Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 8:
De Aanzet tot de Schepping
Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum
Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra
Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave
Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld
Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's
Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara
Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari
Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de Nectar uit te Delen
Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen
Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt
Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's
Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur
Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes
Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden
Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie
Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja
Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden
Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer
Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over
Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhâgavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf onderafdelingen, z.g. Canto's. Deze afdelingen vertellen het volledige verhaal van de Vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, ten einde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur) en de latere versie van dit boek van de hand van Svâmî Prabhupâda. De laatstgenoemde vertaler vertegenwoordigt als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude Indiase vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel India, Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dankbetuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereld- verzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vanaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
Doorgaans werd de woord voor woord vertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van Prabhupâda, (die hoofdzakelijk zijn ontleend aan Sâstrî) en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van Sâstrî's oorspronkelijke versie en het Monier-Williams Sanskriet woordenboek. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek is de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie bij ieder vers opgelinkt zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap.
Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial- Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 2 augustus 2010.
De Manu's, de Bestuurders van het Universum
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; beschrijf voor ons alstublieft ook de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28]. (2) O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's *, zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. (3) En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, dan wel deed, aan het doen is en nog zal doen? [vergelijk B.G. 2: 12 en **]
(4) De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven alsook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (5) Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden, terwille van het onderrichten van het dharma en de jñâna, de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer. (6) Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[-mûrti of -pati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's. (7) De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie: 3.22: 31]. (8) Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, waarbij hij op één been staand met de aarde in contact stond [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata.
(9) Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen. (11) Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden. (12) Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24]. (13) Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha and virâth rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving teweeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inactief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23]. (14) Het is daarom dat al de geheiligde mensen, met de bedoeling van karma bevrijd te raken, aanvankelijk van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus tewerkgaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (15) Vanwege Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, met wat Hij ook doet nimmer verstrikt ermee en daarom raken personen die Hem volgen ook nimmer ontmoedigd. (16) Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die het niet verlangt te genieten, die geheel vervuld is en zich niet door anderen laat leiden, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Met filosofische mantra's aldus gepreveld concentreerde zich de geest, maar de Asura's die daarvan getuige waren jaagden hun voorkeur na in hun verlangend daarmee te zwelgen. (18) Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid, na ze gedood te hebben, met de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken de hemelse werelden.
(19) Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat. (20) In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushita en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren. (21) Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die men bij naam kende als zijnde Vibhu. (22) Achtentachtigduizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacârî bleef.
(23) De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (24) De zeven wijzen waren de zonen van Vasishthha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Satya, Vedas'ruta en Bhadra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra. (25) Van de halfgod Dharma werd uit de schoot van Sunritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Satyasena geboren, verschijnend tezamen met de Satyavrata's. (26) Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de Yaksha en râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die steeds de levende wezens belagen.
(27) De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (28) De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (29) De goddelijken genaamd de Vaidhriti's waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die in de loop der tijd verloren waren gegaan. (30) In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil.'
(31) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil? (32) Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, voorspoed en al het goede'."
(33) S'rî Sûta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn ophanden zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die er inderdaad reikhalzend naar uitzagen het van hem te vernemen."
*:Er zijn veertien Manu's gedurende een dag van Brahmâ, en het tijdperk van iedere Manu duurt eenenzeventig yuga's lang. (zie afbeelding) Aldus zijn er duizenden Manu's tijdens het leven van Brahmâ. De zes hier vermeld zijn: Svâyambhuva, Svârocisha, Uttama, Tâmasa, Raivata en Câkshusha . Een manvantara is een periode in de grootorde van één omwenteling van onze zon rondom de kern van ons sterrenselsel [zie de Galactische Orde].
**: Vaak vermeld in deze samenhang is de spreuk: 'Nityo nityânâm cetanas cetanânâm'. Zowel de Heer als de levende wezens zijn eeuwig en zintuiglijk.
De Nood van de Olifant Gajendra
(1) S'rî S'uka zei: 'Er was een zeer grote berg talloze kilometers hoog, o Koning, die bekend stond als Trikûtha ['drie pieken'] omringd door een oceaan van melk [of plantensap zie 5.20: 18]. (2-3) Met zijn drie toppen in zijn omvang zo breed als hij hoog was, tekende hij als een eiland, weelderig met bomen, klimplanten en struiken en het geluid van watervallen aan alle kanten, zich prachtig af tegen de hemel. Hij was samengesteld uit zilver, ijzer en goud, met aan alle kanten meer pieken vol van kostbaar gesteente en mineralen. (4) Aan zijn voet, die immer groen omspoeld werd door de golven van de zee overal eromheen, was de aarde groen van de smaragd. (5) De vervolmaakten, de aanbiddelijken, de zangers van de hemel, zij die van de kennis waren en de groten van de wereld der slangen, die van de bovennatuurlijke macht, de dansmeisjes en de sportlieden genoten daar in de valleien. (6) De dalen weerklonken van de geluiden der zangers hetgeen de stoere leeuwen jaloers deed brullen om een soortgenoot. (7) De laagten huisvestten grote aantallen van alle denkbare dieren van de jungle en de tuinen onderhouden door de verlichte zielen aldaar waren prachtig opgesierd met alle soorten bomen en tjilpende vogels. (8) In de rivieren en meren vol van kristalhelder water, waren vanaf de van de edelstenen glinsterende zandstranden de schonen der goddelijken aan het baden, waarbij ze met de geur van hun lichamen het water verrijkten. (9-13) In een vallei was er daar van de grote ziel, de machtige persoonlijkheid Varuna, een tuin met de naam Ritumat die als lustoord diende voor de sura dames. Hij was overal ter ere van het goddelijke allerprachtigst aangekleed met bloemen- en vruchten- en mandâra- en pârijâta-, pâthala-, as'oka- en campakabomen. Er waren vruchten te vinden als cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's en granaatappels alsook kokos- en dadelbomen. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, banyan's, kims'uka's en sandelhoutbomen. Ook trof men er picumardabloemen, kovidâra vruchten, sarala- en sura-dâru bomen, druiven, suikerriet, bananen, en jambu-, badarî-, akhsa-, abhaya- en âmalakîvruchten aan. (14-19) In die tuin bevond zich een zeer groot meer vol van glanzende gouden lotussen omringd door bilva-, kapittha-, jambîra-, bhallâtaka- en andere bomen en van de grote pracht van de kumuda-, kahlâra-, utpala- en s'atapatrabloemen waren de bijen geheel bedwelmd aan het rondzoemen onder begeleiding van de mooist klinkende vogelzang. Het was drukbevolkt met zwanen en kârandava's, cakravâka's, groepjes waterhoenders, koyashthi's en dâtyûha's die allen hun eigen geluiden voortbrachten. Het water, omzoomd door kadamba-, vetasa-, nala-, nîpa- en vañjulakabloemen, bracht, verstoord door de bewegingen van de vissen en de schildpadden, de lotussen in beweging waardoor het stuifmeel dat uit hen viel het oppervlak bedekte. De kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, nâga's, punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's en de mâdhavî-latâ's en jâlakâ's en andere bomen die weelderig groeiden op de oevers, sierden het op in alle seizoenen.
(20) Op een dag zwierf daar op die berg de leider van de olifanten die in het bos leefde, rond in gezelschap van zijn wijfjes, waarmee hij door het dichte struikgewas brak dat vol was van doorns, klimplanten en alle soorten van bomen en planten. (21) Alleen zijn geur al deed de leeuwen en andere roofdieren en bloeddorstige beesten, de andere olifanten, de neushoorns en de grote slangen alsook de witte en zwarte camarî herten, allen in angst op de vlucht slaan. (22) Vanwege zijn genade konden de vossen, de zwijnen, de buffels, stekelvarkens, de gopuccha's en andere herten, de wolven, de apen en andere kleine dieren als konijnen en anderen, zich ongehinderd rondbewegen. (23-24) Hij zwetend, met druipend speeksel en omringd door nectar drinkende bijen, deed, gevolgd door de andere mannetjes- en vrouwtjesolifanten en de jongen in hun midden, daar in de gehele omgeving de aarde schudden. Van een afstand het stof van de lotusbloemen ruikend dat door de bries werd meegevoerd haastte hij, met zijn gezelschap dorstig in zijn visie vertroebeld, zich in de richting van de oever van dat meer. (25) Het heldere frisse water ingaand, zoog hij zich vol met het nectargelijke mengsel van het lotusstuifmeel en viel alle vermoeienis van hem af toen hij er een goed bad in nam. (26) Met het opzuigen van het water met zijn slurf en het dan over zich heen sproeien zette hij ook zijn vrouwen en kinderen er toe aan een bad te nemen. Zo druk bezig sloeg hij, gelijk een bezorgde huisvader die al te zeer gehecht is aan zijn gezin, onder de invloed van de uitwendige energie geen acht op enig mogelijk dreigend gevaar (27) Net als ieder ander die zich maar moet schikken naar de wil van God, viel het lot hem ten deel dat zijn poot, o Koning, daar toen werd gegrepen door een vervaarlijke, kwaaie krokodil [ - van mâyâ], waarop volgend de olifant uit alle macht die in hem was zich verwoed probeerde te bevrijden uit de gevaarlijke positie waarin hij beland was. (28) De wijfjes, ziende hoe hun leider werd aangevallen en gegrepen door dat geweld, zetten het, geïntimideerd onder de dreiging, op een huilen, terwijl de andere olifanten die hem van achteren probeerden te bevrijden ook niet bij machte waren iets uit te richten. (29) Met de olifant en de krokodil die op deze manier vechtend elkaar in en uit het water trokken, verstreek een duizendtal jaren waarin ze beiden in leven bleven, o Koning, hetgeen door de onsterfelijken als hoogst wonderbaarlijk werd gezien. (30) In de tijd die daarop volgde verloor Gajendra, de koning der olifanten, door de uitputting van het jarenlang volgehouden vechten om niet in het water te worden gesleurd [naar elders dus], meer en meer zijn kracht terwijl daarentegen de krokodil die thuis was in het water juist fanatieker, krachtiger en machtiger werd.
(31) Toen hij, Gajendra, in zijn leven, op deze manier bij voorbeschikking op deze vorm van gevaar was gestuit en hij merkte dat hij niet in staat was zichzelf te redden uit een zo hopeloze positie, moest hij er lang over nadenken en kwam hij daarop tot het volgende besluit: (32) 'Als al mijn verwanten er niet toe in staat zijn mij als olifant te bevrijden uit mijn lijden, en ik ook van mijn wijfjes niet kan verwachten dat ze me verlossen uit de knellende greep van de krokodil [der hartstocht], moet zelfs [een stoere olifant als] ik die, zoals het lot dat beschikte werd gegrepen, nu net zo goed als ieder ander mijn toevlucht zoeken bij dat [Allerhoogste van de Heer] wat de bovenzinnelijkheid is en de toevlucht vormt van al de verheven zielen [vergelijk 7.9: 18]. (33) Tegen de zo heel sterke wurgslang van de dood [de tijd, zie B.G. 11: 32] die met zijn angstwekkende kracht je tot in het oneindige najaagt, zal Hij die iemands Beheerser is, hem beschermen die, bang voor de dood, van overgave is; ik zal mijn toevlucht zoeken bij Hem die de feitelijke beschutting is van een ieder en voor wie zelfs de dood zelve op de vlucht slaat.'
Gajendra's Gebeden van Overgave
(1) De zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Aldus er verstandelijk toe besloten zich in zijn geest te concentreren op het hart, reciteerde hij [Gajendra] een allerverhevenst gebed dat hij in een voorgaande geboorte had beoefend [zie ook B.G. 6: 43-44]. (2) S'rî Gajendra zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Oorspronkelijke, de Allerhoogste Godheid door wie dit materieel bestaan zich beweegt in bewustzijn, laat me mediteren op Hem, die persoonlijkheid die de grondoorzaak is, de Allerhoogste Beheerser. (3) Op Hem rust het universum, van Hem zijn er al de elementen en door Hem is er de werkzaamheid ervan, aan Hem die Zelf de materiële wereld is qua gevolg zowel als wat betreft de bovenzinnelijke oorzaak, aan die Allerhoogste die in Zichzelf voorziet geef ik mezelf over. (4) Hij die vanuit Zichzelf, door Zijn eigen energie, deze kosmische manifestatie tentoonspreidde, die dan weer manifest en dan weer niet zichtbaar is, overziet in beide gevallen als de getuige alles en allen; die Ziel zonder voorgaande oorzaak, dat Allerhoogste van alle Bovenzinnelijkheid, smeek ik, alstUblieft bescherm mij! (5) Als na de nodige tijd alles, alle transformaties, alles wat is gedaan, al de werelden en al hun handhavers en bestuurders, tot niets is teruggebracht, is er de hechte en diepe duisternis waarachter en waarboven de Almachtige straalt. (6) Zoals met het uiterlijke van een uitvoerend kunstenaar die zelf dan niet kan worden doorgrond, kunnen Zijn bewegingen noch door de goden, de wijzen of de gewone schepselen worden begrepen of in woorden worden uitgedrukt; Hij zo moeilijk te bevatten, moge Hij me Zijn bescherming geven. (7) De Heer van hen die het verlangen Zijn algunstige lotusvoeten te zien, van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid, van die grote wijzen, zonder fouten in het woud, hoog verheven de geloften in praktijk brengend al naar gelang de verschillende posities [de âs'rama's], de Heer van hen die gelijk en vriendelijk voor allen zijn, Hij is mijn bestemming. (8-9) Van Hem is er geen geboorte, geen karma, geen naam of vorm, geen geaardheden en fouten zeker ook niet; niettemin komt Hij, die de vernietiging en schepping van deze kosmische manifestatie is, middels Zijn eigen vermogen keer op keer in actie [als een avatâra]. Hem, de Bovenzinnelijke die de Beheerser is, het Allerhoogste Brahman van een onbegrensd vermogen, die zonder een gedaante gedaanten heeft aangenomen, die van zo vele wonderbaarlijke daden is, biedt ik mijn respect. (10) Mijn eerbetoon voor Hem, de verlichting van de ziel, de getuige in allen, het Allerhoogste van het Zelf; Hij die alle beschrijving, de geest en zelfs het bewustzijn te boven gaat, geldt mijn eerbewijs. (11) Hij, het voorwerp der toewijding die door de geschoolden in transcendentale handelingen recht wordt gedaan, voor Hem, de meester der menswording, de verlener der genade, Hij die helemaal vrij is, mijn eerbiedwaardige respectbetoon. (12) Al mijn eerbetuigingen gelden die Ene der Vrede volledig geconcentreerd op het spirituele in gedaanten van geweld en het dierlijke [zoals Nrisimha en Varâha] naar de verschillende kwaliteiten van de materiële natuur; aan Hem die eveneens de kennis van het Brahman is, draag ik mijn gebed op. (13) Voor de kenner van het veld [zie B.G. 13: 1-5] mijn respect, U de baas over allen, de getuige en de Oorspronkelijke Persoon die de oerbron bent, aan U, de beweger van de materiële schepping, U als de primaire werkelijkheid, biedt ik mijn eerbetuigingen. (14) U bent het die ik respecteer, daar U overziet waar al de zinnen op uit zijn. U bent het einde van alle twijfel met het onware dat, omdat het er is als een afspiegeling van U, de werkelijkheid wordt genoemd; naar die reflectie, mijn eerbetoon aan U. (15) Mijn eerbetuigingen nogmaals gelden U, van al het bestaande de allerhoogste oorzaak zonder een oorzaak, de oorzaak van al het wonderbaarlijke, de bron van wat geleerd wordt in opeenvolging, de oceaan in ontvangst van al de rivieren van kennis; U eer ik, die de bevrijding schenkt en de toevlucht vormt van de transcendentalist. (16) Ik draag mijn handelingen op aan Hem wiens vuur van de kennis door de geaardheden van de natuur is overdekt zoals vuur dat is in hout, aan Hem die zich bevindt buiten de door de beroering der natuur aangedane geest, aan Hem die persoonlijk aanwezig is voor hen die vanuit hun stadium van spiritueel verstaan de formele benadering eraan gaven. (17) U betoon ik als een dier mijn respect in overgave aan Hem, de Onberispelijke van oneindige genade die bevrijdt uit de verstriktheid; door een enkel deel van Uw zelf [het Paramâtmâ, zie ook B.G. 10: 42] bent U immer aandachtig voor allen die belichaamd zijn, die Allerhoogste Heer zonder grenzen, in de geest gevierd als de directe waarnemer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (18) Voor allen zo zeer gehecht aan hun denken en lichaam, zoons en dochters, weelde en helpers, bent U moeilijk te bereiken, maar voor personen die, vrij van de invloed van de geaardheden der natuur, in het hart zijn vrijgemaakt bent U er reeds [zie B.G. 6: 47]; Hem op wie altijd wordt gemediteerd, het reservoir van alle spirituele kennis, die Allerhoogste Heer en Beheerser, geldt al mijn respect. (19) Door Hem te eerbiedigen kan dat worden bereikt waar men naar op zoek is met al het begeren overeenkomstig de religie, de economie, de bevrediging, en de bevrijding, om nog maar te zwijgen van de andere zegeningen die Hij eveneens verleent zoals het bovendien hebben van een geestelijk lichaam; moge Hij, oneindig van genade, mij de bevrijding van mijn ziel vergunnen [zie ook 2.3: 10 en 7.9: 27]. (20-21) Zij die niets anders dan Hem op het oog hebben verlangen niet naar deze of gene zegening - zij die het feitelijk brachten tot de toevlucht van de Allerhoogste Heer zijn verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke gelukzaligheid door het bespreken van en vernemen over de alleszins gunstige, wonderbaarlijke handelingen van Hem. Hij, de eeuwige transcendentale, Allerhoogste Meester van alle grote persoonlijkheden, de ongeziene Ziel boven alles die in yoga kan worden bereikt door toewijding is, zo subtiel en ongrijpbaar buiten het bereik van de zinnen als Hij is, de onbegrensde, in alle opzichten volkomen, oorsprong die ik aanbid. (22-24) Van Hem zijn door Zijn delen - de verschillende bewegende en niet-bewegende levensvormen, de vedische kennis, de goden en allen die bij Brahmâ horen - de minder belangrijke onderverdelingen van namen en vormen in het leven geroepen. Dit niet aflatende vertoon van de geaardheden der natuur, dit verstand en deze geest, deze zinnen en verdelingen van het grove en subtiele van het lichaam, zijn, zoals vonken in verhouding tot het vuur dat de zon is, de stralende deeltjes die keer op keer voortkomen uit en opgaan in Hem als delen en gehelen. Dat vuur, inderdaad geen halfgod of demon, een menselijk wezen, beest of vogel, vrouw, onzijdig of de maan evenmin en ook niet een levend schepsel, is niet het vruchtdragend handelen noch de manifestatie, noch het niet-gemanifesteerde; Hij is de slotsom van het uitsluiten van dit en dat [neti neti zie ook 7.7: 23]; aan Hem, de Onbegrensde, alle glorie! (25) Ik wens het niet mijn leven hier of in een wereld hierna voort te zetten; wat heeft het voor nut als men vanbinnen en vanbuiten opgesloten zit; in deze geboorte als een olifant verlang ik te ontkomen aan de gebondenheid aan de tijd die alleen maar tot vernietiging leidt. Ik wil worden bevrijdt uit die onterende begrenzing van mijn zelf [zie ook 1.2: 3, 6.15: 16]. (26) Daartoe draag ik aan Hem, de gemanifesteerde hoewel niet gemanifesteerd, die ongeboren ziel en kenner van het universum en bovenzinnelijke toevlucht van het Allerhoogste, mijn leven en ziel op. (27) Zij van de vereniging van het bewustzijn jegens Hem, die door [die bhakti-]yoga al het karma verbrandden en een verenigd en gelouterd hart hebben, nemen Hem, de Heer van de Yoga die ik toegewijd ben, rechtstreeks waar. (28) Mijn respectbetoon keer op keer voor U, het gigantische van de krachten van het drievoudig vermogen van [het vormgeven, afwikkelen en in stand houden van] het volledige, voor Hem die, voor de intelligentie zich voordoend als een zinsobject, de toevlucht verschaft en die, met Zijn moeilijk te boven te komen energieën [zie B.G. 16: 21], onbereikbaar is voor hen die op het pad hun zinnen niet weten te beheersen. (29) Ik zoek mijn toevlucht bij Hem wiens heerlijkheden zo onpeilbaar zijn, wiens identiteit bij de mensen in het algemeen niet bekend is en onder wiens invloed en intelligentie ik als een op zichzelfstaande ziel ben verslagen.'
(30) S'rî S'uka zei: 'Toen, vanwege deze beschrijving die niet was gericht op enige persoon in het bijzonder, geen van de opzichzelf staande goddelijken van Brahmâ met hun verschillende verschijningsvormen, Gajendra benaderde, verscheen aldaar van de keur aan goden de Heer in eigen persoon omdat Hij het volledige van hen allen tezamen is [vergelijk B.G. 7: 20-23 en 9: 23; 4.31: 14]. (31) Zijn gebed horend kwam de Heer van alle werelden die begreep in wat voor benarde positie hij verkeerde, tezamen met de bewoners van de hemel die hun gebeden opdroegen, zo snel als Hij maar kon, gedragen door Garuda en uitgerust met de werpschijf en Zijn andere wapens, naar de plek waar Gajendra zich bevond. (32) Op het moment dat hij, die in het water zo gewelddadig was gegrepen en te lijden had, de Heer zag die op de rug van Garuda Zijn werpschijf in de lucht stak, hief hij zijn slurf omhoog met daarin een lotusbloem en bracht hij met moeite uit: 'O Nârâyana, Leraar der Volkomenheid, o Allerhoogste Heer, U biedt ik mijn eerbetuigingen.' (33) Toen Hij hem zo zag lijden kwam de Ongeborene meteen naar beneden en redde Hij, voor ogen van al de goddelijken aanwezig met Zijn werpschijf de krokodil zijn bek eraf snijdend, koning Gajendra en trok Hij hem uit het water.
Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld
(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [toen Gajendra was bevrijd] strooiden de goddelijken, de rishi's en de zangers van de hemel onder aanvoering van Brahmâ en S'iva, bloemen uit in lofprijzing over dat wapenfeit van de Heer. (2) In de lucht weerklonken de pauken, de Gandharva's zongen en dansten en de heiligen, de aanbiddelijken en de vervolmaakten brachten hun gebeden voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (3-4) Hij, Hûhû, een zanger van de hemel die door een vloek van de wijze Devala die krokodil was geworden, verscheen op datzelfde ogenblik zowaar als een hoogst wonderbaarlijk schone Gandharva, die, zijn eerbetuigingen brengend met zijn hoofd naar de Allerhoogste Eeuwige Meester Geprezen in de Verzen, de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke avonturen en kwaliteiten begon te bezingen. (5) Hij door de Heer begunstigd omliep Hem, Hem zijn respect betonend, en terwijl iedereen toekeek ging hij, verlost van alle zonde, terug naar zijn eigen verblijfplaats. (6) Gajendra werd door de aanraking van de Allerhoogste Heer terstond bevrijd van de onwetendheid van zijn gebonden zijn en had precies dezelfde gedaante verworven met vier armen en gele kleding [sârûpya-mukti, zie ook 3.29: 13]. (7) Hij was in feite voorheen, geboren als de beste van Dravida-des'a, de koning van Pândya geweest en stond, gezworen aan Vishnu zich altijd op het bovenzinnelijk pad bevindend, aldus bekend als Indradyumna. (8) Hij had, toen de tijd voor zijn boete was aangebroken, met de grootste zorg de gelofte der stilte afgelegd en was, met samengeklitte lokken zijn verzakingen volbrengend in Kulâcala [de Malaya heuvels] waar hij zijn âs'rama had, op een dag de Onfeilbare Heer aan het vereren, verzonken in liefde voor de Allerhoogste Beheerser. (9) Op eigen gelegenheid arriveerde daar ter plekke de vermaarde Âgastya omringd door zijn discipelen en toen hij hem daar stil alleen zag zitten mediteren zonder hem een behoorlijke ontvangst te bereiden, gebeurde het zo dat hij zeer kwaad werd. (10) Hij verwenste hem toen met deze vloek: 'Deze diep gezonken ziel zo onvriendelijk en onverschillig van geest hier voor me als een belediging van het brahmaanse, laat hij de duisternis binnengaan als een olifant inderdaad traag van begrip.'
(11-12) S'rî S'uka zei: 'Na hem aldus te verdoemen vertrok de zo machtige Âgastya van daar met zijn metgezellen, o Koning, Indradyumna achterlatend met de gedachte dat de vloek in weerwil van zijn verheven positie het gevolg was van zijn daden in het verleden. Toen hij als een olifant werd geboren was de herinnering aan zijn identiteit tenietgedaan, maar omdat hij de Heer vereerde met gebeden, kreeg hij ondanks dat olifantenlijf de gelegenheid zich zijn verleden te herinneren. (13) Toen de Heer van de Lotusnavel aldus de koning der olifanten had bevrijd, keerde Hij begeleid door hem, die de positie van een metgezel van Hem was verleend, samen met de Gandharva's, de vervolmaakten en de wijzen - die Hem allen prezen om Zijn wonderbaarlijke daden - naar Zijn eigen verblijfplaats terug gezeten op de rug van Garuda. (14) Dit wat ik u beschreef, o Koning, over het onbegrensde vermogen van Heer Krishna in het verlossen van de toegewijde Gajendra, bevordert hen die er van horen naar de hemelse sferen en vergroot hun reputatie als toegewijden; het neemt de smetten van Kali-yuga weg [zie 1.17: 24-25] en verjaagt de boze dromen, o beste der Kuru's. (15) Om de moeilijkheden van een slechte nacht gehad te hebben tegen te gaan, reciteren de mensen, met name de zuiveren onder de tweemaal geborenen, trouw dit verhaal als ze opstaan in de ochtend. (16) Dit is wat de allesdoorvarende Grote Heer tevredengesteld in het bijzijn van iedereen tegen Gajendra heeft gezegd, o beste van de Kuru dynastie. (17-24) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die aan het einde van de nacht opstaan en zorgvuldig geconcentreerd zich Mijn gedaanten herinneren - die van Mij en van jou; die van het meer, deze heuvel, deze grotten en tuinen; het riet en de bamboes, de groepjes bomen, deze pieken en de verblijfplaatsen van Mij en die van Heer Brahmâ en Heer S'iva; alsook deze oceaan van melk en dit witte eiland met zijn schitterende luister Mij zo dierbaar; Mijn S'rîvatsa-teken, Kaustubha-juweel, [Vaijayantî] bloemenslinger, Kaumodakî knots, Sudars'ana schijf en Pâñcajanya schelphoorn; Garuda, Ananta S'esha, Mijn subtiele volkomen aspect de Godin van het Geluk; allen die van Mij afhankelijk zijn, Heer Brahmâ, Nârada rishi, S'iva en Prahlâda; Mijn Matsya incarnatie, Kûrma, Varâha en de andere avatâra's; al de ontelbare goedgunstige daden van Mij; de godheden van de zon, de maan en het vuur; de Omkâra mantra, de Absolute Waarheid en het geheel van de materiële energie; de koeien, de brahmanen en het eeuwige dharma; de dochters van Daksha, de plichtsgetrouwe echtgenotes van de maangod, Kas'yapa en de Ganges, de Sarasvatî, de Nandâ en de Yamunâ; Airâvata [Indra's olifant], Dhruva, de zeven o zo vrome wijzen en de menselijke wezens - raken verlost van hun zorgen. (25) Zij, mijn beste, die Mij op deze manier hun gebeden brengen als ze opstaan als de nacht ten einde loopt zal Ik, ook op het moment dat ze sterven, het hogere bereik vergunnen.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Hrishîkes'a, die aldus zijn toespraak had geleverd, besteeg de rug van Garuda en blies toen op de beste der zee [Zijn schelphoorn] de schare der godbewuste heren ermee behagend.'
De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's.
(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (2) De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tâmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons. (3) Vibhu heerste over de hemelen, o Koning, en de godvrezenden werden geleid door de Bhûtaraya's: de tweemaal geborenen Hiranyaromâ, Vedas'irâ, Ûrdhvabâhu en anderen. (4) Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (5) Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht. (6) Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen.
(7) De zesde Manu was Câkshusha, de zoon van Cakshu en met Pûru, Pûrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Câkshusha. (8) Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Âpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmân, Vîraka en anderen. (9) Van Vairâja zijn echtgenote Devasambhûti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatâra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum. (10) Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kûrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'
(11-12) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (13) Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden'."
(14) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "De grote zoon van Vyâsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (15-16) S'rî S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvâsâ die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (17-18) De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmâ op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen. (19-20) Toen Heer Brahmâ, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godbewusten: (21) 'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmâ hier of de guna-avatâra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke. (22) Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatâra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (23) Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij, ons Sura's, Zijn eigen volk, zo welgenegen, ons het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 & 18].'
(24) S'rî S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis. (25) Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden. (26) S'rî Brahmâ zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (27) Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil. (28) Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (29) Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiële duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23]. (30) Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer. (31) Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheïsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang? (32) Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiële schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn. (33) De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn. (34) Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook: 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (35) Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons. (36) Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (37) Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prâna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons. (38) Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29]. (39) De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Viriñca [Heer Brahmâ]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliën; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen. (40) De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn. (41) De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ûdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons. (42) Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen. (43) De elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yoga-mâyâ] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons. (44) Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiële zaken. (45) Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen? (46) Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7]. (47) Voor mensen die eropuit zijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem. (48) Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon. (49) Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14]. (50) Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.'
*: Het verhaal luidt: 'Toen Durvâsâ Muni eens op weg was, zag hij Indra op de rug van zijn olifant en bood hij in zijn vreugde Indra een bloemenkrans van zijn nek. Indra, echter, al te opgeblazen, nam de bloemenkrans, en hing die zonder respect voor Durvâsâ Muni, aan de slurf van zijn draagolifant. De olifant, als een dier, kon de waarde van de krans niet begrijpen, en aldus gooide de olifant de bloemenkrans tussen zijn poten en verpletterde die daar. Deze beledigende gang van zaken ziend, vervloekte Durvâsâ Muni terstond Indra tot de bedelstaf, door verstoken te zijn van alle weelde. Aldus verloren de halfgoden, van de ene kant in het nauw gedreven door de vechtende demonen en van de andere kant door de vloek van Durvâsâ Muni, alle materiële weelde in de drie werelden.'
De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari, de Hoogste Beheerser, aldus aanbeden door de goddelijken verscheen toen voor hen, o Koning, met een gloed van duizenden opgaande zonnen. (2) Om die reden was op dat moment het gezichtsvermogen van de goddelijken geblokkeerd; ze zagen niets in welke richting ook, noch in de hemel, noch op het land, noch zagen ze zichzelf, en waar was de Almachtige nu te zien? (3-7) Maar zo gauw ze Zijn gestalte ontwaarden, zo zuiver met de gloed van een blauwe diamant, Zijn oogwit zo roze als een lotushart, Zijn glans van gesmolten goud, Zijn geelzijden kleding, de grote schoonheid en gratie van al Zijn ledematen, Zijn glimlach, Zijn fraaie wenkbrauwen, Zijn helm vol edelstenen, de opsmuk van al Zijn sierselen, het licht van Zijn oorhangers, de kaaklijn van Zijn prachtige gezicht, Zijn gordel en banden, Zijn halssnoer en enkelbelletjes alles prachtig geschikt, het Kaustubhajuweel op Zijn borst, S'rî Lakshmî die zich met Hem meebewoog, Zijn bloemenslingers en Zijn cakra en Zijn andere wapens, wierpen al de onsterfelijke zielen tezamen met Heer S'iva, die voor hen allen de enige goddelijkheid vormde, zich met lijf en leden ter aarde en verheerlijkte de o zo machtige Heer Brahmâ, de aanvoerder van de goden, de Allerhoogste Persoonlijkheid.
(8) S'rî Brahmâ zei: 'Jegens Hem die nimmer geboorte nam maar altijd ten tonele verschijnt, Hij die vrij is van de geaardheden, die oceaan van gelukzaligheid voorbij alle bestaan, die kleinste van alle atomen zo ondoorgrondelijk in al Zijn trekken, jegens U, de Ondoorgrondelijke, ons herhaaldelijk eerbetoon [zie ook B.G. 4: 6]. (9) Deze gedaante van U, o Beste van alle Personen, is zo aanbiddelijk en goedgunstig voor allen die verlangen overeenkomstig de vedische aanwijzingen zoals verstaan vanuit de tantra's [speciale vedische verhandelingen] in het praktizeren van de yoga; o bestuurder die met ons de drie werelden regeert, o, in U zien we rechtstreeks het Universum compleet. (10) Jegens U in het begin was er, jegens U in het midden was er, jegens U op het eind zal dit alles er zijn; de aanvang, het einde en het midden van deze kosmische schepping beheerst U in zijn geheel: zoals de aarde staat tot de pot ervan gemaakt, bent U de leiding der transcendentie. (11) U, door Uw eeuwig energetish vermogen, met Uw Ziel als de toevlucht, gaat, uit Uzelf voor het heil van de schepping dit universum zo immens binnen en zij die verbonden zijn, zij die vol van de sastra zijn, zien, als hooggestemde personen met een gevorderd bewustzijn, U, in de transformatie van de geaardheden hoewel U door de kwaliteiten der natuur onberoerd blijft. (12) Zoals met vuur uit het hout, zoals met de nectar uit de koeien, zoals met de granen en het water die men vindt op deze aarde en ook zoals met het levensonderhoud verkregen uit eigen ondernemen, bereikt het levend wezen door de praktijk van de yoga, intelligent naar de geaardheden, inderdaad U, zo bevestigen het de grootsten. (13) O Heer van ons allen, o Meester in Uw volheid hier aanwezig voor ons, met de lotus uit Uw navel, hebben we zolang gewacht verlangend naar het doel en nu vandaag mogen we allen de visie van het geluk dan koesteren, gelijk olifanten, die in nood in een bosbrand, het water van de Ganges zouden koesteren. (14) O Ziel, die voor een ieder het voorbije is, over de bedoeling waarvoor we kwamen tot Uw voeten hoeven we U, de getuige van allen, niet te informeren; moge U zo goed zijn aan onze verlangens tegemoet te komen voor de leniging van de behoeften van deze zielen overeenkomstig de plaatsen door hen bestuurd. (15) Ik en Hij die verblijft op de berg [S'iva], de verlichten en allen zo geleid door stamvaders als Daksha, zijn als vonken in verhouding tot het vuur dat U bent mijn Heer - hoe kunnen wij als losse deeltjes nu tot begrip komen, o mijn Heer? Schenk ons alstUblieft het goede geluk, de mantra's, van de tweemaal geborenen en de brahmaan.'
(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus aanbeden door Viriñca [Brahmâ] en allen, begrijpend wat ze in hun harten verlangden, antwoordde Hij met woorden rollend als de donder hen die in gebed hun zinnen beheersten. (17) Hoewel de Beheerser alleen op zichzelf aankon wat de goddelijken te doen stond, wilde Hij als hun Heer Zijn spel gaan genieten van het karnen van de oceaan en sprak Hij tot hen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Luister o Brahmâ en S'iva, o goden, naar wat Ik te zeggen heb; luistert nu allen aandachtig omdat dat jullie Sura's al het goede geluk zal brengen. (19) In afwachting van je eigen voorspoed, stel je in op een wapenstilstand met de Daitya's en Danava's hun zegeningen van een gunstige tijd. (20) Als het van belang is voor de eigen plichten moet men zelfs met zijn vijanden tot een vergelijk willen komen, zoals een slang dat zou doen met een muis o goden, naar het belang van zijn eigen positie [*]. (21) Aarzel niet je in te spannen voor de nectar waarvan welk levend wezen ook dat in doodsgevaar verkeert onsterfelijk kan worden als ervan gedronken wordt. (22-33) Met het in de oceaan van melk geworpen hebben van allerlei klimplanten, grassen, groenten en kruiden en het met Mijn hulp gebruiken van Vâsuki [de slang] als het touw voor de karnstok die de berg Mandara is, ga zorgvuldig tewerk met het karnen; het zal de samenzweerders der belemmering bezighouden maar jullie allen, zullen er de vruchten van plukken. (24) Jullie moeten allen tezamen accepteren wat de Asura's ook maar van je verlangen o Sura's, wordt er niet kwaad over, daar tewerkgaand in vrede alle doelen zullen worden bereikt met het grootste succes. (25) Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nooit leiden door begeerte, lust en woede met dat wat wordt voorgebracht.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer aldus de goddelijken van advies had gediend, verdween het Hoogste Voorbeeld vandaar, o Koning, daar Hij de Beheerser is die zich vrij beweegt. (27) Toen ze Hem, hun Allerhoogste Heer, hun eerbetuigingen hadden gebracht, keerde de Grote Vader met de Heer der Wording [Bhava, S'iva] terug naar hun verblijfplaatsen en werd koning Bali door de Sura's benaderd. (28) De achtenswaardige leider van de Daitya's [Bali] zag heel goed dat, hoewel zijn kapiteins in staat van paraatheid verkeerden, de vijanden niet van zins waren te vechten en dus hield hij ze terug, zich wel bewust van wat de tijd om te vechten en de tijd om te onderhandelen was. (29) Ze kwamen allen tot de zoon van Virocana [Bali] en gingen met hem zitten, die, goed beschermd door de asura bevelhebbers, als de veroveraar van al de werelden was gezegend met een grote weelde. (30) De grote Indra in zachte bewoordingen hem behagend zo goed als hij kon, legde als de grootste intelligentie alles aan hem voor wat ze hadden vernomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (31) Het was allemaal heel goed te aanvaarden voor de daitya heerser alsook voor de andere asura aanvoerders Sambara, Arishthanemi en de rest van de inwoners van Tripura. (32) Direct daarop besluitend tot een wapenstilstand tussen hen, begonnen zij, deva en Asura, met de verheven onderneming van het karnen voor de nectar, o bestraffer der vijanden. (33) Daartoe rukten ze allen uit alle macht, met grote kracht onder luid geschreeuw de Mandara Berg van zijn plaats en namen ze die mee naar de oceaan met hun sterke en stoere armen. (34) Over een grote afstand die lading meetorsend konden Indra en de zoon van Virocana vermoeid geraakt de last niet nog langer dragen zodat ze hem halverwege achterlieten. (35) De enorme berg van goud die ter plekke naar beneden kwam verpletterde met zijn grote gewicht vele van de verlichte en de onverlichte zielen. (36) Gedragen door Garuda verscheen de Allerhoogste Heer daarna voor hen allen die zowel hun armen en benen als hun harten hadden gebroken. (37) Middels een enkele blik geworpen op de onsterfelijken en de sterfelijken die waren verpletterd door de vallende berg, wekte hij hen weer tot leven zonder een schrammetje en vrij van verdriet. (38) Met het grootste gemak plaatste Hij met één hand de berg op Garuda, besteeg Hij zijn rug en ging Hij omringd door de Asura's en de Sura's naar de oceaan. (39) Aldaar de berg van zijn schouder ladend ging Garuda, de grootste aller vogels, ermee naar de waterkant en zette hij hem daar neer, waarna hij door de Heer werd heengezonden [zodat hij Vâsuki niet zou opeten].'
*: Het idee hier is dat van een muis en een slang: de muis, met de slang gevangen in een mand maakt een gat en de slang profiteert van beide als de slang de muis niet meteen opeet.
Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara
(1) S'rî S'uka zei: 'De Sura's nodigden allen de koning der slangen, Vâsuki, uit, hem een aandeel belovende en wonden hem om de berg als het touw om te karnen. Daarop begonnen ze opgetogen met het karwei om zich voor de nectar in te spannen, o beste van de Kuru's. (2) Heer Hari nam hem als eerste bij de kop en de rest van de goddelijken volgde Zijn voorbeeld. (3) De daitya leiders zagen die regeling echter niet zitten en dachten naar de rijpheid en ontwikkelde kennis van hun studie, hun geboorte en ervaring: 'Geen van ons zal het proberen met de staart van het serpent daar dat het minderwaardige deel is'. (4) Ziende hoe daaropvolgend de Daitya's het zwijgen ertoe deden, glimlachte de Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij gaf het voorste gedeelte op en greep met de halfgoden de achterkant vast. (5) Aldus uitmakend waar er moest worden vastgehouden, sloegen zij, de zonen van Kas'yapa [goddelijk en demonisch], met veel enthousiasme aan het karnen om de nectar uit de oceaan van melk te verkrijgen. (6) Terwijl ze aan het karnen waren zonk door zijn gewicht, omdat niets hem ondersteunde, die berg toen in het water naar beneden ondanks dat hij werd vastgehouden door de sterken, o zoon van Pându. (7) Zwaar teleurgesteld, verliet al de schoonheid hun gezichten toen ze zagen hoe hun inspanning door de sterkere wil van God buiten spel werd gezet. (8) Toen Hij zag hoe door goddelijke tussenkomst de berg zonk, expandeerde de Onfeilbare Beheerser wiens wegen en vermogens zo ondoorgrondelijk zijn, Zichzelf in het wonderbaarlijke lichaam van een gigantische schildpad, ging Hij het water in en tilde Hij [Kûrma] hem op [zie ook Das'âvatâra-stotra vers 2]. (9) De aanblik van de opgetilde berg monterde zowel Sura als Asura op om de massa te karnen die als een groot eiland boven op een ander eiland zich voor zo'n honderdduizend yojana's uitstrekte op Zijn rug. (10) Het roteren van de berg bewogen door de sterke armen van de sura en asura leiders, mijn beste, werd door de uit zichzelf verschenen schildpad die hem op Zijn rug droeg beschouwd als een eindeloos aangenaam gekrab. (11) Daarna, om ze aan te moedigen en hun kracht en inzet te versterken, ging Heer Vishnu de Asura's binnen in de vorm van hun eigen kwaliteit [die der hartstocht], doortrok Hij de Sura's met goddelijkheid [de geaardheid goedheid], en nam Hij de gedaante van de onwetendheid aan met de koning der serpenten. (12) Op de top van de grote berg als een tweede berg Mandara vastgrijpend met één hand, toonde Hij zich met duizenden handen terwijl vanuit de hemel Heer Brahmâ en S'iva met Indra voorop voor Hem hun gebeden brachten en Hem bestrooiden met bloemen. (13) Er zowel van boven als van onderen, als met henzelve, met de berg en met het touw erin zijn binnengegaan als het Allerhoogste, raakte de oceaan, die met grote kracht verwoed werd gekarnd, in heftige beroering door de grote steenmassa, en raakten alle krokodillen van streek. (14) De slangenkoning heftig blazend in alle richtingen, spuwde met een duizendtal der zijnen vuur en rook waardoor de Asura's, die werden aangevoerd door Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala, zwaar te kampen hadden met de hitte van zijn straling en ze er allen kwamen uit te zien als sarala bomen verschroeid in een bosbrand. (15) Ook de goddelijken werden aangetast in hun luister door zijn vurige adem die hun kleding, fraaie bloemenslingers, wapenrusting en gezichten beroette; bij beschikking van de Allerhoogste Heer regende het toen overvloedig terwijl winden waterdamp opbliezen van de golven van de oceaan. (16) Toen de oceaan naar het beste vermogen van de goddelijken en de Asura's naar behoren was gekarnd maar er geen nectar verscheen, begon de Onoverwinnelijke zelf te karnen. (17) Zo donker als een wolk, in gele kledij, met schitterende oorhangers aan Zijn oren, met Zijn glanzende haar op Zijn hoofd loshangend, met Zijn bloemenslinger, roze oogwit en zegevierende armen het universum veilig stellend, karnde Hij, na de slang gegrepen te hebben, de karnstok waartoe de berg diende en nam Hij daarbij een formaat aan gelijk aan dat van een berg. (18) Na eerst allerlei soorten vissen, haaien, slangen, alle typen schildpadden, walvissen, water-olifanten, krokodillen en timingila's [walvis-etende walvissen] enorm in beroering te hebben gebracht, kwam er, met al het gekarn, uit de oceaan een zeer krachtig gif genaamd Hâlahala tevoorschijn [of Kâlakûtha, zie 8.6: 25]. (19) Dat krachtige, onverdraaglijke gif, onstuitbaar zich in alle richtingen hoog en laag verspreidend, maakte alle mensen bang zodat ze rusteloos het met de Heer hun beheerser niet meer wisten hoe ze het hadden, o mijn beste, niet beschermd als ze waren door de beschutting van Heer S'iva zijn lotusvoeten. (20) Toen ze hem zagen die voor het welzijn van de drie werelden tezamen met zijn echtgenote op zijn berg [Kailâsa] zat, hij, de beste van alle halfgoden door de heiligen hooggehouden die in verzaking het pad der bevrijding in dienstbaarheid bewandelen, brachten ze hem hun eerbetuigingen.
(21) De leiders der mensheid zeiden: 'O Heer der Heerscharen, o Mahâdeva, o ziel van allen, o liefde van een ieder, verlos ons, die hun heil zoeken bij uw lotusvoeten, van dit vergif dat de drie werelden verbrandt. (22) U alleen in het ganse universum bent heer en meester over de gebondenheid en de bevrijding, u bent degene die wij als gelukszoekers aanbidden; u bent de geestelijk leraar om alle leed te verzachten. (23) Middels de geaardheden der materie, middels uw eigen vermogen, verricht u de schepping, handhaving en vernietiging van deze materiële wereld, o machtige, als u zich manifesteert, o grootste, als Brahmâ, Vishnu of S'iva. (24) U bent het Allerhoogste Brahman, het vertrouwelijke van de oorzaak en het gevolg van al de levensvormen der schepping; u met al uw vermogens tentoongespreid bent de Superziel en de Beheerser van het Universum. (25) U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. (26) Het vuur, uw mond, staat voor het geheel van al de goddelijke zielen; het oppervlak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak. (27) Met de ether als uw navel, de lucht als uw adem, de zonneschijf als uw ogen, het water inderdaad als uw zaad, de maan als uw geest en de hogere werelden, o Heer, als uw hoofd, vormt uw zelf de beschutting van alle levende wezens hoog en laag [vergelijk 8.5: 33-43]. (28) Met de oceanen als uw buik, de bergen als uw gebeente, de planten, klimranken en kruiden als uw haren en de mantra's als uw zeven lagen [kosha's], vormen, o Veda's in eigen persoon, al de religies de kern van uw hart [zie ook 2.1: 32]. (29) De vijf opties [basisteksten] der [vedische] filosofie [genaamd Tatpurusha, Aghora, Sadyojâta,Vâmadeva, en Îs'âna] vormen uw gezichten met de achtendertig belangrijke mantra's [*] die de werkelijkheid van de Superziel verzekeren, de werkelijkheid van u o Heer, gevierd als S'iva in de positie van uw zelfverlichting. (30) De aanstormende golven der goddeloosheid [lust, woede, begeerte en illusie] vormen slechts uw schaduw, de schaduw op basis waarvan er zo vele vormen van scheppen bestaan; uw drie ogen zijn de goedheid, de hartstocht en de duisternis; uw enkele overschouwen bracht de analytische geschriften van de ziel teweeg, o Heer vol van verzen, o god van de vedische literatuur en haar supplementen. (31) Geen van de bestuurders van de wereld, o Heerser op de Berg, Brahmâ niet, Vishnu niet, noch de koning der Sura's [Indra], kunnen uw allerhoogste gloed peilen, de onpersoonlijke geest gelijk voor goden en mensen, waarin de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid niet worden aangetroffen. (32) In deze wereld die, uit u voortgekomen, door u wordt vernietigd met de vonken van het vuur van uw ogen ten tijde van haar ondergang, hebt u Tripura in de as gelegd [7.10: 53], alsook de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende voor de levende wezens; maar deze zaken dienen, omdat u deze wereld uit uw geest houdt, niet de verheerlijking van u. (33) Mensen die met de in zichzelf tevreden geestelijk leraren in hun harten aan uw twee lotusvoeten denken als zich bewegende met Umâ uw gezellin, kritiseren, in een later stadium van hun boete, uw handelingen en beschouwen u in het crematorium niet altijd als zijnde een aardig iemand; zij inderdaad die zich dermate schaamteloos opstellen hebben geen begrip voor wat u doet. (34) Om de reden van dat transcendentaal verheven zijn boven wat zich wel en niet rondbeweegt, bent u moeilijk te begrijpen; als het zelfs niet mogelijk is voor Brahmâ en zij die hem toebehoren om uw werkelijkheid zoals-die-is te doorgronden, o grootheid, hoe zou het ons dan lukken? Niettemin doen we, ookal zijn we maar creaties van de schepping [die van Brahmâ is], naar ons beste vermogen onze gebeden voor u. (35) Met al het transcendentale kunnen we de eigenlijke bovenzinnelijke positie van u, die er inderdaad bent voor het geluk van de manifeste wereld, niet waarnemen, o grote beheerser ongekend in uw handelingen.'
(36) S'rî S'uka zei: 'Met voor ogen hun benarde positie sprak hij, Mahâdeva, de vriend van alle levende wezens, vanuit zijn mededogen met het grote verdriet tot zijn gezellin Satî. (37) Heer S'iva zei: 'Liefste Bhavânî, hoe deerniswekkend deze toestand van al de levende wezens, kijk nu eens welk een bedreiging de huidige situatie vormt met al het vergif dat geproduceerd wordt met het karnen van de oceaan. (38) Mij verantwoordelijk voelend voor al hun levens moet ik inderdaad iets ondernemen voor hun veiligheid; mij beschouwend als hun meester is het mijn plicht hen die lijden bescherming te bieden. (39) Toegewijden beschermen met hun leven andere levende wezens die tijdgebonden, begoocheld door de uitwendige energie, elkaar vijandig gezind zijn. (40) Met het verrichten van goede daden voor anderen o zachtgeaarde, is de Ziel van Allen, de Heer, behaagd en omdat de Hoogste Persoonlijkheid van de Heer is behaagd zijn ook ik en alle andere zich wel en niet rondbewegende wezens gelukkig; laat me daarom dit gif opdrinken zodat er van mij het welzijn van alle schepselen zal zijn.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Heer S'iva de begunstiger van het universum, zich op deze manier tot Bhavânî richtend, begon toen met de instemming van zij die met het beste van hem op de hoogte was, het gif op te drinken. (42) Mahâdeva nam daartoe het wijdverspreide Hâlahala-gif in zijn hand en dronk het genadevol op voor het heil van alle levende wezens. (43) Voor hem toonde het gif van het water zijn werking door zijn hals een blauwe streep te geven, de streep die er in de ogen van de heilige is als een sieraad. (44) De heiligen nemen zo goed als altijd vrijwillig het lijden op zich van de gewone man; dat optreden van hun vormt de hoogste vorm van aanbidding van de oorspronkelijke persoon, het volledige van de ziel [zie ook 1.5: 17-19, B.G. 18: 68-69 en 4: 7-8]. (45) Vernemend van die daad van S'iva, de god der goden, de genadige, werd hij hoog geprezen door al de mensen, door de dochter van Daksha [Satî zie ook 4.3 & 4], en door Brahmâ en de Heer van Vaikuntha. (46) En voor het kleine beetje dat hier en daar verspreid achterbleef toen hij uit zijn palm dronk, droegen toen enkele andere bekende levende wezens zorg, zoals daar zijn de schorpioenen, de cobra's en andere giftige dieren en planten.
*: De zesendertig mantra's genaamd mukhâni pañcopanishadas taves'a zijn: (1) tat purushâya vidmahe s'ântyai, (2) mahâ-devâya dhîmahi vidyâyai, (3) tan no rudrah pratishthhâyai, (4) pracodayât dhrityai, (5) aghorebhyas tamâ, (6) atha ghorebhyo mohâ, (7) aghorebhyo rakshâ, (8) aghoratarebhyo nidrâ, (9) sarvebhyah sarva-vyâdhyai, (10) sarva-sarvebhyo mrityave, (11) namas te 'stu kshudhâ, (12) rudra-rûpebhyas trishnâ, (13) vamadevâya rajâ, (14) jyeshthhâya svâhâ, (15) s'reshthhâya ratyai, (16) rudrâya kalyânyai, (17) kâlâya kâmâ, (18) kala-vikaranâya sandhinyai, (19) bala-vikaranâya kriyâ, (20) balâya vriddhyai, (21) balacchâyâ, (22) pramathanâya dhâtryai, (23) sarva-bhûta-damanâya bhrâmanyai, (24) manah-s'oshinyai, (25) unmanâya jvarâ, (26) sadyojâtam prapadyâmi siddhyai, (27) sadyojâtâya vai namah riddhyai, (28) bhave dityai, (29) abhave lakshmyai, (30) nâtibhave medhâ, (31) bhajasva mâm kântyai, (32) bhava svadhâ, (33) udbhavâya prabhâ, (34) îs'ânah sarva-vidyânâm s'as'inyai, (35) îs'varah sarva-bhûtânâm abhaya-dâ, (36) brahmâdhipatir brahmanodhipatir brahman brahmeshtha-dâ, (37) s'ivo me astu marîcyai, (38) sadâs'ivah jvâlinyai.
Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en Dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee]. (2) De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen zorg voor haar, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God.
(3) Daaropvolgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer afzag van de claim [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].
(4) Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (5) Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.
(6) Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert Zijn borst met hen. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, de wensen in de wereld vervult.
(7) Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die verfijnd gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart.
(8) Daarna manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die exclusief de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (9) Iedere Sura en Asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen. (10) De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en al de zegenrijke, wonderbaarlijke en heilige wateren namen met het vullen van gouden vaten toen een gedaante aan met hun zuivere water. (11) Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen. (12) De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen, terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en mantra's te zingen. (13) De wolken lieten de dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vîna's was het een tumult van jewelste. (14) Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water uit over de [godheid van de] kuise godin zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî]. (15) De oceaan bood gele zijde zodat ze zich van top tot teen kon kleden en Varuna bracht de grootste bloemenslinger vergezeld van dronken bijen uit op de zoetheid. (16) Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen. (17) Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, een natuurlijke schoonheid uitstralend, met de slinger van lotusbloemen vastgehouden in haar hand en de bijen erbij, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht. (18) Met haar twee borsten en haar slanke middel in symmetrie en harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, vertoonde ze zich, van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank. (19) In haar positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, er niet één vinden die vrij van gebreken was:
(20) 'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder controle staand van iets anders, nu iemand zijn die zichzelf in de hand heeft? (21) Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gesloten met andere levende wezens, boetvaardig kan men de oorzaak van de bevrijding over het hoofd zien en met welke macht ook die men onder de mensen kan hebben is men nog niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal men [buiten de Heer] een tweede treffen die zo los staat van het besmet zijn door de geaardheden der natuur [zie ook 1.2: 8]. (22) Iemand kan lang leven maar hoeft er nog niet gelukkig mee te zijn of zich er correct mee weten te gedragen, iemand kan een levenskunstenaar zijn maar niet weten hoe hij oud moet worden; als iemand het allebei onder de knie heeft is zo een persoon in een ander opzicht ongelukkig en van iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied is nog niet gezegd dat hij mij [de toewijding] voor ogen heeft!'
(23) Op deze manier van de nodige overweging zijnde aanvaardde de Godin van de Pracht Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot naar haar zin - ookal had Hij er zelf nooit naar uitgekeken -, omdat Hij, onafhankelijk van anderen, behept was met de buitengewone, alleszins goede, bovenzinnelijke kwaliteiten. (24) Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (25) Hij, de vader der drie werelden, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, het opperste van de weelde; daar geïnstalleerd doet ze middels de genadige blik waarmee ze de drievoudige schepping overziet het fortuin toenemen van Zijn dienaren en leiders. (26) Met het geluid van de schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse tumult van muziekinstrumenten zodat al de goden van de hemel en hun vrouwen begonnen te dansen en te zingen. (27) Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen, met alles wat ze zagen, de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer middels gezang en het uitstrooien van bloemen. (28) Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.
(29) Toen de Daitya's en Dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze gedeprimeerd in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte. (30) Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, als een jong lotusogig meisje en de Asura's aanvaarden haar toen op de manier zoals de Heer het voor hen had beschikt.
(31) Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nectar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon. (32) Hij was lang, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd. (33) In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw naar voren met een tot de rand toe gevuld vat vol nectar. (34) Hij was een volkomen deel van een volkomen aspect van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen. (35) De Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg. (36) Toen die pot met de nectar erin door de Asura's werd weggedragen, waren al de godbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer. (37) Getuige van hun droefheid over die aangelegenheid zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal Ik er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er is voor een ieder van jullie.' (38) O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nectar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even! (39-40) Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de Daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend. (41-46) Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Een lust voor het oog zijnde, was ze zo donker als een pas geopende lotus, was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdruking op haar gezicht. Van de hommels om haar heen keek ze wat zorgelijk uit haar ogen. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen.
De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de Nectar uit te Delen
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zij, de Asura's, elkaar de nectar voor de neus wegkaapten en het elkaar toewerpend zodoende, zich gedragend als dieven, zeer vijandig werden, zagen ze [de Heer in de gedaante van] een zeer mooie vrouw [genaamd Mohinî-mûrti] op zich afkomen. (2) 'Wat een lijf, welk een luister en wat een jeugdige schoonheid heeft Ze!' zeiden ze, in hun harten erop belust met haar te slapen terwijl ze zich haastten haar aandacht te trekken. (3) 'Wie ben jij met je prachtige lotusblaadjes van ogen en vanwaar en waarom kwam je naar hier; en, o prachtige dijen die onze geesten op hol brengen, bij wie hoor je, zeg het ons alsjeblieft! (4) Noch wij, noch enige goddelijke persoon, demon, volmaakte ziel, schepsel van de hemel of eerbiedwaardige heeft jou ooit in handen gekregen en je gekend, om nog maar te zwijgen van dit of dat plaatselijke baasje in de menselijke samenleving. (5) De voorzienigheid zij geprezen, o schone wenkbrauwen, dat ze ons jou gestuurd heeft; is jouw genade er niet om dat aan te dragen wat de zinnen en geesten behaagt van allen die van vlees en bloed zijn? (6) O verpletterende schoonheid, zou jij dan misschien het geluk zijn voor ons waarmee we onze groeiende meningsverschillen uit de wereld kunnen helpen wat betreft deze zaak [van de nectar], waarin we als familieleden almaar vijandiger tegenover elkaar komen te staan, o slanke schone? (7) Draag er alsjeblieft zorg voor dat we met ons allen, als capabele en geschikte broeders en nazaten van Kas'yapa, kunnen rekenen op een rechtvaardige en onpartijdige verdeling [van de nectar].'
(8) Als een zelfbewuste vrouw hen gadeslaand met een bekoorlijke glimlach, sprak toen de illusie van de vrouwelijke schoonheid die de incarnatie van de Heer was, tot de erop aandringende Daitya's. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Hoe kunnen jullie, nazaten van Kas'yapa, er nu met z'n allen geloof aan hechten omgang te hebben met een blikvanger als Ik; dat op vrouwen gericht zijn is iets wat je bij de wijzen nooit zult aantreffen. (10) Zij zijn het er allen over eens dat apen en honden, o vijanden van de Sura's, en met name onafhankelijke vrouwen, er slechts kortstondige relaties op nahouden, ze zien steeds weer uit naar een nieuwe partner.'
(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus zich met hen vermakend wekte Ze, al de Asura's aan het lachen brengend, vertrouwen, ondanks het feit dat Ze Zich zo serieus opstelde. En zo overhandigden ze Haar toen het vat vol nectar. (12) Vervolgens de pot met amrit in bezit nemend sprak de Heer met een gemaakte glimlach bij al Zijn schoonheid en woorden: 'Als jullie Me beloven te accepteren wat Ik ook moge doen, eerlijk of niet, dan zal Ik een ieder van jullie zijn deel van de nectar geven'. (13) Haar aangehoord hebbend stemden zij, de aanvoerders van de Asura's met hun hoofd vol van haar, in met de woorden die ze sprak en zeiden ze: 'Zo moet het dan maar!' (14-15) Ze begonnen toen te vasten, baadden zich, deden uitgietingen van ghee in het vuur, waren van liefdadigheid jegens de koeien, de brahmanen en wie ook meer, volbrachten plechtigheden naar brahmaans voorschrift, dosten zich uit naar hun smaak met het nieuwste en het fijnste en zaten in vol ornaat allen neer op kus'a zitplaatsen die ieder op het oosten gericht waren. (16-17) Met al de Sura's en Daitya's, die met hun gezichten aldus naar het oosten gewend neerzaten, allen uitgedost met bloemenslingers en lampen in een perk dat volhing met wierook, kwam toen daar, o heerser der mensen, het vat omhooghoudend, zij binnen, met haar jeugdige, rusteloze ogen, het geluid van haar tinkelende enkelbelletjes en haar goedgevulde borsten, langzaam voortschrijdend met een prachtige sari om haar volle heupen en haar dijen die leken op olifantenslurven. (18) Haar aanschouwend, de Opperheer die met gouden oorbellen, bekoorlijke oren, neus, wangen en gezicht zich voordeed als de vriendin van de Godin, waren ze allen erdoor betoverd hoe Ze hen glimlachend aankeek terwijl Haar sari lichtjes wuifde over haar borsten. (19) Maar het als een misrekening beschouwend van het geven van melk aan slangen om de nectar uit te reiken aan het stel kwaadaardige demonen, deelde de Onfeilbare er geen druppel van uit. (20) De beide partijen in twee rijen rangschikkend liet de Meester van het Universum hen ieder aan zijn hun kant ordentelijk plaatsnemen. (21) De Heer met de nectar die de Daitya's met mooie woorden aan het lijntje hield deed hen die aan de andere kant zaten van de nectar drinken die ze zou vrijwaren van ouderdom, dood en gebrekkigheid. (22) De Asura's, naar wat ze beloofd hadden, beheersten zich, o Koning, en hielden zich koest met het idee dat het verfoeilijk is om tegen een vrouw te vechten. (23) Bang dat ze de band van vriendschap met haar zouden breken voelden ze zich, bewogen door eer en het grootste respect, allen verplicht aan haar en zeiden ze niet het geringste dat haar zou kunnen mishagen. (24) Hij die de hemellichten verduistert [Râhu] doste zich uit als een van de goddelijken en ging tussen de godbewusten zitten om van de nectar te drinken maar, bij zon en maan, werd hij snel ontdekt. (25) Op het moment dat hij zich aan de nectar laafde werd Râhu's hoofd er door de Heer met Zijn messcherpe cakra afgesneden, maar het onthoofde lichaam dat de nectar niet had bereikt, viel ter plekke dood neer. (26) Het hoofd dat aldus de onsterfelijkheid had bereikt werd door Heer Brahmâ herkend als een planeet en het is diezelfde Râhu die tijdens verduisteringen [of met maanfasen] de zon en maan vijandig verdringt [zie ook 5.24: 1-3, 6.6: 37 en 6.18: 12-14]. (27) Toen de goddelijken bijna met het drinken van de nectar klaar waren onthulde de Allerhoogste Heer Hari, Hij die alle werelden het beste toewenst, in de aanwezigheid van de Asura's en hun leiders, Zijn oorspronkelijke gedaante. (28) Hoewel de Sura's en Asura's al met al één waren wat betreft de plaats, de tijd, het doel, de oorzaak, de handelingen en de ambities, waren ze niet gelijk in het resultaat dat ze behaalden; de godvrezenden bereikten met gemak de nectar ermee omdat de zegening van het saffraan van de lotusvoeten de hunne was, maar dat gold niet voor de Daitya's [vergelijk B.G. 4: 11]. (29) Wat men ook doet terwille van zijn eigen leven en welzijn, al die menselijke activiteiten, ideeën en woorden in relatie tot het eigen lichaam en de eigen familie, zijn allen van voorbijgaande aard [asat, 'onwaar'], bestaan allen uit gescheidenheid, maar het zelfde wordt waarlijk iets feitelijks en permanents als het niet in gescheidenheid wordt gedaan - het ontwikkelt zich dan tot dat wat het water geven aan de wortels wordt genoemd dat iedereen ten goede komt [zie 8.5: 49].'
De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen
(1) S'rî S'uka zei: 'De Dânava's en Daitya's slaagden aldus met hun gezamenlijke inspanning om te karnen er niet in de nectar te bemachtigen, o Heerser, daar ze er een ander idee van bevrijding op nahielden in relatie tot Vâsudeva. (2) Nadat de amrit, o Koning, was voortgebracht en had gediend als drank voor de Sura's die Hem toebehoorden, liet de Heer van alle levende wezens die gedragen wordt door Garuda, hen alleen. (3) Toen ze zagen hoe hun rivalen van het beste van het leven genoten, was dit voor al de zoons van Diti onverdraaglijk, en dus hieven ze in slagorde hun wapens tegen de goddelijken. (4) De goddelijken, die nieuwe kracht hadden gevonden in het drinken van de nectar, hieven daarop op hun beurt, vanuit de veilige haven van Nârâyana's voeten, hun wapens om zich te verdedigen. (5) Daar, aan de oever van de oceaan van melk, werd toen door de goden en demonen naar hun eer een hoogst verbeten strijd gevoerd o Koning, met een geweld dat je de haren te berge deed rijzen. (6) In die veldslag kwaad van geest werden ze als strijders tot hun uiterste vermogen op de proef gesteld toen ze elkaar te lijf gingen met hun zwaarden, pijlen en allerlei ander wapentuig. (7) Door de massa schelphoorns, trompetten, trommels, hoorns en pauken; van de olifanten, de paarden, de soldaten te voet en de strijdwagenvechters bij elkaar was er een geweldig kabaal. (8) Op het slagveld als strijdwagenvechter tegen strijdwagenvechter, infanterie tegen infanterie, cavalerie tegen cavalerie en strijdolifant tegen strijdolifant, bevochten de vijanden elkaar op basis van gelijkheid. (9) Sommigen bereden olifanten, sommigen vochten vanaf de ruggen van kamelen en enkele anderen bonden als tegenstanders de strijd aan met wit- en roodkoppige apen, tijgers en leeuwen. (10-12) De beide partijen strijders traden elkaar tegemoet in vreemde vormen afhankelijk van lichamen van de water-, land- en zeedieren die ze gebruikten als hun voertuigen: gieren, adelaars, eenden, havikken, bhâsa vogels; roofwalvissen, apen, buffels, neushoorns, koeien, stieren, wild vee en rood vee, jakhalzen en ratten; sommigen beriepen zich op de vormen van konijnen, een menselijk voorkomen, geiten en enkele anderen wierpen zich in de strijd met zwarte herten, zwanen en ook beren. (13-15) Met mooi versierde vlaggen en baldakijnen, o Koning, met smetteloos witte parasols die kostbare handgrepen hadden vol met juwelen en parels, met gewone waaiers en waaiers van pauwenveren, met hun boven- en onderkleding flapperend in de wind, met de gloed van hun sierselen en schilden en hun blinkende, scherpe en schone wapens uitbundig glinsterend in de zon, zagen de twee banieren voerende partijen van de goddelijke en de dânava helden er met al hun bloemenslingers, o afstammeling van Pându, alles bij elkaar uit als twee oceanen vol waterdieren. (16-18) Bali, de zoon van Virocana, voor de strijd het verklaarde opperhoofd der demonen, bestuurde het voertuig vervaardigd door Maya genaamd Vaihâyasa ['door de lucht vliegend'] dat zich daarheen bewoog waar hij maar wilde. Volledig toegerust met al de noodzakelijke wapens was het onuitsprekelijk, onbeschrijflijk, hoogst wonderbaarlijk, soms zichtbaar voor het oog en dan weer onzichtbaar. Beschut door fraai versierde parasols en wuifkwasten bevond hij, gezeten op zo een eerste klas hemelwagen en omringd door al zijn commandanten, zich in een positie zo schitterend als een rijzende maan. (19-24) Rondom hem heen waren er de verschillende voertuigen van de Asura bevelhebbers van de troepen: Namuci, Sambara, Bâna, Vipracitti; Ayomukha, Dvimûrdhâ, Kâlanâbha en Praheti; Heti, Ilvala, S'akuni, Bhûtasantâpa, Vajradamshthra, en Virocana; Hayagrîva, S'ankus'irâ, Kapila, Meghadundubhi, Târaka, Cakradrik, S'umbha, Nis'umbha, Jambha en Utkala; Arishtha, Arishthanemi, Maya en Tripurâdhipa en de andere zoons van Puloma en de Kâleya's, van Nivâtakavaca en alle anderen die er niet in geslaagd waren een deel van de nectar te bemachtigen. Met enkel de last op hun schouders [en niet de beloning van de nectar], vormden ze allen bij elkaar, zich in de strijd werpend met alles wat ze in huis hadden, nu een groot probleem met hun leeuwengebrul en hun om het hardst blazen op hun schelphoorns. Toen Balabhit ['de vreze der kracht', Heer Indra] zijn bloeddorstige rivalen zo aanschouwde raakte hij hoogst vertoornd.
(25) Op Airâvata zijn draagolifant gezeten was Indra zo prachtig om te zien als de zon die opgaat boven de Udayagiri watervallen. (26) Rondom hem heen hadden al de goden met banier en wapen posities ingenomen op hun draagdieren: al de leiders van de hogere werelden en de halfgoden van de lucht, van het vuur en van het water. (27) Op elkaar afgekomen beschimpten de tegenstanders elkaar van aangezicht tot aangezicht de ander zoveel mogelijk in het hart rakend als ze konden en vochten ze, oprukkend, twee aan twee hun veldslag. (28) Bali bevocht Indra, Târak bestreed Kârttikeya, Varuna bond met Heti de strijd aan, en Mitra, o Koning, streed met Praheti. (29) Yamarâja deed dat met Kâlanâbha, Vis'vakarmâ waagde het met Maya, Tvashthâ ging op Sambara af, en Savitrâ bond met Virocana de strijd aan. (30-31) Aparâjita bestreed Namuci, de twee As'vinî-kumâra's wierpen zich in de strijd tegen Vrishaparvâ, de halfgod Surya vocht tegen de honderd zoons van Bali die onder leiding stonden van Bâna, Soma [de maan-god] streed met Râhu, Anila [god van de lucht] leverde strijd met Puloma en de oppermachtige godin Bhadra Kâlî [Durgâ] nam het op tegen S'umbha en Nis'umbha. (32-34) Vrishâkapi [S'iva] vocht tegen Jambha en Vibhâvasu, de vuurgod, bestreed Mahishâsura en Ilvala met zijn broer Vâtâpi leverden strijd met Brahmâ, o onderdrukker van de vijand. Durmarsha trad aan tegen Kâmadeva [Cupido], Utkala tegen de Mâtrikâ godinnen, Brihaspati ging de strijd aan met S'ukrâcârya en S'ani [Saturnus] bevocht Narakâsura. De Maruts vochten met Nivâtakavaca, de Vasu's namen het op tegen Kâlakeya's, de Vis'vedeva's probeerden het met de Pauloma's en de Rudra's traden aan tegen de Krodhavas'a's.
(35) Al de bewindvoerende Sura's en Asura's op deze manier door elkaar heen paarsgewijze verwikkeld in de strijd op het slagveld en aanvallend met grote kracht, hakten, verlangend naar de overwinning, in volle ernst op elkaar in met hun scherpe pijlen, steekwapens en lansen. (36) Met vuurwapens, werpschijven, knotsen, speren, spiesen, toortsen, gekartelde projectielen, mystieke bezweringen, zwaarden, lansen, ijzeren knuppels, hamers en slingers sloegen ze elkaar hun hoofden af. (37) De olifanten, paarden en wagens, soldaten te voet en de hele keur aan ruiters met hun draagdieren werden aan stukken gehakt. Armen, dijen, nekken en benen werden van hun romp gescheiden, en de vaandels, bogen, bewapening en ornamenten werden aan gruzelementen geslagen. (38) Door hun gewelddadige stampij en het geratel rees het stof van het veld in alle richtingen hoog in de lucht op tot aan de zon en regenden de stofdeeltjes naar beneden zwaar van het bloed dat rondspatte. (39) En zo raakte het veld aldaar bezaaid met afgehakte hoofden compleet met helmen en oorhangers, kwaaie ogen en verbeten lippen en lagen de benen en opgesierde armen er als olifantenslurven verspreid met de wapens nog in de handen. (40) Met de ogen van hun eigen hoofden konden de daar gevallen soldaten nog de rompen en armen met geheven wapens op het slagveld op zich af zien komen.
(41) Bali viel de grote Indra aan met tien pijlen, Airâvata, zijn draagdier met drie pijlen, zijn vier bewakers [soldaten te paard] met vier pijlen en de drijver van de olifant met één. (42) Indra bedreven, sneed onverwijld in een snelle reactie de pijlen die op hem afvlogen aan stukken met een ander type zeer scherpe pijlen en lachte dat de vijand hem niet kon bereiken. (43) Toen hij zag wat voor een expert in de krijgskunst Indra was, nam hij vertoornd het s'akti-wapen ter hand maar met de toorts van laaiend vuur nog in zijn hand werd die door hem vernietigd. (44) Toen vervolgens de lans, het gekartelde projectiel en de speer, het zwaard en wat al niet werd geprobeerd, werden ze allen door de machtige in mootjes gehakt. (45) O meester der mensen, nu werd er een demonische illusie ontketend waarbij de Asura niet langer kon worden gezien en een enorme berg oprees die overal boven de hoofden van de sura strijders uittorende. (46) Grote slangen, schorpioenen en andere giftige creaturen kwamen naar beneden alsook leeuwen, tijgers, beren en grote olifanten om te verpletteren. (47) Er kwamen grote bomen naar beneden in een laaiende bosbrand en stenen met scherpe punten die het vijandige leger moesten vernietigen. (48) Honderden en honderden spiernaakte vleesetende duivelinnen, o heerser, ieder met een drietand in de hand, krijsten 'Steek ze neer, snijd ze aan stukken' en dergelijke. (49) Vervolgens waren er diep rommelende grote wolken te zien in de hemel waaruit gloeiende sintels vielen, begeleid door gewelddadige rukwinden en donderslagen. (50) De Daitya schiep een gigantisch schrikwekkende vuurstorm gelijk Sâmvartaka [het vuur aan het einde der tijden] die door de wind werd meegevoerd om de krijgers der wijsheid te verbranden. (51) Daarop, voor iedereen goed te zien, vertoonde zich een zee vol kolkend water met golven die door de wind werden opgestuwd tot een gigantische draaikolk. (52) Alzo raakten de sura strijders met de vertoning van de illusoire atmosfeer zoals die door de onzichtbare Daitya's werd gepresenteerd, die experts der begoocheling, in de strijd ontmoedigd. (53) Met lege handen staand niet meer wetend hoe ze die tegenkracht moesten beantwoorden, o Koning, mediteerden de volgelingen van Indra voor de komst van de Allerhoogste Heer, de Schepper van het Universum.
(54) Hij met de gele kleding en de lotusblaadjes-ogen, wiens voeten rusten op de schouders van Garuda, werd toen voor hen zichtbaar met Zijn acht armen en wapens, de Godin van het Geluk en Zijn onschatbare Kaustubha-juweel, Zijn helm en Zijn oorhangers, allemaal prachtig tentoongespreid. (55) Met Zijn komst werden, door de superieure macht van de Grootste der Groten, terstond de illusoire manifestaties van de valse werken van de Asura overwonnen, inderdaad zoals dat gebeurt met dromen als men ontwaakt; alle gevaren zijn verdreven als de herinnering aan de Heer is weergekeerd. (56) Toen de demon Kâlanemi tewerk met de vijand der olifanten [de leeuw] Hem die door Garuda wordt gedragen op het slagveld zag, wierp hij een rondtollende drietand op Hem af, maar toen die op Garuda's hoofd afkwam werd die met gemak onderschept, waarna de vijand tezamen met zijn strijdbeest met datzelfde wapen door de Heer der drie Werelden werd gedood. (57) De zeer machtige Mâlî en Sumâlî vielen in de slag toen hun hoofden van hun rompen werden gescheiden door Zijn cakra, waarna de vijand Mâlyavân hetzelfde lot van een door de werpschijf van de Oorspronkelijke Persoon afgesneden hoofd wachtte toen hij met een puntige knots en brullend als een leeuw de Koning der Vogels [Garuda] probeerde aan te vallen.
De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen daarop door de genade van de Allerhoogste Persoonlijkheid al de Sura's zich weer hersteld hadden, hervatte Indra, Vâyu en de anderen de strijd tegen de troepen die hen voorheen hadden teruggedrongen in het gevecht. (2) Op het moment dat de zo machtige Indra, woedend op de zoon van Virocana [Bali], zijn bliksemschicht opnam, begonnen ze [de Asura's] allen uit te roepen 'Helaas, helaas!' (3) Hij die nuchter en goed uitgerust zich over het slagveld bewoog zag zich tegenover hem met de bliksemschicht geplaatst en kreeg naar zijn hoofd: (4) 'Jij bedrieger, jij dwaas, met je magie probeer je met illusies de zaak in je greep te krijgen en te winnen, over ons zegevierend alsof we kinderen zijn die men misleidend een rad voor ogen draaiend de bezittingen kan wegkapen! (5) Zij die het verlangen het hogere van de hemel te bereiken met illusoire middelen en op die manier denken de bevrijding te kunnen vinden, dat stelletje laag bij de grondse ezels, haal ik naar beneden en ontzeg ik de posities die ze ingenomen hebben. (6) Ik ben degene die vandaag een einde zal maken aan jou en je tovenarij door je je hoofd af te slaan met mijn honderd-tandige bliksemschicht; jij armzalige ziel met de maten...probeer het maar eens op dit slagveld uit te houden!'
(7) Bali kaatste terug: 'Allen hier op dit veld aanwezig zijn onderworpen aan de heerschappij van de tijd en vinden allen ieder op hun beurt, net zoals iedereen dat doet in zijn werk, een goede roep, overwinning, nederlaag en de dood. (8) Omdat de hele wereld, vooruitstrevend, door de tijd wordt bewogen, verheugt of weeklaagt de Asura niet die hiervan doordrongen is; in die zin hebben jullie allen er dus maar weinig kaas van gegeten! [vergelijk B.G. 2.: 11] (9) Wij die van respect zijn voor het zelf ongeacht wat er gebeurd, kunnen die smartelijke praatjes van u die bij de heiligen voor zielig wordt versleten, niet accepteren'.
(10) S'rî S'uka zei: 'Als een dappere held aldus de machtige terechtwijzend met stalen pijlen van minachting, viel Bali, de onderwerper der grootsten, hem wederom aan met zijn boog die hij in de aanval tot aan zijn oor aanspande. (11) Als een olifant gekastijd door de roede beklaagde de god, die aldus werd verslagen door zijn welbespraakte vijand, niet over de les die hem werd geleerd. (12) De meester der vernietiging zette de schicht tegen hem in zodat hij [Bali] getroffen toen gekortwiekt met zijn hemelwagen als een berg ter aarde stortte. (13) Toen hij zag dat zijn maat was gevallen trad zijn meest intieme vriend en begunstiger Jambha naar voren om solidair met zijn gevallen strijdmakker hem een dienst te bewijzen.(14) Hij supermachtig, de leeuw berijdend, stelde zich op met zijn strijdknots en sloeg Indra met inbegrip van zijn olifant met grote kracht op de schouder. (15) Getroffen door de enorme klap zakte de olifant zwaar gewond door zijn knieën op de grond en verloor hij omvallend het bewustzijn. (16) Daarop, toen zijn wagenmenner Mâtali hem [Indra] zijn strijdwagen getrokken door een duizendtal paarden bracht, liet hij zijn olifant achter zich en besteeg hij de wagen. (17) Met waardering voor die dienst van de wagenmenner, moest de beste der Dânava's glimlachen waarop hij hem in het gevecht met zijn van vuur laaiende drietand een slag toebracht. (18) Zich vermannend slaagde Mâtali erin de uitzinnige pijn te verdragen, maar Indra die buiten zinnen was onthoofde Jambha met zijn bliksemschicht. (19) Toen Jambhâsura's verwanten van Nârada rishi hoorden dat hij was gedood, haastten Namuci, Bala en Pâka zich derwaarts zo snel ze maar konden. (20) Met de wreedste woorden Indra uitscheldend om hem in het hart te raken, bestookten ze hem met pijlen die neerkwamen als een hoosbui boven een berg. (21) De duizend paarden van de koning der hemel werden door evenzoveel pijlen belaagd die allen snel tegelijkertijd waren afgeschoten. (22) Met de nog eens tweehonderd pijlen die op Mâtali afkwamen en die door Pâka allen in één keer gericht en afgeschoten waren op de strijdwagen en alles wat erbij hoorde, kon men aldus getuige zijn van een hoogst opmerkelijk wapenfeit in de veldslag. (23) Zo ook gaf Namuci vijftien goud-gevederde almachtige pijlen ten beste die door de lucht suizend een geluid op het veld voortbrachten als van een geladen donderwolk. (24) Al de Asura's bedolven Indra en zijn wagen van alle kanten met een dichte regen van pijlen, precies zoals wolken in het regenseizoen de zon aan het oog onttrekken [zie ook 4.10: 13]. (25) Als kooplieden schipbreuk lijdend midden op zee begonnen de halfgoden en hun gevolg, niet langer in staat hem te ontwaren, beroofd van hun leider te jammeren, terneer geslagen en zwaar geïntimideerd door de vijandige superioriteit als ze waren. (26) Daarop, tot de grote vreugde van alle kanten van de hemel en de aarde, slaagde Indra, de uitnemendheid der waarheid, erin zich tezamen met zijn paarden, strijdwagen, vaandel en wagenmenner te bevrijden van onder de wolk van pijlen, met zijn eigen persoonlijke gloed stralend tevoorschijn komend als de zon aan het einde van de nacht.
(27) Toen de godheid zag hoe zijn medestrijders door de vijand in verlegenheid werden gebracht in het gevecht, nam hij briesend van woede zijn bliksemschicht ter hand om de tegenstanders te doden. (28) Met behulp van die schicht scheidde hij toen voor ogen van hun familieleden, met de bedoeling ze angst aan te jagen, o Koning, de hoofden van de rompen van Bala en Pâka. (29) Namuci die er getuige van was hoe de twee werden afgeslacht, treurde over hen en deed, o heer der mensen, furieus een serieuze poging Indra van het leven te beroven. (30) Met een stalen speer behangen met bellen en opgesierd met goud in zijn hand trad hij laaiend van woede aan tegen Indra en brulde als een leeuw: 'En nou ben je dood!' en viel toen aan. (31) Het machtige projectiel dat als een meteoor uit de hemel naar beneden kwam werd door de hoogste persoonlijkheid [Indra] aan stukken geslagen o Koning, terwijl de demon zelf, van een ziedende Indra die trachtte hem zijn hoofd af te slaan, de bliksemschicht op zijn schouders kreeg. (32) Maar de machtige schicht, het zelfde wapen dat voorheen door de koning der goden zo succesvol was ingezet met het treffen van Vritrâsura [6.12: 25], kon nog geen schrammetje toebrengen. Die weerstand van Namuci's nek was een buitengewoon wonderbaarlijk iets. (33) En aldus de bliksemschicht zonder effect weer terugkrijgend raakte Indra zeer bevreesd voor de vijand waarbij hij zich afvroeg: 'Wat krijgen we nou? Bij genade van welke supermacht kon dit, in de ogen van een ieder zo wonderlijk iets, zich voordoen? (34) Met deze zelfde schicht heb ik voorheen de vleugels afgesneden van zo vele bergen die, hoog vliegend, veel te zwaar wegend en een plaag vormend voor de gewone man, ten val kwamen. (35) Vritrâsura zo machtig door de boetedoeningen van Tvashthâ [zie 6.9: 11] vond er de dood door, net als vele andere machtige karakters ongevoelig voor andere wapens. (36) En nu is die schicht, hoewel zo krachtig als een brahmâstra, ingezet tegen op een minder beduidende demon afgeweerd; zo nutteloos als een stok kan ik hem niet langer hanteren.'
(37) Tot Indra die zich op deze manier beklaagde sprak toen een stem uit de heldere hemel: 'Met deze Dânava is het zo geregeld dat hij niet kan worden vernietigd door iets wat nat of droog is. (38) Hij zou niet sterven door iets nats of droogs vanwege een zegen die Ik hem verleende en derhalve, o Indra, zal je andere middelen om je vijand te lijf te gaan moeten overwegen.'
(39) Nadat hij die indrukwekkende stem had gehoord mediteerde Heer Indra er diep in gedachten over en kwam hij daarop tot het inzicht dat het iets van schuim moest zijn wat noch droog noch nat was. (40) Aldus propte hij in Namuci's keel een wapen dat nat noch droog was, waarop al de wijzen verheugd de almachtige overlaadden met bloemenslingers. (41) De twee belangrijkste zangers van de hemel Vis'vâvasu en Parâvasu hieven hymnen aan, de pauken werden geslagen door de goddelijken en de dansers van de hemel dansten in de hoogste verrukking. (42) Vâyu, Agni, Varuna en anderen echter begonnen volijverig, als waren ze leeuwen op de hertenjacht, de andere ruziezoekende Asura's ter dood te brengen. (43) Devarishi Nârada Muni werd door Heer Brahmâ op de halfgoden afgestuurd om hen die aan de macht waren, o Koning, de totale uitroeiing van de Dânava's die hij plaats zag grijpen te verbieden. (44) S'rî Nârada zei: 'Beschermd door de armen en het geluk [de godin] van Nârâyana verwierven jullie allen de nectar; aangezien jullie er alzo allemaal wel bij varen moeten jullie nu stoppen met dit vechten!'
(45) S'uka zei: 'De ergernis van hun woede bedwingend accepteerden ze wat de wijze hen zei en keerden ze allen, onder lofprijzingen van hun volgelingen, terug naar hun hemelse verblijven. (46) Zij die waren overgebleven na het gevecht pakten Bali en een ieder die was gevallen op en gingen, met Nârada's toestemming, naar de berg die Asta heette. (47) Aldaar werden de neergesabelden en verminkten die hun hoofd nog hadden door S'ukrâcârya [4.1: 45, 6.7: 18, 7.5: 1, 7.10: 33] weer tot leven gewekt middels zijn kennis van het Samjîvanî ['opwekkings'] gebed. (48) Bali, eveneens terug gebracht met de aanraking van Us'anâ, besefte wat zich had voorgedaan en hoewel hij was verslagen beklaagde hij, als de slimste met de wereldse zaken, zich niet.
Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
(1-2) De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] eropuit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen. (3) De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.
(4) S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser. (5) U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen. (6) Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna. (7) U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15]. (8) U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar Brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5]. (9) U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali b.v.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel. (10) Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ookal namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45]. (11) U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt. (12) Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoonspreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam. (13) We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.'
(14) S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Girîs'a ['hij van de berg'] een antwoord. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen. (16) Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.'
(17) S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen. (18) Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal. (19) Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (20) Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel. (21) Terwijl Haar haar losgleed probeerde ze haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (22) De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8]. (23) Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg. (24) Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had. (25) Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan. (26) De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven. (27) Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant. (28) Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen. (29-30) Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der Halfgoden en holde snel weg met de zware heupen die zozeer het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden. (31) Als had hij de duivel op zijn hielen zette Rudra de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden. (32) Van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, werd, Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, het zaad geloosd. (33) Overal waar zijn zaad op de aarde viel werden die plaatsen mijnen voor goud en zilver, o grote heerser. (34) Nabij de oevers der rivieren en meren, bij de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was S'iva aanwezig. (35) Met zijn zaad geloosd zag hij in dat hij zelf voor de gek gehouden was door het begoochelend vermogen van God, o beste der koningen, en aldus weerhield hij zich van nog meer van de illusie. (36) Zo overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij dat wat zich had voorgedaan niet als iets verrassends. (37) Toen Hij zag dat hij zo onverstoord en zonder schaamte was nam Madhusûdana zeer tevreden erover Zijn Oorspronkelijke gedaante aan en sprak Hij.
(38) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens u alle geluk o beste der halfgoden, ondanks het door jou, met Mij verschijnend als een vrouw, zo rijkelijk bekoord zijn door Mijn uitwendig vermogen, gedraag je je consequent overeenkomstig je gevestigde positie. (39) Welke persoon anders dan jij kan nu, eenmaal door de zinnen aangetrokken, Mijn mâyâ overwinnen? Voor hen die in het algemeen niet in staat zijn hun zinnen te beheersen zijn de materiële terugslagen die hen overweldigen hoogst lastig te boven te komen. (40) Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die begoochelende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als de optelsom waarvan er de godin Durgâ*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God die altijd het S'rîvatsa-teken op Zijn borst heeft, o Koning, ging hij, Hem omlopend, met Zijn permissie terug naar zijn eigen verblijfplaats. (42) O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de wijzen wordt aanvaard als zijnde een werking van de begoochelende energie van de Heer: (43) 'Oh, heb je gezien hoe ikzelf zonder het in de gaten te hebben, ondanks de beste te zijn van al Zijn machten, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren Allerhoogste Persoon der Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volledig afhankelijk zijn van de materiële illusie? (44) Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij mij om hoogte te krijgen van Hem die er inderdaad nu rechtstreeks is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'
(45) S'rî S'uka besloot: 'Aldus zette ik voor u uiteen, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn Boog] die de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan. (46) Hij die er de tijd voor neemt dit te reciteren of naar dit verhaal te luisteren, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan. (47) Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten bekend bij de toegewijden van overgave, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die voortkwam uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].
*: Svâmî Prabhupâda citeert:
'srishthi-sthiti-pralaya-sâdhana-s'aktir ekâ
châyeva yasya bhuvanâni bibharti durgâ' [Bs. 5.44]
De ganse kosmos is tot stand gebracht door Durgâ in samenwerking met Heer Vishnu in de gedaante van kâla, de tijd. Dit is de versie van de Veda's (Aitareya Upanishad 1.1.1-2).
Beschrijving van de Toekomstige Manu's
(1) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de kinderen van de zoon van Vivasvân die in de wereld bekend staat als S'râddhadeva - hij die op het ogenblik de zevende Manu is [we verkeren nu in de acht-en-twintigste yuga van hem die ook bekend staat als Vaivasvata Manu]. (2-3) De tien zoons van Manu staan bekend onder de namen Ikshvâku en Nabhaga inderdaad, Dhrishtha en ook S'aryâti, Narishyanta en Nâbhâga met Dishtha als de zevende; verder zijn er Tarûsha en Prishadhra en Manu's tiende die men kent als Vasumân. (4) O Koning, Purandara is er als de Indra van de Âditya's, de Vasu's, de Rudra's, de Vis'vedeva's, de Maruts, de As'vins en de Ribhu's [de halfgoden]. (5) Kas'yapa, Atri, Vasishthha, Vis'vâmitra, Gautama, Jamadagni en Bharadvâja staan bekend als de zeven wijzen voorheen vermeld. (6) Gedurende deze periode werd de verschijning van de Allerhoogste Heer Vishnu in de gedaante van Heer Vâmana als de jongste van Aditi veiliggesteld door Kas'yapa Muni. (7) In het kort heb ik de zeven wisselingen van de Manu's beschreven, nu zal ik u ook vertellen over de zeven toekomstige Manu's begiftigd met de energie van Vishnu [zie 8.1 & 5].
(8) De twee echtgenotes van Vivasvân, de dochters van Vis'vakarmâ Samjñâ en Châyâ, o Koning, beschreef ik u beiden voorheen. [zie 6.6: 40-41]. (9) Sommigen maken melding van een derde echtgenote van Vivasvân: Vadavâ. Van hen drieën kwamen er van Samjñâ drie kinderen ter wereld - een dochter Yamî en de zoons Yama en S'râddhadeva. Verneem nu over de kinderen van Châyâ. (10) Zij zijn Sâvarni [een zoon], de dochter Tapatî die later de vrouw werd van koning Samvarana en S'anais'cara [Saturnus] die de derde was. De As'vins namen geboorte als de zoons van Vadavâ. (11) Als de achtste periode is aangebroken zal Sâvarni de Manu worden. De zoons van Sâvarni, o heerser der mensen, zijn Nirmoka, Virajaska en anderen. (12) De halfgoden zullen dan de Sutapâ's, de Viraja's en de Amritaprabha's zijn en Bali, de zoon van Virocana, zal de Indra worden. (13) Het ganse universum aan Vishnu geschonken hebbend die hem om drie stappen grond vroeg, zal hij de post van Indra verwerven en daarna zal hij, in verzaking, de volmaaktheid des levens bereiken. (14) Hem, Bali, gebonden door de Allerhoogste Heer, werd de gunst van het koninkrijk van Sutala verleend alwaar, op het ogenblik een positie gelijk aan Indra bekledend, hij opnieuw moest worden hersteld in een positie meer welvarend dan in de hemel. (15-16) In de achtste manvantara zullen Gâlava, Dîptimân, Paras'urâma, As'vatthâmâ, Kripâcârya, Rishyas'ringa en onze vader Vyâsadeva, de incarnatie van de Heer [als filosoof], die op het ogenblik, o Koning, zich bezighouden in hun eigen hermitages, als gevolg van hun yogapraktijk de zeven wijzen zijn. (17) Sârvabhauma door Devaguhya verwekt in Sarasvatî, zal als de Heer en Meester met geweld Purandara [Indra] zijn koninkrijk afhandig maken en het aan Bali schenken.
(18) Daksha-sâvarni, de negende Manu, geboren als de zoon van Varuna, zal als zijn zonen Bhûtaketu, Dîptaketu en anderen hebben, o Koning. (19) De Pâra's, de Marîcigarbha's en dergelijke zullen de halfgoden zijn, de koning van de hemel zal bekend staan als Adbhuta en zij met Dyutimân voorop zullen de zeven wijzen zijn in dat tijdvak. (20) Van Âyushmân zal uit de schoot van Ambudhârâ Rishabhadeva, een gedeeltelijke incarnatie van de Allerhoogste Heer, zijn geboorte nemen en van hem zal Adbhuta al de weelde van de drie werelden genieten.
(21) De tiende Manu zal Brahma-sâvarni, de zoon van Upas'loka zijn; zijn zoons zullen Bhûrishena en anderen zijn en de tweemaal geborenen zullen onder leiding staan van Havismân. (22) Havismân, Sukrita, Satya, Jaya en Mûrti [en anderen] zullen in die tijd de [zeven] wijzen zijn; de Suvâsana's, de Viruddha's en anderen zullen de halfgoden zijn en S'ambhu zal de heerser over de Sura's zijn [de Indra]. (23) Eén van de Allerhoogste Heer Zijn volkomen aspecten, Vishvaksena, geboren uit de schoot van Vishûcî in het huis van Vis'vasrashthâ, zal vriendschap sluiten met S'ambhu.
(24) De Manu Dharmasâvarni zal feitelijk de elfde zijn die in de toekomst verschijnt als de meester van de ziel en Satyadharma en anderen zullen zijn tien zoons zijn. (25) De Vihangama's, Kâmagama's en Nirvânaruci's zijn de halfgoden en Vaidhritâ is hun Indra; de zeven wijzen zijn Aruna en anderen. (26) Geboren uit de schoot van Vaidhritâ als de zoon van Âryaka zal een gedeeltelijke incarnatie van de Heer bekend als Dharmasetu dan over de drie werelden heersen.
(27) Rudra-sâvarni, o Koning, zal verschijnen als de twaalfde Manu en Devavân, Upadeva en Devas'reshthha en anderen zullen zijn zoons zijn. (28) In die periode zal Ritadhâmâ de Indra zijn, zullen de halfgoden worden aangevoerd door de Harita's en zullen de wijzen Tapomûrti, Tapasvî, Âgnîdhraka en anderen zijn. (29) Door Satyasahâ verwekt uit Sunritâ zal de almachtige Svadhâmâ, een partiële incarnatie van de Heer, de periode van die Manu beheersen.
(30) De dertiende Manu van vooruitgang naar de ziel zal Deva-sâvarni zijn en Citrasena, Vicitra en anderen zullen Deva-sâvarni's vlees en bloed zijn. (31) De Sukarmâ's en de Sutrâma's zullen de halfgoden zijn, Divaspati zal de Indra zijn en Nirmoka en Tattvadars'a en anderen zullen dan de wijzen zijn. (32) Als de zoon van Devahotra zal, als de begunstiger van Divaspati [de Indra], uit de schoot van Brihatî, Yoges'vara een gedeeltelijke incarnatie van de Heer verschijnen.
(33) De Manu bekend als Indra-savârni zal de veertiende zijn en uit zijn zaad zullen Uru, Gambhîra, Budha en anderen geboren worden. (34) De Pavitra's en Câkshusha's zullen de halfgoden zijn, S'uci zal de koning van de hemel zijn en Agni, Bâhu, S'uci, S'uddha, Mâgadha en anderen zullen de boetvaardigen zijn. (35) Voor dat tijdvak, o grote koning, zal de Heer in de schoot van Vitânâ verschijnen als Brihadbhânu, de zoon van Satrâyana, terwille van het verrichten van geestelijke activiteiten.
(36) O Koning, de geschatte tijd van het verleden, het heden en de toekomst die deze veertien beslaan die ik u beschreef, bestaat uit een duizendtal mahâyuga's of een kalpa [dag van Brahmâ, zie ook afbeelding].'
De Wijze van Universeel Bestuur
(1) De koning zei: 'O grote wijze, zou u me alstublieft kunnen beschrijven wat de afzonderlijke plichten zijn waar al deze Manu's en de anderen zich in iedere manvantara mee bezighouden en door wie ze worden ingesteld?
(2) De rishi zei: 'De Manu's en al hun zoons, de wijzen en, o Koning, de Indra's en de goddelijken vallen zonder twijfel allen onder het gezag van de Oorspronkelijke Persoon. (3) De Manu's en de anderen belast met de zaken van de wereld zijn, o Koning, allen geïnspireerd door de Heer van het Offer Yajña en de andere incarnaties van de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik voorheen ter sprake heb gebracht. (4) Als aan het einde van iedere mahâyuga de heiligen vanuit hun verzaking er getuige van zijn hoe geleidelijk aan er misbruik is ontstaan met het verloren gaan van [de achting voor] de vedische instructie is er voor dat doel het sanâtana dharma [de gebruikelijke vedische plichten naar leeftijd en roeping, zie ook 1.17: 24-25]. (5) Daaropvolgend zijn de Manu's naar de instructie van de Heer bezig met het rechtstreeks voor de duur van hun tijd van bestaan in deze wereld weer opnieuw vestigen van het dharma wat betreft al de vier regulerende pincipes, o heerser der mensen [zie ook B.G. 4: 1]. (6) De halfgoden en de andere afdelingen van genieters van de resultaten van de offers houden zich eveneens met die aangelegenheid bezig; door hen voeren de heersers in de wereld tot aan het einde van zijn [Manu's] bestuur uit wat werd opgedragen [zie ook B.G. 4: 2]. (7) Indra, de heerser van de hemel, geniet alle weelde van de drie werelden geschonken door de Allerhoogste Heer en bekommert zich om alle drie hun plaatsen door regens over de aarde uit te storten zoveel als nodig is. (8) Naar gelang iedere yuga zet de Heer de bovenzinnelijke kennis uiteen met het aannemen van de gedaanten van bevrijde personen [de vervolmaakten of siddha's], grote heiligen [rishi's] en de grote heren van de yoga die zich ermee bezighouden de arbeid van het zich verenigen in het bewustzijn te onderrichten. (9) Als de grondleggers [de Prajâpati's] verwekt Hij nageslacht; om de gewetenloze mensen te vernietigen neemt Hij de gedaante aan van koningen en in de vorm van de tijd is Hij er om een einde te maken aan alles wat zich als verschillend ontwikkelde naar de geaardheden der natuur. (10) Met alle mensen die naar Hem op zoek zijn, die onder de invloed van mâyâ begoocheld zijn in verschillende namen en verschillende gedaanten, kan Hij met de illusie van de [verdeeldheid van de] verschillende gezichtspunten niet worden gevonden [vergelijk B.G. 18: 66]. (11) Al deze wisselingen [vikalpa's] die ik beschreef als zich afspelend in één dag van Brahmâ [een kalpa] - in verband waarmee de geleerden spreken van veertien manvantara's - getuigen hiervan.'
Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen
(1-2) De koning zei: 'Waarom bedelde, de Heerser over alle levende wezens, als een arme bij Bali om drie stappen land en waarom sloeg Hij hem ondanks de gift in de boeien? We willen heel graag al dit bedelen van de Beheerser die zo volkomen is in Zichzelf en de aanhouding van Bali hoewel hij foutloos was begrijpen.'
(3) S'rî S'uka zei: 'Verslagen door Indra, verstoken van zijn weelde en inderdaad zijn leven [zie 8.11], werd Bali weer tot leven gewekt door de nazaten van Bhrigu [S'ukrâcârya en zijn volgelingen]. Met Bhrigu's gevolg was hij, als een grote ziel en discipel, van aanbidding door hen in volledige overgave alles te geven dat hij had. (4) De brahmaanse navolgers van Bhrigu, die zeer met hem ingenomen waren, zetten hem aan tot een offerritueel genaamd Vis'vajit zodat hij, na overeenkomstig de voorschriften te zijn gezuiverd door de verheven zielen in een groot reinigings-ritueel [abhisheka], naar zijn zin de hemelse werelden kon veroveren. (5) Van het laaiende vuur aanbeden met uitgietingen van ghee was er, getrokken door paarden die de kleur hadden van die van Indra [geel], een strijdwagen bedekt met goud en zijde die uitgerust was met en een banier gesierd met een leeuw. (6) Er was een speciale vergulde boog, twee kokers met trefzekere pijlen en een hemels kuras. Zijn grootvader [Prahlâda] schonk een bloemenslinger van nimmer verwelkende bloemen en S'ukrâcârya gaf hem een schelphoorn. (7) Na op het advies van de brahmanen het ritueel uit te hebben gevoerd en aldus met hun genade de wapenrusting te hebben verworven, omliep hij met het brengen van zijn eerbetuigingen al de geleerde mannen en nam hij ook met het nodige respect afscheid van Prahlâda Mahârâja. (8-9) Daarop de goddelijke wagen bestijgend die S'ukrâcârya had geschonken, nam de grote krijgsheer gesierd met zijn bloemenslinger, bedekt door zijn rusting en uitgerust met zijn boog, zijn zwaard en pijlenkoker ter hand. Met de gouden banden om zijn armen en zijn oorhangers glinsterend als saffieren straalde hij, zich op zijn wagen bevindend, als het vuur der aanbidding op een altaar. (10-11) Omringd door zijn eigen mannen en de andere daitya leiders die qua weelde, kracht en schoonheid niet voor hem onderdeden, leken ze de hemel te verzwelgen en alle windrichtingen te verzengen met hun blikken. De grootste asura krijgers bijeen brengend begaven ze zich naar de uiterst welvarende hoofdstad van Indra dat het de hele aarde leek te schudden.
(12) Het was er daar zeer aangenaam met boomgaarden en tuinen zoals de prachtige Nandana-tuin, tjilpende paartjes vogels, dol zoemende bijen en eeuwige bomen met takken zwaar van de bladeren met vruchten en bloemen. (13) Ze waren bevolkt met groepen zwanen, kraanvogels, cakravâka-vogels, eenden, lotusbloemen en prachtige ronddartelende dames beschermd door de goddelijken. (14) De immer aanbiddelijke godin omringde hen met grachten vol Gangeswater en gekanteelde verdedigingswerken in een vuurrode kleur. (15) Gebouwd door Vis'vakarmâ waren de ingangen van de stad van marmer, waren de deuren [van de huisen] met goud beplaat en waren de vele openbare wegen planmatig geordend. (16) Ze was rijk aan openbare gelegenheden, hofjes, wegen en talloze weelderige paleizen. Bij de kruispunten waarin parels waren verwerkt stonden zitbanken gesierd met diamanten en koraal. (17) In die stad trof men, zoals met een vuur met vele vlammen, glitterende, hoogst bekoorlijke, eeuwig jeugdige vrouwen aan, die koel, warm en rondborstig [ofwel 's'yâmâ'], fraai opgesierd altijd gestoken waren in smetteloos schone kleren. (18) De bries in de straten voerde de geur mee van de verse, welriekende bloemen gevallen uit het haar van de sura vrouwen. (19) De sura liefjes op straat liepen door de witte rook van aguru wierook gebrand vanachter de met gouden raamwerk versierde vensters. (20) Er waren baldakijnen bezaaid met parels en goud, een keur aan vlaggen die de koepels sierden van de paleizen en pauwen, duiven en bijen die hun geluiden lieten horen, en daarbij zongen hoog in hun hemelse bouwsels de vrouwen in koor het heil. (21) De stad met al zijn schittering zo prachtig en aangenaam met de zingende dierbaren der goden, de solo-instrumenten, het dansen en de geluiden van de fluiten, vînâ's, trommels, schelphoorns en pauken allen in volmaakte harmonie, overtrof in haar schoonheid die van de goddheid van de pracht. (22) Er waren geen goddelozen die de straten onveilig maakten, niemand was er afgunstig of van geweld jegens andere levende schepselen, niemand pleegde bedrog en niemand jaagde valse eer na, was wellustig of bezitterig; allen die daar liepen waren volledig vrij van dat alles. (23) En het was die stad van God die van buitenaf aan alle kanten werd aangevallen door hem, de bevelhebber over de troepen geschonken door S'ukrâcârya, die, met het luid laten weerklinken van zijn schelphoorn, al de dames beschermd door Indra in angst verzette.
(24) Indra geplaatst voor de situatie kon Bali's gedreven strijdlust begrijpen en richtte zich in het gezelschap der goddelijken tot de geestelijk leraar [Brihaspati] met de volgende woorden: (25) 'O mijn Heer, van wie kreeg Bali, onze vijand uit het verleden, die grote inzet en almacht die we, zo vrees ik, niet zullen kunnen weerstaan. (26) Er is niemand te vinden die deze gewapende macht van hem weerstand kan bieden, het is alsof hij met zijn mond de hele wereld wil opdrinken en oplikken en met zijn blikken alle windrichtingen in brand wil zetten, zich opwerpend als het vuur aan het einde der tijden. (27) Alstublieft zeg ons wat de oorzaak is van de formidabele macht van onze vijand. Waaraan ontleent hij zijn energie, kracht, invloed en ondernemingslust?'
(28) Brihaspati zei: 'Ik weet wat de oorzaak is van het opstaan van uw vijand, o Indra, hij kreeg zijn macht als leerling van de machtige brahmanen die de volgelingen van Bhrigu zijn. (29) Dermate machtig kan de sterke niet worden verslagen door iemand als u of iemand die bij u hoort; behalve de Hoogste Beheerser, de Heer, zal niemand in staat zijn hem uit de wereld te helpen nu hem eenmaal de macht van een superieure spirituele kracht is verleend; zich tegen hem teweer te stellen is net zo zinloos als tegen de heer van de dood op te staan. (30) Daarom moeten jullie allen vertrekken, jullie hemelrijk opgeven en naar elders vertrekken in afwachting van de tijd dat jullie vijand op zijn retour is. (31) Hij die nu zo oppermachtig floreert bij de genade van de brahmaanse macht hem verleend, zal door het beledigen van die zelfde macht met al zijn vrienden en helpers zijn neergang onder ogen moeten zien.'
(32) Aldus geadviseerd door hun geestelijk leraar over wat hen te doen stond, gaven ze hun hemelse koninkrijk op en vertrokken zij die de goden waren die elke gedaante konden aannemen die ze maar wilden. (33) Toen al de goddelijken op deze manier waren verdwenen nam Bali, de zoon van Virocana, de stad in waar de hemelgasten hun verblijf hadden en onderwierp hij de hemelse werelden aan zijn gezag. (34) Omdat hij hun discipel was instrueerden de volgelingen van Bhrigu, zeer verheugd over de veroveraar van het universum, hem een honderdtal [as'vamedha] paardoffers te brengen. (35) Door het uitvoeren van die offers verspreidde zich zijn roem tot in alle uithoeken van de drie werelden en straalde hij met een glorie gelijk aan die van de maan. (36) Omdat hij de gunst van de tweemaal geborenen had verworven meende hij, met het genieten van een weelde en voorspoed gelijk aan die van de halfgoden, dat hij het zeer goed getroffen had met wat hij zo groots had beraamd en gedaan.
Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes
(1) S'rî S'uka zei: 'Zo gauw haar zonen aldus hun positie hadden opgegeven begon hun moeder Aditi hulpeloos te lamenteren over het verlies van het hemelrijk dat ze aan de Daitya's waren kwijtgeraakt. (2) Toen op een dag de machtige wijze Kas'yapa [haar echtgenoot] na een lange tijd uit zijn samâdhi [yoga trance] kwam en naar Aditi's vertrekken ging, trof hij haar ontmoedigd en terneergeslagen aan. (3) Nadat hij, respectvol ontvangen door Aditi, plaats had genomen, richtte hij zich indachtig haar depressie als volgt tot haar, o beste der Kuru's. (4) 'Heeft er zich iets naars voorgedaan met de brahmanen, o zachtmoedige, of wil het niet lukken in de wereld van vandaag met het dharma of met de mensen om je heen die zich moeten schikken naar de nukken van de dood? (5) Of is er iets misgelopen mijn liefste prinses, met de religie, het geld, of de vervulling van je verlangens in de huiselijke sfeer die zelfs voor hen die niets voor de yoga voelen gelegenheid biedt om tot vereniging van het bewustzijn te komen? (6) Of waren er misschien gasten waar je niet op had gerekend, al te gehechte familieleden die je niet naar behoren wist te ontvangen en bij je weggelopen zijn? (7) De huishouding die ongenode gasten niet welkom heet door ze zelfs niet een glas water te bieden, is, door hen opgegeven, niet meer dan het leger van een jakhals. (8) Of heb je tijdens mijn afwezigheid, o allerfijnste, om een of andere reden vergeten je uitgietingen van ghee in het vuur te doen, lieve echtgenote? (9) Een gehechte huishouder komt middels het eerbetoon van de pûjâ tot de bevrediging van al zijn verlangens en gaat naar de hemel, daar het inderdaad de brahmanen en het vuur zijn die de mond vormen van Vishnu die de ziel en zaligheid is van alle godbewusten [vergelijk B.G. 9: 26]. (10) Gaat het al je zonen goed, o ruimhartige dame? Ik kan zien dat je met je gedachten elders bent.'
(11) S'rî Aditi zei: 'Met de tweemaal geborenen en de koeien, o brahmaan, met het dharma en de mensen om me heen gaat alles zoals het hoort; jouw huishouding is de beste plaats om de drie der vooruitgang [kâma, artha, dharma] te behartigen, lieve echtgenoot. (12) Het vuur, de gasten, de dienaren en de bedelaars zijn allen behandeld zoals het hoort; door steeds aan jou te denken, o brahmaan, werd niets over het hoofd gezien. (13) Aan welk verlangen van mij zou niet worden beantwoord o heer, met jouw goede zelf als de stamvader en de geheugensteun voor het dharma in mijn hart? (14) Ookal draagt de Allerhoogste Beheerser [speciaal] zorg voor de toegewijden, toch ben jij van de Asura af aan een ieder gelijkgezind die, als het product van je lichaam dan wel van je geest, o zoon van Marîci, begiftigd is met een van de drie kwaliteiten van de goedheid, de hartstocht en de traagheid, o mijn heer [vergelijk B.G. 4: 11 en 9: 29]. (15) Derhalve, o beheerser, neem het welzijn van mij als uw dienares ter harte. We zijn nu, o zachtmoedige, vanwege onze mededingers verstoken van onze weelde en residentie; bescherm ons alstublieft o meester! (16) Verbannen door dezelfde machtige vijanden die al onze rijkdom, schoonheid, reputatie en huizen wegnamen, ben ik verdronken in een oceaan van problemen. (17) O eerste van onze begunstigers, wees zo aardig ons goede geluk in overweging te nemen, o heilige man, zodat alles wat we hebben verloren door mijn zoons kan worden herveroverd.'
(18) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier verzocht door Aditi zei hij glimlachend tot haar: 'Helaas, hoe machtig is de mâyâ van Vishnu als men zich heeft laten vangen in deze liefde voor de wereld. (19) Wat is de betekenis van dit lichaam gevormd uit de elementen dat niet de ziel is en wie is en van wie stamt de geestelijke ziel die transcendentaal is aan de wereld, het materiële universum dat voorzeker de oorzaak is van de illusie van het hebben van een echtgenoot of een zoon en dergelijke [zie B.G. 2: 13, 5.5: 1, 7.5: 31]? (20) Probeer van respect te zijn voor Vâsudeva, de geestelijk leraar van de hele wereld, de Oorspronkelijke Persoon Janârdana, Hij die, verblijvend in de kern van ieders hart, alle vijanden verslaat. (21) Ongetwijfeld zal Hij, de Onfeilbare Heer van genade voor de armen, je verlangens vervullen; naar mijn idee is er niets dat te vergelijken is met de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer [zie ook 2.3: 10].'
(22) S'rî Aditi zei: 'Aan welke regels moet ik me houden, o brahmaan, zodat de Heer van het Universum behaagd is en dat wat ik beoog bij Zijn genade werkelijk in vervulling zal gaan [zie ook B.G. 7: 16]? (23) Onderricht mij, o echtgenoot, o beste der tweemaal geborenen, in de vidhi [de regulerende beginselen, zie 1.17: 24 en 3.11: 21], het proces van aanbidding naar het principe, zodat de Godheid snel tevreden zal zijn met mij die nu met al haar zonen zo treurt.'
(24) S'rî Kas'yapa zei: 'Ik zal je op de hoogte stellen van de vorm van aanbidding die Kesava behaagt en waarover de almachtige geboren op de lotus [Brahmâ] sprak toen ik, nageslacht wensend, dit aan hem voorlegde [zie B.G. 4: 2]. (25) Gedurende de heldere helft van de maand Phâlguna [Februari/Maart] behoort men voor twaalf dagen, met de gelofte enkel melk te drinken [payo-vrata] en geladen met onvermengde toewijding, van aanbidding te zijn voor de Lotusogige [zie ook 7.5: 23-24]. (26) Als de maan donker is moet men zich insmeren met de aarde omgewoeld door een zwijn indien beschikbaar, en een stroom ingaan met het reciteren van deze mantra: (27) 'O goddelijke moeder [aarde], uitziend naar een plek werd u van de bodem van de oceaan met de slagtand van Heer Varâha omhoog gebracht [zie 3.13: 30]; met mijn eerbetuigingen voor u, was alstublieft al mijn zonden en hun terugslagen weg'. (28) Na de dagelijkse spirituele plichten te hebben beëindigd behoort God te worden aanbeden met volle aandacht voor de beeltenissen [zie ook 7.14: 39-40] in de schrijn, voor de zon, het water, het vuur alsmede de goeroe: (29) 'Ik biedt U mijn respectvolle eerbetuigingen o Allerhoogste Heer, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Beste van Allen verblijvend in het hart van alle wezens, o Vâsudeva de alomtegenwoordige getuige. (30) Mijn eerbetoon voor U de Ongeziene, de Bovenzinnelijke Persoon van de Primaire Werkelijkheid, de kenner van de vierentwintig elementen [zie woordenlijst], en oorspronkelijke oorzaak van de analytische orde van de yoga. (31) Mijn respect voor U, de genieter van de drie soorten van rituelen [van karma, jñâna en upâsanâ of bhakti, ofwel vruchtdragende arbeid, geestelijke kennis en toegewijde dienst] met Uw twee hoofden [van prâyanîya en udâyanîya, het begin en het einde van de offerplechtigheden], drie benen [savana-traya, de drie dagelijkse uitgietingen van soma naar de zonnetijd], vier vooruitstekende hoorns [de Veda's naar de stier van dharma] en zeven handen [de chanda's, manieren van behagen, mantra's als de Gâyatrî: zie ook 5.21: 15], mijn eerbetuigingen voor de belichaming van alle kennis. (32) Mijn trouw aan U bekend als S'iva en Rudra, U als het reservoir van alle vermogens en alle inzicht; jegens de Allerhoogste Meester der levende wezens mijn respectvolle eerbetoon. (33) Jegens U als de vierhoofdige Brahmâ Hiranyagarbha, de bron van alle leven en Superziel van het Universum, mijn eerbetoon, ik verbuig me voor U, de oorzaak van het verenigd bewustzijn van de Yoga. (34) Mijn achting voor U, de Oorspronkelijke Godheid en Overschouwer van allen, U biedt ik mijn respect die als Nara-Nârâyana-Rishi de gedaante van een menselijk wezen aannam - voor die Heer mijn eerbetuigingen. (35) Jegens U, donkerkleurig als een marakata juweel [een soort smaragd], de Beheerser van Lakshmî, de Doder van Kes'î, voor U gekleed in het geel, telkens weer mijn aanbidding. (36) U bent voor alle schepselen de Verlener van alle Gunsten, de Meest Aanbiddelijke en de Beste van Alle Zegeningen en om die reden vereren de meest nuchteren het stof van Uw lotusvoeten als de bron van alle goedgunstigheid. (37) Hij jegens wie al de goden en de Godin van het Geluk bezig zijn met toegewijde dienst, moge Hij, de Allerhoogste Heer, verheugd zijn over mij die niets minder wil dan de hemelse verrukking van die lotusvoeten.'
(38) Met behulp van de benodigdheden voor het eerbetoon tewerk met geloof en toewijding, behoort men door het reciteren van deze mantra's, de Meester der Zinnen Hrsikesa aan te roepen en Hem te eren in ieder opzicht. (39) Op deze wijze van eerbied met wierook, bloemen en dergelijke, behoort men de Almachtige met melk te baden en dan aan te kleden, met een heilige draad en ornamenten, en na het aanraken [of offeren] van het water voor het wassen van de lotusvoeten behoort men met de twaalf-lettergrepige mantra [van 'om namo bhagavate vâsudevâya' zie ook 6.8: 3 en 4.8: 53] [opnieuw] met geur en rook en dergelijke, van aanbidding te zijn. (40) Met in melk gekookte rijst met ghee en rietsuikerstroop - indien voorhanden - geofferd voor de beeltenis, moet men aldus voor Hem uitgietingen in het vuur doen onder het reciteren van dezelfde mantra. (41) Aldus van aanbidding met het offeren van ook betelnoten met kruiden voor de beeltenis, behoort het voedsel van het offer [prasâda] door jezelf in eigen persoon als maaltijd te worden aangeboden aan Zijn toegewijde, met water om de handen en de mond te wassen. (42) Na het honderd-en-acht keer herhalen van de mantra, behoort men, met het brengen van verschillende gebeden voor de Allergrootste, vervolgens Hem omlopend Hem de eer te bewijzen door zich in tevredenheid languit op de grond te werpen. (43) Na het via je [voor-]hoofd aannemen van de overblijfselen van het offeren en ze op een geheiligde plek deponeren, behoren ten minste twee geleerde zielen [brahmanen] te worden gevoed met zoete rijst. (44-45) Na hen naar behoren te hebben geëerd, behoren dan met hun permissie de overblijfselen van de prasâda te worden genoten door de vrienden en verwanten. Natuurlijk behoort van de eerste dag af aan in de nacht het celibaat te worden gerespecteerd, voor zolang de payo-vrata duurt, en vroeg in de ochtend, na gebaad te hebben, met grote aandacht voor de vidhi het baden met melk zoals beschreven te worden uitgevoerd. (46) Met het enkel [melk] drinken deze gelofte nalevend moet men met geloof en toewijding doorgaan met de aanbidding van Vishnu, zoals gesteld offergaven offerend in het vuur en ook met de verplichting van het voeden van de brahmanen. (47) Op werkelijk deze manier behoort men voor de volle twaalf dagen, dag na dag de Heer aanbiddend met vuuroffers voor de beeltenis en het behagen van de tweemaal geborenen [en de verwanten] met voedsel, door te gaan met de 'gelofte van het enkel drinken'. (48) Beginnend met de dag pratipat ['uit op de ontmoeting'] tot aan de dertiende dag van de heldere helft van de maand, behoort men, in celibaat op de vloer slapend, er zorg voor te dragen drie maal daags een bad te nemen. (49) Men behoort af te zien van het bespreken van triviale zaken en van zinnelijke genoegens verheven en laagstaand, en, geweldloos zijnd jegens alle levende wezens, te vertrouwen op Vâsudeva als de essentie.
(50) Daarna moet op de dertiende dag de Almachtige [Vishnu] worden gebaad met vijf substanties [melk, yoghurt, ghee, suiker en honing] tewerkgaand naar de vidhi zoals vastgelegd in de geschriften. (51-52) Met de melk en de granen geofferd behoort in groots eerbetoon de miserabele mentaliteit [van het niet spenderen] te worden opgegeven door van goed reciteren te zijn met vele lofzangen [of sûkta] voor Heer Vishnu die verblijft in de harten van allen; met grote aandacht en offers van voedsel moet men zo van aanbidding zijn voor de Oorspronkelijke Persoon met alles wat zo rijkelijk werd bereid van offers die Zijn Persoonlijkheid behagen. (53) Probeer te begrijpen dat in aanbidding van de Heer [visnu-ârâdhana], de leraar van het voorbeeld [de âcârya] zo goed thuis in de geestelijke kennis en ook de priesters, behoren te worden tevredengesteld met kleding, sierselen en een menige koe. (54) O vrome dame, zij allen en ook de brahmanen voor zover mogelijk en de rest daar bijeengekomen, moeten de prasâda ontvangen van het rijke voedsel der goedheid [B.G. 17: 8] toebereid met melk en ghee. (55) De goeroe en de priesters behoren financieel te worden gecompenseerd en hoe dan ook moet het voedsel zelfs worden uitgedeeld aan de eenvoudigen van geest en de armlastigen die men eveneens moet belonen voor het bijeenkomen terwille van de plechtigheid. (56) Na het voeden van de armen, de blinden, de afkerigen enzovoorts, behoort men met die vorm van begrip Heer Vishnu behagend, samen met zijn vrienden en verwanten zelf de prasâda te eten. (57) Met dansen, trommels en gezangen, het reciteren van de mantra's, brengen van gebeden en voorlezen van de verhalen, behoort men van de eerste tot de laatste dag de Allerhoogste Heer te vereren.
(58) Dit, overgedragen door mijn grootvader [Brahmâ], wat ik voor u in detail heb beschreven, is het allerhoogste proces genaamd payo-vrata van het eerbiedigen van de Oorspronkelijke Persoon. (59) O hoogst fortuinlijke, ook jij zal door deze werkwijze, naar behoren uitgevoerd, met jezelf in zuivere liefde jegens Heer Kesava er in slagen het jouwe voor elkaar te krijgen als je het volhoudt de Onuitputtelijke de eer te bewijzen. (60) Van alle religieuze eerbetoon wordt deze de sarva-yajña genoemd [het offer dat alle offers omvat] dat zo, met liefdadigheid de Heer behagend, wordt begrepen als de eigenlijke essentie van alle boetedoeningen, o goede dame [*]. (61) Van alle regelingen is deze als besproken de meest directe en beste manier om effectief de zinnen in bedwang te krijgen omdat door de verzaking, de geloften en de plechtigheid Adhoksaja, de Ene voorbij de Zinnen, wordt behaagd [zie voetnoot en 1.2: 8]. (62) Om die reden o gezegende, zal de Opperheer, zeer tevreden over jouw naleven van deze met geloof naar de regels in acht genomen gelofte, je spoedig met alle zegeningen overladen.
*: In het westen wordt Heer Vishnu aanbeden in iedere tempel van de Caitanya-vaishnava's [Hare Krishna's] overeenkomstig het schema van vierentwintig uur lang bezig zijn met het houden van kirtana, het zingen van de Hare Krishna mahâmantra, smakelijk voedsel offerend aan Heer Vishnu en het uitdelen van dit voedsel aan vaishnava's en anderen.
De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden
(1) S'rî S'uka zei: 'De dame, Aditi, aldus van advies gediend door haar echtgenoot Kas'yapa, o Koning, was ervan overtuigd dat ze zich moest houden aan wat hij haar gezegd had en leefde ononderbroken deze gelofte twaalf dagen lang na. (2-3) Met onverdeelde aandacht en doorzettingsvermogen gewetensvol jegens de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid; met de zinnen die zo sterk zijn als paarden geheel in bedwang, met de geest als de wagenmenner der intelligentie en met de intelligentie eenpuntig jegens de Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 4: 42], de Ziel der Volkomenheid, ging zij aldus in volle concentratie op Vâsudeva tewerk overeenkomstig de payo-vrata gelofte van vasten. (4) Voor haar verscheen, mijn beste, de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, gekleed in het geel, met Zijn vier armen, schelp, cakra, knots en lotusbloem. (5) Toen ze Hem met eigen ogen voor zich zag stond ze meteen op en bood ze, met haar geest in vervoering, met het grootste respect haar eerbetuigingen waarbij ze zich voor Hem languit op de grond wierp. (6) Weer op haar benen was ze, met gevouwen handen bereid voor de aanbidding, door haar gelukzalige vervoering niet in staat dat op te brengen; overweldigd met haar haren overeind en haar hele lichaam trillend van het opperste genoegen Zijn aanwezigheid [Zijn darshan] te mogen genieten, bleef ze stilzwijgen met de tranen die haar ogen vulden. (7) Met een van liefde voortdurend haperende stem, o beste der Kuru's, was het alsof zij, Aditi Devî, starend naar de Heer, met haar ogen met volle teugen dronk van de Echtgenoot van Ramâ [zie 8.8: 8], de Genieter van alle Offers en de Meester van het Universum. (8) S'rî Aditi zei: 'O Heer der Opoffering, Persoonlijkheid van alle Offerandes, o Onfeilbare naar wiens voeten wij pelgrimeren, U staat bekend als de uiteindelijke toevlucht, degene over wie te horen en te zingen zo goedgunstig is; U bent de oorspronkelijke Ene die is verschenen om de gevaren van het materieel bestaan te verzachten van de mensen van overgave; o Beheerser, o Allerhoogste Heer, wees zo goed ons het goede geluk te vergunnen daar U de veilige haven bent der verdrukten. (9) Jegens U als het Universum in eigen Persoon, als de Onafhankelijke, als de schepping, handhaving en vernietiging van het universum, U die de volledige controle neemt bij machte van de geaardheden der natuur; U als de Allerhoogste voor Eeuwig en Altijd Volledig Zichzelf, als de Volkomenheid der Kennis die de duisternis van het zelf verdrijft; voor de Opperheer die U bent mijn respectvolle eerbetoon. (10) Met U tevreden, o Volkomene en Onbegrensde, worden alle zaken mogelijk: een leven zo lang als dat van Brahmâ, een bepaald lichaam, een loopbaan, onbegrensde materiële weelde in de werelden hoog, laag en ertussenin, allerhande yogakwaliteiten, de drie manieren van kâma, artha en dharma [de purushârtha's] en de spirituele kennis; daarbij nog gezwegen van zegeningen als het verslaan van vijanden en dergelijke!'
(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus verheerlijkt door Aditi, o Koning, gaf de Allerhoogste Heer met de lotusogen, de kenner van het veld [B.G. 13: 1-4] van alle bestaansvormen, het volgende antwoord, o zoon van Bharata. (12) De Allerhoogste Heer zei: 'O moeder van de goden, het lang volgehouden verlangen van u met betrekking tot uw thuisloze zoons die werden verslagen door hun rivalen, heeft Mijn begrip. (13) Om hen in de strijd te verslaan, die fraaie Asura's zo trots op hun kracht, en de weelde en de overwinning weer terug te krijgen en om weer samen te kunnen zijn met uw zoons in dankbaarheid, is waar u naar verlangt. (14) Graag zou u de tranen zien van de treurende vrouwen van de vijanden als zij hen aantreffen gedood door uw zoons onder leiding van Indra. (15) Het herstel van de volle glorie, de reputatie en de weelde van uw nakomelingen, hun levensvreugde en een plaats voor hen in de hemel is wat u graag zou zien. (16) Op het ogenblik zijn al die asura krijgsheren zo goed als onoverwinnelijk en dus, o Devî [godin], denk Ik dat, omdat ze allen de bescherming genieten van de brahmanen die hen verzekeren van Mijn gunst, geen enkel gebruik van geweld u het geluk zal brengen. (17) Niettemin moet Ik, zeer tevreden met de gelofte die u in acht nam in eerbetoon jegens Mij, er iets op zien te vinden, o Devî, daar u als resultaat van uw geloof en toewijding voor Mij als de oorzaak het niet verdient met iets anders te zijn toebedeeld. (18) Terwille van uw zoons Mij hebben aanbeden met de gelofte van het enkel drinken en met het naar uw beste kunnen uw gebeden hebben gedaan zoals het hoort, ben Ik, vanwege die getrouwe boetvaardigheid met Marîci, met een volkomen deelaspect van Mezelf vastbesloten uw zoon te worden en zo uw andere zoons te beschermen. (19) O lieve vrouw, ga en vereer uw echtgenoot, die als de gelouterde Prajâpati ook Mij is; denk aldus aan Mij als Me bevindend in zijn lichaam [zie ook B.G. 9: 29]. (20) Openbaar dit niet aan buitenstaanders, aan niemand, zelfs niet desgevraagd, o dame; alles zal succesvol verlopen als dat wat zelfs voor de halfgoden iets zeer vertrouwelijks is, geheim wordt gehouden [zie B.G.18: 67-68].'
(21) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer op deze manier tot haar sprekend verdween vandaar en met het uiterst zelden verworven succes dat uit haar de Heer zou worden geboren, ging ze vol toewijding meteen naar haar echtgenoot, ervan overtuigd dat wat zij bewerkstelligd had het grootste was wat je maar bereiken kon. (22) Kas'yapa, die het nimmer aan het nodige inzicht mankeerde, begreep in zijn yogatrance toen dat de Heer in hem was binnengegaan als een volkomen deelaspect. (23) O Koning, zoals de wind vuur aanwakkert in brandhout, kon Kas'yapa het zaad, dat hij in boete zo lang had weten vast te houden, lozen in Aditi [zie ook B.G. 7: 11]. (24) Hiranyagarbha ['van het goud vanbinnen', Heer Brahmâ] die hoogte kreeg van de totstandkoming van de zwangerschap van Aditi, bad toen tot de Allerhoogste Heer in vertrouwelijke termen. (25) Heer Brahmâ bad: 'Alle glorie aan Hem, de veel geprezen Opperheer, wiens handelingen van het grootste zijn, mijn eerbetuigingen voor U, mijn respect voor de Heer der transcendentalisten; de Beheerser van de Geaardheden der Natuur aanbid ik keer op keer. (26) Ik zweer U mijn trouw die voorheen bestond van binnen Prisni [een voorgaand leven van Aditi, vergelijk 6.18: 1, de zoons van Aditi], U die men altijd in de Veda's aantreft, U die vol van kennis bent; als de navel van de drie werelden bent u boven hen verheven en aanwezig in de harten van alle levende wezens als de Allesdoordringende. (27) U als de Oorspronkelijke Oorzaak, het einde en de handhaving van het universum, U als het reservoir van talloze vermogens bent de Allerhoogste Persoon over wie men spreekt als zijnde de Tijd; U bent de Heer, de Beheerser die het hele universum in Zijn greep krijgt, zoals golven hun greep krijgen op iemand die in het water belande. (28) U inderdaad bent van allen die leven, zich rondbewegend of niet, degene die hen voortbracht; U bent de oorsprong van de stamvaders; U bent de Allerhoogste Toevlucht van allen die het hogere leven leven o God, van al de goddelijken verdreven uit hun woonplaatsen bent U in hun verdrinkingsnood de reddingssloep.
Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie
(1) S'rî S'uka zei: 'Het Eeuwig Wezen, Hij met de schelphoorn, de knots, de lotus en de werpschijf in Zijn vier handen, de gele kledij en de lotusblaadjes-ogen, Hij wiens heldendaden de lof van Brahmâ gelden, manifesteerde zich bijgevolg uit Aditi. (2) Met een zuivere, donkere huidskleur, de luister van twee oorhangers in de vorm van haaien en een allerbekoorlijkst lotusgezicht was Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid met het srîvatsa-teken op Zijn borst, pols- en armbanden, een glimmende helm, een gordel, een heilige draad en lieftallige enkelbelletjes. (3) Met een zwerm bijen druk voor het zoete zoemend rondom een buitengewoon mooie bloemenslinger en met om Zijn nek het Kaustubha-juweel, verdreef de Heer met Zijn gloed de duisternis van het huis van Kas'yapa. (4) Op dat moment was men overal in geluk verzet, alle levende wezens, in de wateren, in de bergen, de hogere werelden, in de buitenruimte en op aarde; er was de volheid van de kwaliteit van ieder seizoen en de koeien, de godheden van het vuur en de tweemaal geborenen waren allen in hun beste doen. (5) Op het tijdstip dat de maan zich in het huis Sravana bevond [met dvâdasî, de twaalfde dag van de heldere maandhelft van Bhâdra], waren, met de geboorte van de Heer ten tijde van het middaguur [Abhijit], al de planeten en de sterren, de zon en de maan op hun gunstigst. (6) Op dvâdasî met de zon boven de meridiaan, o Koning, was het precieze moment, door de geleerden Vijayâ genaamd, waarop de Heer verscheen. (7) Het gerucht van de verschillende geluiden van de schelphoorns, trommels, pauken, panava's en ânaka's [andere trommels], en andere instrumenten, zwol aan tot een enorm tumult. (8) In vreugde dansten de hemelse dansmeisjes en zongen de zangers van de hemel, terwijl de wijzen, de goddelijken, de vaders der mensheid, de voorvaderen en de goden van het vuur de Heer behaagden met gebeden. (9-10) De vervolmaakten, de wetenschappers, de aapachtigen [de krijgers van Râma], zij van de supermacht, de eerbiedwaardigen, de spoken [de schatbewaarders], zij die van de duivel waren [de bewakers], de reciteerders [de 'broeders van Garuda'], de beste deskundigen [de 'slangen'] en alle volgelingen van de halfgoden, verheerlijkten en zongen hun lof waarbij ze Aditi's woning met de bloemen bedolven [vergelijk 6.7: 2-8 en 5.5: 21-22]. (11) Toen Aditi Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God die was verwekt in geluk en geboorte had genomen uit haar eigen baarmoeder, ontwaarde, was ze met verwondering geslagen over het feit dat Hij vanuit Zijn eigen geestelijk vermogen een lichaam had aangenomen en ook Kas'yapa riep daarbij in grote verwondering uit: 'Alle heil, alle heerlijkheid!' [jaya jaya!].
(12) Het bovenzinnelijk lichaam dat de Heer had aangenomen, compleet met sieraden en wapens, kan materieel niet worden waargenomen maar had zich geestelijk gemanifesteerd; het verdween meteen daarop weer en recht voor hun ogen zagen ze hoe Hij wiens avonturen allen even wonderbaarlijk zijn, zich manifesteerde, als een toneelspeler in een theater, in de gedaante van een brahmaanse dwerg [Vâmana].(13) Hem als een dwerg ziend maakte de grote rishi's zeer gelukkig en aldus voerden ze, met de stamvader die Kas'yapa was als hun leider, al de plechtigheden uit [zoals de jâta-karma geboorteplechtigheid]. (14) Toen Hij van Brihaspati ceremonieel Zijn heilige draad kreeg werd voor de zonnegod de Gâyatrî [zie notitie ** 5.7] gezongen en bood Kas'yapa Hem een gordel [van strohalmen, als aanduiding van de tweemaal geboren status]. (15) Moeder aarde bood hem een hertenvel, de maangod die in het bos heerst schonk Hem een staf, om Zijn lichaam te bedekken gaf Aditi hem ondergoed en van de meester van het universum, de heerser der hemel ontving Hij een parasol. (16) De Kenner van Binnen [Brahmâ] gaf een waterpot, de zeven wijzen gaven Hem kus'agras mee en de godin Sarasvatî schonk de Onvergankelijke Ziel een snoer rudrâksakralen, o Koning. (17) Toen Hij op die manier Zijn heilige draad had gekregen leverde de Heerser der Yaksha's [Kuvera, de schatbewaarder van de Hemel] een bedelnap en verschafte de kuise moeder van het universum Bhavânî [de echtgenote van S'iva] rechtstreeks de aalmoezen zelf.
(18) Hij als brahmacârî aldus door iedereen verwelkomd, was met Zijn brahmaanse gloed de beste van allen, het stralende middelpunt van de gehele vergadering waar al de grote brahmaanse wijzen bijeen waren. (19) Na in een vuur te hebben voorzien zoals het hoorde, voltooide Hij met offerandes de plechtigheid van het aanbidden, hetgeen hij beter deed dan de beste der brahmanen. (20) Nadat Hij had vernomen over Bali's heerlijkheid als een uitvoerder van paardenoffers onder de leiding van de Bhrigu-brahmanen, ging Hij naar de plaats waar ze werden uitgevoerd, en met iedere stap die Hij als de Volkomen en Volledig Toegeruste Essentie deed voorzag Hij de aarde daarmee van Zijn voetafdrukken. (21) Aan de noordelijke oever van de rivier de Narmadâ in het gebied Bhrigukaccha, waar al de priesters van Bhrigu hun rituelen aan het opvoeren waren terwille van het zo hoogst belangrijke paardoffer, zagen ze Hem in hun nabijheid [stralend] als de rijzende zon. (22) De priesters zowel als Bali, de aanstichter van de yajña, en alle anderen die daar bijeengekomen waren, zagen zichzelf overweldigd door de schittering van Heer Vâmana, o Koning, en vroegen zich af of ze nu de zon zagen opkomen, of dat de vuurgod of Sanat-kumâra er nu aankwam eropuit hun plechtigheid bij te wonen. (23) Terwijl de Bhrigu's op deze manier met hun discipelen in dispuut verkeerden betrad de Allerhoogste Heer, Vâmana met in Zijn handen, Zijn parasol, staf en kamandalu gevuld met water, het perk van het asvamedha-offer. (24-25) Toen Vâmana, het geleerde, schijnbaar menselijke kind dat de Heer was, met Zijn munja gordel van stro en de heilige draad om Hem heen, Zijn bovenkleding van hertenvel en Zijn samengeklitte haarlokken arriveerde en de priesters van Bhrigu met hun discipelen zag, werd Hij die met Zijn glans hen allen overschaduwde, op gepaste wijze verwelkomt waarbij men van het vuuroffer voor Hem opstond. (26) De aanstichter van het offer, in vreugde over het treffen met Hem die zo prachtig was in al Zijn luisterrijke leden, bood Hem een zitplaats aan. (27) Met een welkomstwoord werd aldus de Schoonheid van de Bevrijde Zielen door Bali Mahârâja vereerd die Hem de voeten waste. (28) Het zuivere water van die voeten dat alle zonden van de mens wegwast nam hij, zich welbewust van het dharma, op zijn hoofd; het bracht hem al de zegen, een zegen die zelfs de beste van allen, Heer S'iva met de maansikkel op zijn hoofd, met toewijding en bovenzinnelijkheid op zijn hoofd zou aanvaarden.'
(29) S'rî Bali zei: 'Mag ik U van harte welkom heten, mijn eerbetuigingen voor U, o brahmaan, wat kunnen we voor U betekenen; ik denk dat U, o edele, de directe verpersoonlijKoning van de verzaKoning van de brahmaanse wijze bent. (30) Omdat Uwe Heerlijkheid vandaag bij ons verblijf bent aangekomen, zijn al onze voorvaderen tevredengesteld, is nu de gehele familie gezuiverd en is dit offer dat we brengen compleet! (31) Vandaag, o brahmaanse zoon, zijn mijn offervuren naar behoren gediend overeenkomstig de beginselen; door het water dat van Uw lotusvoeten spoelde is de aarde gezuiverd van alle zonden en, o Heer, is zij tevens door de aanraking met Uw kleine voeten geheiligd. (32) Wat het ook is waar Uw hart naar uitgaat, o brahmacârî, mag U van mij nemen; of het nu een koe is, goud, een ingerichte woning, smakelijk eten en drinken of anders een brahmanendochter, o beste der aanbiddelijken, welvarende dorpen, paarden, olifanten of wagens; wat mij betreft mag U hebben wat U zich ook maar wenst.'
Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij aldus de zeer bevredigende woorden van trouw aan het dharma hoorde van de zoon van Virocana, prees de Allerhoogste Heer hem, tevreden als Hij was, met de volgende woorden. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat waar u het over heeft, o Heer der Mensen, is zeer waar, past de dynastie, is in overeenstemming met het dharma en doet uw naam eer aan; het bewijst het gezag van de Bhrigu-brahmanen en vormt de standaard van uw grootvader, de oudste en meest vreedzame [Prahlâda]. (3) In deze dynastie is inderdaad niemand een armzalige schraper geweest; jegens de brahmanen heeft niemand ontkend wat beloofd was of de liefdadigheid opgegeven. (4) Door de onberispelijke reputatie van Prahlâda, die als een heldere maan in de hemel is, o heerser, worden er in uw dynastie niet van dergelijke minne koningen gevonden, koningen die weigerachtig zijn hun betrokkenheid te tonen door in heilige plaatsen of op het slagveld niet in te gaan op de verzoeken van de betreffende dienaren. (5) In die dynastie werd Hiranyâksa geboren die, in zijn eentje rondtrekkend over deze aarde met het doel alle richtingen te veroveren, er met zijn knots niet in slaagde een held te vinden die zich met hem kon meten. (6) Vishnu die [als een zwijn] met veel moeite hem wist te verslaan toen Hij hem op Zijn weg vond met het verlossen van de wereld, bracht, nadat hij had gezegevierd, Zichzelf constant in herinnering hoe machtig en capabel Hiranyâksha wel niet geweest was [zie 3.17-19]! (7) Nadat zijn broer Hiranyakasipu erover hoorde hoe hij ter dood was gebracht, begaf hij zich zeer woest naar waar de Heer zich ophield om een einde te maken aan Hem die zijn broer ter dood had gebracht [zie 7.3]. (8) Nauwlettend erop toeziend hoe hij als de dood in eigen persoon achter Hem aanzat met de drietand in zijn hand dacht Hij, de Kenner der Tijd, Heer Vishnu, de Belangrijkste der Mystici: (9) 'Waarheen Ik Mij ook begeef zal deze hier, als was hij een ieder zijn dood, zich ook begeven; derhalve zal Ik zijn hart binnengaan daar hij enkel acht slaat op de buitenwereld' (10) Aldus besloot Hij hoogst bezorgd ertoe om, niet waarneembaar in Zijn subtiele lichaam, via zijn ademhaling, door zijn neusgat, het lichaam van die zo kwaadaardig Hem nazittende vijand binnen te gaan, o Koning der Asura's. (11) Hij, Zijn verblijfplaats doorzoekend, trof hem leeg aan Hem nergens ziend en in woede brulde hij hard in alle richtingen over het oppervlak van de aarde en in de buitenruimte, in de ether, de grotten en de oceanen; ondanks al zijn macht kon hij, zoekend naar Vishnu, Hem niet in de gaten krijgen. (12) Hem nergens aantreffend zei hij: 'Ik heb het hele universum naar Hem afgezocht die mijn broer vermoorde, Hij moet vertrokken zijn naar die plaats vanwaar niemand terugkeert.' (13) Normaal gesproken houdt de op ego gebaseerde vijandigheid, een woede die zijn bestaan ontleent aan onwetendheid, met fysiek georiënteerde mensen niet aan tot voorbij het punt van de dood [van een tegenstander]. (14) Uw vader [Virocana], de zoon van Prahlâda, gaf op verzoek van de goden, ondanks het feit dat hij er weet van had dat ze zich hadden verkleed als brahmanen, zijn leven aan hen op basis van zijn eigen affiniteit met de tweemaal geborenen. (15) Uw goede zelf ging ook tewerk terwille van het dharma dat werd gevestigd door de huishouders, de brahmanen, uw voorvaderen, de grote helden en anderen hoogst verheven en beroemd. (16) Van een dergelijke persoon, van Uwe Majesteit, vraag ik een beetje land; van hem die zo gul van liefdadigheid kan zijn vraag Ik drie passen, o Koning van de Daitya's, naar de maat van Mijn voetstap. (17) Er is verder niets dat Ik van u verlang, o Koning zo vrijgevig, o heerser van het universum, moge hij die van de geleerdheid is geen gebrek lijden en zoveel aan donaties in ontvangst nemen als hij nodig heeft.'
(18) S'rî Bali zei: 'Helaas o kind der brahmanen, Uw woorden worden weliswaar verwelkomt door de geleerden en de ouderen, maar als een jongen niet gebrand op het beslagleggen terwille van Uw eigenbelang bent U zich niet geheel bewust van wat er allemaal nodig is. (19) Het is voor hem die met mooie woorden zich inzet voor het gunstig stemmen van mij, de enige ware meester van de hele wereld, niet bijster intelligent om drie passen te vragen, als ik een heel continent te bieden heb! (20) Niemand die mij ooit benaderde verdient het om nogmaals te moeten bedelen en neem derhalve, o kleine brahmacârî, van mij naar wat U zich wenst wat U ook maar nodig denkt te hebben.'
(21) De Allerhoogste Heer zei: 'Alle mogelijke zinsobjecten die iemand het in deze drie werelden naar de zin kunnen maken tezamen genomen, zijn niet in staat de man te bevredigen die zijn zinnen niet in bedwang heeft, o Koning [zie ook 5.5: 4]. (22) Hij die niet genoeg heeft aan drie passen zal ook niet met een heel continent van negen landen tevreden zijn, noch met het verlangen alle zeven continenten in zijn greep te krijgen. (23) Ons kwam ter ore hoe Prithu, Gaya en dergelijke nobele heersers over de zeven continenten, met het volgen van deze koers niet het einde van de vervulling van hun wensen en ambities konden vinden. (24) Over die verworvenheden die God je toebedeelt naar lotsbeschikking, behoort men tevreden te zijn; voor een ontevreden iemand die zichzelf niet in de hand heeft is er geen geluk, zelfs niet als hij de drie werelden veroverde [zie ook 7.6: 3-5, 5.5: 1 en B.G. 6: 20-23]. (25) Het geen vrede hebben met het geld en de zinsgenoegens is er de oorzaak van dat er aan iemands materieel bepaalde leven [van doodgaan en telkens weer opnieuw moeten beginnen] geen einde komt, maar hij die tevreden is met wat de voorzienigheid hem in de schoot wierp, komt in aanmerking voor de bevrijding. (26) De geestkracht en glorie van een brahmaan neemt toe als hij tevreden is over wat bij lotsbeschikking werd verkregen, maar neemt af met het ontevreden zijn zoals een vuur geblust wordt door water. (27) Om die reden vraag Ik u, die als weldoener zo goedgevig bent, om drie stappen land daar Ik precies daar ben waar Ik wil wezen met enkel het bereiken van het noodzakelijke.'
(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken zei Bali met een glimlach: 'Neem nu van mij naar Uw wens', en om Hem het land te geven pakte hij zijn waterpot [om met het water in zijn hand zijn gelofte ritueel te bekrachtigen]. (29) S'ukrâcârya, de meest ter zake kundige, die door had wat Vishnu's plan was, richtte zich toen tot zijn discipel, de asura heer die op het punt stond het land aan Vishnu weg te geven.
(30) S'rî S'ukrâcârya zei: 'Hij hier is rechtstreeks de Allerhoogste Heer Vishnu, o zoon van Virocana, in Zijn volle glorie geboren uit Kas'yapa en Aditi om op te treden in het belang van de goddelijken. (31) Wat u beloofde is, naar mijn idee, in strijd met uw belangen, u hebt er geen idee van, het zal u niets goeds brengen; wat u hebt afgesproken vormt een grote bedreiging voor de Daitya's! (32) Hij, zich voordoend als een mensenkind, is de Heer die u een lesje leert; hij zal u alle materiële schoonheid en rijkdommen, macht en reputatie afhandig maken om het uw vijand [Indra, zie ook 7.10] te vergunnen. (33) Met drie stappen zal Hij, geleidelijk uitgroeiend tot de universele gedaante, al de werelden in bezit nemen - hoe wilt u als u alles aan Vishnu weg hebt geschonken zichzelf nu in leven houden, o dwaas! (34) Achtereenvolgens zal Hij met één stap de aarde in bezit nemen, met een tweede stap de buitenruimte in beslag nemen en in de ether zich tot Zijn grootst uitbreiden en waar moet Hij dan Zijn derde stap zetten? (35) Ik denk dat u voor eeuwig in de hel zult branden, want dat is inderdaad wat een persoon overkomt die zich niet houdt aan wat hij beloofd heeft; u bent er immers zo een die het nooit voor elkaar krijgt om te beantwoorden aan de verwachtingen die hij schiep. (36) De heiligheid voelt niets voor die liefdadigheid die het eigen levensonderhoud in gevaar brengt, want het is juist dankzij dat vermogen om zichzelf in stand te houden dat in deze wereld de liefdadigheid, de offers, de verzaking en de productieve arbeid er zijn. (37) Als men zijn verdiensten verdeelt over de vijf doelen van de religie, het behalen van succes, het handhaven van zijn materiële positie, zijn zinsgenoegens en zijn gezin, kan men gelukkig zijn in deze wereld en de wereld hierna. (38) Luister, in dit opzicht [wat betreft uw belofte] wordt de waarheid met de vele [Rig-]veda- [Bahvrica-s'ruti] gebeden voor de goden en de schepping die ik heb opgezegd, o beste der Asura's, voorafgegaan door het woord om [AUM, 'ja', 'zo zij het'] en over dat wat men zei waar dat niet aan vooraf ging spreekt men als het niet-eeuwige [het relatieve, illusoire, of onware, zie ook B.G 17: 24, 9: 17 en 8: 13]. (39) Men moet inzien dat de feitelijke waarheid, zoals de Veda's het stellen, eruit bestaat dat bloemen en vruchten er zijn van de boom die het lichaam is, maar dat er van de onware wortel van het lichaam van een dode boom geen kans op hen bestaat [vergelijk B.G. 8: 6]. (40) Het lijdt geen twijfel dat op dezelfde manier als met een boom die ontworteld omvalt en uitdroogt, het tijdelijke lichaam meteen is verloren en verdroogd [als men geen zorg draagt voor die tijdelijke wortel*]. (41) Die lettergreep om aldus uitgedrukt is wat iemand afscheidt van, wat iemand vrijmaakt en de tegenhanger vormt [van uw weelde], een persoon raakt dus bevrijdt van dat wat er bij haar expressie in wordt gebracht [wordt geofferd]; wat men ook geeft in liefdadigheid aan de behoeftigen met het uiten van om zal dan niet de bevrediging van de zinnen of de eigen zelfverwerkelijking ten goede komen. (42) Geef daarom niet geheel toe aan dat verzoeken om uw mededogen maar druk u ook niet uit in onware woorden [suggererende dat u niets zou kunnen missen]; aldus kan niemand beweren dat u van de illusie bent, dat u een verwerpelijk iemand zou zijn die dood bij het leven is.(43) Het is geen valsheid [ziet u] noch een aberratie om een dame te paaien, de draak te steken of in het huwelijk te treden, de kost te verdienen of in tijden van gevaar de koeien en het brahmaanse te beschermen tegen geweld.'
*: Het tijdelijke lichaam is er voor eeuwige zaken. S'rîla Rupa Gosvâmî zegt: "Hij die dingen afwijst zonder kennis van hun relatie met Krishna is onvolkomen in zijn verzaking." (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.66)
Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden
(1) S'rî S'uka zei: 'Bali, de meester des huizes, aldus van advies gediend door de familiepriester viel voor een ogenblik stil, o Koning, en richtte zich na de nodige overpeinzingen tot zijn goeroe. (2) S'rî Bali zei: 'Dat wat Uwe Genade zei is waar: het financiële belang, het zingenot, de reputatie en het levensonderhoud mogen nimmer voor een huishouder het nakomen van de religieuze verplichtingen in de weg staan. (3) Hoe kan iemand als ik nu bedrog plegen terwille van het geld? Met name aan een brahmaan zal ik, naar de eer van Prahlâda, moeten geven wat ik heb beloofd - ik zou een gewone bedrieger zijn anders! [*]. (4) Er is niets goddelozer dan onwaarachtigheid, zoals moeder aarde ons dat reeds zei wat dit betreft: 'Dit kan ik allemaal verdragen, met uitzondering echter van de mens als de grootste leugenaar.' (5) Voor helse omstandigheden, armoede, een oceaan van leed, neertuimelen vanuit mijn positie, of voor de dood ben ik minder bang dan voor het bedriegen van een man van God. (6) Als wat men ook in deze wereld bezit achter moet worden gelaten als men dood gaat, wat moet men dan met zijn weelde en rijkdom als men aan verzaking toe is; moet men daarmee dan niet de man van God een genoegen doen? (7) Het welzijn van alle mensen behartigend hebben heiligen als Dadhîci, Sibi en andere grote dienaren van God, het meest moeilijke tot op het punt van de dood toe opgegeven; wat zou het bezwaar zijn tegen het wegschenken van land? (8) Van personen als de daitya koningen die, bereid hun levens te offeren, deze wereld genoten o brahmaan, neemt de tijd alles weg dat wordt bezeten maar niet de reputatie verworven in deze wereld. (9) O heilige brahmaan, zij die met gemak het wonnen in de slag zonder daarbij bang te zijn om te vechten of hun leven te verliezen, hebben het er niet zo gemakkelijk mee het vergaarde gewetensvol en toegewijd weg te schenken aan hem die de heilige grond bereidt [vergelijk B.G. 17: 20]. (10) De vrijgevigen, zij die vermaard zijn om hun genade, strekt het ten voordeel om in armoede te vervallen met het lenigen van de behoeften van de verstokenen, om nog maar te zwijgen over het helpen van de kenners van het spirituele zoals uw goede zelf; daarom zal ik de celibatair geven wat hij ook maar wil. (11) Jullie allen je volledig bewust van de vedische manier van offeren, zijn met de verschillende benodigdheden zeer respectvol in het aanbidden van Hem de Genieter van het Offer; of Hij nu Vishnu is gekomen om te zegenen of er is om me van mijn voetstuk te halen, ik zal Hem, o wijze, al het land geven dat Hij ook maar verlangt. (12) Zelfs niet als Hij mij om de tuin leidend, angstig zich voordoend als een brahmaanse jongen, mij onterecht ter dood brengt zal ik het, tegen Hem gekeerd als een vijand, niet vergelden. (13) Als deze hier degene is die wordt geprezen in de geschriften, zal Hij, vanuit Zijn niet-aflatende heerlijkheid, het nimmer op willen geven, of Hij nu na me gedood te hebben al het land in bezit neemt of door mij gedood in vrede zal rusten.'
(14) S'rî S'uka zei: 'Aldus werd hij, dat hoogstaande, goddelijk geïnspireerde karakter zo gebrand op waarachtigheid die zo'n obstinate en minachtende leerling was, als volgt vervloekt door de goeroe [zie B.G. 10: 10]: (15) 'Zo eigenzinnig jezelf als geleerd beschouwend ben je, brekend met mijn bepalingen, met de minachting voor ons aan de dag gelegd een schaamteloos stuk onbenul geworden; en zo iemand zal snel verstoken zijn van al zijn weelde!' (16) [Zelfs al was hij] op deze manier vervloekt door zijn eigen goeroe schonk hij, die de waarachtigheid er niet aan had gegeven, de grote persoonlijkheid Vâmanadeva, na het nodige eerbetoon en eerst water geofferd te hebben, het land dat hij beloofd had. (17) Vindhyâvali, Bali's echtgenote met een parelketting om haar nek, trad op dat moment naar voren en zorgde ervoor dat er een gouden pot werd gebracht vol met water om de Heer Zijn voeten te wassen. (18) Hij, de aanbidder van het meest goedgunstige en mooiste stel voeten, waste ze persoonlijk in grote vreugde verzet en nam het water op zijn hoofd dat het hele universum de bevrijding brengt. (19) Op dat ogenblik werd een regen van bloemen uitgestrooid door al de goden, de zangers van de hemel, de experts, de zelfgerealiseerden en de vererenswaardigen, die zeer tevreden de rechtschapenheid van de asura koning zijn optreden prezen [vergelijk 5.18: 12]. (20) Met duizenden tegelijk begonnen de ingezetenen van de hemel, de aapachtigen en zij die van bijzondere talenten waren te zingen verklarend: 'Dat wat Bali, deze grote persoonlijkheid, heeft gedaan was een allermoeilijkst iets, daar hij de drie werelden heeft overgeleverd aan de meest doorknede, die medestander der goden [Vishnu]!'
(21) Toen begon de dwergverschijning van de Onbegrensde Heer zich hoogst wonderlijk uit te breiden tot de gehele omvang van het drievoudige der materie: over alle land, de hemel, in iedere richting, de planetenstelsels, de buitenruimte en de zeeën en oceanen, waar de vogels en de beesten, de mensen, de goden en de heiligen leefden. (22) In dit lichaam van Hem als de Almachtige kon Bali tezamen met al de priesters, de leraren van het voorbeeld en de zoekers van de waarheid het gehele drie-geaarde universum zien compleet met de elementen en de levende wezens met hun zinnen, zinsobjecten, geest, intelligentie en vals ego. (23) De lagere wereld zag hij onder Zijn voetzolen, op de voeten zag hij de landvlakten, de bergen zag hij in de kuiten van de virâth-purusha, de vliegende wezens in de knieën van de gigantische gedaante en in Zijn dijen zag hij de verschillende soorten halfgoden. (24) In Zijn kleding herkende hij de avondschemering, in Zijn gelachtsdelen zag hij de stamvaders, in Zijn heupen zag hij zichzelf met zijn woordvoerders; Zijn navel was het geheel van de hemel, bij Zijn middel waren er de zeven zeeën en in het bovenste gedeelte van Urukrama ['de Heer van de grote stappen'] zag hij de sterrentekens. (25-29) In het hart, o beste, was er het dharma; naar de borst van Murâri het meest behagende en waarachtige en toen zag hij in de geest de maan; de godin met altijd een lotus in haar handen was zo ook Zijn inborst en bij Zijn hals waren er al de vedische geluidstrillingen. Al de goddelijken onder Indra waren er met Zijn armen, met Zijn oren waren er al de windrichtingen; de hemellichten vormden het topje van Zijn hoofd, Zijn haar de wolken, het gefluister van de wind Zijn neusgaten, de zon Zijn ogen en Zijn mond zag hij als het vuur. In Zijn spraak waren er de lofzangen, in Zijn tong zag hij de god der wateren; de vermaningen en regelingen waren Zijn wenkbrauwen, de oogleden de nacht en de dag, op de Allerhoogste Persoon Zijn voorhoofd zag hij woede en begeerte zag Hij in Zijn lippen. Lust was Zijn aanraking, o Koning, water Zijn zaad, Zijn rug de goddeloosheid, in de offeranden Zijn wonderen, de dood in Zijn schaduwen, in Zijn lach de illusiewekkende energie en in Zijn lichaamshaar herkende hij de kruiden en planten. Met de rivieren als Zijn aderen, de stenen als Zijn nagels, en Zijn intelligentie als Heer Brahmâ, als de halfgoden en als de wijzen zag Bali in de zinnen van Zijn lichaam al de bewegende en niet-bewegende levensvormen [zie ook 2.1, 2.6, 3.12: 37-47 en B.G. 11]. (30-31) Toen de Asura's dit volledige van de werelden en alle zielen waarnamen, traden ze het, o Koning, met gejammer tegemoet: de Sudarsana werpschijf met zijn ondraaglijke hitte en de boog S'ârnga weerklinkend als de donder, het luide geluid van Zijn schelphoorn de Pâncajanya en de grote kracht van Vishnu's knots de Kaumodakî, Zijn zwaard de Vidyâdhara, het schild met de honderd manen alsmede Zijn pijlenkoker genaamd Aksayasâyaka (32-33) Zijn metgezellen met Sunanda en de andere leiders en plaatselijke godheden begonnen gebeden op te zeggen voor Hem, die zich aftekende met Zijn schitterende helm, armbanden, visvormige oorhangers, Zijn srîvatsa-merkteken, de beste der juwelen [de Kaustubha], Zijn gordel, gele kleding en bloemenslinger met bijen erin. Met één enkele voetstap o Koning, bestreek de Allerhoogste Heer Urukrama het gehele oppervlak van Bali's wereld, en bestreek Hij met Zijn lichaam de hemel en met Zijn armen de windrichtingen. (34) De tweede stap strekte zich uit tot al de hemelse plaatsen en voor de derde was er werkelijk geen plekje meer over daar Heer Urukrama met Zijn passen nu verder dan het verste verder voorbij de werelden der boete van de groten en de toegewijden reikte [zie ook 5.17: 1].
*: Prabhupâda: 'Er zijn twee soorten van hoog verheven toegewijden, genaamd sâdhana-siddha en kripâ-siddha . Sâdhana-siddha heeft betrekking op iemand die een toegewijde is geworden door het regelmatig in de praktijk brengen van de regulerende beginselen vermeld in de geschriften, de s'âstra's, op aanwijzing en in opdracht van de geestelijk leraar. Als men met regelmaat een dergelijke toegewijde dienst ten uitvoer brengt, zal men zeker na de nodige tijd de perfectie bereiken. Maar er zijn andere toegewijden, die wellicht niet al de vereiste details hebben ondergaan van de toegewijde dienst maar die, bij de bijzondere genade van de goeroe en Krishna - de geestelijk leraar en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God - meteen de volmaaktheid van zuivere toegewijde dienst hebben bereikt.' Bali Mahârâja werd zo'n kripâ-siddha -bhakta toegewijde.
Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer
(1) S'rî S'uka zei: 'Hij die op de lotus verscheen [Brahmâ] zag vanuit het oord van het ware [vanuit Satyaloka] hoe door de gloed van de Heer Zijn teennagels, het licht van zijn eigen verblijf was versluierd en had afgenomen en dus, o god der mensen, benaderde hij Hem samen met gezworen brahmacârî's als de wijzen aangevoerd door Marîci en Sanandana en de andere Kumâra's. (2-3) Volmaakt bedreven als ze waren met de Veda's en hun supplementen, de regelingen en het afzien, goed thuis in de logica, de geschiedenis, de didactiek, de klassieke verhalen, de vedische gevolgtrekkingen en zo meer, voegden nog weer anderen zich bij hun gezelschap, anderen van wie, aangewakkerd door de winden der yoga en het vuur van de spirituele kennis, alle karmische onzuiverheid ten einde was gekomen toen ze, door eenvoudigweg te mediteren en gebeden te brengen, het tot het bereik van de zelfgeborene hadden weten te brengen. Hij die was voortgekomen uit de lotus betoonde daarop in aanbidding Heer Vishnu's lotusvoeten de eer met offerandes van water en aldus was Hij behaagd, zeer behaagd door de eerbiedige toewijding die Hem ten deel viel van de kant van de meest gevierde vedische autoriteit, van hem die als een persoon was verschenen op de lotus die ontsprong uit Zijn navel [zie ook 3.8]. (4) Dat water van Heer Brahmâ's kamandalu, zuiver door het wassen van de voeten van Heer Urukrama, o koning der mensen, werd aldus de [hemelse] Svardhunî waarvan het vanuit de buitenruimte neerstromende water de drie werelden zuivert als de faam van de Allerhoogste Heer. (5) Zij die met Brahmâ waren, de heersende godheden van de verschillende werelden met het grootste respect voor hun meester, en brachten met al hun volgelingen de benodigdheden bijeen voor de aanbidding van de Oppermachtige Ziel die weer tot Zijn oorspronkelijke afmetingen was teruggekeerd. (6-7) Met water voor de voeten en voor de gasten, bloemenslingers, allerlei pasta's om mee in te smeren, wierook en lampen allen even geurig, gebakken rijst, hele granen, vruchten, wortels en jonge spruiten, betoonden ze hun respect 'Jaya, jaya' uitroepend naar de heerlijkheid van Zijn handelingen, waarbij ze dansten, zongen en muziekinstrumenten bespeelden begeleid door schelphoorns en paukengeroffel. (8) Jâmbavân, de koning van de apen [ook: beren], in vervoering de signaalhoorn blazend verkondigde overal in iedere richting het grote festival. (9) De Asura's die zagen dat al het land van hun meester, zo vastbesloten in het offer, verloren was gegaan op het simpele verzoek om drie stappen land, waren zeer nijdig: (10) 'Is deze brahmanenvriend niet in werkelijkheid Vishnu Zelve, die, als de grootste van alle bedriegers de gedaante van een tweemaal geborene aannemend, ons probeert om de tuin te leiden in het belang van de goddelijken? (11) Door Hem, de vijand, zich vertonend als een brahmacârî bedelmonnik, is ons alles wat onze meester bezat ontfutselt omdat hij, zwerend bij het ritueel, de uitoefening van de macht eraan gegeven heeft. (12) Immer zwerend bij de waarheid, gewijd voor de yajña en altijd het brahmaanse toegenegen, is hij persoonlijk niet in staat tot een leugen. (13) Het is derhalve onze plicht jegens onze meester deze gast hier een kopje kleiner te maken!', en zo namen al de asura volgelingen van Bali tegen zijn zin een veelheid aan wapens ter hand. (14) Vanuit hun kwade inborst ertoe gedreven stormden ze met hun drietanden en lansen geheven allen tezamen er op af, o Koning. (15) De aanblik van de op hen afkomende daitya krijgers, o heerser, deed de metgezellen van Vishnu glimlachen toen ze hen een halt toeriepen met het oppakken van hun wapens. (16-17) Nanda en Sunanda traden aan zowel als Jaya, Vijaya, Prabala, Bala, Kumuda, Kumudâksa, Vishvaksena, Patattrirâth [Garuda], Jayanta, Srutadeva, Puspadanta en Sâtvata; allen tezamen doodden zij sterk als duizend olifanten de asura soldaten.
(18) Toen Bali zag dat zijn mannen werden gedood door de medestanders van de Oorspronkelijke Persoon, herinnerde hij zich de vloek van S'ukrâcârya [8.20: 15] en gelaste hij hen, ondanks hun woede, zich terug te trekken: (19) 'O Vipracitti, o Râhu, o Nemi, luister alsjeblieft, vecht niet, stop hiermee, het is nu niet de tijd om dit te beslechten. (20) Die Meester van Alle Levende Wezens, die Man van Beheersing beslissend over vreugde en leed, kan door menselijke inspanning niet worden overtroffen, o Daitya's. (21) Voorheen werkte de tijd in ons voordeel en bracht ons de overwinning op de goddelijken, maar vandaag werkt de tijd, welke inderdaad de Allerhoogste Heer in het bestaan is, tegen ons. (22) Met geen enkele macht, raadgeving, slimmigheid, verdedigingswerk, toverspreuk of kruiderij, diplomatie of andere middelen of soortgelijke planningen is niet ook maar één enkele ziel de tijdfactor de baas. (23) Al deze volgelingen van Vishnu die dankzij de voorzienigheid de weelde genoten werden door jullie in grote getale verslagen en vandaag inderdaad staan ze te juichen òns verslaand in de strijd [zie B.G. 18: 13-15]. (24) We zullen bij de genade der voorzienigheid op hen allen de overwinning behalen en daarom moeten we nu de tijd afwachten die in ons voordeel is.
(25) S'rî S'uka zei: 'Nadat de daitya en dânava leiders hoorden wat hun meester hen zei gingen ze de lagere regionen binnen, o Koning, daarheen verdreven door de metgezellen van Vishnu. (26) Daarna, op de dag dat voor het offer de soma wordt genoten [soma-pâna], werd Bali, naar de wens van de meester van de koning der vogels [Heer Vishnu], door de zoon van Târkshya [Garuda] aangehouden, die hem bond met de touwen van Varuna. (27) Uit alle richtingen rees er overal in de hogere en lagere werelden een luide kreet van teleurstelling op vanwege het feit dat de asura leider door Vishnu, de machtigste die er was, werd ingerekend. (28) Beroofd van zijn luister bleef hij die zo grootmoedig en gevierd was o Koning, vastbesloten als altijd. Tot hem aldus gebonden door de touwen van Varuna sprak de Opperheer Vâmana: (29) 'Je hebt Mij drie stappen land gegeven, o Asura; met twee nam ik de gehele oppervlakte van de aarde in en nu ben je me nog een derde schuldig. (30) Zo ver als het licht reikt van de zon, de maan en de sterren, en zover als de regen reikt die uit de wolken naar beneden komt, bezit u al het bestreken land. (31) Met enkel één stap omsloot Ik de gehele omtrek van de aarde [Bhûrloka], met Mijn lichaam de hemel in alle richtingen in beslag nemend en met de tweede stap nam ik recht voor uw ogen voor Mezelf de hogere werelden in die u in bezit had. (32) Niet in staat om te geven wat u beloofde is het de regel dat u nu zelf ervan verstoken moet blijven; en erbuiten vallen is wat uw goeroe graag zou zien [zie ook 6.17: 28]. (33) Wie dan ook die een bedelmonnik bedriegt, tekortschietend in te geven wat was beloofd, komt ten val, en moet, ver verwijderd van het hogere leven, vruchteloos zijn geest afpijnigen. (34) Nu dat ik door u bedrogen ben middels de woorden 'dit beloof ik en daar ben ik zo trots op', zal u daarom, als gevolg van deze beledigende uitkomst, voor een aantal jaren van dit alles verstoken moeten leven'.
Bali Mahârâja Geeft Zich Geheel Over
(1) S'rî S'uka zei: 'Aldus met de Allerhoogste Heer in de problemen beland, o Koning, was Bali, de asura koning ondanks zijn benarde positie een onverstoorde ziel die positief een antwoord gaf met de volgende woorden. (2) S'rî Bali zei: 'Indien, o Heer Geprezen, U vanuit Uw goede zelf denkt dat de woorden van mijn belofte onwaarachtig bleken, o Grootste der Goden, laat U me dan, om waar te zijn in deze aangelegenheid en om niet in bedrog te zijn vervallen, mijn hoofd bieden waarop U de derde stap van Uw lotusvoeten kunt plaatsen. (3) Ik ben er niet zo bang voor in de hel te verblijven of in de boeien geslagen te zijn, voor moeilijk te verdragen leed en zeker ook niet voor een tekort aan middelen zoveel als ik vrees ben gaan koesteren voor de straf der ontluistering die ik nu van Uwe heerlijkheid te verduren krijg [vergelijk B.G. 2: 34 en 6.17: 28]. (4) Ik beschouw het als het beste wat een mens kan overkomen te worden bestraft door de aanbiddelijke Heer, het is werkelijk iets dat iemands moeder, vader, broeder of vrienden niet te bieden hebben [zie 10.14.8]. (5) U bent waarlijk, van de Asura's die wij zijn, indirect de allerhoogste goeroe daar U, het valse prestige vernietigend van de velen van ons die verblind zijn door materiële gemakken, de visie schonk. (6-7) Velen van hen die buiten de wijsheid om hun intelligentie vestigden op U middels een niet aflatende vijandelijkheid, bereikten de volmaaktheid welke, zo men weet, gelijk staat aan die van de yogi's. Daarom schaam ik, hoewel ik door Uwe Heerlijkheid zo vol van wonderen werd bestraft, me er niet voor of heb ik er veel onder te lijden aldus gebonden te zijn met de touwen van Varuna. (8) Mijn grootvader [Prahlâda] zoals op prijs gesteld door Uw toegewijden wordt overal geroemd als een heilige voor het feit dat hij U als de Allerhoogste Toevlucht had toen hij al de kwalijke dingen te verduren kreeg waar zijn vader mee aan kwam zetten in het eenvoudigweg tegen U ingaan [zie 7.5]. (9) Wat moet men met dit lichaam dat het ten leste op zal geven, wat moet men met al die profiteurs die doorgaand voor verwanten er vandoor gaan met de erfenis, wat heeft men aan een echtgenote die je alleen maar verder de materie in trekt en wat heeft het voor een persoon die zeker is van zijn dood voor een nut zijn leven te verspillen met huiselijke gehechtheden [zie ook 5.5: 8 en B.G. 18: 66]? (10) Zoals gezegd was hij, mijn grootvader de grote toegewijde zo wijs in zijn dienstbaarheid, beducht als hij was voor de mensen [om hem heen], werkelijk foutloos bezig in zijn vastbeslotenheid om met al de vrees die hij had zich over te geven aan de onwankelbare toevlucht van de lotusvoeten van U o Heer, o Beste der Besten die een einde heeft gemaakt aan al het demonische van ons. (11) Derhalve zoek ik bij U mijn toevlucht, ik die eveneens vijandig zijnde met de ziel door het lot met geweld werd ingerekend en verstoken raakte van al de weelde. Het tijdelijke van het materiële comfort dat iemand voor de duur van zijn leven confronteert met zijn eindigheid en de dood [zie 7.5: 30] is iets wat de enggeestige persoon niet bevatten kan.'
(12) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus zijn positie besprak, manifesteerde Prahlâda, de lieveling van de Heer [zie 7.9], zichzelf aldaar o beste van de Kuru's, precies zoals de maan dat doet als die opkomt aan de hemel. (13) Daar zag hij, de speer van Indra, zijn grootvader, de beste van al de goedgunstigen, aanwezig in zijn volle glorie: met ogen zo wijd als lotusblaadjes, prachtig gebouwd, gekleed in saffraan, met de pracht van een donkere huid en lange armen. (14) Gebonden in de touwen van Varuna kon hij hem niet als voorheen het verschuldigde respect betonen en dus bood hij Hem met ogen vol tranen, in verlegenheid met zijn gezicht naar beneden gekeerd, zijn eerbetuigingen. (15) Toen hij, de grote toegewijde, de Grote Meester ontwaarde, de Heer, daar zittend met volgelingen als Sunanda in aanbidding, benaderde hij Hem met gebogen hoofd en bewees hij Hem, tot vreugdetranen bewogen, zo met zijn hoofd de eer. (16) S'rî Prahlâda zei: 'Uwe heerlijkheid die deze zo heel hoge positie van Indra vergunde heeft die vandaag weer terug genomen, hetgeen ik als iets zeer moois beschouw. U hebt hem, met het hem ontzeggen van zijn weelde, een grote dienst bewezen aangezien het dat was wat zijn zelfverwerkelijking in de weg stond. (17) Het is waarlijk zelfs de meest geleerde en zelfbeheerste die zijn verstand met de weelde verliest in zijn zoeken naar het doel van het leven; ik ben U mijn respect verschuldigd, U de Beheerser van het Universum, Heer Narâyâna, Hij die waarlijk allen overschouwt.'
(18) S'rî S'uka zei: 'Zodat Prahlâda, die daar met gevouwen handen stond, het kon horen, o Koning, sprak de Meest Machtige van het Goud vanbinnen [Brahmâ] tot Hem die Madhu versloeg [de Heer]. (19) Bali's kuise vrouw [echter] die haar echtgenoot in de boeien geslagen zag, bood door de angst zwaar van streek met gevouwen handen voor Upendra [Heer Vâmana] haar eerbetuigingen en richtte zich tot Hem, o Koning, met haar gezicht naar beneden. (20) S'rî Vindhyâvali zei: 'Voor het heil van Uw spel en vermaak hebt U dit drievoudige universum geschapen, U bent de eigenaar maar de kwaadwilligen en anderen, o Beheerser, hebben onwetend zichzelf opleggend zich het eigenaarschap toegerekend; wat kunnen zij, de schaamtelozen, U nu bieden, U de Allerhoogste Schepper, Meester en Vernietiger [vergelijk B.G. 16: 13-15 en 18: 61]?'
(21) Heer Brahmâ zei: 'O Goedheid Aller levende Wezens, o Beheerser van een Ieder, o God der Goden, o Allesdoorvarende, stel nu alstUblieft deze persoon op vrije voeten die het zonder alles moet stellen - iemand als hij verdient het niet te worden gestraft. (22) Hij gaf U al het land terug, al de werelden - met grote vastbeslotenheid is zonder te wijfelen wat hij ook maar bereikte met zijn vroomheid allemaal aan U geofferd: alles wat hij bezit, zelfs zijn lichaam. (23) Aan Uw voeten met een oprechte geest offerde hij water, grassen en bloemknoppen. Hoe kan een dergelijke aanbidder ondanks zijn zo verheven offerandes, ondanks zijn aanbidding, U de drie werelden biedend, de pijn die werd bezorgd nu verdienen; niet dubbelhartig als hij is verdient hij de hoogste bestemming [B.G. 9: 26]!'
(24) De Allerhoogste Heer zei: 'O Brahmâ, Ik betoon hem Mijn genade en ontneem hem de rijkdom die van vals prestige is, want zo een afgestompt iemand heeft minachting voor de hele wereld! (25) Het levende wezen dat niet onafhankelijk is vanwege het karma en in verschillende levensvormen is gevangen in de materiële wereld, verlangt naar de hoge bestemming van het mens-zijn [zie ook B.G. 13: 22]. (26) Hij die met zijn geboorte, handelingen, leeftijd, lichamelijkheid, opvoeding, succes, welvaart en andere vormen van weelde niet verhard is [niet arrogant werd], moet in die hoedanigheid worden beschouwd als zijnde begunstigd door Mij. (27) Zaken als een hoge geboorte vormen de oorzaak van arrogantie en verbijstering; tezamen vormen ze voor het allerhoogste profijt van het leven hinderpalen, hinderpalen waar Mijn toegewijde niet het spoor door bijster raakt [zie ook 4.8-12]. (28) Deze Bali, de meest toegewijde en beroemde onder de Dânava's en de Daitya's, heeft reeds de onoverkomelijke materiële energie overwonnen; ondanks dat hij zijn weelde verloor is hij niet verdwaasd. (29-30) Zonder alle rijkdom, neergevallen uit zijn verheven positie, door het slijk gehaald en ingerekend door zijn vijanden, in de steek gelaten door zijn familie en verwanten, alle mogelijke soorten van moeilijkheden doorstaan hebbend, terecht gewezen en vervloekt door zijn goeroe, heeft hij, vasthoudend aan zijn gelofte, het niet opgegeven met het waarachtige, het dharma waar Ik het zo misleidend terwille van de gift over had; zijn woord getrouw wist deze hier van geen wijken. (31) Door Mij heeft hij een plaats bereikt die zelfs voor de halfgoden moeilijk te verkrijgen is; in de tijd van Sâvarni Manu [zie 8.13: 10-11] zal hij de Indra worden die Mijn volledige steun en bescherming geniet. (32) Tot die tijd kan hij in alle vrijheid leven in Sutala [zie 5.24: 18] de plaats ontworpen door Vis'vakarmâ alwaar het voor de bewoners door Mijn bijzondere waakzaamheid onmogelijk is gemaakt dat men psychisch of fysiek gebukt gaat onder saaiheid, uitputting of verslagenheid. (33) O Speer van Indra, o Mahârâja ga nu liever heen o heerser, moge er daar in Sutala, zo begeerlijk voor zelfs degenen van de hemel, omringd door de uwen, al het goedgunstige zijn voor u. (34) Geen van de plaatselijke grootheden daar zullen ertoe in staat zijn u de loef af te steken, om nog maar te zwijgen van de gewone man, daar Ik met mijn cakra er voor zal zorgen dat al de Daitya's die in overtreding zijn met uw regel het af zullen leggen. (35) Ik zal u beschermen, uw metgezellen en uw eigendom, en zal u in ieder opzicht altijd ter zijde staan, o grote held, u zal in staat zijn Mij daar te aanschouwen! (36) Door acht te slaan op Mijn uitnemendheid zal in die plaats de domheid van de asura mentaliteit van de Daitya's en de Dânava's terstond weggevaagd worden.'
* "Hij die uw mededogen zoekt en zo allerlei soorten van ongunstige omstandigheiden te verduren krijgt als gevolg van het karma van zijn daden in het verleden, hij die altijd over gaat tot Uw toegewijde dienst met zijn geest, zijn woorden en zijn lichaam, en hij die altijd U eerbetuigingen brengt is voorzeker een bonafide kandidaat voor de bevrijding." (Bhag. 10.14.8)
De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen
(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat de grote en verheven ziel [Bali], die de goedkeuring wegdroeg van de heiligen, aldus was toegesproken door de Oorspronkelijke, Oudste Persoon, sprak hij vol van toewijding met gevouwen handen, met tranen in zijn ogen en een haperende stem. (2) S'rî Bali zei: 'Hoe wonderbaarlijk is het dat, in de enkele poging mijn respect te betuigen voor de regulerende beginselen zoals nageleefd door de zuivere toegewijden, het voor een gevallen Asura als ik, met het geschenk van Uw grondeloze genade, mogelijk is geworden wat voorheen niet kon worden bereikt door de goddelijken of de leiders van de wereld!'
(3) S'rî S'uka zei: 'Dit tegen de Heer gezegd hebbende bood hij Hem, Heer Brahmâ en Heer S'iva zijn eerbetuigingen en ging Bali bevrijd en op die manier tevreden met zijn metgezellen vervolgens Sutala binnen. (4) En zo oefende de Allerhoogste Heer die, met in het vervullen van Aditi's wensen, aan koning Indra zijn heerschappij over de hemelse werelden had teruggeven, Zijn heerschappij uit [zie ook 8.16: 11-17]. (5) Prahlâda die in zijn extatische toewijding had meegekregen hoe zijn nazaat, zijn kleinzoon Bali, Zijn genade had verworven en was verlost uit de gebondenheid, sprak toen als volgt [tot de Allerhoogste]. (6) S'rî Prahlâda zei: 'Met deze zegening, welke niet bereikbaar was voor Heer Brahmâ, door de Godin van het Geluk of door Heer S'iva - om nog maar te zwijgen over anderen -, bent U voor ons Asura's de Beschermer Tegen Alle Misère geworden, Hij wiens voeten worden aanbeden door hen die vereerd worden in het ganse universum! (7) Heer Brahmâ en anderen, o Toevlucht van Allen, genieten Uw genade met de smaak van de honing van het dienen van de lotus gevormd door Uw voeten; hoe hebben wij, schuldige escapisten geboren uit afgunst, de positie kunnen bereiken die wordt vergund door de genadevolle blik van Uwe Heerlijkheid? (8) O hoe wonderlijk zijn al de werken van Uw onbegrensd spiritueel vermogen: in Uw optreden bent U, U uitbreidend in dienstbaarheid, de Ene die al de werelden schiep, o Heer allen doorvarend en gelijkgezind; onverdeeld te zijn is de aard van Uw liefde voor de toegewijden daar U van nature de wensboom bent [zie B.G. 9: 29].'
(9) De Allerhoogste Heer zei: 'Mijn zoon Prahlâda, ik wens je al het goede toe, ga alsjeblieft en geniet van de plaats Sutala je verheugend in het geluk met je kleinzoon, verwanten en vrienden! (10) U zich daar ophoudend zult naar Mij toe de constante aanblik genieten van Mij als de drager van de knots en Mij aldus beziend zal de gebondenheid van het baatzuchtig handelen door de grote verrukking worden verslagen.'
(11-12) S'rî S'uka zei: 'Prahlâda, met zijn verstand helder, accepteerde met gevouwen handen instemmend de opdracht van de Allerhoogste Heer, o Koning, en nadat hij de Meester van alle leidende Asura's om de Oorspronkelijke Persoon heen had gelopen en zijn eerbetuiginge had gebracht betrad hij samen met Bali met Zijn permissie de grootse plaats Sutala. (13) Daarna zei de Heer tot S'ukrâcârya die in de bijeenkomst van brahmaanse volgelingen vlak bij Hem, Nârâyana, neerzat in een groep van priesters [brahma, hotâ, udgâtâ en adhvaryu]: (14) 'O brahmaan, beschrijf alstublieft de karmische tekorten van uw discipel in het uitvoeren van het offer daar die karmische moeilijkheden [zie 8.20: 15] zullen worden geneutraliseerd als ze door de brahmanen in overweging worden genomen.'
(15) S'rî S'ukra zei: 'Wat zou er verkeerd zijn aan hem die in alle opzichten van aanbidding was voor Uwe Heerlijkheid die de meester bent van alle vruchtdragend handelen; U bent de Beheerser en Genieter van alle offers [zie ook 4.31: 14, 1.2: 13 en B.G. 5: 25]. (16) Naar de tijd en plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid [*]. (17) O Allerhoogste, omdat U het hem zei was Bali vrij van fouten echter en moet ik me naar Uw opdracht schikken daar het het meest goedgunstige en allerhoogste voor iedere persoon is de handen te vouwen naar de door U ingestelde orde.'
(18) S'rî S'uka zei: 'Aldus in reactie op de opdracht van de Heer zijn eerbetuigingen brengend zette Us'anâ [S'ukrâcârya, zie 4.1: 45] de machtigste zich samen met de beste der brahmanen aan de taak het gebrekkige offer dat Bali had gebracht voor de Heer te compenseren. (19) O Koning, op deze manier van Bali het land afgesmeekt hebbend overhandigde de Heer die de gedaante van een dwerg had aangenomen aan Zijn godsbroeder de grote Indra de plaatsen der goden die de anderen hen hadden ontnomen. (20-21) De meester der stamvaderen Heer Brahmâ, samen met de godvrezenden, de heiligen, de voorouders, ieder van zijn zoons ['Heer S'iva en Kârttikeya'], de Manu's en al de grote leiders zoals Daksha, Bhrigu en Angirâ, accepteerden voor het genoegen van Kas'yapa en Aditi [als de ouders van Vâmana] en voor het welzijn van alle levende wezens en werelden, Heer Vâmana als de hoogste leider van alle plaatselijke autoriteiten. (22-23) Van de Veda, van alle goden, van alle religie, van alle roem, van alle weelde, van alle goedgunstigheid, van alle geloften het allerdeskundigst in het bevorderen tot een hoger leven maakten zij in die tijd de weg vrij voor Upendra als de meester voor alle doeleinden en dat maakte alle levende wezens buitengewoon gelukkig, o heerser der mensen. (24) Indra die daarna, met al de plaatselijke leiders, enkel nog Heer Vâmana voor ogen hield op het hoge pad der goddelijkheid ['het hemelse voertuig'] bracht het aldus, goedgekeurd door Heer Brahmâ, met Hem tot het hemelrijk. (25) Op het herwinnen van de drie werelden genoot Indra alzo onder de bescherming van Vâmanadeva de weelde en heerschappij die hij gewoon was en had hij niets te vrezen van de Asura's. (26-27) Brahmâ, een ieder van zijn zoons, Bhrigu en de anderen, de muni's, o Koning en de voorvaderen, alle levende wezens, de vervolmaakten en de engelen ['zij die door de hemel reizen'] en dergelijken, verheerlijkten allen tezamen de ongewone en wonderbaarlijke, lofwaardige daden van Heer Vishnu alsook van Aditi en vertrokken toen ieder naar hun eigen wereld.
(28) Als men verneemt, o vreugde van de dynastie, over al deze handelingen van Heer Urukrama [de Heer 'der grote stappen'] die ik u beschreef, wist dit alle gevolgen van de zonde weg. (29) Wat betreft het inschatten van de heerlijkheden van Hem zo groot in Zijn stappen moge een persoon al de atomen van de planeet aarde proberen te tellen; geen sterveling die gedoemd is te worden herboren, noch een sterveling die van wedergeboorte is, is hiertoe in staat zo stelde de grote heilige [Vasishthha Muni] het in zijn mantra's aangaande de Oorspronkelijke Persoon [hier Heer Râma, zie ook B.G. 10: 42 en **]? (30) Een ieder die verneemt over en blijft vernemen over deze God aanbeden door de goden, de Heer Hari wiens werken in al Zijn incarnaties teruggevonden allen even wonderbaarlijk zijn, zal de hoogste bestemming bereiken. (31) Wie dan ook die dit doet behoort in het bezig zijn terwille van de goden, de voorvaderen of anders het genoegen van het menselijk samenzijn, te weten dat waar en wanneer het ook maar wordt beschreven, dat iemand alle geluk zal brengen.'
* Vaak aangehaald in dit verband is wat S'rî Caitanya Mahâprabhu heeft aanbevolen:
harer nâma harer nâma
harer nâmaiva kevalam
kalau nâsty eva nâsty eva
nâsty eva gatir anyathâ"In dit tijdperk van de redetwist en de hypocrysie bestaat de enige manier om bevrijd te raken eruit de heilige naam van de Heer te zingen. Er is geen andere manier, er is geen andere manier, er is geen andere manier." (Brihan-nâradîya Purâna 38.126)
Ook wordt hierbij vaak een deel van vers 11.5: 32 aangehaald: 'In het Kali-tijdperk, houden intelligente mensen zich bezig met samenzang om de incarnatie te vereren van God die zonder ophouden de namen van Krishna zingt. '
** Vasishthha Muni heeft een mantra nagelaten over Heer Vishnu: 'na te vishnor jâyamâno na jâto mahimnah pâram anantam âpa': 'Niemand is in staat zich een idee te vormen van de omvang van de ongewone, glorieuze activiteiten van Heer Vishnu'.
Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer
(1) De achtenswaardige koning zei: 'O machtige, ik zou graag het verhaal horen over die eerste incarnatie van de Heer zo wonderbaarlijk in Zijn daden waarin Hij eenvoudigweg wordt begrepen bij de illusoire gedaante van een vis [of Matsya, zie ook 2.7: 12, 5.18: 24-28 en 6.9: 23]. (2-3) Met welk doel nam de Beheerser de gedaante van een vis aan, een vorm die zeker niet de meest gunstige is in de wereld; om op te treden in die trage geaardheid der materie moet zo zwaar zijn als het leven van iemand onder de wetten van karma! O machtige wijze, vertel ons alstublieft zo goed als u kan alles over de wederwaardigheden van Heer Uttamas'loka ['de Verheerlijkte'], daar over Hem te vernemen is wat de wereld gelukkig maakt [B.G. 4: 7].'
(4) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "Aldus verzocht door Vishnurâta ['door Vishnu gezonden'] vertelde de zo machtige zoon van Vyâsadeva hem alles wat er te weten viel over de daden van Vishnu in de gedaante van een vis. (5) S'rî S'uka zei: 'Ter wille van de koeien, de brahmanen, de verlichte zielen, de toegewijden en zelfs de vedische literatuur neemt de Allerhoogste Beheerser in Zijn incarnaties gedaanten aan om het dharma en de bedoeling van het leven veilig te stellen. (6) Lager of hoger onder de levende wezens is de Beheerser [Zelve], precies zoals de lucht die zich hier en daar beweegt, niet hoger of lager met de gedaanten die Hij aanneemt; Zijn wil uitoefenend met de geaardheden staat Hij boven de geaardheden. (7) In de vorige dag van Brahmâ [kalpa], was er aan het eind bijgevolg een overstroming en waren al de bestaande werelden ondergedompeld in de oceaan, o Koning. (8) Op dat moment wilde Brahmâ die zich slaperig voelde te ruste leggen en kwam uit zijn mond zeer krachtig de vedische kennis voort die door Hayagrîva die daar in de buurt was in bezit werd genomen [zie 2.7: 11 en 5.18: 6]. (9) Die dânava manier van doen van Hayagrîva begrijpend nam de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de gedaante van een vis aan. (10) Toen zich dat voltrok was er een wijze koning genaamd Satyavrata, een grote persoonlijkheid en toegewijde van Heer Nârâyana, die in zijn boetedoeningen van de ascese was van het enkel drinken van water. (11) In de huidige dag van Brahmâ was hij iemand die, als een zoon van de zonnegod, bekend werd met de naam S'râddhadeva en door Heer Hari de positie van Manu werd toevertrouwd [zie 6.6: 40 en 8.13: 1]. (12) Toen hij op een dag aan de Krtamâlâ rivier zat, wateroffers brengend, manifesteerde in zijn palm vol water zich een soort visje. (13) Satyavrata, de meester van Dravidadesa, o zoon van Bharata, gooide het visje met de handvol water in de rivier. (14) Een beroep doend op de grootmoedige Koning zei het: 'Het rivierwater is zeer angstwekkend, o beschermer der zwakken, waarom gooit u Mij, zo klein, voor de vraatzuchtige waterdieren, o Koning?'
(15) Er zeer blij mee het zijn persoonlijke gunst te bewijzen besloot hij, zonder te weten dat hij de gedaante van Matsya vasthield, het visje zijn bescherming te bieden. (16) De grote heerser die de meelijwekkende woorden van het visje hoorde deed het genadig in het water van een pot en nam het mee naar huis. (17) Maar uitdijend in het water van die pot kon het op een dag zich er niet meer lekker in voelen en zei het daarom tot de grote leider: (18) 'In deze pot heb Ik het moeilijk, Ik kan niet in zo'n ruimte leven, zie alstublieft om naar een wat ruimer bemeten verblijf waar Ik naar genoegen kan leven'
(19) Hij haalde het er toen uit en deed het in een grote bron, maar daarin geworpen groeide het binnen een seconde uit tot de lengte van drie el [2.10 meter]. (20) [Hij zei:] 'Deze plas is niet geschikt voor Mij, ik kan hier niet gelukkig in leven, gun alstublieft Mij, die bij u Zijn beschutting zocht, een plaats die veel ruimer is!'
(21) De koning Hem daar weghalend gooide Hem, o Koning, in een meer dat onmiddellijk door Zijn lichaam gevuld raakte toen Hij uitgroeide tot een gigantische vis. (22) 'Dit water waar u Me ingegooid hebt is in het geheel niet naar Mijn zin, o Koning, Ik ben een groot waterdier, stop Me liever in een grote zee van water die Me meer duurzaam van pas komt'.
(23) Aldus verzocht bracht hij Matsya naar steeds weer grote wateren totdat hij uiteindelijk de gigant in de oceaan gooide. (24) Daarin geworpen zei Hij tot de koning: 'Hier zijn er gevaarlijke waterbeesten die al te machtig Mij willen verorberen, o held, u moet Me daarom hier niet inwerpen!'
(25) Aldus zich verbazend over de vis die zich allerliefst tot hem richtte zei hij: 'Wie bent U die in deze vissengedaante ons versteld doet staan? (26) Zo'n energieke vis als U heb ik nog nooit gezien of van gehoord: Uwe Heerlijkheid bent in één dag uitgegroeid tot honderden kilometers! (27) U met Uw aannemen van de vorm van een zeedier, moet de Allerhoogste Heer in eigen persoon zijn, de onuitputtelijke Heer Nârâyana hier aanwezig om Uw genade te tonen aan alle levensvormen. (28) Ik biedt U, de allerverhevenste Persoonlijkheid van Handhaving, Schepping en Vernietiging mijn eerbetuigingen; voor overgegeven toegewijden als ik bent U daadwerkelijk de Allerhoogste Meester, de Hoogste Bestemming, o Almachtige. (29) Alles wat U doet in Uw incarnaties vormt de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens; ik zou graag weten met welke bedoeling Uwe Heerlijkheid deze gedaante heeft aangenomen. (30) Nimmer kan de aanbidding van Uw lotusvoeten, o Lotusblaadjesogige op niets uitlopen: U bent de vriend, de meest geliefde, de oorspronkelijke ziel namelijk van iedereen, van al de godheden verschillend belichaamd en geestelijk bepaald en voor ons hebt U nu waarlijk dat zo hoogst wonderlijke lichaam gemanifesteerd.'
(31) S'rî S'uka zei: 'Zich aldaar op die manier uitlatend werd die meester der mensen, Satyavrata, toegesproken door de Meester van het Universum, de Heer die als de ene, ware liefde van de toegewijden aan het einde van de yuga, terwille van het genieten van Zijn spel en vermaak, in het water van de grote vloed de vorm van een vis had aangenomen. (32) De Allerhoogste Heer zei: 'Vanaf de zevende dag na heden zal deze drievoudige schepping van aarde, ether en hemel, worden overspoeld door de alles verzwelgende oceaan. (33) Als de drie werelden zijn verzonken in de wateren der voleinding, kan u te dien tijde rekenen op het verschijnen van een zeer groot schip door Mij aan u gezonden. (34-35) Verzamel om u op die tijd voor te bereiden met [de wijsheid van] de zeven wijzen alle hogere en lagere soorten van kruiden en zaden en begeef u, u omringend met alle soorten van levende wezens, op die gigantische boot om onverschrokken de oceaan van de vloed te bevaren met geen ander licht dan de gloed van de rishi's. (36) Bindt met het grote serpent [Vâsuki] die boot, heen en weer geslingerd door de o zo machtige wind, vast aan Mijn hoorn, want Ik sta u bij. (37) Ik zal u, samen met de wijzen in het schip, met Me meetrekken door de wateren voor zolang de nacht van Brahmâ duurt, o mijn beste. (38) Door Mijn raad en steun zal zich in uw hart volledig de kennis van Mijn glorie openbaren die bekend staat als het Opperste Brahman [zie ook B.G. 5: 16, 10: 11].'
(39) Na de koning aldus te hebben geïnstrueerd verdween de Heer vandaar. De koning wachtte toen de tijd af waar de Meester der Zinnen het met hem over had gehad. (40) kus'agras uitspreidend met de toppen naar het oosten zat de heilige koning noordwaarts met zijn gezicht om te mediteren op de voeten van de Heer die was verschenen in de gedaante van een vis. (41) Met enorme, onophoudelijk regenende wolken in de hemel zag hij hoe vervolgens de oceaan overstroomde aan alle kanten en zo de aarde meer en meer onder water kwam te staan. (42) Zich herinnerend wat de Heer had gezegd zag hij een boot op zich afkomen waar hij, met het meenemen van de kruiden en klimplanten, samen met de wijzen aan boord ging. (43) De wijzen zeer verheugd zeiden tot hem: 'O Koning mediteer op Kesava ['de Heer met de zwarte lokken'] daar Hij ons werkelijk zal redden van het ophanden zijnde gevaar en orde op zaken zal stellen.'
(44) Hij door de koning bemediteerd verscheen daarna in de grote oceaan als een talloos aantal yojana's grote gouden vis met een enkele hoorn. (45) Blij dat hij de boot aan die hoorn kon vastleggen met behulp van het grote serpent als touw op de manier zoals de Heer dat voordien had aangeraden, stelde hij de Doder van Madhu tevreden. (46) De koning zei: 'Sedert mensenheugenis is onwetendheid omtrent de kennis van de ziel de grondoorzaak geweest van de materiële gebondenheid die zoveel lijden en beproevingen met zich meebrengt; met de genade God's kan, met de ondersteuning van de kant van de leraar van het voorbeeld, in bevrijding [d.w.z. in toegewijde dienst, zie 7.5: 23-24] Hij, onze Allerhoogste Heer en Geestelijk Leraar, worden bereikt. (47) Hij die geboren werd, aanvaardt onwijs als gevolg van zijn karma verschillende lichamen in zijn verlangen gelukkig te zijn [zie 4.29 en B.G. 4: 5, 6: 45 en 16: 20], maar zijn baatzuchtige plannen brengen hem alleen maar verdriet; door dienst te leveren wordt die kwestie opgehelderd en wordt met Hem, onze goeroe in de kern van ons hart, de hechte knoop van de geest der onwaarheid doorsneden. (48) Middels die dienst is, precies als met een brok erts dat in aanraking met vuur wordt gezuiverd, een persoon in staat al de onzuiverheid op te geven waar hij uit onwetendheid mee zit en kan hij zijn oorspronkelijke identiteit doen herleven [zijn roeping of varna]; laat Hem, die in die zin de Onuitputtelijke is, onze Allerhoogste Beheerser zijn, de Goeroe der Goeroes. (49) Anderen met elkaar of individueel of zelfs de halfgoden en de goeroes kunnen de vergelijking met nog niet één tienduizendste van Uw genade doorstaan; laat ik me overgeven aan Hem, de Beheerser, aan U, aan die toevlucht. (50) Zoals een blinde zich laat leiden door een blinde, aanvaard men net zo onwijs een persoon als goeroe die tekort schiet in de kennis; Uwe heerlijkheid verschijnend gelijk de zon als de ziener van alles dat kan worden gezien, bent aanvaard als de geestelijk leraar van ons, van mij, de verlichte persoon die zijn bestemming kent. (51) Met wat men als een gewoon mens van normale personen opsteekt is men van overgave aan het tijdelijke als het levensdoel en van een onwetendheid die onoverkomelijk is, maar met de onvergankelijke, zuivere kennis van U bereikt een persoon zeer spoedig de positie die hem eigen is. (52) U bent van alle werelden de meest geliefde weldoener, de beheerser, de oorspronkelijke ziel en geestelijk leraar, de spirituele kennis, de vervulling van alle verlangens en degene die zich in het hart bevindt en die door in begeerte verstrikte mensen die een wazig verstand hebben niet kan worden gekend. (53) Moge door mijn overgave aan de Verhevene die U bent, de Grootste van Allen aanbeden door de goden, de Allerhoogste Beheerser voor het begrip van de werkelijke bedoeling van het leven; bij het licht van Uw veelbetekenende woorden van instructie, de knopen gelegd in het hart doorsneden worden, o Opperheer, alstUblieft zeg me waar ik thuis hoor [zie ook B.G. 4: 34].'
(54) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken verschafte de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon die de gedaante van Matsya had aangenomen, uitleg aan de koning over de Absolute Waarheid terwijl ze zich voortbewogen over de grote oceaan. (55) Zo raakte de heilige koning Satyavrata toen op de hoogte van de oude verhalen, de Purâna's; de vedische instructies, de Samhitâ's; het bovenzinnelijke, het divya; het analytische, de sânkhya; het zichzelf verbinden met het goddelijke met een verenigd [Krishna- of natuurlijk] bewustzijn, de yoga; het praktische van het ermee leven, de kriya; en al de mysteriën der zelfrealisatie in al haar vormen. (56) Hij, zich bevindend in de boot met de wijzen, vernam aldus over de overgeleverde kennis van de traditie van de wetenschap der zelfrealisatie zoals die, boven alle twijfel verheven, door de Allerhoogste Heer werd uitgelegd. (57) Toen de laatste overstroming teneinde was droeg de Heer aan Brahmâ, teneinde hem op te wekken, al de vedische verslagen nadat Hij een einde had gemaakt aan de duisternis veroorzaakt door Hayagrîva. (58) Koning Satyavrata verlicht in de geestelijke kennis en haar praktische wijsheid werd bij de genade van Heer Vishnu in deze periode Vaivasvata Manu.
(59) Iemand die naar de beschrijving luistert van dit grootse verhaal van Satyavrata de wijze koning en de Matsya-incarnatie met de ene hoorn, raakt bevrijd van alle terugslagen der zonde. (60) Een ieder die dagelijks het persoonlijk verschijnen van de Heer vereert zal slagen in zijn ondernemen en terugkeren naar huis, terug naar God. (61) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Oorzaak der Oorzaken, Hij die, Zich voordoend als een vis, voor het heil van Satyavrata de vedische kennis uiteenzette en een einde maakte aan de daitya duisternis met het teruggeven van de vedische verslagen die waren gestolen uit de monden van Heer Brahmâ die lag te slapen in de wateren van de vloed.'
Aldus eindigt het achtste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'De Aanzet tot de Schepping'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/