A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

L

 

Lâghava: (vaardigheid, snelheid, lichtheid, gedachteloosheid, achteloosheid) aan waarde inboeten door adharma. Ook lafheid genoemd.

Lakshmâna: broer van Râma die met hem mee de wildernis inging bij Zijn verbanning. Wordt gezien als een incarnatie van Sankarshana.

- Gespeld Lakshmanâ: naam van een vrouw van Krishna en een dochter van Duryuodhana die elk door Krishna en Sâmba op hun svayamvara werden ontvoerd (zie 10.83: 17; 10.68.1).

Lakshmî: of de godin van het geluk; de eeuwige metgezellin van de Heer in Zijn Nârâyana-gedaante, waarin Hij in de Vaikunthha-werelden verblijft.

- Andere namen voor haar zijn: S'rî: de schoonheid en Ramâ ofwel de echtgenote, de schittering, het fortuin en Kânti, de vrouwelijke schoonheid, de schittering van de maan.

- Ook de naam voor geld gebruikt in toegewijde dienst.

Lichaam, Geestelijk-: Oorspronkelijke gedaante van het levend wezen. Het bestaat uit de geestelijke elementen sat, cit en ânanda (sac-cid-ânanda), respectievelijk: absolute eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid (zie ook: svarupa, geestelijk  ego).

Lichaam, Stoffelijk of Materieel-: Het tijdelijk "gewaad" dat de gebonden ziel omhult (zie ook mâyâ en ahamkara).

Lîlâ: het bovenzinnelijk spel en vermaak, de avonturen, de wederwaardigheden van de Heer.

Lîlâ-avatâra's: ontelbare incarnaties soms kalpa-avatâra's genaamd omdat ze verschijnen in iedere kalpa, zoals Matsya, Kûrma, Râma en Nrisimha, die nederdalen om in de stoffelijke wereld het geestelijk spel van de Persoonlijkheid Gods te ontvouwen (zie avatâra, lîlâ).

- "Er zijn ook lîlâ-avatâra's, en tot dezen behoren (1) Catuhsana (de Kumâra's), (2) Nârada, (3) Varâha, (4) Matsya, (5) Yajña, (6) Nara-Nârâyana, (7) Kardama, Kapila, (8) Dattâtreya, (9) Hayas'îrs'â, (10) Hamsa, (11) Dhruva priya, of Pris'nigarbha, (12) Rishabha, (13) Prithu, (14) Nrisimha, (15) Kûrma, (16) Dhanvantari, (17) Mohinî, (18) Vâmana, (19) Bhârgava Paras'urâma, (20) Râghavendra ('leider van de Raghava's' ofwel Râma), (21) Vyâsa, (22) Pralambâri  Balarâma ('de vijand van Pralamba'), (23) Krishna, (24) Buddha en (25) Kalki (Caitanya-caritâmrita, Madhya lîlâ20:244 Purport).

Linga: het subtiele lichaam; dat deel van iemands wezen dat men meeneemt naar een volgend leven, het omvat de persoon in zijn materiële identificaties en geest (zie 4:29).

- Geest, intelligentie en vals ego in één (7.2: 47).

- Een van de zestien vormen waarin S'iva wordt aanbeden overeenkomstig de zestien elementen om de weelde te verwerven behorende bij dat element. Voorheen bestonden er twaalf dominerende S'iva -linga's, maar het totale aantal lingas in India wordt geschat op dertig miljoen.

- De linga ook als symbool van het mannelijk geslachtsdeel wordt in steen in de combinatie met de yoni waaruit hij dan oprijst aanbeden als de vereniging van de kosmische energie in de S'iva-cultuur (zie ook tantra-yoga).

- Een merkteken, een plek, een teken, een embleem, een kenteken, een kenmerk; een symptoom, teken van ziekte; wat dan ook als teken of kenmerk hebben; iedere aangenomen of valse aanduiding of kenteken, verhulling, vermomming; een bewijs; een teken van schuld, corpus delicti; geslachtskenmerk, sexueel teken; het beeld van een god, een beeltenis; het onmiskenbare teken dat het bestaan van iets bewijst in een object zoals in de voorstelling van "waar rook is is vuur"; gevolgtrekking, conclusie, reden; wat dan ook met een oorsprong en derhalve onderhevig aan weer vernietigd worden.

- De onbewerkte stam of niet verbogen stam van een zelfstandig naamwoord; een aanduiding, een woord dat er toe dient de betekenis vast te leggen of van een ander woord.

- De orde van de religieuze student.

Lobha: bezitsdrang (zie anartha's)

Logica: zie nyâyika.

Loka: planeet, ster, wereld, verblijfplaats. Verdeeld in veertien: vijf hogere, een van de atmosfeer, de aarde en zeven lagere.

- Tri-bhuvana: de drie werelden van hemel, hel en vagevuur.

- In drieën de werelden van de aarde de atmosfeer en de hemel: Bhûr, Bhuvah Svah.

- Svah: De vijf hemelse werelden: Svarloka, Maharloka, Janaloka, Tapoloka, en Satyaloka.

- Bhuvarloka:het bereik van de lucht, de atmosfeer, de levenskracht.

- Bhûrloka: of aardse gebieden, de middelste de madhya of martyaloka's met inbegrip van de zeven lagere, âdo, te weten Pâtâla, Rasâtala, Atala, Vitala, Nitala, Talâtala, Mahâtala en Sutala (zie S.B. 2-5:36-40; 2-1: 26-39 en 11.24: 11-14).

- Er is ook nog een vijftiende wereld: siddhaloka, de plaats voorbij deze drie waar degenen van volmaaktheid heen gaan.

- In zeven opgedeeld zijn het: bhûh, bhuvah, svah, mahah, janah, tapah en satya. Hun aanheffingen worden vyâhritis genoemd (zie 12: 6: 44).

- Caitanya Mahâprabhu bij Zijn genade bevorderde de meest gevallen zielen van Kali-yuga tot voorbij deze werelden en zelfs tot voorbij Vaikunthha, tot de allerhoogste leefwereld van Krishna in de geestelijke hemel, genaamd Goloka Vrindâvana.

- 'Een brahmacâr î die volmaakt het celibaat beoefent in een bepaalde fase van zijn leven bereikt Maharloka, en iemand die dat volmaakt zijn leven lang doet bereikt Janaloka. Door het volmaakt naleven van de vânaprastha-orde kan men Tapoloka bereiken, en in de wereldverzakende orde bereikt men Satyaloka' (pp. 11.24.14).

Lokâyatika's: ('iemand met ervaring in wereldse zaken') een groep aan de boeddhisten verwante filosofen, die op aarde aanwezig waren toen Heer Krishna de Bhagavad-gîtâ sprak.

Lotusvoeten: van Pâda, voeten. Men zegt dat Krishna lotusvoeten heeft om aan te geven dat:

1) Zijn voeten nooit weggaan van Krishnaloka, dat de vorm van een lotus heeft.

2) Zijn tenen op lotusblaadjes lijken.

3) Zijn voetzolen rood als een lotus zijn en bovendien het merkteken van een lotus te zien geven.

4) De schoonheid, zachtheid en frisheid van Zijn voeten die aan dezelfde eigenschappen als die van de lotus doen denken.

Men zegt tevens van Krishna, maar ook van Zijn expansies en zuivere toegewijden, die Hem vertegenwoordigen, dat ze lotusvoeten hebben, om aan te geven dat ze, zoals de lotus die zich in het water bevindt nooit door het water bevochtigd wordt, hoewel ze zich in kontakt met mâyâ bevinden, nooit door de stoffelijke energie worden besmet. In die zin verwijst de term naar de beschutting van de Heer, daar waar men zijn toevlucht zoekt in geestelijke nood.

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rîmad Bhâgavatam | Bhagavad Gîtâ | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties