bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links




Afbeeldingen Canto 11 - pagina 1 - 2 - 3 - 4

Hoofdstuk 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8

 

Hoofdstuk 1: De Vloek over de Yadu-dynastie

(13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'


Hoofdstuk 2: Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

(3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi die bij hem was langsgekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden met de nodige hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was geboden.


(39) Vernemend over de in alle opzichten gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van Wie de daarmee samenhangende namen worden bezongen in deze wereld, moet men zingend zonder de materiële omgang die men heeft [met een vrouw, een huis en kinderen] vrij en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen.



Hoofdstuk 3: Bevrijding uit Mâyâ en Karma
met het Kennen en Aanbidden van de Heer

(8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51].



(48) Met het hebben verworven van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij de genade van de traditie werd doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20].
 


Hoofdstuk 4: De Handelingen van Nara-Nârâyana
en de Andere Avatâra's Beschreven

(6) Als Nara-Nârâyana, de beste der wijzen volmaakt van vrede, werd Hij geboren uit Mûrti, de dochter van Daksha en echtgenote van Dharma [*]. Staande voor het beëindigen van alle materiële arbeid sprak Hij die zelfs vandaag nog leeft en wiens voeten worden gediend door de grootste wijzen, over het werk en bracht Hij ook Zelf het werk ten uitvoer dat moest worden verricht [zie B.G. 9: 27 en ook 2.7: 6, 4.1: 49-57, 5.19: 9].

 

 

(18) In zijn vis-incarnatie [Matsya] werden Vaivasvata Manu [Satyavrata], de planeet aarde en de kruiden beschermd; in Zijn zwijn-incarnatie [Varâha] de aarde bevrijdend uit de wateren, werd [Hiranyâksha] de demonische zoon van Diti gedood; als een schildpad [Kurma] hield Hij toen de nectar werd gekarnd de berg op Zijn rug en [als Vishnu] bevrijdde Hij de koning der olifanten [Gajendra] die zich aan Hem overgaf toen hij in nood verkeerde vanwege de krokodil. (19) De ascetische wijzen [de Vâlakhilya's] die gebeden brengend ten val waren gekomen [in het water van de hoefafdruk van een koe] verloste Hij van [een lachende] Indra; Hij verloste Indra van de duisternis van het gedood hebben van Vritrâsura; Hij verloste de echtgenotes van de halfgoden [die door Bhaumâsura waren] gevangen gezet in het asura paleis; als Nrisimhadeva doodde Hij Hiranykas'ipu, de asura koning, om de geheiligde toegewijden van angst te vrijwaren. (20) Voor het heil van de godsvrezenden doodde Hij de daitya leiders in de slag tussen de goden en de demonen [zie 8.10], middels Zijn verschillende verschijningen [de ams'a-avatâra's] gedurende de heerschappij van iedere Manu beschermt Hij al de werelden en als Heer Vâmana pakte Hij onder het voorwendsel van de liefdadigheid de aarde af van Bali en gaf Hij haar in handen van de zoons van Aditi. (21) Als Heer Paras'urâma bevrijdde Hij de aarde van de leden van de heersende kaste en vernietigde Hij, als het vuur dat Hij afstammend van Bhrigu was, zevenentwintig keer de dynastie van Haihaya. Als de echtgenoot van Sîtâ [Râmacandra] onderwierp Hij de oceaan en doodde hij Tienkop [Râvana] met inbegrip van de soldaten van Lankâ. Met het vertellen van de verhalen over de heerlijkheden van Hem die altijd zegerijk is, wordt de besmetting van de hele wereld tenietgedaan. (22) De Ongeboren Heer [als Krishna] Zijn geboorte nemend in de Yadu-dynastie, zal, teneinde de overlast terug te dringen van de aarde, daden volbrengen die zelfs voor de goddelijken moeilijk op te brengen zijn; als [de Boeddha] zal Hij met argumenten van speculatieve aard degenen verbijsteren die niet geschikt zijn de vedische offers te brengen en aan het einde van Kali-yuga zal Hij [als Heer Kalki] een einde maken aan de heersers van twijfelachtig allooi.


Hoofdstuk 5: Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

(13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat evenzo een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet met een begerige vorm van geweld [zoals met het grootschalig slachten van dieren]; op dezelfde manier is seksuele gemeenschap er voor het overwinnen [van de aandrang om kinderen te krijgen, zoals met het naar de w.c. gaan] en niet zozeer voor het zinnelijk genot [B.G. 7: 11]; voor dit allerzuiverste van de plichtsbetrachting zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15].


(34) O Allerhoogste Persoonlijkheid, laat me de lotusvoeten eren van U die in reactie op de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], met het afzien van de weelde van S'rî die zo fel begeerd wordt door de goddelijken, [als Râma, Krishna, de Boeddha, als Jezus, als Caitanya etc.] genadevol voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, zich begaf naar het afgelegen gebied [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyâsa] om Uw voorwerp van verlangen na te jagen [Uw missie, Uw dharma, Uw aanwezigheid als de Heer der toegewijden, 4*].'



Hoofdstuk 6: Retraite op Advies van Brahmâ en
Uddhava Privé Toegesproken

(15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid. Men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de alles beheersende tijdfactor bent die zich doet gelden als een drievoudig rad, dat U de Allerhoogste Persoonlijkheid bent die in de gedaante van de Tijd ononderbroken in Zijn voortgang het einde afroept over alles [*].


Hoofdstuk 7: Krishna Spreekt over de Meesters
van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid
(33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf.




Hoofdstuk 8: Wat Men Leert van de Natuur
en het Verhaal van Pingalâ

(7) Bij het zien van een vrouw komt degene die zijn zinnen niet de baas is, in de ban rakend van die verleidelijke, bedrieglijke energie van God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in het vuur beland. (8) Met het zien van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon zonder onderscheidingsvermogen met zijn hang naar zinsbevrediging zich geprikkeld voelen door lustige verlangens en zonder twijfel, zoals een mot zijn vernietiging vindt, zijn geestelijke orde teloor zien gaan [B.G. 2: 62-63].



Kijk voor de © copyright rechten van de individuele schilderijen    
onderaan het hoofdstuk waar het geplaatst is.







volgende pagina