2.8
Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me
van mijn zinnen berooft, verdrijven kan. Ik zal het niet
kunnen uitbannen, ookal win ik een onbetwist koninkrijk
op aarde of de heerschappij van een halfgod in de
hemel.
T o
e l i c h t i n g
A
r j u n a is in
staat van begoocheling. Hij is in m
â y â.
Zijn verstand volgt de heerschappij der verlangens in de
illusie van ik en mijn (a
s m i t â).
Mijn koninkrijk, mijn familie, mijn verdriet, mijn
behoeften. Ik wil dit en ik wil dat. De illusie van ik en
mijn, samenhangend met de hang naar beheersen en
bezitten, streeft voorbij aan wat men samen heeft.
A
r j u n a is in
zijn verdriet eenzaam. Hij torst de wereld op zijn
schouders. Het atlas-syndroom bestaat uit een overspannen
verantwoordelijkheidsgevoel. Omdat in wezen geen enkel
levend wezen alleen is, het leven is nu eenmaal
interaktie, moeten we dit syndroom illusie noemen. Als
men samen is speculeert men in staat van illusie altijd
over wie er de baas is en hoe men de ander te slim af kan
zijn. Dit resulteert altijd in wanhoop en waanzin. God is
dat bekende gevoel van ik ben ik en hoe meer aandacht
ervoor, hoe beter. De materieel denkende mens heeft dan
altijd aandacht van anderen nodig. Anders wordt men
onzeker. Dit mondt altijd uit in diktatuur. Nimmerzat
heeft zich verheven en uitgeput laat dan maar zitten. Dit
leidt maatschappelijk tot chaos. Men geniet in
m
â y â
graag het voordeel van de twijfel, zonder te beseffen dat
de twijfel eigenlijk vooral aangewend dient te worden om
zichzelf te kritiseren om de eigen fouten te kunnen
vinden. In m
â y â
ontwikkelt zich dan ook geen wezenlijke kwaliteit, men
staat stil, het leven een sleur en als men dat niet meer
ziet zitten en destructief wordt, gaat men er nog op
achteruit ook nog. K
r i s h n a
heeft de materiële wereld geschapen, via
Brahmâ, om ons te leren dat alle geluk daar
tijdelijk is. Een intelligent mens voelt zich daar
verloren als hij ik en mijn denkt. In feite is te denken
dat misère door iets anders wordt veroorzaakt dan
door de scheiding van K
r i s h n a de
definitie van de staat van illusie, m
â y â
(zie toel. S.B.
11.2:45).
De wanhoop is de
keerzijde van de illusie. Men verheft zich eerst door
zichzelf van alles wijs te maken, daarna gelooft men niet
meer in zichzelf en moet men oogsten wat het tegendeel
is. In staat van begoocheling weet men geen wezenlijke
oplossingen te vinden. Men houdt zich dan bezig met
zinsbevredigende aktiviteiten. Men kan zich echter niet
gelukkig eten of luisteren of laten strelen. Daarmee
ervaring hebbende tracht men de zaak om te draaien: als
ik een ander zijn zinnen tracht te bevredigen, dan zal ik
het geluk wel krijgen waar ik recht op heb, voor wat
hoort wat. Dit baatzuchtig liefhebben ('gemotiveerde'
liefde), is een ander kenmerk van de persoon in de macht
van de materiële wereld. N
i m i t t a,
denken in termen van de materiële causaliteit, geeft
een immer onrustige geest die als een dolle aap van de
hak op de tak springt. Men kan zich niet concentreren en
verliest voortdurend het zelfvertrouwen omdat men geen
doel heeft in het leven. De dierlijke staat
(p
a s u) leeft
voor eten, slapen, voortplanten en vluchten/vechten. De
mens die niet beseft wat de unieke kans is die hij heeft
gekregen met zijn menselijke lichaam, n.l. God te kunnen
verwerkelijken, is niet dankbaar en herkent niet de
oorsprong van de angst te vervallen in de dierlijke staat
van identificatie met de stof. Daardoor 'compenseert' hij
met allerlei onzin en verzinsels zijn gebreken en wordt
hij kwaad als deze eer op het spel staat. Het is al met
al een verhaal zonder einde. Een eerlijk mens geeft
gewoon toe: ik kan het niet alleen redden.
A
r j u n a is
zo'n eerlijk mens. Hij klaagt weliswaar de stukken eraf,
maar hij lucht zijn hart.
De staat waarin
A
r j u n a zich
nu bevindt is die van een nieuweling. Hij steekt een teen
in het water en huilt, zoals een baby bij zijn geboorte
huilt. De trotse mens herkent dit maar al te goed. Hij
kan het echter niet met anderen delen. Hij heeft gekozen
voor ontkenning van zijn wezenlijke natuur en is eenzaam.
De klager is dus in het voordeel: hij is niet meer
alleen. Zo weten veel mensen een leven te leiden van
klaaggedrag. Men noemt dat hysterisch als de
oorspronkelijke emotie is overdekt door oneerlijkheid.
Men klaagt dan om het klagen en bij mensen die hun
goedhartigheid en ego daardoor gestreeld voelen. Dit
kontrakt van de illusie houdt stand zolang de waarheid
wordt verzwegen. Dergelijke 'hulpverleners', bestaande
bij de gratie van de naastenliefde in de angst voor de
zelfconfrontatie van het alleen zijn, herkennen zichzelf
niet in de klagers. Niettemin, soort zoekt soort. De
één heeft machtsverbeelding, en de ander is
hysterisch. Twee geesteszieken die elkaar de put in
praten, een z.g. folie à deux, vormen een
maatschappelijk gevaar. Door een mechanisme genaamd
induktie (het veralgemenen, a
r o h a), kan
er een katastrofe ontstaan: men gaat in elkaars
negativisme en machtsverbeelding geloven. Patsers en
sukkels, mensen en ondermensen. Hulpverleners en
zelfmoordenaars.
Eerlijkheid is dus de
oplossing. De hulpverlener moet eigenlijk gewoon zeggen:
zit niet zo te zeuren, gedraag je als je op bezoek komt
en vertel eens wat leuks. De ware therapeut,
K
r i s h n a en
de K
r i s h n a-bewuste
mens, accepteren geen (hysterisch) klaaggedrag. Men komt
op voor de eer van de persoon. Ze weten dat als de
persoon in zijn zwakheid wordt bevestigd hij geen vriend
gevonden heeft en daarover vroeg of laat in opstand zal
komen: 'ik voel me verlaten en bedrogen'. Om die reden
zullen toegewijden elkaar ook nooit onnodig kritiseren.
Het averechts effect van de benadering die men
psychotherapie noemt, neemt de vorm aan van de hopeloze
neiging nooit meer wat met hulpverleners van welke soort
ook te maken te willen hebben. Zo ontdekt de
psychotherapeut de eindigheid van zijn bezigheden. Als er
maar genoeg mensen nee tegen hem zeggen, komt hij ook tot
de ontdekking dat hij zoekende is. Zo begint het avontuur
van het ware geestelijke leven. Als men niet meer
aanvaardt dat een ander alle recht tot klagen heeft en
jijzelf alsmaar voor God en alwetend moet doorgaan, is
men een illusie armer en de last van de
ongelijkwaardigheid kwijt. De v
a i s h n a v a
beschouwt zichzelf niet als een klagerige cliënt,
maar wel als een gevallen ziel die zich afvraagt hoe hij
in de stoffelijke wereld terecht is gekomen. Hij leeft
dan ook met de daardoor opgewekte vraag: 'wie ben ik?'.
Jezelf leren kennen begint bij de aaname van
gelijkwaardigheid. Je kan jezelf niet leren kennen als je
je aan materiële zaken vastklampt en jezelf er
valselijk mee verheft.
In 4:10 zegt
K
r i s h n a '
bahavo jnana tapasya', men doet veel kennis op
door boete te doen. In onthechting ontwikkelen zich alle
geestelijke vermogens, ook het vermogen vormen van
menselijkheid in zichzelf te leren herkennen die men op
één of andere manier reeds doorleefd heeft
zonder er in dit leven werkelijk mee bezig te zijn
geweest. Het is je intelligentie. Ieder mens is een
unieke combinatie van allerlei 'doorleefdheden' die een
unieke persoonlijkheid samenstellen. Ook merkt men dat
meditatie onmogelijk is als men deze 'doorleefdheden'
ontkent als zijnde het zelf. In feite gaat het om
identificaties, personen dus. Men wil echter in zijn huid
alleen zijn en niet door geesten bezeten. Men moet die
personen als capaciteiten van het zelf aanvaarden. Doet
men dit, dan blijkt dat men er niet zonder meer op
vooruit gaat: men heeft 'onverwerkte ervaringen'. Als men
niet snel deze zwakheden, deze onverwerkte zaken, in
positieve aktie in de richting van personen die met die
ervaringen te maken hebben omzet, kan men er niet
concreet mee werken, begint men te zweven en komt men ten
val: men verliest de controle over zichzelf. Jezelf niet
kennen is synoniem met geen controle hebben.
K
r i s h n a
kennen is synoniem met de controle gevonden hebben.
K
r i s h n a is
het ideale Zelf, dat je niet helemaal bent en slechts ten
dele als jezelf kent. Dat zal altijd zo blijven, ookal
niet in gelijke mate. Daar gaat het om. K
r i s h n a is
expert in het kennen van mensen. Hij kent iedereen, en
weet feilloos de namen en beelden te geven die bij je
passen. Daar moet je mee aan de slag.
Na eerlijkheid komt
respekt. Zonder respekt, noch voor de delen van jezelf
waarvan je vervreemd bent, noch voor de autoriteit van
K
r i s h n a,
val je telkens weer terug in m
â y â
en verlies je je greep op jezelf(-discipline). Zonder
meditatie, d.w.z. bezinning op wat er in jezelf omgaat is
het onmogelijk K
r i s h n a
vast te houden. Vlucht men steeds voor zichzelf, dan
vlucht men voor het geluk. Wil men mediteren zonder
K
r i s h n a,
dan verdrinkt men erin, depersonaliseert men en verliest
men kontakt met Zijn werkelijkheid die zowel binnen als
buiten is. De v
a i s h n a v a
mediteert altijd met een m
a n t r a. Dat
is doorgaans de m
a h â m a n t r a.
Daarmee brengt men de geest steeds terug naar
K
r i s h n a en
leert men zich te gedragen. Er zijn echter nog veel meer
m
a n t r a 's
voor uiteenlopende zaken: de G
a y â t r i- m a n t r
a, de
P
r a n a v a, de
S
i s u m â r a- m a n t r
a en allerlei
sanskriet-verzen en versregels die eveneens als
m
a n t r a
dienen om met K
r i s h n a de
geest vrij te maken van de stoffelijke besmetting. Zo
mediteert S
w a m i_P r a b h u p â d
a op de
volgende regels bij dit vers:
kibâvipra
, kiba nyâsi , su dra kene naya
yei krsna-tattva - vetta, sei ' guru '
haya.
Dit is genomen uit de
C
a i t a n y a-c a r i t â m r t
a (M.l. 8:127),
het betekent: " Het is van geen belang of iemand
v
i p r a is
(geleerd in vedische wijsheid), of geboren is in een
lagere familie of behoort tot de orde dergenen die de
wereld verzaken - als hij meester is in de wetenschap van
K
r i s h n a, is
hij de volmaakte geestelijke leraar." Zonder
K
r i s h n a, de
gelukzaligheid, is al onze (zelf)kennis van nul en
generlei waarde. Jezus kende de 'Vader' en de Buddha
kende al zijn 'vorige levens'. Zonder te doen wat
A
r j u n a deed,
zich overgeven aan K
r i s h n a,
kan men niet de geestelijk leraar ontdekken die
K
r i s h n a is
en leert men Hem en zichzelf in wezen niet kennen. Wie
geen geestelijk gezag heeft wordt door niemand serieus
genomen. Geestelijk gezag over jezelf verkrijgt men
alleen via een bona fide (p
a r a m p a r â-) g u r
u: een
g
u r u die
K
r i s h n a
vertegenwoordigt in geestelijke erfopvolging. 'Mensen'
die zichzelf tot g
u r u uitroepen
zijn óf bedriegers óf V
i s h n u- t a t t v a:
een a
v a t â r a
of nederdaling van K
r i s h n a op
aarde. Er kunnen er in engste zin in de wereld nooit meer
dan twee zijn. Voor de b
h a k t a zijn
dit altijd: Heer C
a i t a n y a_M a h â p r a b h
u en Heer
N
i t y â n a n d a.
Dit is de werkelijkheid van B
h a g a v â n,
de Hoogste Persoonlijkheid, als volkomen
(p
u r n a m)
gekenmerkt door de zes volheden: rijkdom, schoonheid,
kennis, kracht, roem en verzaking .
2.9
Sanjaya zei: Na deze woorden zei A
r j u n a,
de vijanden-bedwinger tot K
r i s h n a:
'Govinda, ik zal niet vechten', en zweeg.
T o
e l i c h t i n g
A
r j u n a is in
de war. Eerst vraagt hij K
r i s h n a om
onderricht, dan meldt hij dat hij door zijn verdriet zijn
zinnen verliest en nu begint hij zich te herhalen. Een
niet-analytisch psychiater zou A
r j u n a hier
een pil geven. K
r i s h n a
werkt met het woord. De (bio-)psychiater is een dokter
die van geestelijke klachten lichamelijke klachten maakt.
K
r i s h n a is
een 'dokter' die geestelijke verwarring met Zijn geest
aanpakt. A
r j u n a wil
niet aan de slag. Het is zijn werk waar hij geen zin in
heeft. Ookal geeft hij zich aan K
r i s h n a
over, hij weet nog niet wat het is om samen met
K
r i s h n a
slag te voeren. De vijand zit duidelijk in eerste
instantie in A
r j u n a's
geest genesteld. Hij kan zo de confrontatie niet aan. De
dokter die K
r i s h n a
heet, moet eerst die vijand aanwijzen en er met
A
r j u n a iets
op verzinnen. De waanzin van A
r j u n a
bestaat eruit dat hij eerst K
r i s h n a om
hulp vraagt en dan meteen zegt 'ik ben niet van plan me
iets van je aan te trekken', 'ik begin er niet aan'.
A
r j u n a is
een veldheer met een strijdfobie. A
r j u n a
vraagt K
r i s h n a om
een duwtje in de rug. Moderne therapeuten zouden doen
alsof ze niets weten, A
r j u n a naar
zijn sociale achtergronden ondervragen en hem troosten.
K
r i s h n a
begint er niet aan. K
r i s h n a
doet niet alsof Hij niet weet hoe en wat. Troosten doet
Hij hem zeker niet. Schande is wat hij ziet.
Moderne hulpverleners
bevinden zich in een situatie die met die van
A
r j u n a te
vergelijken is: men heeft geen zin om het gevecht aan te
gaan met de vijand die begoocheling is. Men is er zelf
door bepaald, maar ziet het probleem in de ander. Zo is
de onwetendheid een loden last die er voor zorgt dat heel
wat hulpverleners in de seculiere sector van de
geestelijke gezondheidszorg er persoonlijk niet direkt op
vooruit gaan met de prediking der waardenvrijheid. Het is
een dwaalleer waarbij de dolende dienst doet als
vergaarvat van menselijke ellende. Dit geldt niet alleen
voor de hulpvrager die in een vicieuze cirkel terecht kan
komen waardoor hij steeds verder van wat gezond is komt
te staan, ook de hulpverlener raakt eventueel steeds meer
ingekapseld in allerlei 'therapeutische'
defensiestrategieën om de ellende van zijn lijf te
houden. De oorspronkelijke bedoeling om door middel van
praten de relatie met het 'superego' te herstellen raakt
uit het zicht omdat het begrip ego, super of niet, alleen
maar de illusie van het ik-bewustzijn bekrachtigt. Voor
K
r i s h n a is
dit nu juist de ziekte van A
r j u n a: hij
blijft verward en waanzinnig volhouden dat hij er alleen
voor staat. K
r i s h n a
heeft nog geen duidelijke betekenis voor hem. Ookal zou
Hij hem van advies dienen, dan moet hij nog steeds met
zijn ik-je de legerschaar aanvoeren. Terecht dat hij zijn
'werk' niet meer ziet zitten. Geestelijke eenzaamheid is
door gezelschap niet verholpen. Ook niet door het advies
van een goddelijke vriend. Zelfs overgave, zoals in 2.7,
is in eerste instantie nog geen remedie. De waanzin gaat
gewoon door.
De 'ziekte van
A
r j u n a' is
de ziekte van a
d h a r m a of
goddeloosheid. Goddeloosheid is de definitie van de
persoon die zichzelf niet in verbinding weet met het
'superego', maar bepaald wordt door het z.g. valse ego,
a
h a m k â r a,
dat bestaat uit identificatie met de stof. Het begrip ego
of misidentificatie zelf is de hindernis. Dit moeten we
hier laten vallen. Het gaat om het ik dat zichzelf
herinnert in relatie tot. Niet het ik dat zichzelf kent
als de onversaagde ontkenner van alle afhankelijkheid en
misstappen. Dit ik van de verbondenheid heet nu ziel
(â
t m â),
het wezen van God en de mens. Zonder onszelf te
herinneren in relatie tot de Superziel, is het bewustzijn
versluierd, overtrokken door duisternis. Licht is de
eigenschap van de kennis van het zelf in relatie tot het
'Hogere'. Dit licht is gekenmerkt door onsterfelijkheid.
D.w.z. de ziel is altijd en eeuwig met anderen begaan en
derhalve dus niet 'iets' dat enkel bestaat als chemische
sporen in de hersenen van één persoon. Wij
herinneren onszelf niet zomaar, wij worden herinnerd door
de Superziel (K
r i s h n a).
Dit is het grote mysterie waar de materialist geen vat op
kan krijgen: men moet in het leven goede herinneringen
maken, niet voor zichzelf alleen, dat zijn immers slechts
chemische sporen, maar voor het Zelf zoals dat door
anderen wordt herinnerd en geheel anders kan zijn dan wat
we er zelf van denken. Daarom heet het: ken uzelve. De
ziel is een soort zelfstandig bestaand holografisch
geheugen dat in stand wordt gehouden door allen die zich
die ziel of persoon bewust zijn (geweest), waarbij het
geheel meer is dan de delen en dus onafhankelijk van het
eigen materiële lichaam kan bestaan. Ongeveer zoals
een televisiebeeld dat door drie verschillende
stralenbundels is samengesteld. Het mirakel van
K
r i s h n a ,
de behouder, is dat de vele 'stralenbundels' die het
beeld van de persoon scherp stellen, allemaal van Hem
afkomstig zijn en daar ook herinnerd worden (5:15).
K
r i s h n a
noemt het 'Mijn weg' die een ieder bewandelt (4:11). Zo
kan K
r i s h n a
iemands leven doornemen zoals een ambtenaar een
kaartenbak. De materialist denkt dat de 'kaartenbak' in
zijn eigen hersens verstopt zit. Dit is een illusie,
hoewel er wel een 'slechte (gecensureerde) kopie' van is
achtergelaten. Zich wel of niet iets herinneren kunnen
wij niet zomaar beheersen. Het hangt van onze relatie met
Hem af wat we ons herinneren. (K
r i s h n a:
mattah smrtir jnânam apohanam B.G. 15:15
'van Mij geheugen, kennis, vergetelheid') en ook daarin
wordt Hij de 'behouder' genoemd. Hij weet wat we nog te
doen hebben. Wij raden er maar wat naar. We kunnen dit
allemaal begrijpen vanuit de vuistregel: 'Hij is ons,
maar wij zijn niet Hem'. Dit alles is de filosofie van de
c
a i t a n y a - v a i s h n a v a
's die zich
baseert op wat bij Heer C
a i t a n y a '
a
c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v
a' wordt
genoemd, ofwel de wonderbaarlijke eenheid in de
verscheidenheid.
2.10
O telg van Bhârata, daarop sprak
K
r i s h n a
midden tussen beide legers glimlachend de volgende
woorden tot de terneergeslagen A
r j u n a.
T o
e l i c h t i n g
K
r i s h n a
wordt niet kwaad of ongeduldig. Hij is p
r a h a s a n,
glimlachend. Hij geeft blijk van waardering om
A
r j u n a
duidelijk te maken dat Hij zijn hulpvraag accepteert.
K
r i s h n a
is bereid de relatie van leraar-leerling op zich te
nemen. Er zijn meer manieren om met K
r i s h n a om
te gaan. Men kan als een ouder zo bezorgd zijn om alles
voor K
r i s h n a
precies te regelen, men kan gewoon vriendschap met
K
r i s h n a
ontwikkelen, zonder verder behoefte te hebben aan
allerlei poespas. Men kan als echtgenoot of echtgenote
helemaal gericht zijn op alles wat voor K
r i s h n a in
het huwelijk ideaal is tot het krijgen van kinderen toe.
Ook kan men zich als Zijn dienaar opstellen en zich
steeds afvragen wat K
r i s h n a het
meest behagen zou (zie ook 2:1 en onder R
a s a).
Het feit dat zich dit
afspeelt met A
r j u n a
tussen de twee legers, is niet zonder betekenis.
'Kuruksetra', het slagveld, het veld van arbeid, is het
veld van religie (d
h a r m a)',
is de eerste regel uit de B
h a g a v a d_G î t
â.
De positie tussen de legers maakt, volgens
S
w a m i_P r a b h u p â d
a,
duidelijk dat de gesprekken in de G
î t â
niet bestemd zijn voor één bepaalde persoon
of groepering, maar openlijk voor iedereen van welke
gemeenschap of samenleving dan ook. Iedereen is
gelijkberechtigd deze boodschap te horen. Dit wil
natuurlijk niet zeggen dat ieders oren er naar staan. Men
zal zich in de positie van A
r j u n a
moeten kunnen inleven om Zijn Lied te kunnen waarderen.
Als we, zoals de schrijver dezes zelf ook, voor 'hete'
vuren staan, moeilijke beslissingen moeten nemen, door
allerlei tegenstellingen overrompeld dreigen te worden,
als we emotioneel en in de war zijn, als we wijsheid
zoeken, steun en een warm hart voor de menselijkheid: in
al die gevallen is K
r i s h n a er
voor ons om met het licht van Zijn kennis, het licht van
Zijn ziel, de duisternis van onze onwetendheid weg te
nemen.
Een twijfelaar kan hier
zeggen 'aangezien K
r i s h n a_A
r j u n a's
klachten accepteert, maakt Hij zich ook schuldig aan het
bekrachtigen van ongewenst gedrag en een
afhankelijkheidsclaim'. Een harde bonk zou in de positie
van K
r i s h n a
zijn spierballen tonen en zeggen: 'op mij kan je
rekenen'. K
r i s h n a
doet eigenlijk hetzelfde, maar maakt meteen een
geestelijke 'spierbal'. Hij zegt 'dat past je niet
A
r j u n a,
laat je niet zo kennen'. Daarmee geeft hij te kennen
bereid te zijn uit te leggen hoe het dan wel bekeken moet
worden. Omdat Hij niet met A
r j u n a
meepraat in zijn klaaggedrag kunnen we spreken van het
negeren van de klacht en het voorstellen van een
alternatieve visie ('cognitief herstructureren' of
prediking). Het klaaggedrag dooft uit op de bekrachtiging
van het luisteren. Door een geestelijke 'spierbal' te
maken, aanvaardt Hij niet een fysieke
afhankelijkheidsclaim. De harde bonk gelooft in
spierkracht, voor K
r i s h n a
spreekt dit vanzelf en daarom legt Hij de vinger op de de
ware zere plek: de geest van A
r j u n a.
Geestelijkheid wil dus zeggen: 'weten hoe het moet'
(programmatische kennis). Iemand in een voertuig kan niet
zonder een reisplan en een bestemming. Zo kan de ziel in
het lichaam niet zonder een geest en zonder
K
r i s h n a.
K
r i s h n a is
het ideale Zelf dat alle goede eigenschappen in zich
bergt, en het reisplan om dat Ware Zelf te bereiken in de
zin van daar een relatie mee aan gaan, is de
geestelijkheid waar K
r i s h n a
voor kiest bij het ondersteunen van A
r j u n a.
Geestelijkheid wil dus niet zeggen dat we allemaal een
zwarte of bruine toga aan moeten trekken en ernstig de
hele dag onszelf lopen ontkennen. Geestelijkheid is
K
r i s h n a
ontdekken als het doel en een relatie met Hem aangaan als
het middel. Dat iedereen dit verschillend opvat is meer
de oplossing dan het probleem. Niets is zo vervelend als
allemaal hetzelfde zijn. Alle eer aan Sri
K
r i s h n a-C
a i t a n y a
en Zijn leer van eenheid in verscheidenheid.
2.11
De Allerhoogste zei: Je spreekt geleerde woorden, maar
treurt om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die
wijs zijn weeklagen noch om de levenden noch om de doden.
T o
e l i c h t i n g
Dit is
een zeer beroemd vers dat veel gebruikt wordt door de
toegewijden. Ze leren het in het Sanskriet uit hun hoofd.
Niets blijft zo goed in het geheugen als de woorden van
Heer K
r i s h n a.
Herhaalt men deze een aantal malen met volledige kennis
van de betekenis, dan vergeet men ze nooit meer echt
helemaal. K
r i s h n a
zegt hier:
asocyân
anvasocas tvam
prajnâ-vâdâms
ca bâsase
gatâsân - agatâsûms ca
nânusocanti panditâh
Letterlijk,
woord voor woord:
wat
geen weeklacht waard is-je weeklaagt-
je geleerde woorden-ook-je spreekt verloren leven-
niet voorbij leven-ook nooit-weeklagen-de
geleerden.
Dit is
een juweel van K
r i s h n a
's
wijsheid. Hij maakt ons duidelijk dat we niet moeten
klagen. Als we werkelijk geleerd zijn zien we in dat de
ziel belangrijker is dan het lichaam. Snappen we dat,
waarom zou je dan nog klagen? De onwetende identificeert
zijn ziel met zijn lichaam en wil niet 'verhuizen'. Hij
hecht aan het leven. Zoals we reeds zagen
(2:2)
is dit een k
l e s a.
Er zijn er vijf, emotioneel of mentaal: onwetendheid
(a
v i d h y â),
de ik-mijn-illusie (a
s m i t â),
gehechtheid en verlangen (r
â g a),
pijn en haat (d
v e s a)
en gehechtheid aan het leven (a
b h i n i v e s a)(Y
o g a - s û t r a II:5-9). Door deze
k
l e s a 's
blijft het geluk voor ons onbereikbaar en moeten we in
angst leven. Aangezien geen ziel ooit verloren is, maar
slechts overdekt raakt, bestaat er geen reden om te
klagen. Niemand sterft ooit, sterven is het niet waard om
over te klagen. Menigeen zal dit vreemd in de oren
klinken. Zelfs al ben je een van het lichaam
onafhankelijk bestaande eeuwige ziel, dan wil je toch
niet je lichaam verliezen? Je hebt toch een lichaam nodig
om jezelf in relatie te kunnen brengen? Waarom zijn we
anders belichaamd? Is het lichaam nu een gevangenis waar
we uit moeten ontsnappen, of een paleis waar we feest
moeten vieren in vrijheid van zelfrealisatie? Waarheid is
dat deze geestelijke vragen niet met materiële
antwoorden kunnen worden afgedaan. De illusie bestaat
eruit dat we een verschil tussen geest en stof hebben
aangenomen, zoals we de wapens van de vijand hebben
opgenomen. De zuivere toegewijde maakt geen scherp
onderscheid tussen geest en stof. De ziel zal altijd in
een wereld met vormen zijn die transformaties van
K
r i s h n a's
energie zijn. De wetten waarmee die wereld functioneert
zijn zoals K
r i s h n a ze
voor hem heeft gearangeerd. De toegewijde klaagt niet
over deze zaken, maar accepteert en is er zeker van dat
K
r i s h n a hem
zal brengen waar hij wezen moet. Koesteren we verlangens
op basis van de soort wereld, of planeet, waar we ons
bevinden, verlangen we steeds naar 'elders', dan hebben
we K
r i s h n a nog
niet goed begrepen. K
r i s h n a zit
hier en nu in je hart en in deze wereld, op deze plaats
moet je Zijn werkelijkheid realiseren. Er is geen andere
mogelijkheid. Angst voor de dood, verlangen naar de dood,
het is beide onwijs, maakt K
r i s h n a
hier duidelijk. Sterven is een illusie van diegenen die
achterblijven. De dood is nog nooit bewezen voor degene
die hem onderging. Dit is onweerlegbaar. Een wijs mens
kan alleen zeggen: er is verandering van vorm: dan kent
men de objectieve wereld van Heer K
r i s h n a
zoals die is. Het feit dat Hij de vorm van de Tijd
aanneemt en als verandering waarneembaar is, moeten we
niet als angstwekkend opvatten in een begeerte alles te
willen houden zoals het is. Als Hij de Tijd is (B.G.
11:32) is deze behalve vernietigend, ook vormend en
onderhoudend (door conditionering in de tijd en door
regelmaat). Men moet zich, wil men met K
r i s h n a
kunnen leven van valse tijdsconcepten ontdoen die op
gehechtheid zijn gebaseerd en niet op trouw aan K r i s h
n a's transcendentale objectieve 'subjectiviteit' -
oftewel Zijn Natuur. Een kenmerk van K
r i s h n a is
dat Hij altijd nieuw is; begrijpen we dit niet, dan zal
ook Hij angst inboezemen. Duidelijk is dat God,
K
r i s h n a,
als Behouder gericht is op het behoud van de ziel in een
veranderende wereld, niet op het behoud van
materiële constructies die slechts een uitdrukking
van de ziel zijn en daarom aan verandering onderhevig. De
materialist die denkt dat zijn 'ziel' een uitdrukking is
van de ervaring in de stof heeft geen ongelijk, maar
heeft niet geleerd de dingen naar hun oorsprong te
bezien. Natuurlijk ondergaan we materiële invloeden
en passen we onze vormen daarbij aan; dat wil echter nog
niet zeggen dat de materie de beheerser en genieter is.
In m
â y â
is het waar dat de materie heerst, dan lijkt men
inderdaad geen echte controle te hebben. Als het niet zo
goed lukt de materie te beheersen, wil dat nog niet
zeggen dat de materie de oorsprong van de ziel is, het
wil alleen zeggen dat je teveel op je eigen houtje bezig
bent. Beheersen doe je samen met K
r i s h n a. De
ziel is degene die handelt, de materie datgene wat wordt
behandeld. Wie dat ontkent is een tegenspraak in termen
[zie ook B.G.
4: 13-23 waarin
Krishna stelt dat Hij, behalve te kennen als degene die
doelgericht ingrijpt - zie B.G.
3: 23 & 24
en 4:
7 -, ook te
kennen is als degene die niet handelt]. Je kan niet
zeggen 'ik handel niet', want dat is een handeling van
het spraakorgaan. Je kan wel zeggen: 'als ik niet handel,
ben ik er getuige van dat er gehandeld wordt'. Aangezien
het de materie is die beweegt en ik er als stille getuige
bij kan zijn zonder te handelen, kan ik niet de materie
zijn, wèl datgene wat in beweging brengt: een deel
van K
r i s h n a.
Filosofisch, logisch, materieel of immaterieel, aan
K
r i s h n a kan
men niet ontkomen. Een eerlijk mens geeft dat
toe.
2.12
Nimmer was er een tijd waarin ik niet bestond, noch jij
noch al deze vorsten, noch zal er in de toekomst ook maar
één van ons ophouden te bestaan.
T o
e l i c h t i n g
Hier
verklaart K
r i s h n a
onomwonden dat de individuele ziel eeuwig is. De grote
angst in het Grote Ene op te lossen is ongerechtvaardigd
en bestaat op psychologische gronden. De angst voor het
verlies van individualiteit berust op de angst delen van
zichzelf te leren kennen waarmee men nog niet in het
reine is. Zoals een kind dat in zijn opvoeding werd
onderdrukt in zijn neigingen zelfstandig door het leven
te stappen uit bezorgdheid van de ouders die het kind
moeten beschermen, wordt de materiële mens in zijn
conditioneringen bepaald door het verlangen naar
zinsbevrediging dat de zorgzaamheid van de ouders
vervangt. Zoals een kind angst voor de grote wereld kan
voelen als hij niet meer door de ouders wordt beschermd,
zo kan een volwassene ook bang worden als hij zijn
zinsbevredigende aktiviteiten, zijn narcistische
eigenliefde, geplaatst ziet tegenover het Grote Geweten
van God.
K
r i s h n a
zinspeelt hier op de angst er na de dood niet meer te
zijn en weet dat A
r j u n a
in zijn overgave aan Hem ook een soort dood gestorven is:
zijn ego-dood. Hij is nu geen narcistisch ik-je meer,
maar een communicerende ziel afhankelijk van de ziel die
K
r i s h n a
is. K
r i s h n a als
ziel, we beschouwen Hem niet als een stoffelijk wezen, of
een vals ego, wordt de Superziel (P
a r a m â t m a)
genoemd omdat
Hij voor A
r j u n a
de saamhorigheid, de verbondenheid vertegenwoordigt die
boven de stof staat, op de stof controle uitoefent, en
altijd meer is dan het individu van de toegewijde.
K
r i s h n a is
s
a t - s a n g a:
de eeuwige verbondenheid van de toegewijde, het
samenzijn. Aan A
r j u n a's
eenzaamheid is een einde gekomen. K
r i s h n a
zegt: we waren er altijd en zullen er altijd blijven.
Vroeger waren we ook reeds samen en in de toekomst zal
het ook zo zijn.
Iemand die niet
doordrongen is van de betekenis van het woord ziel en het
woord geweten, moet hier afhaken. Ziel impliceert
samenzijn. Zo werkt het geweten, dat niets anders is dan
de zorg om die saamhorigheid. Een vlek op onze ziel wil
zeggen dat we iets verwaarloosd hebben dat van belang is
voor die saamhorigheid... Voor het ego is zo'n vlek een
vorm van blindheid die samenhangt met afhankelijkheid van
de stof. De stoffelijke verscheidenheid geeft de illusie
van onafhankelijke individualiteit, die echter vanwege
haar valsheid of vergankelijkheid, angst voor verlies
teweeg brengt (zie 1.36).
Zo is het ego altijd angstbeladen. A
r j u n a
in zijn overgave vlucht terecht weg voor die ego-angst,
maar krijgt er een andere voor in de plaats: de angst
zijn individualiteit te verliezen. K
r i s h n a
reageert onmiddellijk door te verklaren dat die angst
ongerechtvaardigd is. K
r i s h n a is
niet een grote zieleneter, K
r i s h n a is
een zielenweter. Hij weet wat de volledige goddelijke
doorleefdheid is, niets is Hem vreemd dienaangaande. Hij
weet wat er wel thuishoort aan goede eigenschappen en wat
niet. We zijn bij Hem in goede handen. Wat we echter niet
zo goed begrijpen kunnen is de eeuwigheid van onze eigen
ziel. We zijn altijd overdekt door allerlei vormen van
onwetendheid. De sluier van a
v i d y â,
de vlek op onze ziel, onwetendheid, moeten we kwijt zien
te raken. We zullen moeten aanvaarden dat het nooit
helemaal zal lukken, anders zouden we K
r i s h n a
Zelf zijn. Je kan niet iemand anders zijn, wel op iemand
anders gaan lijken. Zo wordt een jaloerse aap een mens en
een mens als Zijn evenbeeld Zijn dienaar. Zo stamt de
mens van God af en niet van de aap. De toestand van
volledige verlichting, volkomen helderheid is iets dat we
alleen bij de gratie van K
r i s h n a
kunnen ervaren. Hij kan ons zijn immers. Dat vasthouden
echter zal nooit helemaal lukken, het is teveel
afhankelijk van Zijn bovenzinnelijke aktiviteiten als
B
h a g a v â n,
waarin we Hem met zijn zes volheden nooit bij kunnen
benen.
Het moeilijkste dat er
voor een levend wezen is, is deel uit te maken van iets
dat groter is dan hijzelf, maar wat hij nooit in zijn
geheel kan bereiken. Pas als we dit aanvaarden kunnen we
zuivere toegewijden zijn. Bij de genade van
K
r i s h n a
kunnen we proeven van de honing zoals toegewijden dat
zeggen. Dit is de hele motivatie. Slechts een gering deel
van de nectar van de Allerhoogste geeft ons al het
zelfvertrouwen van de eeuwigheid. Wie Hem geproefd heeft
kan er niet meer over liegen, is veroordeeld tot
eerlijkheid, tot Hem (zie ook 4:9).
Van de vele niet-toegewijden die van de G
î t â
spreken zegt S
w a m i_P r a b h u p â d
a dat het te
vergelijken is met 'likken aan de honingpot'. De angst
voor het onbekende in ons dat in het licht van het Grote
Geweten zo pijnlijk zichtbaar kan worden is precies de
reden dat we God als een persoon, als K
r i s h n a,
moeten herkennen. Door Zijn alvervulde status als
Behouder van al het goede in de mens, verbleken alle
ongewenstheden, alle onzuiverheden (a
n a r t h a 's)
en beseffen we waarom het zo nodig is de aandacht op Hem
te richten en niet op ons schaamtevolle zelf. Als de
schijnwerper van het geweten wordt aangestoken, moet je
die dus niet op jezelf richten, maar op het ideaal. Zo
kan het dus zijn dat men alles wat men bij zichzelf niet
rechtstreeks kan waarnemen men in K
r i s h n a
meent te herkennen. Hierop baseert zich de bijzondere
relatie van iedere toegewijde met K
r i s h n a.
Mensen met een slecht geweten kunnen Hem niet zien omdat
ze zichzelf niet kunnen zien. Mensen die zichzelf
verheven hebben of verheven zijn, zien in Hem de
verhevenheid die ze zelf niet (meer) dragen kunnen.
Degenen die teleurgesteld zijn, zien in K r i s h n a
degene die altijd ontkend wordt omdat ze K
r i s h n a's
geborgenheid nog niet aanvaard hebben. Niets is Hem
vreemd en iedereen vindt in Hem een plaats op deze
manier.
2.13
Zoals
de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van
kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze
bij de dood naar een ander lichaam over. Een
zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo'n verandering niet
uit haar evenwicht.
T o
e l i c h t i n g
Als wij
als stille getuige van de veranderingen die ons lichaam
ondergaat bemerken dat wijzelf in die hoedanigheid niet
veranderen, dan hebben we begrepen wat de eeuwigheid van
de ziel inhoudt. K
r i s h n a
benadrukt hier dat een nuchter persoon hierdoor nooit uit
zijn evenwicht raakt als hij hetzelfde moet ervaren over
de dood heen naar een andere bestaansvorm.
K
r i s h n a
weet dat A
r j u n a
van streek is en maakt hem zo duidelijk dat een z.g.
d
h i r a,
iemand die nuchter is, begrepen heeft wat de ziel is,
geen angst voor de dood meer kent. Hij zegt dus in feite:
in werkelijkheid ben jij niet van streek, maar slechts je
lichaam. Zo kalmeert K
r i s h n a ons
en leidt Hij ons weg van de angstwekkende identificatie
met het lichaam. Angst voor de dood en angst voor de
zelfverwerkelijking van de eeuwige aard van de ziel, is
dus hetzelfde fenomeen.
Als we beseffen dat we
niet veranderen met de lichaamsveranderingen, kan men in
staat van illusie, als illusieganger of m
â y â v â d
i, al gauw
denken: 'o, dan zijn we dus allemaal één en
dezelfde geest'. Zoals we bij het vorige vers zagen is
dit de door angst geïnspireerde tegenhanger van de
realisatie van de verscheidenheid van de stof. Zoals in
de stoffelijke wereld B
h a g a v â n
als Allerhoogste wonderbaarlijkheid de superieure positie
inneemt, zo is ook geestelijk het onzinnig te beweren dat
alles hetzelfde is, er is onderscheid tussen
j
i v - â t m
â (ziel)
en p
a r a m â t m
â
(Superziel). De stof is niet zomaar de stof en de geest
niet zomaar één en hetzelfde. Het behoud
van de individuele onderscheidingen van de zielen
onderling wordt dus logischerwijze bepaald door de
materiële invloed èn door de transcendentale
werkelijkheid van B
h a g a v â n,
de Allerhoogste Heer. De individualiteit van de ziel
wordt gedefinieerd als tussen-energie die ook wel het
marginaal vermogen wordt genoemd dat zoals
K
r i s h n a in
het vorige vers zegt eeuwig een eigen identiteit heeft
(t
a t a s t h a s a k t i,
tegenover de goddelijke energie a
n t a r a n g a - s a k t
i en de lagere
materiële energie b
a h i r a n g a - s a k t
i). De
jaloerse, schuldige mens kan K
r i s h n a
moeilijk aanvaarden als een 'bijzonder persoon', en
bijgevolg ook niet in het behoud van individualiteit over
de stof heen geloven.
Angst voor
zelfverwerkelijking bestaat uit de angst zijn meerdere te
moeten erkennen in het ideale Zelf dat K
r i s h n a is,
en dat de sleutel herbergt van alle liefde voor de
naaste. Men heeft weerstand tegen het erkennen van iemand
boven zich in het algemeen en bijgevolg ook weerstand
tegen de toegewijden en K
r i s h n a-C
a i t a n y a
Zelf. Dit noemt men ego veroorzaakt door onverwerkt
k
a r m a. Een
andere grond voor de angst voor zelfverwerkelijking is de
vrees uit de z.g. 'bescherming' van de materiële
conditie los te komen die men koesterde als de
moederschoot, maar vanwege zijn volwassenheid niet vol
kan houden (zie ook toel. vorige twee verzen). Het
doorbrekend inzicht van onze gevreesde individualiteit is
K
r i s h n a
zelf; de angst ervoor is de onwil moeite voor Hem, ons
ideale zelf te doen. We weten allemaal dat je de zaken in
het leven niet cadeau krijgt. Zo ook niet de geestelijke
integriteit. Daarvoor moet men met al zijn
'doorleefdheden' met moeite tot de goedheid God's komen.
Dus b.v. als 'ik' 'vroeger' altijd piano zat te spelen,
maar er nu geen zin meer in heb omdat het zonder
K
r i s h n a
toch niets werd en me toch niets gelukkiger maakte, dan
moet ik nu dat 'trauma' overwinnen en de moeite nemen om
alsnog die oorspronkelijke aandrift op het hoger plan te
brengen. Zo moet iedereen naar zijn eigen wezensaard zijn
afkeer, d
v e s a,
overwinnen en zijn talenten in relatie tot
K
r i s h n a tot
hernieuwde bloei zien te brengen.
In de toenadering tot
K
r i s h n a
doorloopt men een zekere ontwikkeling die wordt
onderscheiden in drie afdelingen. Er is
de
p r â k r t a,
de toegewijde, of a
d h i k â r i
die K
r i s h n a
aanbidt zonder goed te beseffen wie Hij en Zijn
toegewijden zijn, dit wordt als derde-rangs toewijding
beschouwd op het materiële nivo. Men spreekt ook wel
van k
a n i s h t h a
bij onontwikkelde toewijding die K
r i s h n a
kent als Hoogste Persoonlijkheid van God. Dan is er de
m
a d h y a m a,
de toegewijde die duidelijk weet wie de Heer, de
toegewijden, de nieuwelingen en ook de niet-toegewijden
zijn. Dan zijn er nog de eerste rangs zuivere toegewijden
op het hoogste nivo (u
t t a m a). Dit
zijn degenen die alles in relatie tot de Heer zien en in
elke relatie de aanwezigheid van de Heer herkennen. Dezen
worden m
a h â - b h â g a v a t
a's of zuivere
toegewijden genoemd (Sw. P
r a b h u p â d
a
in S.B.
1.18: 16). Men
moet soms vele wedergeboorten ondergaan vooraleer men tot
dat nivo is opgestegen.
2.14
O zoon van Kuntî, het afwisselend komen en gaan van
geluk en verdriet is als het komen en gaan van zomer en
winter. Geluk en verdriet ontstaan uit zintuiglijke
gewaarwording, o telg van Bhârata en men moet ze
onbewogen leren verdragen.
T o
e l i c h t i n g
Het
vorige vers en dit vers vormen min of meer
één geheel en betreffen de onbewogenheid
die de toegewijde nodig heeft om veranderingen in zijn
eigen materiële lichaam en in de natuur te kunnen
verdragen.
dehino
' smin yatâ dehe
kaumâram yauvanam jarâ
tathâ dehântaras - prâptir
dhîras tatra namuhyati
mâtrâ
- sparsâs tu kaunteya
sitosna - sukha - dukha - dâh
âgamâpâyino ' nitâs
tâm stitiksava bhârata
letterlijk:
van
de belichaamde-in dit- zoals-in het lichaam
jongensjaren-jeugd-ouderdom
evenzo-lichaamsverwisseling-resultaat
nuchter-daarover-nooit-verward
zinnelijk-waarneming-maar-o
zoon van Kuntî winter zomer-geluk-pijn-doen
verschijnen-verdwijnen-niet blijvend alle-tracht te
verdragen-o telg van de bhârata-dynastie
.
K
r i s h n a
raakt hier het centrale punt van het psychologisch
konflikt van de materieel geconditioneerde persoon. Men
moet d
h i r a worden
èn t
i t i k s a:
een onaangedaan verdraagzaam persoon. A
r j u n a
is niet onaangedaan, maar van streek. Hij is ook niet
verdraagzaam. Hij kan het niet verdragen zichzelf en zijn
familie als strijdende krijgers tegen elkaar in te zien
gaan. Een ieder kan zich in A
r j u n a
herkennen. Het is typerend voor het materieel bestaan: we
raken van streek en verdragen het allemaal niet meer. We
staan voor de heerschappij van m
â y â.
Soms moeten we daarin de hand van K
r i s h n a
persoonlijk herkennen, Zijn mystiek vermogen en spreken
van y
o g a m â y
â; niet
Zijn extern (m
a h â-),
maar intern (y
o g a-)
vermogen: men leeft de saamhorigheid die men niet met
materiële ogen kan zien (afbeeldingen van
K
r i s h n a
niet als materieel beschouwend). We doen aan
y
o g a en zijn
dus niet vrij van de invloed van m
â y â.
Een toegewijde weet dat hij nooit zonder m
â y a zal
leven. Die m
â y â
kan ook de vorm aannemen van speciale kennis en genade.
Het naakte feit dat hij als geheel slechts een deel van
K
r i s h n a kan
zijn brengt logischer wijze met zich mee dat grote delen
voor hem versluierd zijn en dat K
r i s h n a zo
een spel speelt met Zijn mensen. Een toegewijde weet dat.
Een niet-toegewijde acht zichzelf of iemand anders ervoor
verantwoordelijk (mis-attributie). Niemand behalve
K
r i s h n a
heeft echter de absolute controle. Bij ons hangt het er
allemaal maar vanaf. We hebben gewoon niet alles in de
hand en het enige recept is: H
a r e_K r s n a_H a r e_K r s n a,_K r s n a_K r s n a_H
a r e_H a r e,_H a r e_R â m a_H a r e_R â m
a,_R â m a_R â m a_H a r e_H a r
e. Ieder moet
er zelf voor ijveren zijn s
a m â d h i,
zijn concentratie op K
r i s h n a te
handhaven. De krachten van m
â y â
zijn zo sterk dat iedereen weet wat het is om een
geloofscrisis of illusies te hebben. Godvrezendheid is
deel van iedere vorm van geloof. We leven allen in de
angst K
r i s h n a te
verliezen en te verwaarlozen. Onwetenden huldigen als
remedie de lust die hen onbewust maakt van de liefde die
ze nodig hebben om m
â y â
de baas te blijven. Toegewijden winnen Zijn vriendschap
(B.G. 9:29).
Er zijn duizenden
redenen om de draad kwijt te zijn, maar er is maar
één reden om de draad weer op te pakken:
liefde voor K
r i s h n a.
Het is niet onverstandig om een paar veel voorkomende
struikelblokken (k
l e s a 's) op
te sommen die verband houden met de veranderingen waar
K
r i s h n a op
doelt. Ten eerste wat betreft het lichaam zijn er
veranderingen in lichaamsgewoonten die samenhangen met
b.v. de leeftijd (a
n g a m e j a y a t v a).
Dit soort veranderingen kunnen tot grote (geloofs)crises
leiden. Als b.v de sexualiteit ontwaakt, of inslaapt, kan
het lichaam heftig reageren en kan de persoon behoorlijk
van streek raken. Sexualiteit gaat samen met
veranderingen in de hormoonspiegel en de werking van
neuronale overdrachtsstoffen in de hersenen
(neurotransmitters). De materieel geconditioneerde manier
van denken hangt met deze gesteldheid samen. Sexueel
aktieve mensen, zoals pas getrouwden, zijn meer geneigd
zich afhankelijk van de materie, de lichamelijke partner
met name, op te stellen, hetgeen biologisch de functie
heeft het 'nest' te bouwen. Sexueel inaktieve mensen
zoals monniken, zijn meer geneigd tot 'subliminale'
aktiviteiten die de aandrift moeten omvormen tot sociaal
gedrag, wat door baatzuchtige aktiviteiten, die als
territoriale aktiviteit (afbakening) kunnen worden
opgevat, wordt bemoeilijkt.(zie
S.B. 12.7.21
waar wordt uitgelegd dat wie de Superziel doorgrond heeft
zich onthoudt van materiële ondernemingen: yogena
vâ tada atmanam vedehâyâ nivartate,
en B.G. 4:20
waar K
r i s h n a
uitlegt dat de y
o g i, ookal is
hij volop bezig met gereguleerde bezigheden toch niets
doet door in onbaatzuchtigheid de gehechtheid aan de
vruchten van zijn arbeid op te geven: tyaktvâ
karma phala-sangam). Het voordeel van de subliminale
greep op de materie kan van een idealist een fascist
maken. Een geslaagde sociale aanpassing is met name voor
diegenen die in hun onthouding ambities van beheersen en
genieten koesteren van groot belang. Daarom staat in de
b
h a k t i de
s
a t - s a n g a,
de associatie van toegewijden die K
r i s h n a als
de Beheerser en Genieter erkennen, voorop:
' Gestage
vooruitgang in de toegewijde dienst kan slechts worden
verkregen door (omgang) associatie met zuivere
toegewijden.' (N.Z.L p.169).
Dit is de essentie van
de geestelijke erfopvolging zonder welke men in het leven
geen wezenlijke vooruitgang kan maken. Zonder sociale
controle vervallen we in autisme dat wordt gekenmerkt
door zelfstimulatie en aanrakingsvrees. In de psychologie
heet het dat verwaarlozing van affectieve relaties kan
leiden tot psychopathologie (b.v. de psychopatische drang
tot manipulatie).
Zonder K
r i s h n a
kunnen we nooit de materie de baas worden en blijven we
altijd rondwaren in het vuur van de materiële
tegenstellingen (rad van wedergeboorte). Bevrijding,
m
u k t i, is het
resultaat van toegewijde dienst aan Heer K
r i s h n a, in
associatie. Veel mensen menen in hun gehechtheid aan
bepaalde materiële zaken dat ze stabiel in de wereld
staan en onveranderlijk zichzelf kunnen blijven. Dit is
echter korte termijn denken dat door K
r i s h n a in
de vorm van de Tijd achterhaald wordt. Zijn we niet op de
eeuwige Superziel, op K
r i s h n a
betrokken, plaatsen we onze eeuwige ziel, de
j
i v a, niet in
relatie tot Hem, dan raken we verstrikt in de
materiële wereld met haar sexuele en financiële
complicaties en verliezen we steeds weer alles wat we
naar ons toe trokken, zoals iemand die water naar de zee
draagt er ook niets mee bereikt. We zijn dan
seizoensgebonden, plaatsgebonden, familiaal, raciaal,
etc. Morgen is alles anders en elders helemaal.
Ontkenning en verdringing van het bewustzijn van die
tijdelijkheid zijn de kenmerken van onze psychologie. We
zijn het ons niet bewust, we zijn in onwetendheid
(a
v i d h y â).
Een tweede belangrijke
hindernis is de instabiliteit die samenhangt met de
cultuurbepalende natuur om ons heen. We kunnen door
onszelf en anderen lijden en verheven raken, eeuwig en
tijdelijk, maar de zon gaat gewoon voor iedereen onder en
de winter breekt voor iedereen aan. Deze veranderingen,
afhankelijk van de natuur, waar we geen greep op kunnen
krijgen, vereisen afhankelijk van de plaats waar we ons
bevinden aanpassingen. Toegewijde dienst is niet vol te
houden als een Nederlander zich gedraagt alsof hij in
India is. We zullen hier op onze eigen manier,
v
i - b h a g a v i t,
aangepast aan tijd en omstandigheden, met
K
r i s h n a mee
moeten leren omgaan. Natuurlijk zijn er universele
recepten en kan je je indiaas gedragen en kleden. Toch
zullen er steeds aanpassingen moeten plaats vinden. Men
moet de taal leren spreken en weten hoe de geschiedenis
van de mensen in elkaar zit. Er is ook een collectieve
ziel of zelfkennis, waarmee men moet leren omgaan.
Bepaalde muziekinstrumenten zijn meer in zwang zodat we
(aanvankelijk) b
h a j a n s op
een piano moeten kunnen studeren, of met een gitaar.
Sommigen leven boven op elkaar in flatgebouwen die teveel
gedruis onmogelijk maken. Er is ook geluidshinder
waardoor men geestelijk niet tot verdieping kan komen
(langsrazend verkeer b.v.).
Afgezien van de
noodzaak van aanpassing aan de door de natuur gevormde
cultuur in kwestie is er ook het klimaat zelf. In India
is de lengte van de lichtdag veel stabieler dan bij ons.
Een westerling vergeet wel eens hoeveel energie hij kwijt
raakt door zich te hechten aan mooi weer of ingeslapen
doorgewinterdheid. Bovendien is er ook collectieve
gehechtheid in de noordelijke regionen aan de zomertijd
en de tijdzones, hetgeen ook een door de politiek bepaald
instabiel beeld van de werkelijkheid oplevert. Kunstmatig
licht en kunstmatige warmte kunnen de illusie wekken
alsof men in India woont, maar echt is dat niet. Zo
kunnen toegewijden zich afwenden van het gebruik van
klokken in het algemeen ten gunste van een natuurlijker
ritme, 'romantisch' chanten bij kaarslicht, zich
terugtrekken buiten het stadsgebied, Engels als tweede
voertaal hebben, niet-plantaardige zeep en kwikhoudende
en electro-magnetisch aktieve amalgaamvullingen afwijzen
en met elkaar trouwen zonder verdere burgerlijke
conventies te achten. De toegewijde dienst is weliswaar
een effectieve garantie tegen de invloed van de
materialistische wereld, maar je moet weten waar je mee
bezig bent. Zo kijkt men liever geen televisie, een
apparaat dat in feite niets meer is dan een klok met een
enorme verbeelding die de illusie van de culturele
gelijktijdigheid hooghoudt en uitbeeldt. Voor de radio
geldt ongeveer hetzelfde en bomen omhakken om elkaar de
ellende te verkondigen van wat er gaande is in de
materiële wereld in de vorm van kranten, acht de
toegewijde ook niet wenselijk. S
w a m i_P r a b u p â d
a: zelfs
wereldse zaken die in dienst van de Heer worden
ingeschakeld worden eveneens tot transcendente of
erkende
k a i v a l y a
(b
h a k t i - y o g a
-emancipatie-)aangelegenheden gerekend.(S.B.2.3:13).
Aldus hebben de K
r i s h n a's
eigen video-films en tijdschriften voor de noodzakelijke
berichtgeving.
Het geluk waar
K
r i s h n a op
doelt in dit vers is, in het Sanskriet s
u k h a
genoemd, niet hetzelfde als het hemels geluk
â
n a n d a
genaamd. Aards geluk heeft altijd als tegenhanger het
ongeluk, d
u k h a, dat
als een schaduw steeds het resultaat is van de z.g.
'verlichting' die ongereguleerde materiële genoegens
lijken te brengen zoals b.v. het televisiekijken. Ookal
is hemels geluk van de eeuwigheid, door onze onwetendheid
hebben we er niet altijd dat idee van zodat we makkelijk
het ene geluk voor het andere aanzien. Alleen door
voortdurende meditatie op de Allerhoogste Persoonlijkheid
kan men dit geluk behouden. De geestelijk leraar, de
â
c â r y a,
is degene die ons over alle hindernissen heen helpt en
ons de visie van het eeuwige geluk schenkt. Daarom zingen
de toegewijden iedere ochtend na het begroeten van
K
r i s h n a het
volgende bezielde lied voor de â
c â r y a('s),
met eretitel aangeduid als P
r a b h u p â d a,
'meester van de voeten'.