|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 15: DE YOGA VAN DE ALLERHOOGSTE PERSOON

Over de realisatie van de eigenschappen, deugd en glorie van God. 

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ieder die weet dat de As'vattha wordt begrepen als een onvergankelijke [banyan-]boom die zijn wortels naar boven heeft, zijn takken naar beneden en waarvan de bladeren de vedische hymnen zijn, kent de Veda's. (2) Reikend naar beneden en naar boven, ontwikkelden zijn takken zich met de geaardheden der natuur naar beneden toe als de zinsobjecten en met de uitbreiding van wortels [naarboven toe] als het karma dat iemand bindt aan de menselijke wereld. (3-4) De vorm van deze boom welke zonder een begin is of einde, kan in deze wereld niet worden waargenomen noch kan men zien hoe ze in stand wordt gehouden; deze sterk gewortelde Banyan moet worden gekapt met het wapen der onthechting. Na dat te hebben gedaan moet men achterhalen wat de plaats is waar men zich naar toe beweegt en vanwaar men nimmer terugkeert en zich dan aan Hem overgeven, de Voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoon, uit wie alles vanaf de eerste tijden voortkwam.

(5) Zonder de trots en haar illusie, slecht gezelschap te boven gekomen zijnde, met begrip voor het eeuwige, los gekomen van de lust en bevrijdt van het zich identificeren met de dualiteiten van geluk en ongeluk, bereikt men vrij van begoocheling die immer voortbestaande toevlucht. (6) Zich naar die plaats begevend welke niet door de zon of de maan wordt verlicht, noch door vuur, keert men nooit weer terug; die verblijfplaats is het Allerhoogste van Mij. (7) De belichaamde ziel in zijn eigen lokale bestaan maakt zeker eeuwig deel van Mij uit, met de geest als de zesde van de zintuigen meegevoerd in zijn materiële positie. (8) Het lichaam dat men krijgt en eveneens weer moet opgeven voert zijn Heer naar al dezen [de zinnen] mee zoals de geur vanaf zijn oorsprong wordt meegevoerd door de lucht. (9) Met het horen, zien, aanraken alsook het proeven en ruiken, geniet hij vanuit de geest de zinsobjecten. (10) Ofwel het lichaam verlaten, in het lichaam blijven of het lichaam dat is geassocieerd met de drie geaardheden genieten, zijn zaken die de onwetende niet kan begrijpen, maar zij die de spirituele visie hebben kunnen het. (11) Zij die ondernemend zijn en van de yoga, nemen waar door van de ziel te zijn, maar die ondernemenden die niet handelen ten gunste van de ziel zien dit niet, hoe ontwikkeld hun geesten ook zijn.

(12) De pracht die wordt gevonden in het licht van de zon die de gehele wereld verlicht en ook wordt gezien in de maan en het vuur; begrijp dat die schittering de Mijne is. (13) Ik doordring de zonnestelsels en onderhoudt de levende wezens middels Mijn energie en voedt alle planten tezamen, met het door de ziel geschonken sap. (14) Optredend als het vuur van de spijsvertering in de lichamen van al de levende wezens, handhaaf Ik het evenwicht van de ingaande en uitgaande adem en verteer Ik de vier soorten voedsel [voedsel dat men zo doorslikt, kauwt, oplikt, en opzuigt]. (15) Verblijvend in het hart van alle wezens hebben ze van Mij de heugenis, de kennis en het beredeneren; Ik kan zeker gekend worden middels de Veda's, Ik ben de auteur ervan en zeker ook degene die haar betekenis kent.

(16) Er zijn twee vormen van bestaan in de wereld: de vergankelijke en de onvergankelijke staat; al de levende wezens zijn [fysiek] vergankelijk terwijl van de Ene die tegenover het vele staat wordt gezegd dat men niet vergaat. (17) De allerhoogste persoon is enkel de andere ziel in het voorbije van wie wordt gezegd dat, de drie werelden doordringend, Hij [hen] handhaaft als de onuitputtelijke Heer. (18) Omdat Ik ontstegen ben aan het feilbare en voorbij aan het feilbare het beste ben, wordt Ik derhalve in de wereld en in de vedische literatuur gevierd als de Allerhoogste Persoonlijkheid. (19) Een ieder die Mij zonder enige vorm van twijfel aldus kent als de Hoogste Persoonlijkheid - hij, van alles op de hoogte, levert Mij toegewijde dienst in alle opzichten, o zoon van Bharata.

(20) Dit meest vertrouwelijk gedeelte van de geopenbaarde geschriften aldus door Mij uiteengezet begrijpend, o zondeloze, wordt men intelligent en raakt men vervolmaakt in zijn handelingen, o zoon van Bharata.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu