Canto 1 |
|
Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ
(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn, hoewel rood gekleurd door de lippen van de Grote Avonturier, zag er, zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht, uit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid dat de angst afroept van hen die vrezen om een materieel bestaan, bewogen al de burgers zich snel in de richting van het geluid om de ontmoeting met de beschermer van de toegewijden te hebben waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze hem een welkomstceremonie die kon worden beschouwd als het offeren van een lamp voor de zon in relatie tot de In Zichzelf Tevredene die hen, eigenmachtig, zonder ophouden in alles voorzag. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.
(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, daar U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, aangezien zelfs de halfgoden Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien krijgen. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren, en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we, als U elders verkeert, nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht te zien?'
Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren, ging toen de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat hun meestgeliefde thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî, allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in een blijde verwachting, samen met de brahmanen, op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes er hevig naar verlangend Hem te zien, volgden met hun voertuigen, met oogverblindende oorbellen die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde iedere vriend en burger die kwam om Hem te verwelkomen en ontvangen, zoals het hoort, met het nodige betoon van respect. (22) Hij, de Almachtige, tot aan de laagsten Zijn begeerde zegeningen schenkend, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd, hen in woorden begroetend, ze omhelzend en handen schuddend. (23) Toen, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen, ging Hij de stad binnen waar Hij tevens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.
(24) Terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep, klommen de dames van stand op het dak van hun huizen, o hoog geleerden, om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel ze het gewoon waren steeds zo naar Hem te kijken, raakten de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nooit moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer, met Zijn gele kledij en bloemenslingers, eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.
(28) Maar na het betreden van Zijn ouderlijk huis werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Innerlijk verheugd stonden de dames, die van verre hun echtgenoot thuis zagen komen, onmiddellijk van hun zitplaatsen op met een verlegen kijkend gezicht. (32) Op Zijn verschijnen hun zoons op Hem afsturend, omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst van binnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij, zonder er zelf deel aan te hebben schiep de onderlinge vijandigheid van de heersers die een last voor de aarde waren geworden, geboren als ze waren met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind die vuur veroorzaakt via de wrijving van bamboestaken. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade uit Zichzelf naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot een leven, met de waardigsten onder de vrouwen, alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is zodanig dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat het waar was dat Hij een meeloper was die gedomineerd en geïsoleerd wordt door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot, zoals ook de atheïsten over Hem denken die Hem niet kennen als de Opperheer."
Derde editie, geladen 26 juli 2007.
Bronteksten:
Heer Krishna's terugkeer in Dvârakâ
Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners.Sûta Gosvâmî sprak: Toen de Heer de rand van Zijn welvarende wereldstad bereikte, bekend als Ânartas-oord. (Dvârakâ), liet Hij Zijn heilrijke schelphoorn klinken, waarmee Hij Zijn aankomst te kennen gaf en, zoals bleek, de neerslachtigheid van de inwoners ophief. (Vedabase)
Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn, hoewel rood gekleurd door de lippen van de Grote Avonturier, zag er, zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht, uit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen.
In de greep van Heer Krishna's hand en door Hem aangeblazen, leek de witte, dikbuikige schelphoorn rood geworden door de aanraking van Zijn bovenzinnelijke lippen. Het was alsof er een witte zwaan tussen rode lotussen naar hun stelen duikelde. (Vedabase)
Na het horen van het geluid dat de angst afroept van hen die vrezen om een materieel bestaan, bewogen al de burgers zich snel in de richting van het geluid om de ontmoeting met de beschermer van de toegewijden te hebben waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken.
Toen de burgers van Dvârakâ dit geluid vernomen hadden, dat de angst in eigen persoon vrees aanjaagt, ijlden ze op Hem toe alleen maar om te kunnen voldoen aan hun lang gekoesterde verlangen de Heer, die alle toegewijden beschermt, te kunnen aanschouwen. (Vedabase)
Daarop bereidden ze hem een welkomstceremonie die kon worden beschouwd als het offeren van een lamp voor de zon in relatie tot de In Zichzelf Tevredene die hen, eigenmachtig, zonder ophouden in alles voorzag. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.
De burgers verschenen voor de Heer met hun verschillende gaven, welke ze aanboden aan de geheel voldane en Zichzelf geheel voldoende zijnde, die door Zijn eigen vermogen alle anderen onophoudelijk van alles voorziet. Hun gaven waren als een brandend lampje aangeboden aan de zon. De burgers spraken nu in extatische bewoordingen hun welkom tot de Heer, zoals beschermelingen hun vaderlijke beschermer verwelkomen. (Vedabase)
Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, daar U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft.
De burgers zeiden: O Heer, U wordt aanbeden door alle halfgoden, zoals Brahmâ, de vier Sana's en zelfs de hemelkoning. U bent de uiteindelijke rust voor al degenen die werkelijk naar het hoogste levensgoed streven. U bent de bovenzinnelijke Opperheer en de onontkoombare tijd kan U niet deren. (Vedabase)
Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven.
O schepper van het universum, U bent onze moeder, weldoener, Heer, vader, geestelijk leraar en te aanbidden Godheid. Door Uw schreden te drukken slagen we in alles wat we ondernemen. Daarom bidden we dat U ons Uw genade wilt blijven schenken. (Vedabase)
O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, aangezien zelfs de halfgoden Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien krijgen.
O, hoe gelukkig zijn we dat we door Uw aanwezigheid vandaag weer onder Uw hoede zijn gekomen, want zelfs de hemelbewoners bezoekt Uwe Heerlijkheid maar zelden. Thans kunnen we U in het glimlachende gelaat zien, dat tal van liefdevolle blikken in het rond werpt. En we zien nu ook Uw bovenzinnelijke gedaante, van alle heil vervuld. (Vedabase)
Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren, en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon.
O lotus-ogige Heer, telkens wanneer U weg bent naar Mathurâ, Vrindâvana of Hastinâpura om Uw vrienden en familie te bezoeken, lijkt elk ogenblik ons wel een miljoen jaar te duren. O onfeilbare, onze ogen verliezen dan hun nut, alsof ze van het zonlicht verstoken zijn. (Vedabase)
Hoe kunnen we, als U elders verkeert, nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht te zien?' Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren, ging toen de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, de stad Dvârakâ binnen.
O Meester, wanneer U de hele tijd buitenslands verblijft, missen we de aanblik van Uw aantrekkelijke gelaat, welks glimlachen al ons leed overwint. Hoe kunnen we buiten Uw aanwezigheid bestaan? Toen Hij deze woorden vernomen had, ging de Heer, die de burgers en de toegewijden uiterst welgezind is, de stad Dvârakâ binnen en nam hun welkom in ontvangst door Zijn bovenzinnelijke blik over hen heen te laten gaan. (Vedabase)
Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf.
Zoals Bhogavatî, de hoofdstad van Nâgaloka, beschermd wordt door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de afstammelingen van Vrishni - Bhoja, Madhu, Dasârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. - die zo sterk als Heer Krishna waren. (Vedabase)
In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten.
De stad Dvârakâpurî was van de volheid van alle jaargetijden vervuld. Er waren kluizenaarsoorden, boomgaarden, bloementuinen, parken en overal vijvers vol openbloeiende lotussen. (Vedabase)
De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn.
De stadspoort, de huisdeuren en bewimpelde bogen langs de wegen waren alle feestelijk met platane- en mango-bladeren versierd ter verwelkoming van de Heer. Een wirwar van vlaggen, bloemenslingers, versieringen en geschilderde teksten verduisterde het zonlicht. (Vedabase)
De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden.
De hoofdwegen, straten, stegen, markten en pleinen waren grondig gereinigd en met reukwater besprenkeld. En om de Heer te verwelkomen waren er overal vruchten, bloemen en ongebroken zaden rondgestrooid. (Vedabase)
Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen.
In de deur van ieder woonhuis waren heilrijke zaken uitgestald, zoals stremsel, ongebroken vruchten, volle waterkruiken, alsook offerwaar, zoals wierook en lichtjes. (Vedabase)
Horende dat hun meestgeliefde thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî, allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken.
Toen ze hoorden dat hun allerdierbaarste Krishna de stad Dvârakâ naderde, staakten allen, dolgelukkig, het rusten, zitten en eten - de grootmoedige Vasudeva, Akrûra, Ugrasena, Balarâma. (de bovenmenselijk sterke), Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî. (Vedabase)
Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in een blijde verwachting, samen met de brahmanen, op hun wagens in Zijn richting.
Ze haastten zich op wagens naar de Heer en de brâhmana's droegen bloemen aan. Olifanten, zinnebeeld van geluk, gingen voor hen uit. Het geluid van schelphoorns en kornetten klonk op, alsook het chanten van Vedische zangen. Zo brachten ze vol genegenheid hun eerbetuigingen. (Vedabase)
Honderden courtisanes er hevig naar verlangend Hem te zien, volgden met hun voertuigen, met oogverblindende oorbellen die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden.
Tezelfdertijd begaven vele honderden bekende prostitué's zich de Heer tegemoet in allerlei voertuigen, zeer begerig Hem te zien, hun mooie gezicht getooid met oogverblindende oorhangers, die de schoonheid van hun voorhoofd verhoogden. (Vedabase)
Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen.
Ervaren akteurs, artiesten, dansers, zangers, vertellers, genealogen en redenaars leverden elk hun bijdrage, geïnspireerd door het bovenmenselijk spel en vermaak van de Heer. Zo ging alles eraan toe. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer benaderde iedere vriend en burger die kwam om Hem te verwelkomen en ontvangen, zoals het hoort, met het nodige betoon van respect.
Heer Krishna, de Persoonlijkheid Gods, kwam nader en bejegende elke vriend, verwant, burger, kortom iedereen, die Hem kwam verwelkomen, met gepaste achting en eerbied. (Vedabase)
Hij, de Almachtige, tot aan de laagsten Zijn begeerde zegeningen schenkend, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd, hen in woorden begroetend, ze omhelzend en handen schuddend.
De Almachtige Heer groette alle aanwezigen door het hoofd te nijgen door hen woordelijk te groeten, te omhelzen, de hand te drukken, ze glimlachend aan te zien, bemoedigend toe te spreken en te zegenen, tot en met de laagsten onder hen. (Vedabase)
Toen, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen, ging Hij de stad binnen waar Hij tevens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.
Toen ging de Heer persoonlijk de stad binnen in gezelschap van oudere familieleden en zwakke brâhmana's met hun vrouwen, die Hem allen zegenden en Zijn lof zongen. Ook anderen verheerlijkten Zijn heerlijkheid. (Vedabase)
Terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep, klommen de dames van stand op het dak van hun huizen, o hoog geleerden, om van Zijn aanblik te kunnen genieten.
Terwijl Heer Krishna over de openbare wegen ging, bestegen alle dames van voorname familie in Dvârakâ de daken van de paleizen om hun blik aan de Heer te vergasten. Er bestond voor hen geen groter feest. (Vedabase)
Hoewel ze het gewoon waren steeds zo naar Hem te kijken, raakten de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nooit moe.
De inwoners van Dvârakâ waren eraan gewoon de bron van alle schoonheid, de onfeilbare Heer, geregeld te zien, maar nimmer raakten hun ogen van het kijken naar Hem verzadigd. (Vedabase)
In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden.
De borst van de Heer is de verblijfplaats van de godin van het geluk. Zijn maangelijke gelaat is het drinkvat van ogen die hunkeren naar al wat schoon is. Zijn armen zijn de rustplaats van de besturende halfgoden. En Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht van de zuivere toegewijden, die nergens anders van spreken of zingen dan van Zijne Heerlijkheid. (Vedabase)
Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer, met Zijn gele kledij en bloemenslingers, eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.
Terwijl de Heer over de openbare wegen van Dvârakâ ging, werd Zijn hoofd door een witte parasol tegen de zonneschijn beschermd. Witte wuifkwasten beschreven halve bogen en er viel een bloemenregen op de weg. Door Zijn gele kleding en bloemenkransen leek het alsof een donkere wolk tegelijk door zon, maan, regenboog en bliksem omgeven werd. (Vedabase)
Maar na het betreden van Zijn ouderlijk huis werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting.
Bij het binnengaan van Zijn vaders huis werd de Heer door de aanwezige moeders omhelsd en nam Hij hun voeten op Zijn hoofd. De eerste onder hen was Devakî [Zijn eigenlijke moeder]. (Vedabase)
Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden.
Na hun zoon omhelsd te hebben trokken de moeders Hem bij zich op schoot. Uit pure liefde welde melk hun uit de borsten. Ze waren overweldigd door verrukking en hun tranen maakten de Heer nat. (Vedabase)
Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden.
Daarna ging de Heer Zijn paleizen binnen, die in alle opzichten volmaakt waren. Daar woonden Zijn vrouwen, meer dan zestienduizend in getal. (Vedabase)
Innerlijk verheugd stonden de dames, die van verre hun echtgenoot thuis zagen komen, onmiddellijk van hun zitplaatsen op met een verlegen kijkend gezicht.
De koninginnen van Heer S'rî Krishna waren verheugd van hart toen ze hun echtgenoot na zo'n lange tijd buitenslands thuis zagen komen. Ze kwamen dadelijk van hun zetel en uit hun meditatie overeind. Zoals de omgangsvormen het wilden, verborgen ze verlegen hun gezicht en blikten zedig opzij. (Vedabase)
Op Zijn verschijnen hun zoons op Hem afsturend, omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst van binnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden.
Hun extase was zo overweldigend sterk dat de koninginnen, schuchter als ze waren, de Heer eerst in het diepst van hun hart omhelsden. Toen omhelsden ze Hem met hun blik en daarna lieten ze Hem omhelzen door hun zoons [hetgeen aan een persoonlijke omhelzing gelijkstaat]. Hoewel ze zich trachtten te beheersen, o eerste onder de Bhrigu's, stroomden de tranen hun uit de ogen. (Vedabase)
Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten?
Hoewel Heer S'rî Krishna Zich onophoudelijk aan hun zijde bevond alsook geheel alleen met hen was, kwamen Zijn voeten hun steeds nieuwer voor. Hoewel de godin van het geluk van nature rusteloos is, kan ze niet van Zijn voeten wijken. Welke vrouw zou dan wél van deze voeten kunnen loskomen, nadat ze er al eenmaal haar heil bij heeft gezocht? (Vedabase)
Hij, zonder er zelf deel aan te hebben schiep de onderlinge vijandigheid van de heersers die een last voor de aarde waren geworden, geboren als ze waren met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind die vuur veroorzaakt via de wrijving van bamboestaken.
Na de vorsten te hebben gedood, die de aarde tot last waren, had de Heer rust. Ze waren opgeblazen geraakt door hun militaire macht, hun paarden, olifanten, strijdwagens, voetvolk enzovoort. Hij had Zelf niet aan de strijd deelgenomen. Hij zaaide slechts tweedracht onder de machtige bestuurders, zodat zij met elkaar slaags raakten. Hij was als de wind die de bamboestengels langs elkaar laat schrapen, waardoor er vuur ontvonkt. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade uit Zichzelf naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot een leven, met de waardigsten onder de vrouwen, alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof.
Die Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, S'rî Krishna, verscheen uit grondeloze genade door Zijn innerlijk vermogen op deze planeet en genoot er, in gezelschap van gewiekste vrouwen, alsof Hij Zich met wereldse zaken inliet. (Vedabase)
Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie.
Hoewel de fraaie manier van lachen en steelse blikken der koninginnen onberispelijk en opwindend waren en hoewel ze de liefdesgod zelf de baas konden en hem dwingen in overgave zijn boog te overhandigen, en hoewel zelfs de onwankelbare S'iva voor hen zou kunnen moeten zwichten, wisten ze in weerwil van hun betoverend aantrekkelijke verrichtingen 's Heren zinnen niet in beroering te brengen. (Vedabase)
Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf.
Volgens het bekrompen denken van de gewone materialistische gebonden zielen is de Heer een van hen. Uit onwetendheid geloven ze dat Hij beïnvloed wordt door de stof, hoewel Hij ervan onthecht is. (Vedabase)
De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is zodanig dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt.
Dat is het goddelijke van de Persoonlijkheid Gods: Hij wordt niet door de geaardheden der stoffelijke natuur beroerd, ook al is Hij ermee in aanraking. Evenzo worden de toegewijden, die hun toevlucht bij Hem hebben gezocht, niet door de materiële geaardheden beïnvloed. (Vedabase)
De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat het waar was dat Hij een meeloper was die gedomineerd en geïsoleerd wordt door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot, zoals ook de atheïsten over Hem denken die Hem niet kennen als de Opperheer."
Deze eenvoudige en zwakke vrouwen dachten werkelijk dat Heer S'rî Krishna, hun beminde echtgenoot, hen naliep en door hen geregeerd werd. Ze hadden geen idee van de omvang van de heerlijkheden van hun echtgenoot, zoals atheïsten niet beseffen dat Hij de opperbestuurder is. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van Ramadasa-abhirama
Dasa
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties