van S'iva die brulden met een enorm rumoer, haastte hij zich derwaarts een drietand met zich meedragend schrikwekkend genoeg om zelfs de dood uit het leven te helpen en banden om zijn enkels die een hard geluid maakten. (7) Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de Yajña en al de personen verzameld, dat er vanuit het noorden, de duisternis van een zandstorm aankwam, waarop de brahmanen en hun vrouwen begonnen te speculeren over waar dat stof vandaan kwam: (8) 'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn aangezien Koning Barhi nog steeds in leven is om hen te bestraffen, de koeien worden niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'
(9) De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit is nou het gevaar dat resulteert uit de zonde van het, als haar Heer en schepper, beledigd hebben van zijn volmaakt onschuldige dochter Satî in de aanwezigheid van haar zusters. (10) Maar hij die ten tijde van de voleinding danst met zijn bos haar loshangend, doorboort de heersers van alle windstreken met zijn drietand en lacht luidkeels, al die windrichtingen uiteendrijvend met het geluid van de donder onder het als vlaggen heffen van de wapens in zijn handen. (11) Hoe kan er ook goed geluk bestaan met het, vanuit Brahmâ, de woede hebben afgeroepen van hem die nu met een ondraaglijke uitstraling vol van woede het zwerk verduistert met de afgrijselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'
(12) Terwijl de mensen verzameld bij Daksha's offerplechtigheid allen op deze manier aan het spreken waren, nerveus om zich heen kijkend, konden overal en bij herhaling van de grote ziel talloze beangstigende voortekenen worden waargenomen in de lucht en op de aarde. (13) Snel, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra met zijn keur aan wapens en renden ze rond met hun gedrongen, geel- en zwartkleurige, aan haaien gelijke lichamen en gezichten.
(14) Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (15) Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die terwille van de offerplechtigheid brandden, sommigen urineerden en sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde. (16) Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en hielden de godbewusten tegen die ze in hun vluchtpogingen te pakken konden krijgen. (17) Manimân greep Bhrigu Muni vast, Virabhâdra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a hield Pûshâ aan en Nandîs'vara bracht de halfgod Bhaga op. (18) Gebukt onder een regen van stenen verkeerden de priesters, de goddelijken en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, werkelijk in alle staten en waren ze bezig zich in alle richtingen te verspreiden. (19) Van muni Bhrigu, die de lepel vasthield waarmee de uitgietingen werden gedaan, werd door de heer van S'iva [Vîrabhadra] temidden van de bijeenkomst de snor er af getrokken daar hij het had gewaagd hen uit te lachen. (20) Bhaga werden door de grote krijgsheer, die hem met grote woede ter aarde had geworpen, toen in het bijzijn van de Vis'vasriks de ogen uitgestoken, daar hij met het bewegen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van heer S'iva had aangemoedigd. (21) Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij Pûshâ, die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva, de tanden uit de mond. (22) Hoewel gezeten op de borst van Daksha met een scherpe bijl teneinde zijn hoofd van zijn romp te scheiden, was de drieogige reus er niet toe in staat dat te volbrengen. (23) Noch met wapens, noch met behulp van mantra's nog niet in staat om enkel maar een schrammetje toe te brengen, was hij met stomheid geslagen en aldus moest Vîrabhadra er de nodige aandacht aan schenken. (24) Toen zag hij het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van het lichaam van de heer die over het offer heerste en nu zelf een offerdier was.
(25) Toen op dat ogenblik ze hem dat zagen doen begonnen allen, de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva, te juichen van vreugde terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen. (26) Vîrabhadra gooide, uit zijn grote woede met Daksha, het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijk deel van het offervuur en stak al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van Kailâsa ['daar waar de Guhyaka's verblijven'], de verblijfplaats van hun meester.
Brahmâ Stelt Heer S'iva Tevreden
(1-2) Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze tezamen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst verslag uit van de gebeurtenissen aan Heer Brahmâ, hem hun eerbetuigingen brengend. (3) Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen woonden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bij. (4) Vernemend over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Er is een grote persoonlijkheid geweld aangedaan en dat is, met het oogmerk aldus voort te bestaan, over het algemeen niet bevorderlijk voor uw geluk. (5) Met het begaan hebben van deze overtredingen, Heer S'iva zijn aandeel van de offergaven ontkennend, moet u allen nog steeds, zonder enige terughoudendheid, hem tevredenstellen en snel genade vinden in het zoeken van de beschutting van zijn lotusvoeten. (6) U kan niet verwachten door te gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers, die u kwaad gemaakt heeft, uw verontschuldigingen aanbiedt; verstoken van zijn echtgenote was hij in zijn hart zeer aangedaan door de onaardige woorden. (7) Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materieel lichaam hebben, of zelfs de wijzen die de waarheid van de reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks uit te halen met hem, die zich enkel op de ziel verlaat.'
(8) Nadat hij aldus de godbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk, om hen vanaf zijn eigen plaats te leiden naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen zo geliefd bij de meester. (9) Daar leeft men met de kruiderij en de verzaking van de vedische hymnen van de yoga, is men tezamen met hen die volmaakt zijn en door andere mensen worden aanbeden en is men altijd vol van de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen]. (10) De bergketen is vol van allerlei soorten van kostbare juwelen en wordt, begroeid zijnde met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten, bevolkt door verschillende soorten herten. (11) De toppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten die de mystici huisvesten die zich daar vermaken met hun liefhebbende echtgenotes. (12) Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen blind van dronkenschap, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels. (13) Met het er rondbewegen van de olifanten en het geluid van de watervallen is het alsof de bomen, beantwoordend aan de wensen van allen, zelf in beweging hun armen uitstrekken en roepen om de volgels. (14-15) De berg wordt verder opgesierd door mandâra, pârijâta, sarala en tamâla bomen, sâla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, âmra-jâti (mango), kadamba, dhûli-kadamba en nâga's, punnâga's en campaka's en men ziet er ook bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. (16) Hij is goud gekleurd van de lotus en de kaneelboom en prachtig met de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî bloemen. (17) Met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksa's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen zijn er ook betelnoot bomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen]. (18) Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij eveneens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe]. (19-20) Kumuda-, utpala-, en s'atapatra-lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen. (21) De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, asvâsya's, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de eveneens aanwezige groepjes bananenbomen en de prachtigste lotusmeertjes met zandige oevers. (22) De toegewijden zagen de bijzondere wateren van het Alakânandâ-meer waar Satî had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer der Geesten. (23) Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] aanschouwden ze daadwerkelijk de verblijfplaats van het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege het soort van lotusbloemen daar aangetroffen. (24) En zelfs nog meer geheiligd door het stof van de lotusvoeten waren de twee rivieren de Nandâ en de Alakânandâ, die in de buurt van de verblijfplaats van de voeten van de meester stroomden. (25) Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten, elkaar daarbij natspetterend in het water. (26) De beide stromen geel van het kunkum poeder deden, met het bad dat ze hen boden, de olifanten en hun wijfjes van het water drinken, zelfs als ze niet dorstig waren. (27) De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt met talloze waardevolle edelstenen, paarlen en goud welke ze er deed uitzien als wolken oplichtend door de flitsen van bliksem.
(28) Door het Saughandika woud trekkend, zo aantrekkelijk met zijn variëteit aan bomen, dat met bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer der Yaksha's. (29) Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van de bijen, en zagen ze ook meertjes met groepen zwanen en de zeldzaamste lotusbloemen. (30) De bries van de sandelhoutbomen deden de wilde olifanten samendrommen en prikkelde de geesten van de vrouwen der deugdzamen keer op keer. (31) De traptreden gezien hebbend naar de baadplaatsen vol van lotussen, gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de kimpurusha's], ontdekten ze niet ver daar vandaan een banyan-boom. (32) Op een hoogte van duizenden meters spreidde die zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg, een fijne verkoelende schaduw werpend, terwijl er geen vogels in nestelden. (33) Daaronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van menig een grote wijze verlangend naar de bevrijding, daar gezeten zo ernstig als de eeuwige tijd zelve in het hebben opgegeven van zijn gramschap. (34) Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sanandana aan het hoofd en Kuvera, de meester der Guhyaka's en Rakshasa's zaten daar in eerbied rondom de statige en serene Heer. (35) Aldaar zagen ze hem als de meester der zinnen, de kennis der verzaking en het pad van de yoga; de vriend van de hele wereld, die uit zijn volle genegenheid de zegen voor allen is. (36) Hij kon worden herkend zoals hij graag wordt gezien door de asceten: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze oplichtend lichaam en met de sikkel van een halve maan op zijn hoofd. (37) Gezeten op een strooien mat was hij, voor alle wijzen te horen, in gesprek met Nârada over het eeuwige en de Absolute Waarheid. (38) Met zijn linkervoet geplaatst op zijn rechterdij en met zijn rechterhand rustend op zijn knie zijn gebedssnoer vasthoudend, maakte hij een handgebaar om zijn argument kracht bij te zetten. (39) Hij, leunend met zijn knie aldus vastgezet en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid als de eerste denker der wijzen, ontving aldaar het eerbetoon van al de andere wijzen aanwezig met hun handen gevouwen. (40) Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, wiens voeten worden aanbeden, was aangekomen vergezeld door de besten der verlichten en niet-verlichten, stond hij op en boog hij vol respect zijn hoofd precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmandeva Kas'yapa verwelkomde. (41) En zo ook deden dat de andere vervolmaakten en grote rishi's, die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden in het brengen van eerbetuigingen. Na dat vertoon van respect begon Heer Brahmâ glimlachend tot Heer S'iva te spreken.
(42) Brahmâ zei: 'U ken ik als de beheerser, als het vermogen van zowel de vader als de moeder van de ganse kosmische manifestatie en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel. (43) U welzeker vanuit het gunstige van uw energie, schept, handhaaft en vernietigt middels uw persoonlijke expansie, o fortuinlijke, dit universum dat werkt als het web van een spin. (44) Aan u ontlenen waarlijk de getrouwe en gezworen brahmanen de voordelen van de religie en de economie zoals ingesteld met de persoon van Daksha in het bereiden van de offers voor u in deze wereld en het reguleren van het nodige maatschappelijke respect. (45) O meest gunstige van het gunstige, naar uw heerlijkheid leiden de voorgeschreven plichten van de offeraar tot hogere werelden, de hemelen en het bovenzinnelijke en vraagt men zich af waarom er voor iemand ook het tegengestelde en het onfortuinlijke is van een afschuwelijke hel. (46) Maar bij de toegewijden in volle overgave aan uw voeten, die het uwe volmaakt zien in allerlei soorten van levende wezens en vanuit het Allerhoogste geen verschil maken tussen de levende wezens, is er praktisch nimmer de woede aan te treffen, zoals men die aantreft bij de dierlijke mens. (47) Zij die denken dat alles van elkaar verschilt, zien uit naar resultaten en kunnen het niet hebben als het anderen goed gaat; zij die het met het hart hebben opgegeven zijn steeds maar boos op anderen en kwetsen met barse woorden. Zij behoeven niet gedood te worden door u daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood. (48) Als op sommige plaatsen personen, begoocheld door de onoverkomelijke illusiewekkende energie van de Grote Blauwe [de Heer als Pushkaranâbha], er een ander idee op na houden, zullen heilige personen uit mededogen nooit hun krachten mobiliseren maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles door de voorzienigheid is geregeld. (49) Maar, Heer onzer, door het grote vermogen van de Allerhoogste Persoon Zijn materiële energie is de intelligentie die ziet en weet, door diezelfde energie onaangedaan en daarom moet u, in dit geval o Heer, genade hebben met hen die uit hun eigen slaafsheid in hun hart begoocheld zijn. (50) O Heer S'iva, u deed wat u moest doen, een einde makend aan het geheel van de offerplechtigheid van de slechte priesters van Daksha die de opbrengst zouden krijgen van het nu onvoltooide offer dat hij hield; van dat offer hebt u, niet uw deel gegund zijnd, het recht om te nemen wat het uwe is. (51) Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûsâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben. (52) Laat de godbewusten wiens ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu, en wel direct, bij uw gunst, o vertoornde, herstellen van hun verwondingen. (53) O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn, o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag zijn voltooiing mag vinden, o vernietiger van de yajña.
Het offer ten uitvoer gebracht door Daksha
(1) Maitreya zei: 'Heer S'iva aldus door Heer Brahmâ tevredengesteld was geheel voldaan, o machtige; luister naar wat hij toen glimlachend zei. (2) Mahâdeva zei: 'O heer van het geschapene, ik neem geen aanstoot aan diegenen die ik beschouw als zijnde kinderen, ik hanteerde de roede daar alleen maar voor hen die begoocheld waren door de uiterlijkheid van God. (3) Laat er de kop van een geit zijn voor de Prajâpati wiens hoofd tot as werd verbrand en laat Bhaga zijn eigen deel van het offer bekijken door de ogen van Mitra. (4) Pûshâ die de ceremonie leidde zal deeg van kikkererwten moeten eten of voedsel dat voor hem is gekauwd, maar de goddelijken die mij wel een deel van het offer vergunden zullen zich volledig herstellen. (5) De twee armen van de As'vins [de tweeling beschermers van de medische wetenschap] en de handen van Pûshâ zijn er voor hen die deze ledematen moeten missen en Bhrigu en de andere priesters mogen de baard van de geit hebben. '
(6) Maitreya zei: 'Allen die op dat moment hoorden wat de beste der begunstigers had gezegd waren in hun hart en ziel voldaan, o mijn beste, en gaven derhalve, zoals wij dat doen, blijk van hun waardering. (7) Daarop werd Heer S'iva door de goddelijken en de wijzen, opnieuw aangevoerd door Bhrigu, uitgenodigd de offerplechtigheid ter wille van de goddelijkheid bij te wonen en tezamen met de vrijzinnige [S'iva] en hij die van de Veda is [Brahmâ] gingen ze daarheen op weg. (8) Ze deden het toen allemaal, zoals Heer Bhava het gezegd had, met het lichaam van de levende [Daksha] en de kop van het offerdier. (9) Zo te werk gaand werd aldus met die kop koning Daksha, onder toezicht van Rudra, opgewekt uit zijn klaarblijkelijke staat van bewusteloosheid, waarop hij toen de mededogende voor zich zag staan. (10) Op dat moment werd het verontreinigde hart van de Prajâpati door hem te zien, de Heer die de stier berijdt, zo rein als een [zojuist door de regens gevuld] meer in de herfst. (11) Hoewel voornemens tot Bhava te bidden, wou dat, met ogen vol tranen, niet lukken vanwege de heftige stroom van emoties bij de herinnering aan de overleden dochter. (12) Met grote moeite zo ook zijn geest, die verbijsterd was door zijn liefde en genegenheid, tot rust brengend, bad de Prajâpati die weer bij zinnen was gekomen tot hem met lof en welgemeende gevoelens. (13) Daksha zei: 'Hoe groot is de gunst mij ten deel gevallen in de bestraffing door u voor al het verkeerde dat ik deed; hoewel u verslaat, ontkent u zelfs niet een ongekwalificeerde brahmaan. Noch van u noch van Vishnu, mijn Heer, is er sprake van enige verwaarlozing en is er aldus zekerheid voor diegene die offers brengt. (14) O Grote der Groten, als hij die als eerste werd geschapen uit de mond van Brahmâ met de bedoeling de leringen der zelfrealisatie, de geloften en de verzaking te verkondigen, beschermt u met een stok in uw hand als iemand die zijn kudde beschermt, al de brahmanen. (15) U die door mij, me niet bewust van uw werkelijkheid, door de pijlen van onaardige bewoordingen werd beledigd in de bijeenkomst, slaat daar niet werkelijk acht op; toen u mij in de hel zag afglijden door het belasteren van de meest respectabele, hebt u mij uit mededogen gered en over datgene wat u uit uw eigen genade deed, o Heer, wens ik dat u tevreden bent.
(16) Maitreya zei: 'Aldus vergiffenis vindend en door Heer S'iva en Heer Brahmâ toegestaan het offer te brengen, begon hij er opnieuw weer mee samen met de priesters, de geschoolden en de anderen. (17) Voor het brengen van het offer dat bedoeld was voor Vishnu, bereidden de brahmanen zich voor op de drie soorten van offerandes en voerden ze de offerplechtigheid genaamd purodâs'a uit teneinde gezuiverd te raken van het in contact zijn geweest met Vîrabhadra en zijn mannen. (18) O Vidura, vanaf het ogenblik dat de leider van de Yajña er aldus in slaagde met behulp van geklaarde boter en hymnen uit de Yajur Veda het offer te brengen en in meditatie zijn heiliging vond, verscheen Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid. (19) Op dat ogenblik zagen allen de gloed der tien windrichtingen overschaduwd door de helderheid van de uitstraling van Hem Zelve, die werd gebracht door Garuda [of Stotra] op zijn enorme vleugels. (20) Met een donkere huidskleur, kleding als van goud, een helm met de schittering van de zon, krullend haar zo zwart als zwarte bijen, een gelaat opgesierd met oorhangers, een schelphoorn, een lotusbloem, een schijf en pijlen, een boog, een knots, een zwaard en schild en vele gouden sieraden, zag Hij, met alles wat Hij in Zijn handen had, er uit als een boom in de bloei. (21) Omhangen met woudbloemen had Hij de vrouw [Lakshmî] op Zijn borst en slechts een klein deel van Zijn verheven glimlachende blik volstond om de gehele wereld te plezieren; aan Zijn zijde bevonden zich witte wuifkwasten en boven Hem kon men een koninklijke baldakijn zien die zo wit was als de maan. (22) Nadat ze Hem zagen arriveren, toonden al de halfgoden en de anderen onder leiding van Brahmâ, Indra en de drieogige S'iva, onmiddellijk hun respect door van hun zitplaatsen op te staan. (23) Overstraald door de luister van de gloed van Zijn uitstraling vielen ze allen stil en vol ontzag beroerden ze hun hoofden neerbuigend om te bidden voor Adhokshaja, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (24) Hoewel Zijn heerlijkheid het bevattingsvermogen te boven gaat van zelfs de machtigen der ziel in hun verschillende capaciteiten, konden ze nu door Zijn genade hun gebeden brengen met het aanschouwen van Zijn bovenzinnelijke gedaante. (25) Daksha, die, zijn toevlucht zoekend, werd aanvaard met zijn gerechte offerandes in opoffering voor de meester aller offers, de allerhoogste leraar van alle stamvaders der mensheid die door Nanda en Sunanda [de belangrijkste dienaren van Nârâyana in Vaikunthha] wordt bijgestaan, bracht Hem toen met het grootste genoegen, een onderworpen geest en gevouwen handen zijn gebeden. (26) Daksha zei: 'Uwe Heerlijkheid hier nu aanwezig, uit de zuiverheid van Uw eigen verblijfplaats volledig hier teruggekeerd in volmaakte transcendentie boven alle mentale gissingen, bent die ene zonder weerga, de beheerser zonder angst van alle materie, die, met haar [Mâyâ] ingegaan in het onzuivere, voor zeker degene is van het overzicht die in Zichzelf volkomen is. '
(27) De priesters zeiden: 'Wij allen, niet bekend met de waarheid van Uwe Heerlijkheid die vrij is van de invloed van de materiële wereld en van een intelligentie zijnde van een te grote gehechtheid aan vruchtdragende bezigheden door de vloek van S'iva, o Heer, weten nu van de naam [Yajña] van het symbolische van deze regeling van religieus offeren dat zich in drie afdelingen beweegt en ter wille waarvan we in de aanbidding van halfgoden verkeren.'
(28) De leden van de bijeenkomst zeiden: 'Op het pad van herhaalde geboorte en dood hebben we geen plaats om te schuilen; we hebben er hevig onder te lijden gebonden te zijn aan dit machtige bolwerk van de tijd, dat vol is van lelijke slangen en waarin de luchtspiegeling van het materieel geluk van een huis en een lichaam een zware last vormt. Als we moeten leven met de dubbele valkuil van verdriet en zogenaamd geluk, de angst voor wilde dieren, de bosbrand van het weeklagen over het belang van de onwetendheid en het geplaagd zijn door allerlei soorten van verlangens, genieten wij, met U die beschutting biedt, de bescherming van Uw lotusvoeten.'
(29) Rudra zei: 'O allerhoogste begunstiger, als ik, verlangend naar bevrediging in de materiële wereld, mijn geest heb gefixeerd op Uw beminde lotusvoeten die voorzeker worden verzorgd en aanbeden door de bevrijde wijzen, hecht ik er, met een mededogen gelijk aan dat van U, geen waarde aan, als onwetende mensen klagen over een gebrek aan orde. '
(30) Bhrigu zei: 'Van Heer Brahmâ tot aan alle andere belichaamde wezens toe zijn zij, die onder de invloed van de onoverkomelijke materiële energie verkeren en verstoken zijn van de kennis van hun oorspronkelijke zelf, gehuld in de duisternis der illusie en bevinden ze zich niet in de ene ziel; ze kunnen Uw situatie als het absolute van de werkelijkheid niet begrijpen. O Heer, U, als de vriend van de overgegeven ziel, wees ons genadig.'
(31) Brahmâ zei: 'In het proberen Uw persoon te zien, kan deze eeuwige gedaante van U niet worden gekend door de verschillende deugden van respect om kennis te verwerven, daar het objectieve van de werktuigen der kennis en hun materiële basis verschilt in het acht slaan op U.'
(32) Indra zei: 'Voorzeker is deze transcendentale gedaante, o Onfeilbare, er voor het welzijn van het universum en is ze een bron van genoegen voor de geest en het oog daar U, in het bezit van de acht wapens omhooggehouden door Uw armen, hen straft die afgunstig zijn op Uw toegewijden.'
(33) De vrouwen van hen die de offerplechtigheid bijwoonden zeiden: 'Dit met offers aanbidden zoals ingesteld door Brahmâ werd verwoest door Heer S'iva; moge vandaag de schoonheid van Uw lotusgelijke blik, o Heer van het offer, heiligen wat door de woede jegens Daksha de stilte werd, die gelijk is aan die van de dode lichamen van de offerdieren.'
(34) De wijzen zeiden: 'Hoe wonderbaarlijk o Opperheer, zijn Uw handelingen waarvan in de uitvoering van het werk ervoor U voorzeker nimmer gehecht bent; noch is Uwe Heerlijkheid dat met de genade van Uw welwillende dienares, de Godin van het Fortuin Lakshmî, waarvoor men in aanbidding verkeert.'
(35) De volmaakten zeiden: 'Ondergedompeld in de rivier van de geest van de zuivere nectar van Uw tijdverdrijf herinneren we ons als een olifant, dorstig van de hitte van een bosbrand, niet langer die misère van het aangedaan zijn en wensen we, verenigd in het Absolute ervan, het nimmer achter ons te laten.'
(36) Daksha's vrouw zei: 'Wees behaagd mijn Heer met mijn eerbetoon voor uw goedgunstig verschijnen, o toevlucht van de Godin; met Lakshmî als Uw echtgenote, beschermt u ons. Ons offerperk kent geen schoonheid zonder Uw armen, o beheerser, precies zoals een onthoofde persoon geen weet heeft met enkel een lichaam.'
(37) De plaatselijke bestuurders zeiden: 'Erover in twijfel of we U nu gezien hebben met onze materiële zinnen, wordt U, met het onthullen van Uw eeuwige gedaante, zeker gezien als de innerlijke getuige aan wie de gehele wereld van illusie haar zekerheid in het bestaan ontleend, o eigenaar van alles, daar U met de elementen verschijnt als de zesde van de vijf der zinnen.'
(38) De groten van de yoga zeiden: 'Zij die, door niemand anders dan U zo dierbaar te achten, zichzelf zien als bestaande in U en niet als los bestaand van U, de Superziel van alle wezens, o meester, zijn U zeer dierbaar; en hoeveel meer begunstigt U niet feilloos die zielen, o Heer, die daarmee met toewijding in aanbidding verkeren, o liefdevolle ouder. (39) Aan Hem in Zijn persoonlijke gedaante, die uit Zijn materiële energie in de levende wezens de bestemming voortbracht van hun verschillende toeneigingen, gevarieerd in de vele materiële kwaliteiten in de materiële wereld naar schepping, handhaving en vernietiging en die door Zijn innerlijk vermogen er voor zorgde dat de interactie van de geaardheden tot een einde kwam, bieden wij onze eerbetuigingen.'
(40) De Veda's in eigen persoon verklaarden: 'Ons respect voor U die de beschutting bent van de kwaliteit der goedheid en de bron bent van de verzaking en boete in alle religies, ontstegen aan de geaardheden der natuur; Ik noch iemand anders kent werkelijk U of Uw situatie.'
(41) Agni, de vuurgod zei: 'Door Uw gloed ben ik lichtend als het grootste vuur en mag ik in opoffering de vijf soorten van offerandes vermengd met boter aanvaarden; ik biedt Yajña, de beschermer der offerandes, die wordt aanbeden middels de vijf soorten van hymnen uit de Veda, mijn eerbetuigingen.'
(42) De goddelijken zeiden: 'Voorheen bij de verwoesting van het tijdperk [kalpa] mediteerden de bevrijde zielen in hun harten in filosofische speculaties en hen behoudend, ze in Uw buik terugtrekkend, was U in werking voorzeker de Oorspronkelijke Persoonlijkheid rustend in het water neerliggend op het slangenbed Ananta S'esha; en nu zien we met onze beide ogen dat U zich beweegt op de weg van het beschermen van ons Uw dienaren. '
(43) De bewoners van de hemel zeiden: 'Marîci en de grote wijzen onder de leiding van Brahmâ en Indra en de goddelijkheid geleid door S'iva, moet worden gezien als deel en geheel van Uw lichaam, o God; mogen we jegens de Allerhoogste Almachtige voor wie deze hele schepping slechts iets is om mee te spelen, o Heer, altijd in eerbied verkeren en U onze eerbetuigingen aanbieden.'
(44) De Vidyâdhara's [zij die van de kennis houden] zeiden: 'Na, door Uw extern vermogen het lichaam te hebben verkregen en zich er foutief mee geïdentificeerd te hebben, aanwezig in het lichaam denkend in termen van ik en mijn, ziet de onwetende persoon het lichaam aan voor zichzelf en volgt hij zelfs, zijn geluk zoekend in zinsobjecten, de verkeerde wegen afgeleid als hij is door materiële bezittingen; maar zich lavend aan de nectar van Uw onderwerpen kan hij, zelfs al is hij daar ver van afgedwaald, verlossing vinden.'
(45) De brahmanen zeiden: 'U bent het offer, het uitgieten van de geklaarde boter, het vuur in eigen persoon; U bent de mantra's, de brandstof, het kus'a gras [om op te zitten] en de potten; U bent de leden van de bijeenkomst, de priesters, de leider van de yajña en zijn vrouw, de halfgoden en de heilige plechtigheid voor het vuur, de offers gebracht aan de voorvaderen, de soma-plant, de gezuiverde boter zelf en het offerdier [zie ook B.G. 4.24]. (46) In het verleden was U het die vanuit de wateren, als een olifant die een lotus oppakt, de wereld ophief op Uw slagtanden als de grote zwijn-incarnatie [zie 3.13]; spelenderwijs werd de vibratie opgepikt door grote wijzen als Sanaka als een offerande van gebeden in de vorm van een plechtigheid, o kennis van de Veda's in eigen persoon. (47) U als diezelfde persoon, vragen we tevreden te zijn over ons die in afwachting van Uw aanwezigheid verkeren, in nalatigheid van het brengen van het offer. Door het zingen van Uw heilige namen bereiken personen, o Heer van het offer, het teniet doen van hindernissen; aan U onze respectvolle eerbetuigingen.'
(48) Maitreya zei: 'O gezegende, met Hrishîkes'a [Vishnu als de Heer der zinnen], de beschermer der offers, aldus verheerlijkt, trof Daksha, gezuiverd, maatregelen om de offerplechtigheid die door Vîrabhadra was verwoest te hervatten. (49) O zondeloze, Heer Vishnu, de Superziel van alle wezens en genieter van alle offers, was met het hebben verkregen van Zijn deel, tevredengesteld en richtte zich tot Daksha. (50) Heer Vishnu zei: 'Ik, Brahmâ en Heer S'iva eveneens, verschillen niet in het zijn van de allerhoogste oorzaak en Superziel, de getuige en de in zichzelf tevredene van de materiële manifestatie. (51) Ikzelf, binnengegaan in Mijn eigen uiterlijke energie samengesteld uit de geaardheden der natuur, o tweemaal geborene, schep, handhaaf en vernietig de kosmische manifestatie en, overeenkomstig de activiteit, draag Ik een naam naar gelang de zaak waarvoor Ik Mij manifesteer. (52) Hem, het opperste Brahmân, dat zijns gelijke niet kent, is als één Superziel met zowel Brahmâ als S'iva, maar de levenden die hier niet van op de hoogte zijn, denken van hen dat ze gescheiden bestaan. (53) De manier waarop een persoon somtijds geen verschil maakt tussen het hoofd, de handen en andere delen van zijn lichaam, zo ziet ook Mijn toegewijde geen verschil tussen de levende wezens. (54) Hij die van de drie die van een enkele natuur zijn, waarlijk, van de Superziel in alle levende wezens, niet de gescheidenheid ziet, o brahmaan, realiseert de vrede.'
(55) Maitreya zei: 'De meest vooraanstaande der stamvaders aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer Hari aanbad toen, nadat hij het Zijne had aanbeden met het nodige ceremonieel, afzonderlijk de halfgoden. (56) Aangezien hij met een geconcentreerde geest Heer S'iva naar zijn aandeel had aanbeden en door die wijze van optreden tezamen met de priesters het zowel had volbracht voor de goddelijken en de anderen die zich hadden verzameld, nam hij het afsluitende [avabhritha] bad. (57) Door zowel de Allerhoogste Zijn deel toe te kennen was aldus voorzeker de volmaaktheid van de religieuze plicht bereikt en vertrokken deze drie van de godendienst, die aldus de intelligentie hadden geschonken, naar hun verblijfplaatsen. (58) Satî, de dochter van Daksha, nadat ze voordien haar lichaam had opgegeven, werd geboren uit de echtgenote van Menâ [of Menakâ] die in de Himalaya's leeft, zo heb ik vernomen. (59) Als zijn geliefde was Ambikâ [Durgâ of Satî], daar ze tot geen ander was aangetrokken, er zeker van wederom hem [S'iva] als haar echtgenoot te aanvaarden, als het ene doel, het oorspronkelijk mannelijke van de persoon dat sluimert in de uiterlijke vrouwelijke energie. (60) Dit verhaal over S'ambhu [Heer S'iva als de ene van alle wezens] die Daksha's offer vernietigde, vernam ik van een grote toegewijde en discipel van Brihaspati: Uddhava. (61) De persoon die na het horen van deze zuivere wederwaardigheid over de weg van het Allerhoogste, steeds met geloof en toewijding tracht er verslag van te doen, zal roem vinden, lang leven en de vernietiging van zijn zonden bereiken in het bevrijd zijn van alle materiële smetten, o afstammeling van Kuru.
Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud
(1) Maitreya zei: 'Geen van hen aangevoerd door Sanaka of de andere zonen van Brahmâ Nârada, Ribhu, Hams'a, Aruni en Yati, bleven thuis; ze leidden voorzeker een celibatair bestaan [ûrdhva retasah, hun zaad opwaarts zendend]. (2) O vernietiger der vijanden, Mrishâ, de vrouw [en zuster] van [een andere zoon van Brahmâ met de naam] Goddeloosheid bracht de twee [zoons] voort die Bluf en Bedrog heetten, maar ze werden meegevoerd door [een demon genaamd] Nirriti die kinderloos was. (3) Uit hen twee werden Hebzucht en Listigheid geboren en, o grote ziel, uit die twee waren er Woede en Wandaad. Op hun beurt waren er van hen beide Kali en de zus genaamd Barse Woorden. (4) O beste der waarachtigen, uit Barse Woorden bracht Kali de Angst voort en de Dood en van de combinatie van die twee werden Kwellende Pijn zowel als de Hel verwekt. (5) In het kort heb ik u aldus uiteengezet wat de oorzaak der verslagenheid is; de besmetting van uw ziel zal worden weggewassen als u, als een kuis iemand, drie maal deze beschrijving hoort, o zuivere.
(6) Vervolgens, zal ik nu de dynastie beschrijven vermaard om zijn deugdzaam handelen, o beste der Kuru's, die ontstond uit de Manu genaamd Svâyambhuva, die een deel was van een volkomen aspect [te weten Brahmâ] van de Persoonlijkheid van God. (7) Uttânapâda en Priyavrata, de twee zoons van koningin S'atârûpa en haar echtgenoot, waren, deel uitmakend van een volkomen deelaspect [Brahmâ] van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, er voor de bescherming en handhaving van de wereld. (8) Van de twee vrouwen van Uttânapâda, Sunîti ['van goed gedrag'] en Suruci ['zij die behagen schept'], was Suruci de echtgenoot veel dierbaarder dan de andere die een zoon had die Dhruva ['de onverzettelijke']heette. (9) Toen eens de koning de zoon van Suruci genaamd Uttama ['hij die excelleert'], die hij op zijn schoot had gezet, aan het liefkozen was, toonde hij zich niet ontvankelijk voor Dhruva die ook op zijn schoot probeerde te kruipen. (10) Koningin Suruci die, al te trots, jaloers was, deed het kind van de bij-vrouw, Dhruva, die op hem probeerde te klimmen, naar haar luisteren, zo sprekend dat de koning het kon horen. (11) 'Mijn beste kind, je verdient het niet te gaan zitten waar de koning zit, die plaats behoort mij toe omdat, hoewel je werd geboren als een zoon van de koning, je niet uit mijn schoot werd geboren. (12) O kind, probeer voor jezelf te begrijpen dat, omdat je niet de mijne bent maar uit de buik komt van een andere vrouw, dat wat je verlangt buiten je bereikt ligt. (13) Je kan jezelf op de troon van de koning plaatsen als je dat zo wenst, maar dat kan alleen maar als je, door boete te doen, de persoon van God tevreden hebt gesteld en jezelf hebt verzekert van een plaatsje in mijn schoot.'
(14) Maitreya zei: 'Pijnlijk getroffen door de harde woorden van zijn stiefmoeder, brieste hij van woede, als een slang met een stok geslagen, en toen hij zag hoe zijn vader zwijgzaam toekeek, begon hij te huilen en ging hij weg naar waar zijn moeder zich ophield. (15) Van de anderen gehoord hebbend wat er was gebeurd tilde Sunîti haar briesende zoon, van wie de lippen trilden, op haar schoot en treurde ze over wat was gezegd door haar mede-echtgenote. (16) Haar beheersing verliezend weeklaagde ze met een vuur van treurnis dat brandde als droge bladeren, toen ze terugdacht aan de dingen gezegd door de andere vrouw, en sprak ze door het waas van de tranen die van haar mooie lotusgezicht vielen. (17) Kort van adem zag de dame niet hoe ze het gevaar af moest wenden en zei ze tegen haar zoon: 'Wens anderen niet ook maar iets ongunstigs toe, mijn liefste zoon, een persoon zal zelf moeten lijden onder het kwaad dat hij anderen toewenst. (18) De waarheid van wat moeder Suruci je heeft gezegd over dat je uit de buik van mij, de onfortuinlijke, geboren bent en dat je opgegroeid bent met de melk uit die borst, is dat de koning zich is gaan schamen of in andere woorden, dat hij er spijt van heeft mij als zijn vrouw te hebben aanvaard. (19) Als je er naar verlangt op de troon te zitten zoals Uttama dat doet, hou je dan enkel bezig met het aanbidden van de lotusvoeten van Adhokshaja, de Bovenzinnelijke Heer, mijn liefste zoon, zonder jaloers te zijn, daar alles wat je stiefmoeder je gezegd heeft getrouw de feiten is. (20) De Ongeborene [je overgrootvader, Brahmâ] verwierf zonder twijfel zijn verheven positie in het universum met de geschiktheid te scheppen, door het aanbidden van de Ene van wie we de lotusvoeten kennen en die kan worden benaderd door degenen die in zelfregulatie het denken overwonnen. (21) Zo ook vond de Manu, je achtenswaardige grootvader, daarnaar zijn bevrijding; hij in aanbidding met een onwankelbare toewijding en met grote liefdadigheid in het brengen van offers, het goddelijke bereikend in het aardse geluk, dat moeilijk op een andere manier te bereiken is. (22) Zoek jij ook bij Hem, de Zachtmoedige die zorg draagt, mijn lieve jongen, je toevlucht, zoals alle mensen die bevrijd willen raken de weg van de lotusvoeten moeten zien te vinden; houdt vastberaden, vanuit je eigen oorspronkelijke aard, je geest gevestigd op het toegewijd dienen van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (23) Uitkijkend naar anderen die je moeilijkheden zouden kunnen wegnemen weet ik niemand anders waarop je je zou kunnen richten behalve Hem, Hij met de lotusogen, mijn liefste, die, van al de anderen, degene is die gezocht wordt door de Godin van het Geluk, met een lotusbloem in haar hand, zelve.'
(24) Maitreya zei: 'Na zich de bezielende woorden van de moeder ter harte te hebben genomen verliet hij, zichzelf bedachtzaam beheersend, het huis van zijn vader.(25) Nârada die erover vernam en wist wat hij van plan was te gaan doen, was verrast en met de hand, die alle zonde kon verdrijven, zijn hoofd beroerend, riep hij uit: (26) 'Oh die macht van de heersers! Niet in staat ook maar enige inbreuk op hun prestige te verdragen, heeft deze hier die nog maar een kind is, zich de onaangename woorden die van zijn stiefmoeder afkomstig zijn aangetrokken.' (27) Nârada zei toen: 'Waarom is het zo, mijn beste jongen, dat met jou, momenteel geen respect vindend beledigd als je bent, ik niets zie van de gehechtheid aan sport en spel normaal voor jongens als jij? (28) Ook al zie je geen andere mogelijkheid, welke redenen, anders dan het begoocheld zijn, zouden er voor de mensen bestaan om ontevreden te zijn in deze wereld waarin men door zijn karma gescheiden is van elkaar? (29) Daarom zou je tevreden moeten zijn, mijn beste; wat het ook moge zijn waartoe het lot een persoon voorbestemt, het wordt door een intelligente persoon gezien als een weg naar het Allerhoogste. (30) Is het daarom niet zo, zoals ik er van overtuigd ben, dat de yoga die je moeder je zei te doen om jezelf tot Zijn genade te verheffen, te moeilijk is voor iemand als jij? (31) De grootste wijzen die zich vele levens lang op het pad der onthechting bevonden, konden er niet achter komen waar ze naar op zoek waren, ondanks dat ze zich bezighielden met de zwaarste ontzeggingen. (32) Zo, nu dan, hou op met dit besluit van je, daar bereik je niets mee. Bewaar dat maar voor de toekomst, je zal zien dat er zich dan voor jezelf ruim voldoende mogelijkheden voordoen. (33) Een ieder die tevreden is met welk geluk of ongeluk ook dat hem door het lot wordt toebedeeld, kan met zijn belichaamde ziel gene zijde van het duister bereiken. (34) Over dat wat beter is moet men verheugd zijn, voor dat wat van een mindere kwaliteit is moet men meedogen koesteren en voor dat wat gelijk is moet men vriendelijk zijn; er aldus geen begeerten op na houdend raakt men door beproevingen nooit van slag.'
(35) Dhruva zei: 'Deze evenwichtigheid van geest waar u het over heeft o Heer, is van hen die vol van genade zijn voor diegenen die zijn aangedaan, maar voor personen als wij is het zeer lastig het te zien zoals u het ziet. (36) Omdat ik mijn geboorte nam als een bestuurder is het zo dat ik niet zo verdraagzaam ben; pijnlijk getroffen door de harde woorden van moeder Suruci kan ik mijn hart er niet bijhouden [bij wat u zei]. (37) Vertel me alstublieft wat een eerlijke manier is om mijn verlangen te vervullen naar zo een verheven positie over de drie werelden, o brahmaan, als zelfs niet door anderen als mijn vader, grootvader en voorvaderen was te verkrijgen. (38) Weledele, uit Brahmâ als een waar deel geboren trekt u, de vîna bespelend, gelijk de zon rond over de hele wereld ter wille van haar welzijn.'
(39) Maitreya zei: 'Zo horend wat hij hem had gezegd, was Nârada zeer verheugd, waarop hij vol mededogen antwoord gaf om de jongen van advies te dienen. (40) Nârada zei hem: 'Dat pad waar je moeder het over had is zeer zeker je eindbestemming; verleen de Allerhoogste Heer Vâsudeva dienst door Hem volledig in je denken op te nemen. (41) Iemand die uit naam van plicht, deugd, bevrediging en bevrijding het doel van het leven van de ziel nastreeft, moet wat dat betreft enkel en alleen maar eropuit zijn Zijn voeten te dienen. (42) Begeef je daartoe, met mijn zegen mijn beste, naar de oever van de Yamunâ en wees gezuiverd door de heiligheid van het Madhuvana-woud waar de Heer steeds aanwezig is. (43) Als je een bad genomen hebt in die rivier daar, de Kâlindî [de naam van de berg waar de Yamunâ ontspringt], drie maal daags, hetgeen op de juiste wijze gedaan zeer gunstig is, moet je gaan neerzitten op een daartoe geschikt gemaakte zitplaats. (44) Middels het drievoudige van de adembeheersing [prânâyâma: het beheersen van de in-, de uitgaande en de uitgebalanceerde adem] geleidelijk opgeven van de onzuiverheden van het denken in relatie tot de levensadem en de zinnen, moet men met een onverstoorde geest mediteren op de Allerhoogste Geestelijk Leraar. (45) Altijd bereid tot de genade, met Zijn aangename mond en Zijn manier van kijken, Zijn rechte neus, hoge wenkbrauwen en intelligente voorhoofd, is Hij de schoonheid van de halfgoden. (46) Jeugdig, aantrekkelijk in al Zijn leden en met lippen zo rood als de rijzende zon, is Hij de toevlucht van hen die zich overgeven en bovenzinnelijk in ieder opzicht; de waardige die welwillend is als de oceaan. (47) Gekenmerkt door de S'rîvatsa [een paar witte haren op Zijn borst] en van een diepe blauwachtige kleur, is Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, omhangen met bloemen, die de schelphoorn, de knots, de werpschijf en de lotusbloem in Zijn vier handen laat zien. (48) Zijn helm, oorhangers van paarlemoer, halsketting, armbanden en het Kausthuba juweel, draagt Hij bij kleding van gele zijde. (49) Hij heeft kleine gouden belletjes om Zijn middel en Zijn enkels en is van een superieure kalmte, vrede en rust, die zowel aangenaam is voor het oog als voor de geest. (50) Hij vindt Zijn plaats op de werveling van de lotus van de harten van hen die in eerbetoon zich verenigen in het licht van de glinstering van de nagels van Zijn lotusvoeten. (51) Men moet op deze manier regelmatig het glimlachen voor zich zien van de Heer, zo vol van genegenheid voor de toegewijden en aldus met volle aandacht in de geest mediteren op de grootste aller weldoeners. (52) Het denken aldus mediterend op de zeer gunstige gedaante van de Opperheer is, dan bovenzinnelijk verrijkt, zeer spoedig bevrijd van alle materiële invloeden en zal nimmer naar elders voeren
(53) Alsjeblieft, hoor van mij nu de zeer, zeer vertrouwelijke mantra om te zingen, o prins, waarvan, als men dat zeven nachten lang doet, een persoon de schoonheid der hemelen mag aanschouwen. (54) 'Om namo bhagavate vâsudevâya' [alle eer aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer]; met deze mantra [genaamd de dvâdas'âkshara-mantra] moet hij die onderlegd is respect oefenen voor het fysieke van de Heer, op de manier zoals het hoort, met de verscheidene toebehoren en als iemand op de hoogte van de verschillen naar gelang de plaats en tijd [des'a-kâla-vibhâgavit]'. (55) Men zuivert met behulp van water, slingers van bloemen uit de natuur, wortels, de verschillende vruchten en groenten, vers gras, knoppen, schors en met respect voor de tulsî-blaadjes , welke de Heer, uw meester zeer dierbaar zijn. (56) Men kan ermee beginnen zich een godheid te verschaffen gemaakt van stoffelijke elementen als aarde en water [klei], of, als een grote persoonlijkheid, van volledige zelfbeheersing zijn en in vrede de spraak onder controle houden en karig eten van wat het woud ook maar te bieden heeft. (57) Daartoe moet je mediteren op de fascinerende activiteiten waar de Allerhoogste Heer der Wijsheid van te kennen geeft, op de manier zoals Hij, door Zijn eigen vermogen, uit eigen beweging zo ondoorgrondelijk incarneert. (58) In dienst zijn van de Allerhoogste Heer zoals ik het je heb gezegd, is de aanbeveling van de voorgaande leraren van het voorbeeld die men, van binnen het hart, voorzeker met de mantra's moet eerbiedigen, daar zij er de belichaming van zijn. (59-60) Aldus eenvoudig met het lichaam, de geest en de woorden denkend aan de Heer, wordt, bezig met het verlenen van diensten, de Opperheer naar de regels van de bhakti aanbeden. De toegewijden die oprecht en serieus bezig zijn, beloont de Heer, die de liefde brengt, met wat ze verlangen met betrekking tot het geestelijk leven en de voordelen [de zogenaamde purushârtha's] der gebonden zielen. (61) In volledige onthechting van alle zinsbevrediging moet men, het in bhakti-yoga ernstig menend met de bevrijding, zonder aflaten een respect oefenen dat doordrenkt is van de liefde voor Hem rechtstreeks.'
(62) Aldus door hem aangesproken, omliep de zoon van de koning hem, zijn eerbetuigingen brengend en ging hij naar het Madhuvana-woud dat, met de voetafdrukken van de lotusvoeten van de Heer, er de juiste plaats voor was. (63) Toen hij zich aldus had teruggetrokken door het bos in te gaan, dacht de gerespecteerde wijze er goed aan te doen de koning te bezoeken in zijn paleis en aldaar comfortabel gezeten sprak hij tot hem. (64) Nârada zei: 'Beste Koning, waar zit u zo diep over na te denken met een triest gezicht - hebt u uw greep op de bevrediging, de religie of de economie verloren?'
(65) De koning gaf ten antwoord: 'O brahmaan, mijn lieve jongen, mijn zoon, alhoewel hij nog maar vijf jaar oud en feitelijk een grote persoonlijkheid en toegewijde is, heb ik, al te gehecht aan mijn vrouw en te hard van hart, tezamen met zijn moeder van hier verdreven. (66) Ik maak me er zorgen over of, zonder door wie ook in het woud beschermd te zijn, o brahmaan, de hulpeloze jongen wiens gezicht is als dat van een lotus, niet door de wolven is verslonden, in zijn, uitgeput door de honger, vermoeide neerliggen. (67) Helaas, hoe wreed was ik, overwonnen door een vrouw; denkt u zich in hoe allerhardst van hart ik hem de genegenheid geweigerd heb toen hij uit liefde probeerde op mijn schoot te klimmen.'
(68) Nârada zei: 'Wees niet, zeg ik u, wees niet bedroefd over uw zoon. Hij wordt goed beschermd door de Godheid, o meester der mensen, u weet niet hoe wijdverspreid Zijn invloed is over de gehele wereld. (69) De jongen is heel capabel; nadat hij gedaan heeft wat zelfs voor de grootsten die er zijn onmogelijk is, zal hij, ten gunste van uw reputatie, meteen weer naar u terug komen, beste Koning.'
(70) Maitreya Muni zei: 'De koning, vernemend wat Nârada hem zei, begon over hem na te denken en verviel in nalatigheid wat betreft zijn welvarende koninkrijk. (71) Ondertussen werd, na het nemen van een bad, die nacht vastend, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid [door Dhruva] aanbeden met een volmaakte aandacht zoals Nârada dat had aangeraden. (72) De eerste maand dat hij de Heer aanbad, at hij alleen maar, voor het hoogst noodzakelijke onderhoud van zijn lichaam, vruchten en bessen 's ochtends na iedere derde nacht. (73) De volgende maand zette de onschuldige jongen zijn respect voor de Almachtige voort, door iedere zesde dag te eten zoals beschreven, dagelijks voedsel tot zich nemend bereid uit grassen en bladeren die verdroogd waren. (74) Met het verstrijken van de derde maand dronk hij iedere negende dag alleen maar water, volledig verzonken in zijn respect voor de Heer der Wijsheid, Uttama S'loka. (75) Op die manier doorgaand tot in de vierde maand, at hij iedere twaalfde dag enkel nog lucht, met het beheersen van zijn adem, mediterend in het aanbidden van God. (76) Met de vijfde maand nog steeds zijn adem beheersend, stond de zoon van de koning, mediterend op de Schepper, als een pilaar op één been zonder te bewegen. (77) In alle opzichten de geest concentrerend in het hart en mediterend op de rustplaats van de zinnen en hun objecten, zag hij naar niets anders uit dan naar de gedaante van de Opperheer. (78) Zijn aandacht gevestigd houdend op de grondslag, de kosmische intelligentie van de werkelijkheid, de meester van de primaire ether [pradhâna] en de persoon, de Allerhoogste Geest, begonnen de drie werelden te beven. (79) Zoals hij daar bleef staan op één been, drukte het kind van de koning, met de ene helft [van zijn lichaam] zijn grote teen gekromd in de aarde, precies zoals de koning der olifanten dat doet die als een boot links en rechts balanceert met iedere stap. (80) In het volle van zijn meditatie zijn ademhaling gestopt en alle lichaamsopeningen afgesloten hebbend, verstikte hij, met het binnenhouden van de levensadem, al de werelden, zodat spoedig al de groten van overal hun toevlucht zochten bij de Heer.
(81) De goddelijken zeiden: 'Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt, o Allerhoogste Heer, de gang van de universele adem is geheel geblokkeerd; daarom benaderen wij allen U, het vergaarbekken van al het bestaande die zo goed is voor de behoeftigen, voor onze toevlucht o Achtenswaardige, om ons van deze calamiteit te redden.'
(82) De Allerhoogste Heer antwoordde: 'Vrees niet, dit verstikken van de levensadem vindt plaats vanwege de zoon van Koning Uttânapâda die diep in gedachten over Mij is verzonken; ik zal de jongen, zo sterk in zijn vastbeslotenheid van boete, vragen hiermee te stoppen. Keert u alstublieft weer terug naar uw woonplaatsen.'
Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis
(1) Maitreya zei: 'Zij [de halfgoden], aldus bevrijd van alle angst, brachten de Heer van het buitengewone hun eerbetuigingen, waarop ze terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen vandaar naar het Madhuvana woud er naar uitziend hem, Zijn dienaar te zien [Dhruva]. (2) Hij die van de rijpheid van zijn meditatie Hem gadesloeg, schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart, merkte opeens dat Hij was verdwenen, maar om zich heen kijkend zag hij Hem recht voor zich staan in dezelfde gedaante. (3) Met Hem voor zich aanwezig, wierp hij, in verwarring gebracht, zich ter aarde; met zijn lichaam languit als een stok Hem zijn eerbetuigingen brengend en Hem aankijkend, was het alsof de jongen Hem indronk, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen. (4) Ziend dat hij Hem wilde verheerlijken, maar dat het hem aan de nodige ervaring ontbrak om dat te volbrengen, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, de jongen begrijpend, genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn. (5) Daarmee de inspiratie ontvangend om in staat te zijn precies dat te zeggen wat hij wilde, kon hij, zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij, langs de wegen der geleidelijkheid, de bekende en beroemde Dhruva zou zijn die men zijn eigen wereld niet kon ontzeggen.
(6) Dhruva zei: 'Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan U, de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene van binnen, vanuit Zijn innerlijk vermogen de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaande, mijn passieve zinnen alsook mijn ledematen, handen, benen en huid tot leven heeft gebracht. (7) U bent voorzeker de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin is binnengegaan, in de tijdelijke kwaliteiten op verschillende manieren verschijnend zoals vuur dat doet in brandhout. (8) Zoals een man ontwakend uit zijn slaap, kon de Ene van overgave aan U [Brahmâ], dit hele universum overzien door de kennis door U geschonken, o mijn Heer; hoe kan, in relatie tot U als de beschutting van een ieder die de bevrijding verlangt, wie dan ook die geleerd heeft Uw Lotusvoeten buiten beschouwing laten, o vriend van hen die lijden? (9) Het lijdt geen twijfel dat U voor hen, die het onder de invloed van de buitenwereld ontbreekt aan de juiste opvatting en U aanbidden met andere bedoelingen, er als de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood bent als een wensboom; en U bent dat zelfs voor personen in de hel die uitzien naar een bevrediging die hen alleen aanspreekt op hun zinnen. (10) Dat wat de verrukking van de belichaamden is, ontleend aan de onpersoonlijke geest, kan de vergelijking niet doorstaan met de gelukzaligheid ontleend aan het mediteren op wat U eigen is, U zo magnifiek, Uw lotusvoeten en het luisteren naar de uiteenzettingen van diegenen die U lief hebben. En wat te zeggen het vergelijkend met de verrukking van hen die vanuit hun verheven posities ten val moeten komen vernietigd door het zwaard van de dood? (11) Ik bidt de intieme omgang te mogen genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst, o Onbegrensde, met die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren die het materieel bestaan vormt kan oversteken; Ik bidt dat ik gek wordt van het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten. (12) Zij, zo hoogstaand, mijn lieve Heer, denken nooit aan hun materiële lichaam, hun zich verhouden tot hun zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw; zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd uit zijn op de geur van Uw lotusvoeten. (13) De dieren, de bomen, de vogels, reptielen, goden, demonen en mensen voortgedreven door de materiële energie treft men in het ganse universum aan in allerlei manieren van voortbestaan en worden om verschillende redenen dan weer wel en dan weer niet gezien, o Ongeborene, dat is wat ik weet, maar hier had ik geen idee van; van deze bovenzinnelijke gedaante, o Allerhoogste, weet ik niets anders dan het einde van mijn argument. (14) Aan het einde van ieder tijdperk wordt alles van dit Universum teruggetrokken in de buik van de Allerhoogste Persoon die terugziend neerligt in het gezelschap van Ananta S'esha die zijn bed vormt; uit de oceaan van Zijn navel ontsprong de gouden globe, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (15) U bent het eeuwige van de bevrijding, de smetteloze, de Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, de eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser van de drie geaardheden, de voortdurende intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, genieter en Hij die verschilt van alle anderen. (16) U, in wiens tegengestelde natuur de verschillende energieën van kennis en onwetendheid altijd worden aangetroffen en die dat continuerende Brahmân is, de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte die eenvoudigweg gelukzalig is, betoon ik mijn respect. (17) Vergeleken met andere zegeningen zijn Uw lotusvoeten voorzeker de ware, o mijn Heer, en hoewel U als zodanig aldus de verpersoonlijking bent van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke, handhaaft U, volijverig Uw genade te doen nederdalen, hen die arm zijn van hart als ik, zoals een koe dat met een kalf doet.'
(18) Maitreya zei: 'Toen, aldus ten volle aanbeden door de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer die altijd ten gunste is van Zijn toegewijden, nadat Hij hem eerst had gefeliciteerd. (19) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten bent, o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik, hoewel het moeilijk is te vervullen, je al dat goede geluk schenken. (20-21) Nimmer, Mijn beste jongen, kende men zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva, waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren dat doet die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen draaiend, hem aan hun rechterzijde houdend, tezamen met de sterren, al de grote wijzen van het woud, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium, zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, zich bewegen. (22) Zo gauw je vader vertrokken is naar het woud, zal je worden beloond met de hele wereld. Zij zal voor zesendertigduizend jaar onder de vrome heerschappij van jouw regering staan zonder verval in de volle zin der macht. (23) Als je broer Uttama, gedood tijdens de jacht, in het woud wordt gezocht door de al te aangedane moeder, zal ze in een bosbrand terecht komen. (24) Na voor Mij, het hart van ieder offer, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal jij eveneens, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van jouw leven in staat zijn Mij te herinneren. (25) Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's en daarnaar vertrokken, zal je nooit weer terugkeren.'
(26) Maitreya zei: 'Aldus, na de jongen te hebben verzekerd van zijn persoonlijke bescherming, keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vlag voert, terwijl hij toekeek, naar Zijn eigen plaats terug. (27) Hoewel Dhruva met het resultaat van zijn dienst door zijn overtuiging de voeten van Vishnu had bereikt, was hij niet erg blij met de bevrediging die hij daaruit verkreeg en keerde hij huiswaarts.'
(28) Vidura zei: 'Waarom is het zo dat hij, met de zeer toegenegen aanbidding van Zijn lotusvoeten het in één enkel leven hebben verworven van de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer, het zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich niet in zijn hart voldaan voelde?'
(29) Maitreya antwoordde: 'Door de harde woorden van zijn stiefmoeder was hij in zijn hart diep geraakt en ze zich nog alle herinnerend en geen bevrijding verlangend van de Heer der Verlossing, had hij bijgevolg te kampen met verdriet. (30) Dhruva zei tot zichzelf: 'Wat door hun vervoering de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, nimmer met één enkele geboorte konden bereiken, heb ik binnen zes maanden begrepen, maar met het verwerven van de beschutting van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen had gezet op andere zaken dan op Hem. (31) Oh helaas, bezie toch het onfortuinlijke er vanwege mijn lichamelijk bewustzijn; de lotusvoeten benaderd hebbend van Hem die alle banden kan doorbreken, heb ik gebeden voor dat wat vergankelijk is. (32) Mijn intelligentie was besmet door die intolerante lieden van God die gedoemd zijn ten val te komen en zo kon ik alleronwetendst de waarheid niet aanvaarden van wat Nârada me had gezegd. (33) Alsof ik droomde in mijn slaap zocht ik mijn toevlucht bij de begoochelende energie van het goddelijke, me in mijn hart beklagend; het in tegenstelling ziend, onder de invloed van de wereld buiten, weeklaagde ik dat mijn broeder mijn vijand was, hoewel hij alleen maar tot het tijdelijke behoort. (34) Dit, waar ik voor heb gebeden, is zo nutteloos als iemand een behandeling geven wiens leven reeds beëindigd is; na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld middels ontzeggingen, iets wat zeer moeilijk te doen is, bad ik met Hem waarmee men met de wereld kapt, voor een herhaling van geboorte en dood en moet ik het daarom zonder het fortuinlijke stellen. (35) Van Hem, bereid me Zijn volledige onafhankelijkheid te bieden, vroeg ik helaas, uit materiële dwaasheid, om materiële voorspoed; het is als een arme man die een grote keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'
(36) Maitreya zei verder: 'Mijn beste Vidura, vanzelf zijn personen, zoals jijzelf, die volijverig zijn het stof te smaken van de voeten van de Heer der Bevrijding, in het dienen van Hem, niet van enige interesse voor zichzelf uit op dat wat er automatisch mee wordt bereikt; ze beschouwen zichzelf als heel rijk. (37) Ervan gehoord hebbend dat zijn zoon was terug gekomen als was hij van de dood teruggekeerd, kon koning Uttânapâda, niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen. (38) Geloof houdend in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht en er zeer tevreden over, bood hij hem een kostbaar parelsnoer aan. (39-40) Zeer begerig zijn zoon te zien, beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en vertliet hij, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad tezamen met brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden. (41) Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci bestegen, behangen met hun goud, samen met Uttama een draagstoel en voegden zich bij de optocht. (42-43) Toen ze hem zagen nabij een in de buurt gelegen klein bos, spoedde de koning zich van zijn wagen en was hij terstond overmand door liefde op het moment dat hij in zijn buurt kwam. Emotioneel vanwege zijn grote bezorgdheid omhelsde hij met zijn beide armen langdurig zijn zoon, wiens gebondenheid van eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de Heer Zijn lotusvoeten. (44) Daarop zijn hoofd keer op keer beruikend, baadde hij, zijn grootste wens in vervulling gegaan ziend, zijn zoon met het water koel van zijn ogen. (45) Na het respecteren van zijn vaders voeten en zijn zegen te hebben ontvangen, boog hij zijn hoofd naar zijn twee moeders en werd hij geëerd door de meest vooraanstaande der edelen. (46) Suruci, die, toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, hem optilde, omhelsde hem en sprak, verstikt van de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven'. (47) Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is; jegens hem betonen alle levende wezens, zoals water dat uit zich zelf naar de laagste plaats stroomt, hun respect. (48) Uttama en Dhruva beiden overmand door hun emoties omhelsden elkaar keer op keer, met hun haren overeind, terwijl ze hun tranen de vrije loop lieten. (49) Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en gaf, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, alle verdriet op. (50) Daar en toen, o heldhaftige, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van de ogen en de melk die uit de beide borsten van de moeder van deze held begon te vloeien. (51) De mensen om haar heen uitten voor haar, de Koningin, hun lof: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven nu hij teruggekeerd is om het aangezicht van de aarde te beschermen nadat hij zo'n lange tijd verloren was. (52) De Allerhoogste Heer, die je kan vrijwaren van het grootste gevaar, moet door u geëerd zijn, met het verslaan van de dood die zo moeilijk is te overwinnen, zoals de grote heiligen dat doen in voortdurende meditatie op Hem.'
(53) Dhruva, aldus geprezen door de omstanders, werd door de koning tezamen met zijn broer geplaatst op de rug van een vrouwtjes-olifant en op die manier behaagd en gevierd keerde hij terug naar zijn hoofdstad. (54) Hier en daar waren van rijen bananenbomen en jonge betelnootbomen prachtige feestbogen opgezet die er haaientand-achtig uitzagen met hun trossen bloemen en vruchten. (55) Bij iedere poort was er de versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen tezamen met potten gevuld met water en brandende lampen. (56) Met de omringende muren, stadspoorten en huizen waren de koepels van het paleis van alle kanten schitterend om te zien, prachtig versierd als ze waren met gouden ornamenten. (57) De pleinen, lanen en daken waren grondig gereinigd en besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten. (58-59) Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden hier en daar de huisvrouwen, onder de uitroep van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit en aldus hun zeer aangename liederen horend betrad hij het paleis van zijn vader. (60) In die fijne woning, die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, onder de voortdurende zorg van zijn vader tot het goddelijke opgeheven, als een god zelve. (61) Het had stoelen en meubels van goud met zeer kostbare ivoren bedden met gouden versieringen en beddengoed zo wit als het schuim van melk. (62) In de muren gemaakt van marmer, waren kostbare edelstenen verwerkt en ook de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door vrouwelijke figuren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd. (63) Ook de tuinen waren zeer mooi met verscheidene hemelse bomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels. (64) Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden en groepjes ganzen, en kraanvogels die in de buurt verbleven.
(65) De rechtschapen koning Uttânapâda voelde zich onder de invloed van het horen en zien van zijn totaal verwonderlijke zoon, zeer gelukkig over het opperste van zijn pracht. (66) Toen hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd maakte de koning hem, met de goedkeuring van zijn liefhebbende onderdanen en ministers, heer en meester over de wereld. (67) Hij, deze koning van Vishnu, in overweging van de verlossing van zijn eigen ziel, beschouwde zichzelf eveneens oud genoeg en ging onthecht het woud in.
Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's
(1) Maitreya zei: 'Dhruva ['de onverzettelijke'] trouwde met Bhrami [wat 'omwentelen' betekent], dochter van de Prajâpatî S'is'umâra ['de dolfijn', 'de melkweg'] en gaf haar zoons de naam Kalpa ['tijdperk'] en Vatsara ['tropisch jaar']. (2) Bij een andere vrouw genaamd Ila ['de troostrijke'], een dochter van Vayu [de halfgod van de lucht], verwekte de machtige een zoon genaamd Utkala ['hij die de last draagt'] en een juweel van een meisje. (3) Maar Uttama ['de uitnemende'], Dhruva's broer die niet trouwde, werd tijdens de jacht in het Himalaya gebied gedood door een zeer krachtige Yaksha [een boze geest]; zijn moeder [Suruci] volgde daarna. (14) Dhruva vernemend over de dood van zijn broer zwoer, vol van verdriet, in woede ontstoken wraak en besteeg zijn wagen van overwinning om zich naar de stad der Yaksha's te begeven.
(5) Reizend in de noordelijke richting zag de koning in een vallei van de Himalaya's bewoond door volgelingen van Heer S'iva, een stad vol van spookachtige geesten. (6) Aldaar blies de machtig-gearmde op zijn schelphoorn dat het in alle richtingen angstwekkend in de lucht weerklonk, o bestuurder en daarvan raakten de echtgenotes van de Yaksha's zeer bevreesd. (7) Daarop kwamen de zeer machtige soldaten van Kuvera, die het geluid van de schelphoorn niet konden verdragen, naar buiten en vielen ze aan met allerlei soorten wapens. (8) Hij, de held en de machtige boogschutter, kon, met hen allen over hem heenvallend, vele tegenstanders tegelijk aan en doodde hen de één na de ander, met drie tegelijk zijn pijlen wegschietend. (9) Door die pijlen op hun vege lijf afgeschoten, prezen ze, met de gedachte dat ze allen zonder mankeren voorzeker zouden worden verslagen, hem voor dat optreden. (10) Het niet kunnen hebbend als adderengebroed door hem onder de voet te worden gelopen, probeerden ze weerstand te bieden, terugslaand met twee keer zo veel pijlen tegelijkertijd. (11-12) Volijverig om zijn optreden en dat van zijn wagenmenner tegen te gaan, deden zij, 130.000 man sterk, zeer kwaad daarop een regen van allerlei soorten gevederde pijlen, knuppels, zwaarden, drietanden, scherp gepunte lansen, speren en vuurwapens op hem neerkomen. (13) Achter die aanhoudende uitstorting van wapens verdween de krijgsheer, als een berg aan het zicht onttrokken door een stortbui, volledig uit het zicht.
(14) In de lucht weerklonk een rumoer van teleurstelling van de kant der volmaakten, getuige van het gevecht, die dachten dat deze kleinzoon van Manu, die als de zon was ondergegaan in de zee van Yaksha's, gedood was. (15) De Yaksha's riepen juichend de overwinning uit, maar toen verscheen uit het strijdgewoel zijn wagen zoals de zon uit de mist tevoorschijn komt. (16) Zijn zingende goddelijke boog deed zijn vijanden in treurnis verzinken, met pijlen de verschillende wapens uiteen slaand, precies zoals de wind een massa wolken uiteendrijft. (17) De scherpe pijlen van zijn boog afgeschoten hadden de schilden doorboord en waren de lichamen binnengedrongen van de demonen, precies zoals blikseminslagen dat doen boven bergen. (18-19) Het slagveld, zoals dat de geest der helden op hol brengt, begon te glinsteren van de hoofden met bloemslingers en tulbanden, prachtig met oorhangers en helmen die door de pijlen waren afgeschoten en de afgesneden benen en armen die met prachtige pols- en armbanden er uitzagen als gouden palmbomen. (20) De resterende soldaten van wie de meesten gewond waren door de pijlen van de grootste der krijgers, vluchtten in alle richtingen, zoals olifanten verslagen door een leeuw.
(21) Toen hij op dat ogenblik zag dat geen van de soldaten van de tegenpartij nog overeind stond, wenste de beste aller mensen het hun stad te aanschouwen, maar hij ging er niet in binnen daar men niet zeker kan zijn van de voornemens van een mystieke vijand. (22) Terwijl hij die de beste strijdwagen had in gesprek was met zijn wagenmenner beducht op een tegenaanval van zijn vijanden, was er een luid geluid te horen als van de oceaan dat kon worden thuisgebracht als de wind van een stofstorm die van alle kanten naderde. (23) In een mum van tijd was de hemel verduisterd door een massa dichte wolken die overal oplichtten van het weerlichten van een dreigend gedonder van alle kanten. (24) O onberispelijke, er was een stortvloed van bloed, slijm, pus, uitwerpselen, urine en beendermerg en rompen van lichamen die uit de lucht voor zijn voeten neervielen. (25) Toen kon men in de hemel uit alle richtingen een berg van stokken, knuppels, zwaarden, en strijdknotsen zien neerkomen met een regen van grote stenen. (26) Slangen ademend als de donder spuwden vuur met venijnige ogen en groepen van kwaaie olifanten, leeuwen en tijgers drongen zich naar voren. (27) Alsof de dag des oordeels was aangebroken kwam de zee die van alle kanten de aarde overspoelde met wilde golven op hem af, een geweldig geluid makend.
(28) Dit soort van verschijnselen wordt in het leven geroepen door demonen die door en door slecht in hun duivelse aard, eropuit zijn de minder intelligenten angst aan te jagen. (29) De grote wijzen zich bewust van de hoogst gevaarlijke mystieke macht die door de demonen tegen Dhruva werd ingezet, schaarden zich toen aaneen om hem te ondersteunen en bij te staan. (30) Ze zeiden: 'O zoon van Uttânapâda, moge de Allerhoogste Heer die de boog draagt met de naam S'ârnga de Godheid zijn die al de vijanden der overgegeven zielen doodt zodat er een eind aan hun lijden komt; want het is het horen over en zingen van Zijn heilige naam wat de mens onmiddellijk volledig over de onoverkomelijke dood heen helpt, o Dhruva.'
Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen
(1) Maitreya zei: 'Nadat hij de woorden van de wijzen gehoord had, beroerde Dhruva water en legde hij een pijl gemaakt door Nârâyana op zijn boog. (2) Zo gauw hij, met dit wapen van Nârâyana op zijn boog, had aangelegd, werden snel de illusies, geschapen door de Yaksha's, verdreven, o Vidura, precies zoals plezier en pijn dat zijn met dagende kennis. (3) Met het hem geschonken wapen op zijn boog, sprongen daaruit gouden pijlen met veren als die van zwanen voort die, met het luide geluid van pauwen die een bos binnengaan, bij de vijandelijke soldaten binnendrongen. (4) Over die scherpgepunte pijlen waren de Yaksha's, verspreid op het slagveld, verschrikkelijk opgewonden en spoedden ze zich woedend in zijn richting, met opgeheven wapens, zoals slangen met uitstaande halzen dat doen tegen Garuda. (5) Met zijn pijlen doorsneed hij de armen, benen, nekken en buiken van al de Yaksha's die in de slag op hem afkwamen en zond hij ze naar de plaats boven de zon waarheen van oudsher zij die hun zaad opwaarts sturen [de celibatairen] gaan. (6) Toen hij zag hoe de Yaksha's, die feitelijk niks misdaan hadden, werden gedood door hem die de beste strijdwagen had, was de grootvader, de Manu, tezamen met de grote wijzen, zo genadig de zoon van Uttânapâda te benaderen om hem te instrueren. (7) Manu zei: 'Genoeg mijn zoon, met het doden van deze Yaksha's die je niets hebben misdaan, bevindt je je met een dergelijke escalatie van geweld op het pad der onwetendheid en zonde. (8) O mijn beste, deze onderneming de Yaksha's te doden die niet zondigden, is niet gepast voor onze familie en is, om de waarheid te spreken, verboden. (9) Natuurlijk, mijn beste, ben je bedroefd over de dood van de broeder waar je om geeft, maar nu heeft de overtreding van één Yaksha geleid tot het doden van de velen van zijn metgezellen. (10) Zeer zeker is dit doden van levende wezens nimmer de aangewezen weg voor hen die eerlijk zijn in het volgen van de weg van de Heer der Zinnen; het lichaam voor het zelf houdend is men als de dieren. (11) Met meditatie op de Superziel aanwezig in alle levende wezens, heb je de verblijfplaats bereikt van Heer Hari, die zo moeilijk gunstig te stemmen is, en heb je de allerhoogste positie van Vishnu bereikt. (12) Als je zo'n persoon bent, die door Hem altijd in heugenis verkeert van wat het Zijne is, en eveneens geacht wordt door hen die toegewijd zijn, hoe dan, zwerend bij het heilige een voorbeeld vormend, kan je dan een dergelijk abominabel iets ondernemen?
(13) Met een houding van universele tolerantie, vriendschap en genade jegens alle levende wezens, is men ook in evenwicht en daarmee is de Ziel van Allen, de Allerhoogste Heer zeer ingenomen. (14) De Allerhoogste Heer behagend is een persoon bevrijd van de geaardheden der materiële natuur en vrij van de zorgen over zijn individuele bestaan; hij bereikt de geestelijke gelukzaligheid van het Onbegrensde [brahma nirvânam]. (15) Uit de vijf elementen der materie ontwikkelden zich de man en de vrouw en door hun seksualiteit kwamen er zelfs nog meer mannen en vrouwen op deze wereld. (16) Aldus, o Koning, vindt, door de bedrieglijke energie van het Allerhoogste Zelf, de schepping, handhaving en vernietiging, en de interactie van de geaardheden plaats. (17) Zoals ijzer dat wordt bewogen door een magneet moet dan deze wereld worden beschouwd als bewogen door de achterliggende oorzaak van de ongemanifesteerde, onaangedane, Oorspronkelijke Persoon der Wijsheid. (18) Verdeeld door de kracht van de Tijd, die de Allerhoogste Heer is, die, hoewel Zijn vermogen zich betrekt op de drie geaardheden, niet degene is die handelt, noch de doder is hoewel Hij doodt, vindt zonder twijfel echter dit alles plaats door het onpeilbare vermogen van de Almachtige. (19) Hij, de oneindige Tijd, maakt overal een eind aan; zonder een aanvang is Hij het begin van alles; zonder af te nemen is Hij er de oorzaak van dat het levend wezen wordt geboren en dat het eindige door de dood wordt gedood. (20) Niemand is werkelijk Zijn bondgenoot of Zijn definitieve vijand; van het Allerhoogste in de vorm van de Tijd, die gelijkelijk ingang heeft bij alle levende wezens, zijn degenen met karma, alsmede de andere materiële elementen, aan Zijn bewegen ondergeschikt, zoals stofdeeltjes bewogen door de wind. (21) Vrij van een korte of een lange levensduur zoals die geldt voor de wezens die geboren worden, bevindt de Almachtige zich immer in Zijn eigen bovenzinnelijke positie en beloont Hij de levende wezens die onderworpen zijn aan de wetten van karma. (22) Sommigen verklaren dat karma [of het verdeeld zijn in vruchtdragende handelingen] als ontspringend aan de eigen bijzondere aard of als teweeggebracht door de anderen, o beschermer der mensen; sommigen zeggen dat het aan de tijd te wijten is, anderen verwijzen naar het lot, terwijl nog weer anderen het toeschrijven aan de begeerte van het levend wezen. (23) O mijn beste, derhalve kan voorzeker niemand ooit het grote ontwerp kennen van de Oorspronkelijke Oorzaak, het Ongemanifesteerde van de Bovenzinnelijkheid van Hem die de verscheidene energieën opwekt.
(24) Nimmer, mijn zoon, zijn ook al dezen die de volgelingen van Kuvera [de hemelse schatbewaarder] zijn de doders van je broeder; de oorzaak van geboorte en dood van een levend wezen, mijn beste, ligt ontwijfelbaar bij God. (25) Het is Hij die het universum schept en ook zeker handhaaft en vernietigt; daarenboven raakt Hij, omdat Hij zonder ego is, niet verstrikt door het optreden van de natuurlijke geaardheden. (26) Deze Superziel, beheerser en handhaver van alle vormen van leven, brengt voort, verslindt en koestert, gebruikmakend van de kracht van Zijn eigen uitwendige energie.(27) Aan Hem, zo zeker het Allerhoogste van de dood en de onsterfelijkheid, mijn beminde, dat in alle opzichten het uiteindelijk doel van overgave is van de wereld, dragen allen die toegewijd zijn hun offergaven op, zonder mankeren daarin beheerst als stieren door een touw door hun neus. (28) Als iemand van slechts vijf jaar oud verliet je je moeder, in je hart bedroefd door de woorden van je stiefmoeder, en ging je naar het bos om de Heer met ontzeggingen te aanbidden en aldus heb je een toppositie over de drie werelden bereikt. (29) Indachtig dat van Hem, mijn dierbare, wendt jezelf vrij van woede tot het ene onfeilbare, spirituele zelf [het Brahmân] dat zich in het transcendentale bevindt en probeer het onbesmette te ontdekken van waaruit al deze verdeeldheid zich als onwaarheid toont. (30) Door te dien tijde dienst te verlenen aan de Superziel van de Allerhoogste Heer, die het onbegrensde reservoir van alle genoegen is behept met alle vermogens, zal je zeer spoedig de knoop der illusie van het 'ik' en 'mijn' ontwarren en aldus stevig verankerd zijn.
(31) Beheers enkel je woede - het is de vijand van alle goedheid - en al het goede fortuin zal je deelachtig zijn; het steeds hierover vernemen mijn beste Koning, zal uitwerken als een medicinale behandeling op een ziekte. (32) Nooit behoort een geleerd persoon die de ziel zijn vrijheid van angst verlangt, onder de controle van woede te staan, daar een ieder zich hoedt voor de persoon die er door overmand is. (33) Je bevond je in overtreding jegens Kuvera, de broeder van S'iva, woedend de Yaksha's dodend van wie je dacht dat ze je broer hadden gedood. (34) Breng hem onverwijld tot vrede, mijn zoon, door hem in vriendelijke bewoordingen respectvol je eerbetuigingen te bieden, vooraleer de wrake der groten onze familie zal aantasten.'
(35) Nadat Manu Svâyambhuva zijn kleinzoon had geïnstrueerd ontving hij van hem zijn eerbetuigingen en ging hij tezamen met de wijzen naar zijn verblijfplaats.
Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God
(1) Maitreya zei: 'Nadat hij gehoord had dat Dhruva, met zijn woede getemperd, ervan af had gezien te doden, verscheen Kuvera, de meester-schatbewaarder, aanbeden door de Cârana's, Kinnara's [zangers en bewoners van de hemel] en de Yaksha's, toen aldaar en sprak hij tot Dhruva die met gevouwen handen voor hem stond. (2) De schatbewaarder zei: 'O zoon van de heerser, ik ben zeer blij met u, o zondeloze, omdat u naar de instructie van uw grootvader de vijandschap hebt opgegeven die zo moeilijk te vermijden is. (3) Noch hebt u de Yaksha's gedood, noch hebben de Yaksha's uw broer gedood; daar het de Tijd is die in werkelijkheid de meester der vernietiging en het opwekken van al de levenden is. (4) Met de misvattingen van 'ik' en 'jij' doet het zich, uit onwetendheid, aan de intelligentie van een persoon die het lichamelijk begrip volgt, precies zo voor als in een droom; dàt is de oorzaak van de gebondenheid en de misére. (5) Derhalve Dhruva kom - alle geluk zij u toegewenst - tot het respect voor de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen van alle levende wezens en denk over Hem als de vorm van de ene Superziel in al wat leeft. (6) Wees Hem toegewijd wiens lotusvoeten het waard zijn aanbeden te worden, daar zij verlossen uit het materieel bestaan en de knoop der materiële verstriktheid doorsnijden; hoewel Hij naar Zijn vermogen van de geaardheden ermee is verbonden, staat Hij er door Zijn ondoorgrondelijk vermogen toch los van. (7) O Koning, vraag alstublieft zonder aarzelen van me wat u ook maar wenst, o zoon van Uttânapâda, daar mijn beste, gehoord hebbend over uw standhouden aan de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, u de zegening waard bent.'
(8) Maitreya zei: 'Hij, door de koning der Yaksha's een zegen vergund, vroeg, als een eerste klas intelligente en bedachtzame toegewijde van de Heer, om de voortdurende heugenis waarmee men zonder moeite de onoverkomelijke oceaan der onwetendheid oversteekt. (9) Kuvera, de zoon van Idavidâ, die zeer ingenomen was met Dhruva's mentaliteit, verleende hem die heugenis en verdween daarna uit zijn ogen, waarop ook Dhruva naar zijn hoofdstad terugkeerde. (10) Daarop volgend aanbad hij, met offerplechtigheden en grote liefdadigheid, met alles wat hij had, kon doen en ter ondersteuning kon vinden, de Heerser aller Offers, het doel dat alle resultaten waarborgt. (11) Niet aflatend dienst verlenend aan de ene onfeilbare Ziel boven alles verheven, zag hij enkel maar Hem, de Almachtige, de Hoogste Geest zich bevindend in alle levende wezens. (12) Hij aldus toegerust met alle goddelijke eigenschappen, van respect voor de brahmanen en de armen en als de goedgezinde beschermer van de beginselen der religie, werd als de vader van het volk beschouwd. (13) Voor de zesendertigduizend jaren van zijn heerschappij over de planeet Aarde, deed hij door genietingen de effecten van goede daden afnemen en drong hij door versobering de gevolgen van het ongunstige terug. (14) Aldus bracht de grote ziel na een tijdspanne van vele, vele jaren, vrij van zinneprikkeling, in goede zin de drie vormen van werelds handelen ten uitvoer [de regulatie der religie, economie en de bevrediging] en gaf toen de troon door aan zijn zoon. (15) Hij zag in dat dit universum bestaande uit de uitwendige energie, voor het levend wezen was als een waanvoorstelling door onwetendheid teweeggebracht gelijk in een droom. (16) Hij beschouwde al het geschapene, van zichzelf, zijn echtgenotes, kinderen, vrienden, zijn invloed, rijkdom, de lusthoven en de toerusting voor de vrouwen en het geheel van de schoonheid van de aarde met haar oceanen, als iets dat is gebonden aan de tijd en dus vertrok hij naar Badarikâs'rama [de wouden van de Himalaya's]. (17) Daar zuiverde hij zijn lichaam, baadde hij in zuiver water en beheerste hij, gefixeerd in yogahoudingen, het proces van de ademhaling door zijn geest terug te trekken van zijn fysieke zinnen. Zich concentrerend op de precieze vorm van de Heer raakte hij aldus mediterend, Hem voortdurend in gedachten houdend, volledig verzonken (18) Bezig in onafgebroken toewijding tot Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid Gods, bevond hij zich in een eeuwigdurende verrukking en raakte hij telkens weer overweldigd door een stroom van tranen die zijn hart deed smelten en de haren van zijn lichaam overeind deed staan; hij herinnerde zich niet langer dat hij in het bezit was van een lichaam en raakte zo bevrijd uit [eveneens] de [subtiele] materiële gebondenheid [mukta-linga].
(19) Dhruva zag hoe een zeer mooie wagen uit de hemel nederdaalde die hem en de tien windrichtingen verlichtte alsof de maan zelve ten tonele verscheen. (20) Van waar hij stond zag hij daarin twee prachtige halfgoden met ieder vier armen, een donkere huid, een nogal jong voorkomen en met ogen zo roodgekleurd als een lotusbloem, met strijdknotsen en aantrekkelijk gesierd met helmen, armbanden, halssnoeren en oorhangers. (21) Begrijpend dat ze de twee dienaren van de Ene der Vermaardheid waren, stond hij op, maar in verwarring gebracht vergat hij hoe hij zich moest gedragen en dus bracht hij vol respect zijn handen bij elkaar zijn eer betuigend door de namen te zingen van de leider van deze metgezellen, de Vijand van Madhu. (22) Hij wiens hart altijd was verzonken in gedachten over de voeten van Heer Krishna, boog zeer nederig met het vouwen van zijn handen zijn hoofd terwijl zij, Nanda en Sunanda, de twee vertrouwelijke dienaren van de Ene van de Lotusnavel, glimlachend naderden en hem aanspraken. (23) Nanda en Sunanda zeiden: 'O beste der koningen! Alle geluk zij u toegewenst. Luister aandachtig naar onze woorden. U bent degene die, als vijfjarige, God enorm tevredenstelde door boete te doen. (24) Als de metgezellen van de schepper van dit ganse universum, van de Godheid die de boog genaamd S'ârnga draagt, hebben we u benaderd om u met ons mee te nemen naar waar de Heer verblijft. (25) De positie van Vishnu die zo moeilijk te bereiken is dat zelfs niet de grootsten der verlichting hem kunnen verwerven, is door u veroverd. Kom en zie eenvoudig het allerhoogste waar de maan, de zon, de andere planeten en de sterren rechts omheen draaien. (26) Nimmer werd dit ooit bereikt door uw voorvaderen of zelfs door anderen, o allerbeste; kom en leef aldaar in die allerhoogste positie van Heer Vishnu die zo aanbiddelijk is voor de bewoners van het universum. (27) O onsterfelijke ziel, u bent het waard deze unieke hemelse wagen te bestijgen die u werd gezonden door de Geprezene, het hoofd van alle levende wezens. '
(28) De wijze Maitreya zei: 'Na het aanhoren van het gesprokene dat als honing vloeide van de belangrijkste metgezellen van de Heer, nam hij die Hem zo dierbaar was, de wijzen zijn eerbetuigingen biedend en hun zegeningen in ontvangst nemend, een zuiverend bad en beantwoordde hij aan zijn dagelijkse verplichtingen. (29) Na in aanbidding die beste aller posities omlopen te hebben en na eveneens de twee zijn eerbetuigingen gebracht te hebben, was hij met zijn gedaante oplichtend als was hij van goud, klaar om aan boord te gaan van het hemelse voertuig. (30) Toen kon de zoon van Uttânapâda de dood in eigen persoon op hem af zien komen en zijn voeten op zijn hoofd plaatsend, besteeg hij dat wonder zo groot als een huis. (31) Op dat ogenblik weerklonken pauken en mridanga's [trommels gebruikt voor de eredienst] en kleinere trommels en dergelijke terwijl de zangers der bevrijding zongen en er een regen van bloemen neerdaalde. (32) Toen hij op het punt stond naar het hemelse verblijf te vertrekken, moest Dhruva meteen aan Sunîti terugdenken en zei hij tot zichzelf: 'Hoe kan ik naar de wereld boven de werelden vertrekken met het achterlaten van mijn moeder?' (33) Begrijpend waar Dhruva zich zorgen over maakte, toonden de twee opperwezens der verlichting hem hoe zij, hem voorgaand, zich op het pad bevond om haar goddelijkheid te bereiken. (34) Op zijn weg de ene na de andere hemelse sferen alom doorkruisend, werd hij overladen met nog meer bloemen die her en der door de verlichte zielen vanuit hun eigen verheven posities over hem werden uitgestort. (35) Boven de drie werelden uitstijgend terwijl hij met God reisde, kwam hij zelfs boven de grote wijzen uit, waarna de succesvolle Dhruva toen de toevlucht van Vishnu bereikte. (36) Voorzeker zijn het enkel zij die zich voortdurend bezighouden met liefdadige activiteiten die die plaats bereiken die oplichtend door zijn eigen uitstraling al de drie werelden overal verlicht; niet zij die het niet zover gebracht hebben dat ze van genade voor andere levende wezens zijn. (37) Vreedzaam, gelijkgezind, zuiver en tot genoegen van alle levende wezens bereiken ze met gemak, bevriend met Zijn toegewijden, het verblijf van de Onfeilbare. (38) Aldus werd Dhruva, de zoon van Uttânapâda, zich op het allerhoogste pad van Krishna bevindend, zo zuiver als het kroonjuweel van de drie werelden. (39) Met grote kracht en snelheid onophoudelijk verbonden draait de sfeer der hemellichten [het sterrenstelsel] om die plaats heen, o Kaurava [Vidura's familie naam], zoals een kudde stieren rondom een centrale as.
(40) Toen hem de heerlijkheid van Dhruva onder ogen kwam hief de heilige en grote heer Nârada, spelend op zijn besnaarde instrument, een gezang in verzen aan in het offerperk van de Pracetâ's. (41) Nârada zong: 'Dankzij met name de verzaking van deze zoon van Sunîti, die haar echtgenoot zo toegewijd is, zijn wij ons bewust van de weg naar die positie, terwijl van wat men de volgelingen der Veda's noemt men er nimmer zeker van is uitverkoren te zijn, om nog maar te zwijgen van de normale beschermers der mensen. (42) Hij die op vijfjarige leeftijd, bedroefd over de harde woorden van de vrouw van zijn vader, indachtig mijn raadgevingen, zo zeer vol van pijn in zijn hart het woud inging, won de Allerhoogste Meester voor zich, het winnend met de kwaliteiten van Zijn toegewijden. (43) Binnen de kortste keren, na de Heer van Vaikunthha te hebben behaagd, bereikte hij die beschutting nog maar vijf of zes jaar oud zijnde, terwijl een ieder ander zelfs nog niet na vele, vele van dat soort jaren de verheven positie van die zoon van een kshatriya, Dhruva, op aarde kan verwachten.'
(44) Maitreya zei: 'Al wat u me hier gevraagd hebt over het grootse, allerverhevendste karakter van Dhruva, wiens reputatie wordt hooggehouden door de grote toegewijden, heb ik u uiteengezet. (45) Het brengt weelde en een goede naam, verlengt de levensduur en is zo heilig en goedgunstig dat men er zelfs Dhruva's hemel mee kan bereiken, aangenaam als het is voor de geest en zegerijk in het tegengaan van allerlei vormen van zonde. (46) Bij herhaling hiernaar met geloof luisterend, ontwikkelt men toegewijde activiteiten die de Onfeilbare dierbaar zijn en waardoor er onherroepelijk de volkomen overwinning zal zijn op alle hindernissen. (47)Voor de toehoorders die uitzien naar grootheid, een verheven karakter en de kwaliteiten is dit het proces waarin men het vermogen vindt alsook de aanbidding die zo verlangd wordt door de bedachtzamen. (48) Men moet zorgvuldig in de ochtend en de avond in het gezelschap van bekeerlingen, de heilige roem en het grootse karakter van Dhruva bezingen. (49-50) Ten tijde van een volle of een nieuwe maan, op de dag na Ekâdas'î [de twaalfde dag van een maanmaand], als de S'ravana-ster verschijnt, aan het einde van de tithi [de vijftiende dag], op een dag genaamd Vyatîpâta, aan het einde van de maand of op een rustdag, moet men het reciteren voor een ontvankelijke schare toehoorders, zijn toevlucht zoekend tot de Lotusvoeten van de Beschutting der Zoekers, zonder er een vergoeding voor te verwachten; dan zal men zijn geest door de ziel tot vrede gebracht zien en zal men aldus volmaakt worden. (51) Hij die deze kennis overdraagt aan hen die zich niet bewust zijn van de werkelijkheid, bevindt zich op het pad der waarheid en de onsterfelijkheid en zal, als de goedgezinde beschermer van de zoekers, gezegend zijn door de goden. (52) O grote der Kuru's, aldus mijn beschrijving van de activiteiten, de faam en het hoogst zuivere van Dhruva, die als kind, zijn speelgoed en zijn moeder opgevend, van huis weg ging en de beschutting van Heer Vishnu vond'."
Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja
(1) Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van de beschrijving van Maitreya van Dhruva's opklimmen naar de verblijfplaats Vaikunthha, deed Vidura's liefde voor de Allerhoogste Heer, die men met normale ogen niet kan waarnemen, groeien en wederom deed hij moeite Maitreya Muni vragen te stellen.
(2) Vidura vroeg: 'Wie waren zij, die u de Pracetâ's noemde? Waarom stond hun familie bekend en wie, o beste onder de gezworenen, waren hun zonen en wat voor offer brachten zij? (3) Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is; hij zag God in het gelaat en hij sprak over de gang van zaken van het leveren van dienst in toewijding tot de Heer [kriyâ-yoga of de pâñcarâtrika-methode]. (4) Toen deze mannen hun plichten vervulden in het aanbidden van de Allerhoogste Heer, werd Hij vol van toewijding beschreven door Nârada. (5) O brahmaan, wees zo goed me alles te vertellen van de verhalen over de Heer toen door de devarishi verteld.'
(6) Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde niet, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, de positie van de troon van zijn vader met alle land en weelde. (7) Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een tevreden, onthechte ziel, die gelijkgestemd, alomtegenwoordig in de wereld de Superziel waarnam en de hele wereld zag rusten in de Superziel. (8-9) Het zich betrekken op de heilige geest had, voor zijn geestelijke ziel, het afgescheiden zijn van de hemel beëindigd [nirvâna] en door een niet aflatende yogapraktijk had hij zijn gelukzaligheid vergroot, die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand; op die manier zijn eigenlijke positie inziend zag hij niets anders meer dan de Superziel. (10) Op straat onder de mensen deed hij zich aan de minder intelligenten voor als een dwaas, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn. (11) Er van uitgaande dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, tot heerser aan over de wereld. (12) Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, liet zes zonen het leven zien: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya. (13) Pushpârna had twee vrouwen Doshâ en Prabhâ en van Prabhâ genoot men het geluk de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam te mogen zien. (14) Pradosha, Nis'itha en Vyushtha waren zoo ook de drie zoons van Doshâ. Vyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige]. (15-16) Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan Câkshusha Manu die inderdaad de [zesde] Manu was. Vrij van hartstocht schonk hij, van zijn koningin Nadvalâ, de wereld de zonen Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (17) In Pushkarinî verwekte Ulmuka zes uitnemende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (18) De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was en vanwege zijn slechte karakter verliet de zedige koning Anga uit teleurstelling de stad. (19-20) Hij [Vena] werd vervloekt door de grote wijzen, wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag; daarop verliet hij toen het leven en verstoken van een koning, hadden al de bewoners van de wereld het toen te stellen met dieven en schurken. Ze karnden zijn rechter hand, waarop een deelincarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde, die de oorspronkelijk Heer van de Aarde werd.
(21) Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilige persoon, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok? (22) Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen der religie, fouten opmerkend, het verlangden over Vena de brahmaanse vloek uit te spreken terwijl hij het zelf was die de roede der kastijding gegeven was? (23) De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd hoe zondig hij ook mag zijn, omdat hij van al de plaatselijke vertegenwoordigers, middels zijn persoonlijke invloed, de macht handhaaft. (24) Alstublieft beschrijf mij, uw trouwe dienaar, al dit over de activiteiten van de zoon van Sunîthâ, o brahmaan, daar u goed op de hoogte bent met de zaken van hierboven en beneden.
(25) Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha-offer, maar voor die grootse plechtigheid kwamen de goddelijken, hoewel genodigd door de voorgaande brahmanen, nimmer opdagen. (26) Daarover peinzend zeiden ze toen tot hem die de aanzet voor het offer had gegeven: 'De goddelijken accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet. (27) O Koning, er is niets onzuivers met de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen. (28) In dit verband kunnen wij niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijken, waardoor zij die van de goddelijkheid zijn en de offerplechtigheid moeten bijwonen, niet hun eigen deel zouden accepteren.'
(29) Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was, nadat hij hoorde wat de twee maal geborenen zeiden, er zeer over terneergeslagen en richtte zich toen, met hun permissie, tot hen, om nader te worden geïnformeerd: (30) 'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om hun deel van het offer in ontvangst te nemen; mijn beste priesters, alstublieft zeg me wat de aard van de overtreding is die ik heb begaan?'
(31) De leidende priesters zeiden: 'O God der Mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een zonde waardoor in dit leven u navenant zonder een zoon zit. (32) Derhalve - alle geluk aan u - breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen, o Koning; de Heer, de genieter van het offer, aanbeden in het verlangen naar een zoon, zal u er een schenken. (33) Daarop zullen alle mannen van God hun deel van het offer aanvaarden, omdat voor het doel van een zoon dan rechtstreeks de Hoogste Persoonlijkheid is uitgenodigd. (34) De Heer die is aanbeden zal de persoon met wat er ook verlangd werd belonen, als het zeker is dat daarmee in overeenstemming Hij voor de mensen het verlangde resultaat is.
(35) Aldus besloten gingen de geleerden met hun middelen van offeren over tot de offerande voor Vishnu, de Heer der Vlammen, met de bedoeling dat de koning een zoon zou krijgen. (36) Uit het offervuur verscheen een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde. (37) Hij, de koning, verankerd in de geest der adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood het, er met groot genoegen aan gesnoven hebbend, aan zijn vrouw aan. (38) Zij, de koningin, van het voedsel etend dat haar een kind zou schenken, werd inderdaad door de echtgenoot bevrucht en raakte zwanger en gaf aldus na de nodige tijd geboorte aan de zoon die, er geen hebbend, node moest verschijnen. (39) Dat kind, voorwaar een zoon, verscheen ten dele in navolging van het op de dood begrepen areligieuze van de grootvader van moeders kant en daarvan groeide hij uit tot een schender van de heilige plicht. (40) Hij had de gewoonte zijn boog op te pakken als een jager en het bos in te gaan om onschuldige herten te doden en om die reden riepen alle mensen uit: 'Daar heb je hem, de wrede Vena!'. (41) Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed met geweld ter dood alsof hij dieren afslachtte. (42) Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en zodoende raakte hij zeer bedroefd denkend: (43) 'Zij die het zonder een zoon moeten stellen moeten God de eer bewezen hebben; zij hebben niet te lijden onder dit ondraaglijk leed thuis te moeten leven met een dermate slechte zoon. (44) Van de kwade roep en het onrechtgeaarde van een slechte zoon zal er grote onenigheid onder de mannen zijn en een eindeloze bezorgdheid onder de mensen in het algemeen. (45) Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Zonder twijfel betekent hij voor de ziel gebondenheid aan illusie; welk intelligent mens zou waarde hechten aan iemand die zijn huis ellende bezorgt? (46) Ik denk dat het beter is een slechte zoon te hebben dan een goede, daar men door het verdriet onthecht raakt van zijn thuis, dat als de bron van alle treurnis, het leven van een sterfelijk man in een hoop ellende verandert.'
(47) Aldus onverschillig geraakt stond hij, de koning, niet in staat te slapen, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn, van de zegeningen der grote zielen zo welvarende, woning op te geven en verliet hij, niet gezien door wie dan ook, Vena's moeder die diep in slaap was. (48) Toen ze doorkregen dat de koning, zich niet langer bekommerend, vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, de aarde af in grote droefenis, precies zoals onervaren yogi's van buitenaf speuren naar wat er allemaal binnenin de persoon verborgen zit. (49) Niet ook maar een spoor van hun vader des vaderlands vindend, o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'
Het Verhaal van Koning Vena
(1) Maitreya zei: 'De wijzen met Bhrigu aan het hoofd, die altijd het welzijn van de mensen voor ogen hadden, hadden van de burgers begrepen dat de koning afwezig was; ook wisten ze dat ze dan zeker op het nivo van dieren moesten leven. (2) Vena's moeder bracht de naam van Vena naar voren en liet hem door de wijzen op de troon zetten als de heerser der wereld, maar de ministers waren het hier niet mee eens. (3) Horend dat Koning Vena de troon had bestegen verborgen de dieven, wetend dat hij een strenge bestraffer was, zich terstond gelijk ratten bang voor een slang. (4) Koning Vena die het zover als tot de koninklijke zetel had gebracht was zeer trots met de acht vormen van weelde [zoals ontleend aan de acht perfecties van de yoga, de siddhi's] en begon, met minachting, de grote persoonlijkheden te beledigen, zichzelf als de grootste beschouwend. (5) Aldus, verblind door de macht, besteeg hij, trots en onbeheerst als een olifant, een wagen en reisde hij rond hemel en aarde schrik aanjagend. (6) Niet toestaand dat er enig offer werd gebracht, aan liefdadigheid werd gedaan of dat er ook maar een grammetje boter in het vuur werd geofferd, o tweemaal geborene, stopte hij aldus, met zijn paukengeroffel overal, de rituelen der religie. (7) Al de wijzen, nadat ze getuige waren van al de handelingen van de grote schurk die Vena was, beschouwden het als gevaarlijk voor de mensen in het algemeen en kwamen er uit mededogen over te spreken daar zij het altijd geweest waren die de offers ten uitvoer brachten: (8) 'Zoals een blok hout dat aan twee kanten in brand staat, verkeert de gewone man helaas van de beide zijden van zowel de koning als van de dieven en schurken in groot gevaar. (9) Uit angst zonder een koning te zitten werd Vena, hoewel hij er niet voor geschikt was, gekroond en nu is er ook van hem het gevaar; hoe kunnen de gewone mensen dan gelukkig zijn? (10) Zoals een slang die in leven is gehouden met melk zelfs tegen het belang van hem ingaat die hem in leven houdt, heeft Vena, geboren uit de schoot van Sunîthâ, zich zeker ontwikkeld tot een uiterst kwalijk karakter. (11) Benoemd tot Koning lijdt het geen twijfel dat hij eropuit is de burgers schade te berokkenen, maar niettemin zullen we proberen hem tot vrede te bewegen, opdat we niet door de gevolgen van zijn zonden zullen worden aangetast. (12) Ondanks het feit dat we ons bewust waren van de ondeugd van Vena - hebben we hem Koning gemaakt; als hij niet openstaat voor de vrede van onze woorden, zal hij, voor zijn onrechtgeaard handelen, door het publiek worden verdoemd te branden en zullen wij, naar ons eigen vermogen, ons best doen hem het vuur aan de schenen te leggen.' (13) Aldus besloten hebbend benaderden de wijzen Vena, hun woede verbergend en spraken ze in zoete bewoordingen tot hem, nadat ze hem op z'n gemak hadden gesteld.
(14) De wijzen zeiden: 'O beste der edelen! Probeert u alstublieft dat te begrijpen wat we u nu gaan zeggen, o Koning, en dat uw levensduur zal verlengen, kracht zal vergroten en reputatie ten goede zal komen, o allerbeste. (15) Aan die personen, vrij van gehechtheid, die in woord, gedachte, lichaam en intelligentie handelen in overeenstemming met de religieuze beginselen, zullen de werelden zijn vergund die vrij zijn van ellende; zij zullen bevrijding en duurzaam geluk vinden. (16) Laat dat geestelijk leven niet door u gemist worden, o held der mensen; de koning die dat mist wat de oorzaak der voorspoed is, zal zijn weelde verspelen. (17) O Koning, het adellijk bestuur dat de mensen beschermt tegen doortrapte regenten, dieven en schurken kan dienovereenkomstig belastingen innen en zowel deze wereld als de wereld erna genieten. (18) Het is in die koninkrijken waarin in de steden voorzeker de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers, wordt aanbeden, dat de mensen zullen handelen in overeenstemming met hun eigen beroep in navolging van het varna-ashrama systeem [van roepingen en leeftijdsgroepen]. (19) De koning, o edelman, die met de Allerhoogste Heer is, de oorspronkelijke oorzaak van de kosmische manifestatie, zal voldoening vinden, daar hij, in zijn positie als heerser, is gesitueerd als de ziel die de hele wereld bij elkaar houdt. (20) Met hem, de Heerser der Heersers, behaagd, kan men het onmogelijke bereiken; om die reden zijn de mensen overal met de beeltenissen van hun voorkeur naar hun volle vermogen met grote voldoening allen offers terwille van Hem aan het bereiden. (21) Het is Hij die met al de beeltenissen in de aanbidding de ontvanger is. Hij is de slotsom van de Veda's, de eigenaar van alle middelen van aanbidding, het doel van alle verzaking; derhalve zou u, o Koning, terwille van de meerdere eer en glorie van u zelve, uw landslieden moeten opdragen tot de dienst aan God over te gaan middels de verschillende vormen van offeren. (22) Als de brahmanen in het koninkrijk overgaan tot de eredienst, zijn alle verlichte zielen die deel uitmaken van de Heer, naar behoren gerespecteerd en zullen zij, zeer tevreden, het verlangde resultaat verzekeren; o Held, u moet ze niet minachten.'
(23) Vena gaf ten antwoord: 'O hoe kinderachtig bent u allen in werkelijkheid, met het voor religieus houden van irreligieuze beginselen; in feite verzaakt u allen de vader in aanbidding van een verouderd idee van hem. (24) Zij met een gebrek aan respect zijn zich er niet van bewust dat de Heer er is in de vorm van de koning; ze kunnen het geluk niet ervaren, noch in deze wereld noch na de dood! (25) Wat is de naam van die genieter van het offer op wie u uw zo grote toewijding richt? Zoals een onkuise vrouw met haar geheime minnaar schiet u tekort in uw genegenheid voor uw echtgenoot! (26-27) De Schepper, de Handhaver, de Vernietiger, de Koning van de Hemel, de God van de Wind en de God van de Dood; de God van de Zon, de Regens, de Schatkist en de Maan; de God van de Aarde, het Vuur en de Wateren; al dezen en ook andere machten die in staat zijn tot zegen en vloek, houden zich op in het lichaam van de koning; de koning omvat al de goden. (28) Om die reden, mijn beste geleerden, behoort u mij te aanbidden in uw rituelen en niet jaloers te zijn; zet al die middelen in ter wille van mij, er is niemand anders als hoogste genieter van wat geofferd is.'
(29) Maitreya zei: 'Aldus week de meest zondige, een verwrongen intelligentie ontwikkelend, af van het rechte pad; met alle respect hem betoond met hun smeekbede, wist hij niet van toegeven en raakte hij verstoken van alle fortuin. (30) Op die manier waren al de brahmanen beledigd door hem, die zich zelf zeer onderlegd achtte; gefrustreerd met hun beleefde verzoek, o Vidura, werden ze zeer kwaad op hem: (31) 'Ter dood, ter dood, deze koning, deze zondaar, deze verschikkelijke kerel, die zeker de hele wereld spoedig in de as legt als we hem z'n gang laten gaan. (32) Deze man, zo vol van ondeugd, verdient nooit de verheven troon als de god der mensen; schaamteloos beledigt hij Heer Vishnu, de meester aller offers! (33) Wie ook anders dan Vena, geboren onder zo'n slecht gesternte, zou op die manier Hem belasteren, door wiens genade men alle fortuin geniet.' (34) Aldus besloten hem ter dood te brengen hielpen ze, met het tentoonspreiden van hun woede, met enkel hun woedende toon, Vena, die dood was in zijn belasteren van de Onfeilbare, de wereld uit. (35) Nadat de wijzen waren teruggekeerd naar hun hermitages, behield Sunîthâ, in haar jammerklacht, het lichaam van haar zoon met behulp van het zingen van mantra's.
(36) Eens, toen de wijzen een bad namen in de wateren van de Sarasvatî met offergaven gebracht in het vuur, begonnen ze, zittend aan de oever van de rivier, de zaken aangaande de waarheid te bespreken. (37) Ze vertelden elkaar dat ze te dien tijde hadden waargenomen dat er zich verstoringen ontwikkelden die de mensen in angst verzetten; zouden ze niet, zonder een heerser, lijden onder het ongeluk van het hebben van een wereld vol van dieven en schurken? (38) Klaarblijkelijk, toen de wijzen dit in overweging namen, kon overal waar men keek, men de hemel verduisterd zien door stofwolken opgeworpen door het zich uit de voeten maken van criminelen bezig met plunderen. (39-40) Ze begrepen toen dat de verstoringen waar de gewone man onder te lijden had met het plunderen van hun rijkdom, te wijten was aan de dood van hem die hun beschermer was; en met het land vol dieven en moordenaars en het zonder een koning stellend, waren ze, ookal hadden ze al die misdaad heel goed in de gaten, niet in staat de boevenbende eronder te krijgen. (41) Een brahmaan gelijkgezind en vreedzaam, die de armen schromelijk verwaarloosd, is zeker van de neergang van zijn geest, precies zoals het water van een gebroken pot. (42) De familielijn van de heilige koning Anga zou niet moeten worden gebroken, want zondeloos zijnd had hun zaad het vermogen waarmee de koningen van deze familie de bescherming zouden genieten van Kes'ava [Hij met de mooie krullen]. (43) Aldus besloten de wijze mannen met hun speciale macht de benen van de dode koning te karnen, waarop een persoon genaamd Bâhuka [de dwerg] werd geboren. (44) Hij was zo zwart als een kraai, in ieder opzicht zeer kort van stuk met zeer korte benen en armen, had grote kaken, een platte neus, rooddoorlopen ogen en haar zo rood als koper. (45) Onderworpen verboog hij zich toen voor de wijzen vragend: 'Wat kan ik voor u betekenen?'. 'Zet u slechts hier neer' gaven ze ten antwoord, en dus, mijn beste, stond hij sedertdien bekend als Nishâda. (46) Zijn nakomelingen werden toen de Naishâda's genoemd; ze bewoonden de heuvels en bossen, omdat, geboren uit Vena met Nishâda die al de zonden op zich nam, ze gevreesd waren.
Koning Prithu's Verschijnen en Kroning
(1) Maitreya zei: 'Aldus karnden de brahmanen, andermaal, de armen van de koning die geen zoon had en daaruit kwam een paar ter wereld. (2) Van de geboorte van dat paar zeiden de wijzen, bekend met de Veda's, dat ze er zeer gelukkig mee waren, wetende dat het een ['âves'a'-]expansie van de Allerhoogste Heer betrof. (3) De wijzen zeiden: 'Deze man is een expansie van de Allerhoogste Heer, Vishnu, die de wereld in stand houdt en deze vrouw is Lakshmî, de godin van het geluk, die een onafscheidelijk deel van het geheel van de Oorspronkelijke Persoon is. (4) Deze man zal voorts de eerste onder de koningen zijn en zal zijn faam verbreiden onder de naam Prithu ['die van de aarde'], wijd en zijd geroemd als de grote koning. (5) Dit vrouwelijk kind zal de schoonheid van haar sieraden verhogen met de pracht van haar tanden als een godin van alle goede kwaliteiten; ze zal Arci worden genoemd en zal Prithu met haar schoonheid bekoren. (6) Hij, als een gedeeltelijke, rechtstreekse vertegenwoordiger van de Heer, kwam op aarde met het verlangen de ganse wereld te beschermen en zij nam geboorte als de onafscheidelijke godin die zich zeer tot hem voelt aangetrokken.'
(7) Maitreya zei: 'Al de geleerden prezen hem, de zangers van de hemel bezongen hem, de volmaakten strooiden bloemen en de hemelse maagden dansten. (8) De lucht vullend met de trillingen van hoornschelpen, trompetten, trommels en pauken en dergelijke, kwamen aldaar al de goddelijken, de wijzen en de ouderen uit alle delen van de samenleving bijeen. (9-10) Brahmâ, de meester van het universum, die tezamen met al de leiders van de verlichte wereld aankwam begeleid door de goddelijken, ontwaarden op de rechter hand van die zoon van Vena, het merkteken van Vishnu met de strijdknots. Zijn twee voeten vertoonden ook de lotusbloem en aldus was hij er zeker van dat hij te maken had met het deel van de Heer dat zijn onoverwinnelijke werpschijf is; daarmee zou hij het Allerhoogste Belang vertegenwoordigen. (11) De brahmanen gehecht aan de rituelen bereidden zich voor op zijn kroning en dus brachten de mensen, om zijnentwille, van alle kanten de verschillende middelen bijeen om de ceremonie ten uitvoer te brengen. (12) De rivieren, de zeeën, de bergen, de slangen, de koeien, de vogels en de beesten; de hemel, de aarde en alle levende wezens, werden bijeen gebracht in hun verschillende representaties. (13) Hij werd zo tot Mahârâja gekroond; verfijnd gekleed en volledig opgesierd zag hij er tezamen met zijn met juwelen behangen echtgenote Arci uit als een vuur zonder weerga. (14) De bewaarder der weelde, Kuvera, bood hem een koninklijke troon gemaakt van goud, o held, en Varuna gaf hem een parasol schitterend als de maan die voortdurend een mist van waterdruppeltjes liet neerdalen. (15) Vâyu eveneens gaf hem twee camâra's [wuifkwasten] gemaakt van haar, Dharma een krans die bijdroeg tot zijn naam en faam, Indra schonk een zeer kostbare helm en Yama gaf hem een scepter om over de wereld te heersen. (16) Brahmâ wapende hem met geestelijke kennis, zijn vrouw Bhâratî, de godin van het leren [Sarasvatî] gaf een transcendentaal halssnoer, de Allerhoogste Persoonlijkheid [Hari, Vishnu] gaf hem de Sudars'ana-schijf en Zijn vrouw Lakshmî schonk hem onvergankelijke schoonheid en weelde. (17) Heer S'iva kwam met een zwaard versierd met tien manen en Durgâ gaf een soortgelijk schild dat een honderdtal manen vertoonde. De maangod schonk paarden van de beste soort en de halfgod Vis'vakarmâ schonk een zeer mooie wagen. (18) Agni gaf een boog gemaakt van hoorn, Sûrya pijlen schitterend als het zonlicht, Bhûmi [de godin van de Aarde] schonk slippers die hem begiftigden met de macht der mystieke eenheid en de goden uit de hemel strooiden dag na dag bloemen over hem uit. (19) De kunst van het toneel, het zingen van de fijnste liederen, het bespelen van muziekinstrumenten alsook het vermogen om dingen te laten verdwijnen en verschijnen, werd hem gegeven door de goden van boven; de grote wijzen zegenden hem met de onfeilbaarheid en de god van de oceaan bracht hem een schelphoorn. (20) De zeeën, bergen en rivieren verschaften hem doorgang voor zijn wagen en de beroepsmatige hofzangers en voorgangers in gebed en lofprijzing presenteerden zichzelf voor hem, hem aanroepend in verzen. (21) Toen hij hen in hun offerandes zo bezig zag, sprak de hoogst machtige zoon van Vena als volgt, glimlachend en met een stem gewichtig als de donder van wolken.
(22) Koning Prithu zei: 'O beste barden, mannen van gebed en lof, uw woorden jegens mij zijn misplaatst; zoals ik hier nu in de wereld ben, vertoon ik niet al deze mogelijke kwaliteiten. Dus waarom dan het prijzen van mij als de toevlucht? Deze woorden zouden nooit op mij gericht moeten worden. (23) Breng daarom die gebeden als, ergens in de toekomst, die kwaliteiten van mij waarover u sprak, in afdoende mate kunnen worden gewaardeerd, mijn beste reciteerders. Zij die van eer zijn en naar behoren de kwaliteiten van de Allerhoogste, verheerlijkt in de geschriften, bespreken, brengen die gebeden nooit aan een verwerpelijk menselijk wezen. (24) Een competent iemand die zich door volgelingen laat prijzen voor talenten die hij aan de dag legt maar die, als mogelijkheden slechts, nog niet echt als werkelijkheden bestaan, houdt zichzelf daarmee voor de gek en is een dwaas die niet door heeft dat zoiets behoort tot de manier waarop mensen elkaar beledigen. (25) De machtigen houden er zeker niet van zelf te worden geprezen. Hoewel zeer beroemd zijn ze bescheiden; zo groots van grote daden als ze zijn, zijn ze evenzo goed abominabel. (26) O mensen geleid door de lof, als we dan nu op dit moment niet van enige faam in de wereld zijn of prijzenswaardig in ons handelen, hoe zou ik dan u, als was u kinderen, kunnen betrekken in gebeden gericht op mijn persoon?'
Koning Prithu Geprezen
(1) Maitreya zei: 'Met het aanhoren van de nectargelijke woorden van de aldus sprekende koning, waren de voordrachtskunstenaars ingenomen en dus prezen ze hem naar de instructies van de wijzen: (2) 'We zijn niet in staat ten volle de heerlijkheden van hem te beschrijven die als de belangrijkste godheid uit eigen genade nederdaalde. Hoewel hij verscheen uit het lichaam van Vena, verbijstert zijn glorie de geesten van de meest vooraanstaande sprekers. (3) Niettemin zullen we proberen, in overeenstemming met wat de wijzen ons gezegd hebben te doen, de naam van Koning Prithu, geroemd als een gedeeltelijke incarnatie van Heer Vishnu, in de zoetste bewoordingen te vervatten; aangemoedigd door de vrijzinnigheid en het prijzenswaardige van zijn handelingen, zullen we trachten het nieuws ervan te verspreiden. (4) Deze koning, als de beste verdediger van het geloof, zal de hele wereld ertoe aanzetten plichtsgetrouw te volgen; behalve dat hij de beschermer van de principes van de menselijke natuur is, is hij ook de bestraffer van allen die tegen ze zijn. (5) Hij is zonder twijfel degene die alleen, in zichzelf, al de gedaanten van alle plaatselijke beeltenissen draagt en naar die rechtzinnigheid zal een ieder, zowel hoog als laag, na de nodige tijd zijn aandeel genieten en het goed gaan. (6) Al de schatten die hij vergaart, zal deze koning bijtijds gelijkelijk retourneren aan alle levende wezens, precies zoals de almachtige zonnegod dat doet in zijn stralen. (7) Hij zal de plicht van de aarde op zich nemen altijd goed te zijn voor de verdrietigen en tolerant te zijn met de mensen die hem, de koning, met voeten treden. (8) Met hetzelfde gemak als waarmee Indra regen verschaft als er een tekort aan is en de levende wezens te lijden hebben, zal die hemelse man van God, deze belichaming van de Heer, zeker de burgers in bescherming nemen. (9) Door de blikken en heldere glimlach van zijn prachtige maangelijke aangezicht vol genegenheid zal de hele wereld beter af zijn. (10) De tactieken van de koning onttrekken zich aan het zicht, zijn handelingen zijn geheim, wat hij bereikt is verborgen, zijn schatkist kent geen bodem; zijn ziel, als het enige reservoir van alle goede eigenschappen zal bedekt zijn, zoals dat is met Varuna, de koning der zeeën. (11) Uit Vena geboren zoals vuur uit brandhout, is hij moeilijk te benaderen en [voor zijn vijanden] ondraaglijk; ookal heeft men hem benaderd, hij blijft op een afstand; er zal niemand zijn die hem de baas is. (12) Zowel van binnen als van buiten bespiedt hij de activiteiten van al de levende wezens, hen beziend als de neutrale getuige, precies zoals de in- en uitgaande lucht dat doet met de levenskracht van al de belichaamden. (13) Onwankelbaar op het pad der vroomheid, zal hij er niet over peinzen de zoon van zijn vijand te bestraffen als die niet moet worden bestraft, maar zijn eigen zoon zal hij evenzo goed bestraffen als die dat verdient. (14) Zoals de zonnegod die zijn licht overal laat schijnen, zal de lange arm van de invloed van Prithu onverminderd de meest machtige blijven tot aan de berg Mânasa [het poolgebied] toe. (15) De hele wereld behaagd door zijn persoonlijk handelen zal hem daarom 'de Koning Aangenaam voor de Geest der Burgerij' noemen. (16) Standvastig in zijn besluit en altijd van de waarheid, ten gunste van het brahmaanse en de ouderen van dienst zijnd, is hij het die van respect is en bij wie al de levende wezens hun beschutting zoeken; de zorgzame ouder voor hen die te lijden hebben. (17) Jegens andere vrouwen is hij zo respectvol als voor zijn moeder, voor zijn eigen vrouw is hij als de andere helft van het lichaam, jegens de burgers is hij gelijk een liefdevolle vader en is hij een dienaar voor hen die in God geloven. (18) Een ieder, belichaamd zoals hij, is hem dierbaar, hij draagt bij tot de vreugde van zijn vrienden, hij onderhoudt intieme betrekkingen met hen die vrij zijn van gehechtheid; deze koning vormt de harde hand voor de verdorvenen. (19) Hij die direct de onveranderlijke Allerhoogste Heer over de drie werelden is, daalde neder als een gedeeltelijke [s'aktyâves'a-]expansie van de Superziel; hij ziet de zekerheid van het vertrouwen stellen in de veelvormigheid van de materie als zijnde zonder betekenis, daar die zijn oorsprong vindt in de onwetendheid. (20) Van het vroegste daglicht over de heuvels af aan, zal hij als de Koning van de Wereld, op unieke wijze heldhaftig, de aardbol beschermen als de meester van al de goden der mensen; vanaf zijn zegerijke wagen de boog hooghoudend, zal hij overal aanwezig zijn zoals de zon die langs het zuiden voorbij trekt. (21) Voorzeker zullen de koningen van overal zich voor hem presenteren; met de lokale beeltenissen zullen de echtgenotes van deze koningen hem zien als de Oorspronkelijke Koning die het wapen van zijn schijf draagt met het hooghouden van zijn [Zijn] reputatie. (22) Hij zal de aarde in de gedaante van een koe melken; als een buitengewone koning en stamvader [de prajâpati] zal hij voorzien in de faciliteiten voor het leven van de bevolking; en als tijdverdrijf zal hij eenvoudigweg door het scherpe van zijn boog de berg van regenwolken vereffenen, ze uiteendrijvend in het geschikt maken van de aarde gelijk Indra, de koning van de hemel. (23) Met het trillen van zijn hoornen boog, zal hij, als hij in eigen persoon over de aarde reist, onverslaanbaar in de strijd, dan alle oorlogszuchtigen dwingen onder te duiken, zijn staart omhoog houdend als een leeuw. (24) Deze koning zal een honderdtal as'vamedha[paard-]offers brengen aan de bron van de rivier de Sarasvatî, alwaar zijn paard gedurende de laatste van de honderd offers zal worden gestolen door Heer Indra. (25) Hij, in de tuin van zijn paleis, zal daar een treffen onder vier ogen hebben met de aanbiddelijke Sanat-kumâra en zal, in zijn aanbidding van toewijding zijnd, die smetteloze, transcendentale kennis bereiken waarmee de geest van de Absolute waarheid wordt genoten. (26) Van de roem van zijn ridderlijkheid aldus vervat in vele bewoordingen, zal hij over zichzelf in liederen en vertellingen vernemen als Prithu, de koning van de allerhoogste macht. (27) Overal de overwinning behalend met niemand die hem de baas is zal hij, bij de genade van zijn eigen vermogen, al de stekende doorns van het leven verwijderen; hij zal worden verheerlijkt, door de leiders van de godbewusten en de goddelozen, als de grote ziel en zal de heer van de wereld worden.'
Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde
(1) Maitreya zei: 'De zoon van koning Vena aldus in zijn kwaliteiten en handelingen verheerlijkt als een gedaante van de Allerhoogste Heer, behaagde diegenen die hadden gesproken met gaven, zelf ook met alle respect en gebed zijn offers brengend. (2) De leiders der brahmanen, de andere kasten, de dienaren, ministers, priesters, de burgers, al zijn onderdanen, de verschillende gemeenschappen en zijn vereerders respecteerde hij allen naar behoren.
(3) Vidura zei: 'Waarom nam de aarde die zoveel gedaanten heeft, de gedaante van een koe aan - en met koning Prithu die haar molk, wie was er dan als het kalf als ook: wat was de melkemmer? (4) Hoe bracht hij eenvormigheid in de aanbidding tot stand die van nature zo uiteenloopt en om welke reden stal de godheid (Indra) het paard van het offer? (5) O brahmaan, wat was na de kennis over de praktijk te hebben ontvangen van de machtige Sanat-kumâra * die zo goed thuis is in de traditionele kennis, het doel dat de heilige koning bereikte? (6-7) Alstublieft, uit uw goedheid voor de Allerhoogste Persoon van Krishna, vertel van de Heer die ook gekend wordt als Adhokshaja [Hij die voorbij de zinnen is] deze zo heel aandachtige toegewijde over het melken van die koe door de zoon van Vena; het moet zonder twijfel een genoegen zijn over te gaan tot het aanhoren van de verhalen over hem die uit de deugdzaamheid van zijn voorgaande incarnatie kwam tot zulke machtige en glorieuze daden.'
(8) Sûta zei: "Daarop prees de heilige Maitreya hem, zeer verheugd met de door de vertellingen over Vâsudeva geïnspireerde Vidura en gaf hij hem antwoord. (9) Maitreya zei: 'Toen koning Prithu door de brahmanen op de troon werd gezet, mijn beste, en verklaard werd dat hij ook de beschermer der mensen was, leden de burgers onder een voedseltekort en benaderden ze met hun lichamen uitgemergeld van de honger hem om hem, de Beschermer van het Aardoppervlak, ervan op de hoogte te stellen.
(10-11) 'Wij, o Koning, lijdend onder een honger die brandt gelijk een vuur in de holte van een boom, zijn als zulke bomen vandaag tot u gekomen om bij u beschutting te zoeken daar u de aangewezen meester bent die het raadplegen waard is ons in de arbeid te betrekken. Derhalve, alstublieft Uwe Majesteit, probeer ons, die onder honger te lijden hebben, het voedsel te verschaffen, o meester over alle heersers der mensen; als u niet optreedt als de beschermer van de mensen ons allen in distributie van het voedsel aan het werk zettend, zullen we omkomen!'
(12) Maitreya zei: 'Prithu die de burgers hun beklag over hun deerniswekkende toestand aanhoorde, bezon zich daar een lange tijd op, o beste der Kuru's, en ontdekte wat de oorzaak was. (13) Met die slotsom nam hij met wijsheid zijn pijl en boog op als de woedende Heer der drie Steden [Heer S'iva die ooit drie forten doorboorde met één pijl] en mikte een pijl richting aarde. (14) Toen de aarde zag dat hij zijn pijl en boog had opgevat, sloeg ze bevend, veranderd in een koe, op de vlucht zo angstig als een hert opgejaagd door een jager. (15) Er toen jacht op makend had de zoon van Vena, met verschrikkelijke rode ogen van de woede, een pijl op zijn boog aangelegd waarheen ze ook maar vluchtte. (16) Ziend hoe de koning haar achtervolgde met het heffen van zijn wapens, rende ze willekeurig in alle vier de windrichtingen, her en der in de ruimte tussen hemel en aarde wegvluchtend. (17) Nergens op aarde in staat te ontsnappen aan de hand van de zoon van Vena, precies zoals de mens niet in staat is te ontsnappen aan de dood, keerde ze tenslotte, zeer bevreesd en droef van hart, toen terug.
(18) Ze zei: 'Aangezien u nu de grootheid, de fortuinlijke bent, o kenner der religie, o toevlucht van hen die te lijden hebben, redt me altublieft; Uwe Majesteit bent er immers voor de bescherming van de levenden. (19) Waarom is het zo dat u nu juist die persoon wilt doden die zonder zonde is; hoe kan het zijn dat u een vrouw als ik naar het leven staat - u, die gezien wordt als de kenner der principes? (20) Als het zo is dat zeker niemand ooit een vrouw zou moeten slaan zelfs al is ze zondig, hoezeer moet dat dan niet gelden voor een persoonlijkheid als u, o Koning, een mens zo vol van genade en genegenheid voor de armen? (21) Als u mij in stukken breekt, hoe moet dan deze zo sterke boot met alles van de wereld erin geladen, u zowel als al de mensen drijvende houden?'
(22) Koning Prithu antwoordde: 'O mijn beste bron der welvaart, geen gehoor gevend aan mijn regels zal ik u ter dood moeten brengen; daar u, uw aandeel van de offers aanvaardend, ons niet in de overvloed voorziet. (23) U eet dagelijks het groenste gras, maar we zijn nooit zeker van de melk verschaft door uw uier; is het dan niet aangewezen een koe die aldus ongetwijfeld in overtreding is te straffen? (24) Mij niet gehoorzamend, van een mindere intelligentie, geeft u ons zeker niet de zaden voor de gewassen, de kruiden en het graan die voorheen door de Schepper werden gevormd maar nu door u in uzelf verborgen worden gehouden. (25) Om aan de treurnis van al de getroffenen lijdend onder de honger een einde te maken zal ik nu uw vlees in stukken snijden met mijn pijlen. (26) Of het nu een man, een vrouw of een eunuch betreft, de heersers die hem doden die als de laagste zonder mededogen voor zijn medeschepselen uit is op zijn eigenbelang, zijn niet werkelijk aan het doden. (27) U, krankzinnig en ingebeeld, geeft blijk van uzelf als een koe van begoocheling; met mijn pijlen zal ik u in stukken snijden zo klein als korreltjes graan; door de macht van mijn yoga zal ik persoonlijk al deze burgers in stand houden.'
(28) Dermate kwaad had hij de gedaante aangenomen van de dood in eigen persoon. De planeet aarde in overgave, die over haar hele lijf was begonnen te beven, sprak toen met gevouwen handen. (29) De aarde zei: 'Mijn respect voor de Transcendentie, de Persoon die met de materiële energie expandeerde in de veelheid van vormen; die bron der kwaliteiten biedt ik mijn eerbetuigingen, voor de ware gedaante die, naar Zijn liefde en Zijn handelen, is als iemand die Zelf handelt maar Zelf niet is aangedaan door de verbijstering als gevolg van de golven van de oceaan der materie. (30) Hij, waarin al de levende wezens hun rust vinden, aan wie deze aarde als een combinatie van de verschillende geaardheden en elementen en ik zelf ons bestaan te danken hebben; Hij in Zijn eigen recht, klaar met Zijn wapens voor me staand, mag me zeker ter dood brengen - bij wie anders zou ik mijn toevlucht moeten zoeken dan bij Hem? (31) Als degene die al deze bewegende en niet bewegende bestaansvormen in den beginne vanuit Zijn eigen vermogen schiep, daarbij de bescherming van uw beschutting biedend; U, die naar waarheid ondoorgrondelijk bent en middels diezelfde mâyâ zichzelf nu als hem, deze koning vertoont; hoe kan U, bereid tot het bieden van bescherming als iemand die zich strikt aan de principes houdt, het verlangen mij te doden? (32) Zeker is zonder twijfel, vanwege Zijn onoverwinnelijk vermogen, het plan van de Allerhoogste Meester nimmer duidelijk voor mensen die weinig ervaring hebben; Hij die dan schiep en aanzet tot schepping, is door Zijn ondoorgrondelijke vermogens en Heerschappij, de Ene in de veelheid. (33) De Ene die door Zijn eigen vermogen de oorzaak is van de schepping, het ontbinden en de handhaving van deze wereld, van de stoffelijke elementen, zinnen en heersende halfgoden, de intelligentie en de identificatie met de materie; Hij die Zijn vermogen tentoonspreidt met al deze energieën, die Bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid en oorzaak der oorzaken, biedt ik mijn eerbetuigingen. (34) U was het die feitelijk deze wereld schiep die bestaat uit de elementen, de zinnen, de geest en het hart, o Almachtige, o Ongeborene, als het Oorspronkelijke Zwijn mij in stand houdend, mij uit het water halend vanuit de lagere regionen [Varâha]. (35) Mij bovenop het water geplaatst hebbend, met de levende wezens boven op mij staand als in een boot, bent U, daadwerkelijk eropuit zijnd te beschermen, in de gedaante van een held de behoeder der aarde geworden - desalniettemin wilt U mij nu met scherpe pijlen doden vanwege het gemis van de melk. (36) Inderdaad worden, zoals dat met mij zo is, door het gewone volk, door hen wiens geesten zijn verbijsterd omdat ze door de geaardheden een product van Uw energie zijn, de wegen en handelingen van Uw heersers nimmer volledig begrepen; mijn respect voor hen allen en voor U die de helden zelf de bekendheid verleent.
*Vandaag de dag zijn er vier belangrijke geestelijke erfopvolgingen in India: de Kumâra-, Brahmâ-, Lakshmî- en S'iva- sampradâyas. Deze onderhavige vertaling komt voort uit de Brahmâ-sampradâya.
Mahârâja Prithu Melkt de Aarde
(1) Maitreya zei: 'Na aldus aan Koning Prithu gebeden te hebben opgedragen, trilden zijn lippen nog steeds van woede. Zij, de planeet aarde, in angst, wist toen tot bezinning te komen en opnieuw begon ze te spreken: (2) 'Alstublieft geef uw woede op o Koning, probeer te begrijpen dat wat ik gezegd heb, ik zei als iemand die als een intelligent persoon de essentie overal vandaan haalt zoals een hommel dat doet. (3) Voor de duur van dit leven zowel als het volgende werden door de grote wijzen, de zieners der waarheid, de voorgeschreven methoden toegepast, zodat de mensen in het algemeen er eveneens hun voordeel mee zouden kunnen doen. (4) Voor een ieder die ten volle de principes navolgt als van ouds onderricht aan hen die het aan de nodige ervaring ontbreekt en bij het geloof leven, is het zeer makkelijk de vruchten van het handelen te genieten. (5) Hij die in nalatigheid, als een speculeerder, afgaat op zijn eigen persoonlijke idee zal zichzelf keer op keer zien mislukken in het nastreven van zijn doelen. (6) Al de kruiden en zaden die voorheen door Heer Brahmâ waren geschapen, o Koning, en die door mij worden gekoesterd, ziet men nu in handen van de ontuchtigen zonder respect voor de heilige praktijk. (7) Niet verzorgd en verwaarloosd door plaatselijke bestuurders zoals uwe goedheid, heb ik, voor deze wereld die is vervallen in dieverij, al de kruiden en zaden verborgen die nodig zijn voor de offers. (8) Omdat ze voor zo'n lange tijd in mij verkeerd hebben, hebben die kruiden en zaden hun kracht verloren en daarom behoort uwe Majesteit ze naar boven te halen op de voorgeschreven manier. (9-10) O held, zorg voor een kalf van mij; uit mijn genegenheid ervoor zal ik, als u eveneens zorgt voor een melkemmer en een melkman, al uw verlangens vervullen naar melk voor een ieder van u, zowel als, o machtig gearmde, o beschermheer der levende wezens, het voedsel dat u voor het voeden van uzelf verlangde, als u dat zo wilt. (11) Ook zal u zich ermee moeten bezighouden mij, de aarde, er op voor te bereiden, o Koning; zodat het water, dat neervalt bij genade van de godheid, voor mij bewaard, u ook van nut zal zijn nadat het regenseizoen is afgelopen, o machtige.'
(12) In overweging van de bevredigende en goede woorden van de aarde, ging de koning wijs met een kalf aan de slag en kreeg hij, aldus aan het melken geslagen, al het graan en de kruiden in handen. (13) Zo ook deden alle anderen met intelligentie begiftigd elders dat dienovereenkomstig zorg dragend, met het naar hun behoefte uitmelken van Prithu's planeet de aarde. (14) O goedheid, de wijzen melkend voor de zinnen [als de emmer], leverden, middels de wijze Brihaspati als het kalf, melk in de zuivere vorm der vedische hymnen. (15) Met Indra, de koning van de hemel als het kalf van productie zijnd, molken de godbewusten in een gouden emmer de nectar van de melk van de geestkracht en de kracht van het lichaam en de zinnen. (16) De zonen van Diti, de vijanden van God, produceerden van Prahlâda, de belangrijkste [toegewijde] onder de goddelozen, als het kalf, de melk van gefermenteerde en gedistilleerde drank in een ijzeren vat. (17) De zangers en bewoners van de hemel produceerden van hem die Vis'vâvasu werd genoemd als het kalf, in een emmer in de vorm van een lotus, de melk van mooie muziek en schoonheid. (18) Zij die van het grote geluk waren, de halfgoden van geloof, brachten, vanuit het bereik der voorvaderen, vanuit Aryamâ, de melk van de offerandes van voedsel voort in een vat van ongebakken aarde. (19) Naar Kapila als het kalf zoals geregeld door de volmaakten en de geleerden en dergelijken [Vidyâdhara's], kwam de kennis van het naar eigen inzicht te werk gaan naar de mystieke verworvenheden van de yoga met de ether [als melkemmer]. (20) Anderen van magische en mystieke vermogens [de Kimpurusha's] produceerden van Maya [de astronoom en poeet of de soortgelijke asura architect der Daitya's] als het kalf, met concentratie de melk van het wonderbaarlijke vermogen het lichaam onzichtbaar te maken. (21) De nazaten van Kuvera, de demonen, geesten en heksen [respectievelijk de Yaksha's, Râkshasa's, Bhûta's en Pis'âca's] die allen gewoon waren vlees te eten, molken met de Rudra-incarnatie van Heer S'iva [Bhûtanâtha] als het kalf, een brouwsel bereid uit bloed in een vat van schedels gemaakt. (22) Dienovereenkomstig brachten de slangen met en zonder een kraag, de schorpioenen en de wurgslangen, van Takshaka, hun leider, als het kalf, de melk op van het vergif in de emmer van de slangenkuil. (23-24) Het vee bracht met de draagstier van Heer S'iva [Nandi] als het kalf, in het vat van de wildernis de melk voort uit de groene grassen, met de leeuw als het kalf namen de andere beesten met scherpe tanden, de roofdieren, het vlees tot zich van andere levensvormen en naar het kalf van Garuda namen de vogels in de emmer van hun eigen lichaam de bewegende alsook de niet bewegende levende wezens tot zich als de melk. (25) van opbrengst met de Banyan als het kalf leverden de verschillende bomen melk in de vorm van sappen, terwijl de bergen en heuvels met de Himalaya's als het kalf de verschillende mineralen in hun pieken opleverden. (26) Op die manier werd, met hun leiders als de kalveren, naar gelang hun eigen verschillende melkemmers alles wat men nodig had verschaft als de melk verkregen van de planeet aarde die door koning Prithu bestuurd werd.
(27) O leider der Kuru's, de aarde melkend met de verschillende kalveren, emmers en melkers, werd aldus door Prithu en de anderen die zijn voorbeeld volgden, de melk verkregen van al de verschillende soorten voedsel waar de behoeftige levende wezens naar verlangden. (28) Daaropvolgend behandelde de koning, Prithu, die zeer ingenomen was met al het verlangde dat als melk was geproduceerd, de planeet aarde, in volle genegenheid voor haar, alsof zij zijn eigen dochter was. (29) Bij de macht van zijn boog had de keizer al de bergtoppen van de hele wereld opengebroken en op die manier had de machtige zoon van Vena haar vrijwel geheel in cultuur gebracht. (30) Zo was de Opperheer op deze aarde aanwezig als de zoon van Vena als een vader voor de burgers, hen aan het werk zettend en her en der voorziend in tal van geschikte woonplaatsen naar gelang de behoefte: (31) allerlei soorten van dorpen, nederzettingen en vestingen, alsook onderkomens voor de melkers, hokken voor de levende have, kampementen, mijnen en boerendorpen en gehuchten in de bergen. (32) Vóór Prithu was er op deze aarde voorzeker nimmer dit soort van planning van steden en dorpen; men was gewoon overal onbeperkt naar eigen goeddunken te leven.
Koning Prithu's Honderd Paardoffers
(1) De wijze Maitreya zei: 'Daarna begon hij, de koning, in het land van Manu dat bekend staat als Brahmâvarta, waar de Sarasvatî naar het oosten stroomt, toen met het uitvoeren van een honderdtal paardoffers. (2) Geconfronteerd met deze hoogste machtige uitnemendheid in het vruchtdragend handelen kon koning Indra, die zelf een honderd offers had gebracht, niet het groot ceremonieel vertoon van de offers van koning Prithu verdragen. (3) Het was waarin rechtstreeks de genieter van alle offers, de Allerhoogste Heer Vishnu, de bovenzinnelijke beheerser, zichzelf zou vertonen, daar hij de bezitter, de leraar van de gehele wereld en van ieders ziel was. (4) In het gezelschap verkerend van Brahmâ en S'iva en al de lokale grootheden met hun volgelingen, wordt Hij geprezen door de bewoners en zangers van de hemel en de wijzen. (5) De volmaakten en zij die zich verlaten op de geleerdheid, de nazaten van Diti, zij die voor het resultaat werken en de bewakers van de weelde, maakten daar aangevoerd door Nanda en Sunanda, de meest eerbiedwaardige metgezellen van de Heer, hun opwachting. (6) De meesters van de yoga aangevoerd met Sanaka aan het hoofd: Kapila, Nârada en Dattâtreya en al de grote toegewijden steeds vol ijver de Heer te dienen, volgden Hem daar. (7) Beste zoon van Bharata, het was vandaar dat het land alle wensen vervulde als de koe al de melk producerend, ieder verlangd voorwerp voortbrengend dat de offeraar nodig had. (8) De rivieren gaven al het water dat nodig was, er was melk, yoghurt en het voedsel van andere melkproducten en de bomen met hun grote lichamen droegen vruchten en lieten de honing druipen. (9) De mensen van overal tezamen met hun bestuurders presenteerden zich met een aanbod van de vier soorten voedsel [dat wat wordt gekauwd, gelikt, wordt opgezogen en gedronken] en bergen juwelen uit de heuvels en oceanen. (10) Zodoende was koning Prithu, die zwoer bij de Heer voorbij de Zinnen, de meest ontwikkelde in rijkdom, maar de grote Heer Indra, die afgunstig was, vormde een obstakel. (11) Vol van afgunst, stal hij, ongezien, het offerdier toen de zoon van Vena bezig was met het laatste paardoffer bedoeld om de Heer aller Offers te behagen. (12) Zich voordoend als een bevrijd iemand en alzo religie en goddeloosheid met elkaard verwarrend, werd hij, terwijl hij de hemel in wegvluchtte, door Atri gezien. (13) De zoon van koning Prithu, een grote held, aangemoedigd door Atri, de wijze, om hem te doden, werd zeer kwaad en riep: 'Wacht je, wacht!'. (14) Maar toen hij zag dat hij de kleding droeg die men als religieus beschouwt, zijn haar bijeengebonden had en een lichaam had geheel besmeurd met as, was hij niet in staat een pijl op hem af te vuren. (15) De zoon van Prithu die afgezien had van het doden werd door de wijze Atri opnieuw aangespoord om het toch te doen aangezien, mijn beste, de grote Indra de laagste van allen was geworden, in het verhinderen van het uitvoeren van een yajña. (16) Met die opdracht begon de zoon van Prithu, die zo kwaad als de Koning der Gieren was op Râvana, Indra na te jagen die in de verte wegvluchtte. (17) Het paard zowel als zijn valse kledij achter zich latend met hem achter zich aan, verdween Indra uit het zicht. Met het terugbrengen van het dier van zijn vader naar het offerperk keerde hij, de grote held, toen weerom.
(18) Beste Vidura, toen men de werkelijkheid van zijn wonderbaarlijk handelen zag, bedachten de grote wijzen hem dienovereenkomstig met de naam Vijitâs'va [hij die het paard terugwon]. (19) Niet gezien, onder de dekking van hechte duisternis, stal de machtige koning Indra echter opnieuw het paard weg van het offerblok waar het in gouden ketenen was geslagen. (20) Toen Atri erop wees dat hij buiten wegsnelde, kon de held hem deze keer ziend met een staf in zijn hand waar bovenaan een schedel hing, er eveneens niet toe komen hem te doden. (21) Door Atri ertoe aangespoord hem te achtervolgen, had hij, kwaad geworden, een pijl op zijn boog aangelegd, maar de onafhankelijke Indra die wederom het paard en zijn uitdossing opgaf, hield zichzelf buiten schot. (22) De held die het paard zo te pakken kreeg ging toen weer terug naar het offerperk van zijn vader; sedertdien is het zo dat degene die tekort schiet in de kennis zich presenteert met dat valse vertoon van de heer van de hemel. (23) Die gedaanten die Indra aannam met het verlangen het paard te ontvreemden, vormen allen taal en teken van zondige activiteiten; hiervoor heeft men de term gebrekkig gereserveerd [met khanda, wat stuk of gebroken is, heet het pâkhanda of pâshanda, ofwel valse prediker of ketter]. (24-25) Met Indra op die manier het paard wegstelend van de zoon van Vena in het verlangen het offer een halt toe te roepen, raakte de gewone man op die manier aangetrokken tot het zich valselijk uitdossen dat werd opgepakt en weer nagelaten door hem wat betreft de geloofsovertuiging. Men voelt zich gek genoeg tot deze valsheid van geloof in rode gewaden, naakt erbij lopen etc. aangetrokken, omdat het over het algemeen zeer bedreven wordt aangepakt met een goede taalbeheersing. (26) De incarnatie van de Heer, de als almachtig gevierde koning Prithu, hierover op Indra zeer vertoornd, nam een pijl op en hief zijn boog.
(27) De priesters die zagen dat Prithu zich aldus opmaakte om de koning van de hemel te doden, konden dat vertoon van zijn verschrikkelijk motief niet verdragen en brachten er tegenin: 'O grote ziel, zoals het staat vermeld in de geschriften, heeft het geen pas anderen naar het leven te staan in dit soort aangelegenheden. (28) We zullen Indra, die in feite reeds zijn macht kwijt is als de vernietiger van uw belang, aanroepen met nog nooit eerder gebruikte mantra's en zullen met alle macht uw vijand terstond in het vuur offeren, o Koning.'
(29) Na aldus degene die aan de macht was op de hoogte te hebben gesteld, o Vidura, stonden de priesters, geheel zuur, klaar met de offerlepel in hun hand om het offer te brengen, maar toen ze ermee begonnen vroeg Heer Brahmâ hen te stoppen: (30) 'U allen tezamen, u zou Indra niet uit de wereld moeten helpen, omdat hij, die u wenst te doden, door zijn offeren, deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer - en ook zijn zij die van God zijn, die u met het offeren wenst te behagen, allen deel van Indra zelf! (31) Tevens, o tweemaal geborenen, behoed u voor deze grote schending van de religie begaan door Indra in zijn verlangen om de voortgang in dezen van de koning te dwarsbomen. (32) Koning Prithu staat over de gehele wereld bekend, laat het derhalve zo zijn dat er voor hem die negenennegentig offers heeft gebracht er weinig meer te bereiken valt; en u uzelf o Koning, als de kenner van het pad der bevrijding - werden niet al de offers op de juiste wijze gebracht? (33) Zeker is dat u niet uit woede tegen Heer Indra op moet staan; het lijdt geen twijfel dat dat beter voor het welzijn en geluk van u beiden is, die samen staan voor het veelvormige van de Heer Gevierd in de Geschriften. (34) O grote Vorst, alstublieft, neem in overweging wat ik u met het grootste respect zeg: laat u niet zoals u deed, gaan in de geest van het kwade vanwege een wending van het lot, daar men van hem die dat overweegt in de donkerste regionen belandt. (35) Laat er een einde komen aan dit offeren, het was door het zich voordoen naar het voorbeeld van Indra dat zo vele principes van de religie werden geschonden en slechte gewoonten konden post vatten onder hen die van God zijn. (36) Zie toch hoe al deze misleiding, die door Indra werd geïntroduceerd als degene die uw offerplechtigheid doorkruisend het paard wegstal, zo verlokkelijk is voor de gewone man dat hij zich erdoor laat meeslepen. (37) Uwe Majesteit, enkel ter verlossing, incarneerde u naar tijd en omstandigheid in deze wereld ter wille van de geloofsovertuiging die door de misdaden van koning Vena bijna was verdwenen - en nu bent u er als deel en geheel van het lichaam van Vishnu, o zoon van Vena. (38) Derhalve in overweging van het heil van de wereld, o heer der mensen, geef gevolg aan het verlangen van de stamvaders [dat u een expansie van de Allerhoogste zou zijn] en steek een stokje voor de illusie geschapen door Indra in de vorm van het gemoraliseer zonder dienstbaarheid (de pseudoreligie, de hypocisie) dat de moeder vormt van het gevaarlijke pad der ketterij.'
(39) Maitreya vervolgde: 'Aldus van advies gediend door de leraar van iedereen sloot Prithu, de koning en meester, in navolging van wat gezegd was en naar zijn beste kunnen, vrede met zelfs Indra. (40) Na dat gedaan te hebben nam hij naar gebruik een bad en zag hij de zegeningen voor de roem van zijn deugd tegemoet van de God-bewusten, daar ze allen zeer verheugd waren over het brengen van dat offer. (41) Al degenen die werkelijk geleerd hadden, waren, toen ze de oorspronkelijke koning hun zegen hadden gegeven, zeer gelukkig met het grote respect en de beloningen die ze van hem in ontvangst mochten nemen, o edelman: (42) 'O machtig gearmde, op uw uitnodiging verzamelden we ons hier allen: de voorvaderen, de goden, de wijzen en de gewone man, en u hebt ons allen geëerd met giften en eerbewijzen.'
Aldus eindigt het eerste deel van het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/