S'rî
S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie
9.24:
13] die
over de schreef gegaan was met Heer Krishna schonk Hem om het
weer goed te maken zijn dochter ten huwelijk tezamen met het
juweel bekend staande als Syamantaka.'
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having offended Lord Krishna,
Satrâjit tried as best he could to atone by presenting
Him with his daughter and the Syamantaka jewel.
(Vedabase)
Tekst
2
De
achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging
Satrâjit tegen Krishna, o brahmaan, waar kwam Syamantaka
vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de
Heer?'
Mahârâja
Parîkshit inquired: O brâhmana, what did King
Satrâjit do to offend Lord Krishna? Where did he get
the Syamantaka jewel, and why did he give his daughter to
the Supreme Lord? (Vedabase)
Tekst
3
S'rî
S'uka zei: 'De zonnegod die Satrâjit's beste vriend was
schonk, tevreden over hem als zijn toegewijde, uit genegenheid
het Syamantaka juweel.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Sûrya, the sun-god, felt
great affection for his devotee Satrâjit. Acting as
his greatest friend, the demigod gave him the jewel called
Syamantaka as a token of his satisfaction. (Vedabase)
Tekst
4
Hij, het juweel
om zijn nek dragend dat zo helder straalde als de zon werd,
toen hij in Dvârakâ arriveerde, o Koning, vanwege
de gloed niet herkend.
Wearing
the jewel on his neck, Satrâjit entered
Dvârakâ. He shone as brightly as the sun itself,
O King, and thus he went unrecognized because of the jewel's
effulgence. (Vedabase)
Tekst
5
De mensen, die
door de schittering verblind waren toen ze hem op een afstand
zagen, veronderstelden dat Sûrya was aangekomen en
rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die druk aan het
dobbelen was:
As
the people looked at Satrâjit from a distance, his
brilliance blinded them. They presumed he was the sun-god,
Sûrya, and went to tell Lord Krishna, who was at that
time playing at dice. (Vedabase)
Tekst
6
'O
Nârâyana, met alle achting voor U, o Houder van de
Strijdknots, de Cakra en de Lotus, o Dâmodara, o
Lotusogige, o Govinda, o Lieveling van de
Yadu's!
[The
residents of Dvârakâ said:] Obeisances unto
You, O Nârâyana, O holder of the conch, disc and
club, O lotus-eyed Dâmodara, O Govinda, O cherished
descendant of Yadu! (Vedabase)
Tekst
7
Savitâ
['de stralende'], die met de intense straling van zijn
lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is aangekomen om
U te zien, o Heer van het Universum.
Lord
Savitâ has come to see You, O Lord of the universe. He
is blinding everyone's eyes with his intensely effulgent
rays. (Vedabase)
Tekst
8
Het moet wel zo
zijn dat van de meest verhevenen van de goden der wijsheid die
Uw weg volgen, degene die ongeboren is [Sûrya],
in de wetenschap dat U zich nu schuil houdt onder de Yadu's,
naar hier is gekomen om U te zien.'
The
most exalted demigods in the three worlds are certainly
anxious to seek You out, O Lord, now that You have hidden
Yourself among the Yadu dynasty. Thus the unborn sun-god has
come to see You here. (Vedabase)
Tekst
9
S'rî
S'uka zei: 'Deze onschuldige woorden aanhorend zei Hij met de
Lotusgelijke Ogen glimlachend: 'Deze hier is Ravideva niet, het
is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.'
S'ukadeva
Gosvâmî continued: Hearing these innocent words,
the lotus-eyed Lord smiled broadly and said, "This is not
the sun-god, Ravi, but rather Satrâjit, who is glowing
because of his jewel." (Vedabase)
Tekst
10
Hij
[Satrâjit] in zijn eigen luxueuze woning
aangeland voerde met festiviteiten gunstige rituelen op in de
tempelkamer alwaar hij met behulp van de geschoolden het juweel
installeerde.
King
Satrâjit entered his opulent home, festively executing
auspicious rituals. He had qualified brâhmanas install
the Syamantaka jewel in the house's temple room.
(Vedabase)
Tekst
11
Dag na dag zou
hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg]
aan goud opleveren, o prabhu, en niets van het ongunstige van
voedselschaarste, voortijdig doodgaan, rampen, slangenbeten,
geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers zou zich
daar in de aanwezigheid van het naar behoren aanbeden sieraad
voordoen.
Each
day the gem would produce eight bhâras of gold,
my dear Prabhu, and the place in which it was kept and
properly worshiped would be free of calamities such as
famine or untimely death, and also of evils like snake
bites, mental and physical disorders and the presence of
deceitful persons. (Vedabase)
Tekst
12
Ooit eens vroeg
S'auri [Krishna] terwille van de koning van de Yadu's
[Ugrasena] om het kleinnood, maar hij, begeertig uit op
de weelde, zag er geen kwaad in het niet te
overhandigen.
On
one occasion Lord Krishna requested Satrâjit to give
the jewel to the Yadu king, Ugrasena, but Satrâjit was
so greedy that he refused. He gave no thought to the
seriousness of the offense he committed by denying the
Lord's request. (Vedabase)
Tekst
13
Op een dag
besteeg toen Prasena [Satrâjit's broer], nadat
hij het intens stralende juweel om zijn nek had gehangen, een
paard en ging hij uit jagen in het bos.
Once
Satrâjit's brother, Prasena, having hung the brilliant
jewel about his neck, mounted a horse and went hunting in
the forest. (Vedabase)
Tekst
14
Prasena werd
samen met zijn paard gedood en meegesleept door een leeuw die
op zijn beurt een grot binnengaand werd gedood door
Jâmbavân
['hij van de Jambu-bomen'] die het pronkjuweel wilde
hebben.
A
lion killed Prasena and his horse and took the jewel. But
when the lion entered a mountain cave he was killed by
Jâmbavân, who wanted the jewel.
(Vedabase)
Tekst
15
In de grot
overhandigde hij toen het sieraad aan zijn kind als iets om mee
te spelen. In de tussentijd begon Satrâjit, zijn broer
niet meer ziend, zich ernstig zorgen te maken:
Within
the cave Jâmbavân let his young son have the
Syamantaka jewel as a toy to play with. Meanwhile
Satrâjit, not seeing his brother return, became deeply
troubled. (Vedabase)
Tekst
16
'Mijn broer weg
het bos in met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door
Krishna ter dood gebracht.' Daarvan uitgaand vernamen de mensen
erover die het elkaar toen in het oor fluisterden.
He
said, "Krishna probably killed my brother, who went to the
forest wearing the jewel on his neck." The general populace
heard this accusation and began whispering it in one
another's ears. (Vedabase)
Tekst
17
Toen de
Opperheer daar achter kwam, volgde Hij, teneinde Zichzelf te
zuiveren van de roddel die ten koste ging van Zijn goede naam,
samen met de burgers de weg die Prasena had afgelegd.
When
Lord Krishna heard this rumor, He wanted to remove the stain
on His reputation. So He took some of Dvârakâ's
citizens with Him and set out to retrace Prasena's path.
(Vedabase)
Tekst
18
Toen ze zagen
dat hij en zijn paard in dat bos waren gedood door een leeuw,
ontdekten ze op een berghelling dat de leeuw ook was gedood en
wel door Riksha [Jâmbavân].
In
the forest they found Prasena and his horse, both killed by
the lion. Further on they found the lion dead on a
mountainside, slain by Riksha
[Jâmbavân]. (Vedabase)
Tekst
19
De mensen
opstellend buiten de schrikwekkende grot van de koning der
riksha's [de beren], ging de Allerhoogste Heer
in Zijn eentje die plek die gehuld was in het diepste duister
binnen.
The
Lord stationed His subjects outside the terrifying,
pitch-dark cave of the king of the bears, and then He
entered alone. (Vedabase)
Tekst
20
Toen Hij zag
dat het kostbaarste van alle juwelen werd gebruikt als
kinderspeelgoed, besloot Hij het weg te halen en ging Hij op
het kind af.
There
Lord Krishna saw that the most precious of jewels had been
made into a child's plaything. Determined to take it away,
He approached the child. (Vedabase)
Tekst
21
Toen het
kindermeisje de vreemdeling zag schreeuwde ze het uit van de
angst zodat Jâmbavân, die allerbeste der sterken,
erdoor in woede ontstoken op afrende.
The
child's nurse cried out in fear upon seeing that
extraordinary person standing before them.
Jâmbavân, strongest of the strong, heard her
cries and angrily ran toward the Lord. (Vedabase)
Tekst
22
Hij die Hem
voor een wereldse persoon hield, bestreed toen, zich niet
bewust van wie hij voor zich had, Hem, de Allerhoogste Heer,
zijn eigen Meester [vergelijk 5.6:
10-11 en
B.G.
16: 18].
Unaware
of His true position and thinking Him an ordinary man,
Jâmbavân angrily began fighting with the Supreme
Lord, his master. (Vedabase)
Tekst
23
Een zeer
verbeten gevecht volgde tussen hen twee waarbij ieder het
probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en
met wapens als waren ze twee haviken vechtend om wat aas.
The
two fought furiously in single combat, each determined to
win. Contending against each other with various weapons and
then with stones, tree trunks and finally their bare arms,
they struggled like two hawks battling over a piece of
flesh. (Vedabase)
Tekst
24
Dag en nacht
ging zonder ophouden het gevecht van vuisten tegen vuisten door
voor de duur van achtentwintig dagen met slagen zo fel als de
bliksem.
The
fight went on without rest for twenty-eight days, the two
opponents striking each other with their fists, which fell
like the cracking blows of lightning. (Vedabase)
Tekst
25
Met de spieren
van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna,
zweette hij, met zijn krachten afgenomen, het uit en richtte
hij zich hogelijkst verbaasd tot Hem:
His
bulging muscles pummeled by the blows of Lord Krishna's
fists, his strength faltering and his limbs perspiring,
Jâmbavân, greatly astonished, finally spoke to
the Lord. (Vedabase)
Tekst
26
'Ik ken U, U
bent de levensadem, de fysieke en geesteskracht van alle
levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige,
Allerhoogste Beheerser.
[Jâmbavân
said:] I know now that You are the life air and the
sensory, mental and bodily strength of all living beings.
You are Lord Vishnu, the original person, the supreme,
all-powerful controller. (Vedabase)
Tekst
27
U voorzeker
bent de Schepper die van Alle Scheppers en de Geschapenen van
het Universum de Essentie bent, die van de onderwerpers de
Onderwerper bent, de Heer, de Ziel Hoog Verheven boven al de
Zielen [vergelijk 3.25:
41-42].
You
are the ultimate creator of all creators of the universe,
and of everything created You are the underlying substance.
You are the subduer of all subduers, the Supreme Lord and
Supreme Soul of all souls. (Vedabase)
Tekst
28
U bent degene
door wiens geringe blijk van toorn met Uw blikken de oceaan en
de krokodillen en walvisverslindende walvissen
[timingila's] in beroering ruim baan maakten
voor het bouwen van een brug; U bent degene beroemd vanwege het
in vuur en vlam zetten van Lankâ; door U rolden de
hoofden op de grond die U van de Râkshasa er met Uw
pijlen had afgeschoten [zie 9:
10].'
You
are He who impelled the ocean to give way when His sidelong
glances, slightly manifesting His anger, disturbed the
crocodiles and timingila fish within the watery depths. You
are He who built a great bridge to establish His fame, who
burned down the city of Lankâ, and whose arrows
severed the heads of Râvana, which then fell to the
ground. (Vedabase)
Tekst
29-30
O Koning,
Acyuta, de Lotusogige Opperheer, de zoon van Devakî,
richtte Zich toen, vanuit Zijn grote mededogen voor Zijn
toegewijden, met een stem zo diep als de [rommelende]
wolken tot de koning der beren die nu de waarheid voor ogen
had. Hij beroerde hem met de hand die alle zegen verleent en
zei:
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] O King, Lord Krishna
then addressed the king of the bears, who had understood the
truth. The lotus-eyed Personality of Godhead, the son of
Devakî, touched Jâmbavân with His hand,
which bestows all blessings, and spoke to His devotee with
sublime compassion, His grave voice deeply resounding like a
cloud. (Vedabase)
Tekst
31
'O heer der
beren, We kwamen hier naar de grot vanwege het juweel, met de
bedoeling de valse aantijging te ontzenuwen die met dit juweel
tegen mij staande werd gehouden.'
[Lord
Krishna said:] It is for this jewel, O lord of the
bears, that we have come to your cave. I intend to use the
jewel to disprove the false accusations against Me.
(Vedabase)
Tekst
32
Na aldus te
zijn toegesproken bood hij samen met het juweel als een
respectvolle offergave zijn maagdelijke dochter genaamd
Jâmbavatî aan Krishna.
Thus
addressed, Jâmbavân happily honored Lord Krishna
by offering Him his maiden daughter, Jâmbavatî,
together with the jewel. (Vedabase)
Tekst
33
Toen ze S'auri
die de grot was binnengegaan niet naar buiten zagen komen,
gingen de mensen na twaalf dagen te hebben gewacht
doodongelukkig terug naar hun stad.
After
Lord S'auri had entered the cave, the people of
Dvârakâ who had accompanied Him had waited
twelve days without seeing Him come out again. Finally they
had given up and returned to their city in great sorrow.
(Vedabase)
Tekst
34
Devakî,
Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en
verwanten treurden over Krishna die niet uit de grot
tevoorschijn was gekomen.
When
Devakî, Rukminî-devî, Vasudeva and the
Lord's other relatives and friends heard that He had not
come out of the cave, they all lamented. (Vedabase)
Tekst
35
Zij, de
bewoners van Dvârakâ vervloekten vol van verdriet
Satrâjit en aanbaden toen Durgâ,
het geluk van de maan [de beeltenis genaamd
Candrabhâgâ] teneinde Krishna terug te
halen.
Cursing
Satrâjit, the sorrowful residents of
Dvârakâ approached the Durgâ deity named
Candrabhâgâ and prayed to her for Krishna's
return. (Vedabase)
Tekst
36
Na de
aanbidding van de godin verleende zij in reactie daarop de
verlangde zegening. Direct daarop verscheen tot hun grote
vreugde toen de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had ten tonele
samen met Zijn [nieuwe] echtgenote.
When
the citizens had finished worshiping the demigoddess, she
spoke to them in response, promising to grant their request.
Just then Lord Krishna, who had achieved His purpose,
appeared before them in the company of His new wife, filling
them with joy. (Vedabase)
Tekst
37
Zeer opgewonden
te ontdekken dat Hrishîkes'a met een vrouw en het juweel
om Zijn nek was aangekomen, stonden ze allen te juichen alsof
iemand uit de dood was opgestaan.
Seeing
Lord Hrishîkes'a return as if from death, accompanied
by His new wife and wearing the Syamantaka jewel on His
neck, all the people were roused to jubilation.
(Vedabase)
Tekst
38
Satrâjit,
ontboden door de Allerhoogste Heer in een bijeenkomst van de
edelen, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte
gesteld van het terughalen van het juweel, dat toen aan hem
werd gepresenteerd.
Lord
Krishna summoned Satrâjit to the royal assembly.
There, in the presence of King Ugrasena, Krishna announced
the recovery of the jewel and then formally presented it to
Satrâjit. (Vedabase)
Tekst
39
En hij nam
uiterst beschaamd, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in
ontvangst en ging toen naar huis vol van wroeging over zijn
zondige gedrag.
Hanging
his head in great shame, Satrâjit took the gem and
returned home, all the while feeling remorse for his sinful
behavior. (Vedabase)
Tekst
40-42
Zich bezinnend
op die overduidelijke overtreding dacht hij, beducht voor een
conflict met degenen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf
nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevreden stellen?
Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen
vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust
op de weelde? Ik zal Hem het [Syamantaka-]juweel
schenken alsook mijn dochter, dat juweel onder de vrouwen; dat
is de manier waarop ik het weer goed zal maken met Hem en niets
anders!'
Pondering
over his grievous offense and worried about the possibility
of conflict with the Lord's mighty devotees, King
Satrâjit thought, "How can I cleanse myself of my
contamination, and how may Lord Acyuta become satisfied with
me? What can I do to regain my good fortune and avoid being
cursed by the populace for being so short-sighted, miserly,
foolish and avaricious? I shall give my daughter, the jewel
of all women, to the Lord, together with the Syamantaka
jewel. That, indeed, is the only proper way to pacify Him."
(Vedabase)
Tekst
43
Aldus
intelligent ertoe besloten zette Satrâjit zich ertoe en
bood hij zijn mooie dochter en het juweel aan Krishna
aan.
Having
thus intelligently made up his mind, King Satrâjit
personally arranged to present Lord Krishna with his fair
daughter and the Syamantaka jewel. (Vedabase)
Tekst
44
Zij,
Satyabhâmâ, gewild bij vele mannen vanwege al de
kwaliteiten van een fijn karakter, schoonheid en edelmoedigheid
waarmee ze gezegend was, trouwde met de Heer overeenkomstig de
gebruiken.
The
Lord married Satyabhâmâ in proper religious
fashion. Possessed of excellent behavior, along with beauty,
broad-mindedness and all other good qualities, she had been
sought by many men. (Vedabase)
Tekst
45
De Allerhoogste
Heer zei: 'We verlangen het juweel niet terug o Koning, laat
het in bezit blijven van u die van toewijding bent voor de
godheid [Sûrya], zodat ook Wij kunnen genieten
van de vruchten ervan.'
The
Supreme Personality of Godhead told Satrâjit: We do
not care to take this jewel back, O King. You are the
sun-god's devotee, so let it stay in your possession. Thus
We will also enjoy its benefits. (Vedabase)