regelbalk


 

Canto 1

Râdhâ Mâdhava 2

 

Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Vervloekt door een brahmaan te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Na al degenen die hem nabij stonden achter te hebben gelaten begreep hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke toen hij zijn lichaam opgaf aan de oever van de Ganges als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî]. (4) Zelfs niet in hun stervensuur zullen zij in verwarring verkeren die Zijn voeten in gedachten houden, zich bezighouden met Zijn lofzangen en de nectargelijke verhalen waarderen waarin Hij wordt verheerlijkt. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet, verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Zoals een bij die recht op de nectar afgaat, wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich voor het ongunstige moet inspannen zonder ooit iets te bereiken. (8) Kali die voor de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was hij als een tijger onder de mensen de zorgzame onder de zorgelozen. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld over de vrome Parîkchit die er in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kenns te nemen van alles wat ik aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden heb gesproken."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) In het brengen van dit offer, waarvan de afloop onzeker is, zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of de bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik je evenwicht vinden in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Iemand die eenmaal de smaak te pakken heeft zal er nooit genoeg van krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva? (15) Wees o geleerde zo aardig om voor ons die er zo naar naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert doordat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa om hem in te wijden wat betreft het pad der bevrijding. (17) Vertel ons om die reden over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [toewijding] is vervat. Beschrijf ons, op de manier zoals het Parîkchit verteld werd, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, door conversatie verbonden met de groten, duidelijk ertoe zijn bevorderd, hoewel we van verschillende komaf zijn, vandaag [een hogere] geboorte [in de Heer] te nemen. Door hen te dienen die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig gezuiverd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiele] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel te meer geldt dat niet degenen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten, terwijl Hij er Zelf niet om vroeg.(21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat U die zo sterk bent als de zon er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan U op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) "Eens toen Parîkchit op de hertenjacht was met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de hermitage van de beroemde rishi S'amîka binnen waar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd, onaangedaan verwijlend in transcendentie boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt met zijn lange samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) Hoewel hij ontdaan was vanwege de omstandigheid van zijn honger en dorst, waren zijn woede en afgunst jegens de brahmaan ongekend, o hoog geleerden. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij een levenloze slang van de grond op met de punt van zijn boog en plaatste hij die in woede op de schouder van wijze terwijl hij vertrok om terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen door de wijze, een vals voorgewende trance was om te kunnen blijven bij het afzien van het ontmoeten van een lagere bestuurder."

(32) "Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het leed dat de koning zijn vader had berokkend terwijl hij met kinderlijke jongens aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Zie eens hoe de goddeloosheid van de heersers, met iemand die werd grootgebracht om zich als een kraai en een waakhond jegens zijn meester te gedragen, heeft geleid tot wat een zonde is voor dienaren. (34) Voor de geleerden zijn de zonen van de heersende klasse waarlijk waakhonden - op welke gronden kan hij die verondersteld wordt bij de deur te blijven wachten denken dat hij het verdient het huis van de meester binnen te gaan en uit dezelfde pot te eten? (35) Krishna, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's vertrok als onze beschermer - vandaag zal ik ze zelf bestraffen, zie maar hoe machtig ik ben.' (36) Aldus zijn speelkameraadjes toesprekend met roodgloeiende ogen, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende de volgende donderslag van woorden: (37) 'Vanwege het breken van de etiquette, zal een slangenvogel, op de zevende dag, voorzeker de slechterik van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.' (38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

(39) "O S'aunaka, toen hij zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende de rishi die was geboren in de familie van Angira, langzaam zijn ogen en zag ook hij de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend, vroeg hij 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand iets verkeerd gedaan?' Aldus verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij hoorde van de vervloeking van de koning die nooit veroordeeld had mogen worden daar hij de beste onder de mensen was, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar weeklaagde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dergelijk onbetekenende overtreding. (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijk man van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43) O mijn jongen, als eenmaal deze koninklijke vertegenwoordiger van de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt is uitgebannen, zal deze wereld vol van dieven zijn die meteen de onbeschermden pakken alsof ze lammeren zijn. (44) Vanwege het uitbannen van de monarch, zal vanaf deze dag de terugslag van deze zonde op ons neerkomen en grote maatschappelijke verstoringen veroorzaken - de weelde zal worden geplunderd door dieven en onderling zal men elkaar doden en verwonden en zal men zich onrechtmatig de vrouwen en de dieren toeëigenen. (45) Op dat moment zal de rechtgeaarde beschaving van menselijke vooruitgang in de roepingen en stadia van het leven naar het respect van de vedische voorschriften, systematisch worden teniet gedaan, waarna economische ontwikkeling terwille van het zingenot zal resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van honden en apen. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een hoogst gevierde keizer, een rechtstreekse toegewijde eerste klas van de Heer en een heilige van de koninklijke orde; een groot brenger van paardoffers - en als hij door honger en dorst is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt'.

(47) Om zich te verontschuldigen voor de grote zonde begaan door het qua intelligentie onvolgroeide kind jegens een zondeloze en waardige onderworpene, wendde hij zich toen tot de Allerhoogste Al-doordringende Heer: (48) 'Of ze nu door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord door verwaarlozing, of zelfs gedood zijn, voorzeker zullen nooit vanwege dit alles de verdraagzame toegewijden van de Heer zich wreken.' (49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk het door de koning beledigen van hemzelf niet beschouwde als een zonde. (50) Over het algemeen zijn de heiligen in deze wereld niet pijnlijk getroffen als ze door anderen betrokken zijn bij de dualiteit, noch scheppen ze er genoegen in omdat ze zich bevinden in de bovenzinnelijkheid van de ziel."

 

                                  

 
 

 Tweede editie, geladen 19 maart 2006. 

 

 

 

Bronteksten:

Mahârâja Parîkshit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

 

Tekst 1

Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn.

Sûta Gosvâmî zei: Door de genade van de Persoonlijkheid Gods, S'rî Krishna, die zulke wonderbare daden verricht, kon Mahârâja Parîkshit niet verbranden, ook al werd hij in de moederschoot door het vurige wapen van de zoon van Drona getroffen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Vervloekt door een brahmaan te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven.

Voorts gaf Mahârâja Parîkshit zich altijd welbewust over aan de Persoonlijkheid Gods, en derhalve raakte hij nimmer door vrees bevangen bij de gedachte aan de dodelijke beet van een slangenvogel, die hem wegens de woede van een brahmaanse knaap te wachten stond. (Vedabase)

 

Tekst 3

Na al degenen die hem nabij stonden achter te hebben gelaten begreep hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke toen hij zijn lichaam opgaf aan de oever van de Ganges als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî].

Nadat hij vervolgens al zijn metgezellen verlaten had, gaf de koning zich aan de oever van de Ganges volledig als leerling over aan de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî] en kon zodoende de feitelijke positie van de Persoonlijkheid Gods beseffen. (Vedabase)

 

Tekst 4

Zelfs niet in hun stervensuur zullen zij in verwarring verkeren die Zijn voeten in gedachten houden, zich bezighouden met Zijn lofzangen en de nectargelijke verhalen waarderen waarin Hij wordt verheerlijkt.

Dit was zo omdat degenen die hun leven wijden aan het spreken over en luisteren naar de bovenzinnelijke verhalen over de Persoonlijkheid Gods, die door de Vedische zangen verheerlijkt wordt, en die zich onophoudelijk de lotusvoeten van de Heer willen heugen, geen gevaar lopen dat ze zelfs op het laatste moment van hun leven met misvattingen behept zijn. (Vedabase)

 

Tekst 5:

De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt.

Zo lang de grote, machtige zoon van Abhimanyu keizer der wereld zal blijven, zal de verpersoonlijking van Kali met geen mogelijkheid goede sier kunnen maken. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet, verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld.

Op dezelfde dag en hetzelfde ogenblik waarop de Goddelijke Persoonlijkheid Heer S'rî Krishna deze aarde verliet verscheen de verpersoonlijking van Kali, die alle vormen van goddeloze activiteiten teweeg brengt, in deze wereld. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Zoals een bij die recht op de nectar afgaat, wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl zich inspannend voor het ongunstige men nooit iets bereikt.

Mahârâja Parîkshit was een realist, zoals een bij, die alleen de essentie [van een bloem] tot zich neemt. Hij was er volmaakt van op de hoogte dat in dit Kali-tijdperk heilrijke zaken meteen een goede uitwerking hebben, terwijl heilloze daden eerst werkelijk verricht moeten worden [om hun kwalijke uitwerking te hebben]. Daarom voelde hij geen zweem van afgunst jegens Kali. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Kali die voor de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was hij als een tijger onder de mensen de zorgzame onder de zorgelozen.

Mahârâja Parîkshit overwoog dat minder intelligente lieden een hoge dunk van de macht van de verpersoonlijking van Kali zouden kunnen krijgen, maar dat de beheersten niets te duchten zouden hebben. De koning was sterk als een tijger en nam de dwazen en zorgelozen onder zijn hoede. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld over de vrome Parîkchit die er in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn.

O wijzen, op uw verzoek heb ik u thans vrijwel alles beschreven over hetgeen er te verhalen valt aangaande Heer Krishna en de geschiedenis van de vrome Mahârâja Parîkshit. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kenns te nemen van alles wat ik aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden heb gesproken."

Degenen die naar volkomen levensvervolmaking verlangen dienen onderworpen alle gespreksonderwerpen aan te horen die verband houden met de bovenzinnelijke activiteiten en eigenschappen van de Persoonlijkheid Gods, wiens daden wonderbaarlijk zijn. (Vedabase)

 

Tekst 11

De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt.

De goede wijzen spraken: O ernstige Sûta Gosvâmî! Mogen u vele jaren van leven en eeuwige roem beschoren zijn, want u spreekt zeer schoon over het doen en laten van Heer Krishna, de Persoonlijkheid Gods. Het is als nektar voor ons, stervelingen. (Vedabase)

 

Tekst 12

In het brengen van dit offer, waarvan de afloop onzeker is, zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem.

We zijn zojuist begonnen met deze baatzuchtige aktiviteit, het ontsteken van een offervuur, terwijl we er als gevolg van de vele onvolkomenheden van ons handelen niet zeker van zijn of ze met sukses bekroond zal worden. Ons lichaam is zwart van de rook geworden, maar we voelen ons werkelijk gelaafd door de nektar van de lotusvoeten van de Persoonlijkheid Gods, die u ons schenkt. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Het bereiken van hogere leefwerelden of de bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik je evenwicht vinden in de omgang met een toegewijde van de Heer.

De waarde van slechts één ogenblik dat men met 's Heren toegewijde omgaat valt zelfs niet te vergelijken met de waarde van het bereiken van de hemelse planeten of verlossing uit de stof, gezwegen van een wereldse zegen in de vorm van materiële voorspoed, die slechts voor stervelingen bedoeld is. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Iemand die eenmaal de smaak te pakken heeft zal er nooit genoeg van krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva?

De Persoonlijkheid Gods, Heer Krishna [Govinda], is de enige toevlucht van alle grote levende wezens en Zijn bovenzinnelijke eigenschappen kunnen niet eens gepeild worden door mystieke grootmeesters als Heer S'iva en Heer Brahmâ. Kan iemand die bedreven is in het genieten van nektar [rasa] er ooit genoeg van krijgen om naar de verhalen over Hem te luisteren.. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Wees o geleerde zo aardig om voor ons die er zo naar naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten.

O Sûta Gosvâmî, u bent een geleerde en zuivere toegewijde van de Heer, omdat uw dienst hoofdzakelijk gericht is op de Persoonlijkheid Gods. Beschrijf ons daarom alstublieft Zijn spel en vermaak, dat zich aan het materiële bevattingsvermogen onttrekt, want we verlangen ernaar hierover te vernemen. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert doordat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa om hem in te wijden wat betreft het pad der bevrijding.

O Sûta Gosvâmî, beschrijf alstublieft die gebeurtenissen met betrekking tot de Heer waardoor Mahârâja Parîkshit, wiens verstand op verlossing gekoncentreerd was, de lotusvoeten van de Heer bereikte, die de toevlucht van Garuda, de koning der vogels, is. De beschrijvingen van deze gebeurtenissen werden ten gehore gebracht door de zoon van Vyâsa [S'rîla S'ukadeva]. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Vertel ons om die reden over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [toewijding] is vervat. Beschrijf ons, op de manier zoals het Parîkchit verteld werd, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

Verhaal ons zo alstublieft van de beschrijvingen van de Onbegrensde, want ze zijn verheven en louterend. Ze werden gegeven aan Mahârâja Parîkshit en zijn de zuivere toegewijden, vervuld als ze zijn van bhakti-yoga, zeer dierbaar. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Sûta zei: "Zie hoe wij, door conversatie verbonden met de groten, duidelijk ertoe zijn bevorderd, hoewel we van verschillende komaf zijn, vandaag [een hogere] geboorte [in de Heer] te nemen. Door hen te dienen die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig gezuiverd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiele] zin geboren worden.

S'rî Sûta Gosvâmî sprak: Hoewel geboortig uit een gemengde kaste, ontvangen we niettemin het recht op een hogere geboorte, louter door de groten, die in kennis gevorderd zijn, te dienen en volgen. Slechts door met zulke grote zielen te spreken kan men zich onverwijld reinigen van de nadelen die aan een lagere geboorte kleven. (Vedabase)

 

Tekst 19:

En, wederom, hoeveel te meer geldt dat niet degenen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden?

Wat mogen we dan niet zeggen van degenen die onder leiding van de grote toegewijden de heilige naam van de Onbegrensde chanten? De Persoonlijkheid Gods, in Zijn vermogens en naar Zijn attributen bovenzinnelijk, wordt ananta genoemd [Onbegrensde]. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten, terwijl Hij er Zelf niet om vroeg.

Thans staat vast dat Hij [de Persoonlijkheid Gods] onbegrensd is en Zijn gelijke niet kent. Derhalve kan niemand Hem bij benadering beschrijven. Grote halfgoden zijn niet bij machte zich de gunst van de geluksgodin te verwerven, zelfs niet door gebeden, terwijl het juist deze godin is die de Heer dienst bewijst, hoewel Hij niet op deze dienst gesteld is. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert?

Wie anders dan de Persoonlijkheid Gods S'rî Krishna kan de naam Opperheer waardig zijn? Brahmâjî verzamelde het water dat van Zijn teennagels emaneerde om er Heer S'iva een eerwaardig welkom mee te bereiden. Het is juist dit water [de Ganges] dat het ganse universum met inbegrip van Heer S'iva loutert. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden.

Personen die zich weten te beheersen en aan de Opperheer S'rî Krishna gehecht zijn kunnen plotseling de wereld der materiële gebondenheid loslaten, met inbegrip van het grofstoffelijk lichaam en de fijnstoffelijke geest, en huns weegs gaan teneinde de vervolmaking van het onthechte leven te bereiken, waaruit geweldloosheid en verzaking voortvloeien. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Omdat U die zo sterk bent als de zon er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan U op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

O rishi's die machtig zijt als de zon, ik zal u het bovenzinnelijk spel en vermaak van Vishnu trachten te beschrijven voor zo ver dat in mijn vermogen ligt. Zoals vogels zo hoog als ze kunnen in de lucht opstijgen, beschrijven de geleerde toegewijden de Heer zo ver als hun realisatie het hun vergunt. (Vedabase)

 

Tekst 24-25:

"Eens toen Parîkchit op de hertenjacht was met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de hermitage van de beroemde rishi S'amîka binnen waar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht.

Toen Mahârâja Parîkshit op een dag in het woud met pijl en boog op jacht was, raakte hij van het volgen van de hertebokken uiterst vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar drinken trad hij de kluizenaarshut binnen van de beroemde S'amîka rishi en zag de grote wijze daar met gesloten ogen zwijgend zitten. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd, onaangedaan verwijlend in transcendentie boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap].

's Muni's zintuigen, ademhaling, geest en verstand waren alle van stoffelijke activiteit weerhouden en hij bevond zich in een trance, los van de drie [bewustzijnstoestanden: waken, dromen en bewusteloosheid], aangezien hij een bovenzinnelijke staat bereikt had welke naar gehalte gelijk was aan het Allerhoogste Absolute. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Hij was bedekt met zijn lange samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water.

De wijze zat in meditatie, gehuld in een hertevel en een warreling van zijn geplette lange haar. De koning, wiens verhemelte droog was van de dorst, vroeg hem om water. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Omdat hij niet werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad.

Niet naar behoren begroet onder aanbieding van een stromat, zitplaats, water en zoetgevooisde woorden, voelde de koning zich genegeerd en werd hierom kwaad. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Hoewel hij ontdaan was vanwege de omstandigheid van zijn honger en dorst, waren zijn woede en afgunst jegens de brahmaan ongekend, o hoog geleerden.

O brâhmana's, 's konings woede en afgunst op de brahmaanse wijze waren ongehoord, gezien het feit dat de omstandigheden hem hongerig en dorstig hadden gemaakt. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Zijn respect verloren hebbende raapte hij een levenloze slang van de grond op met de punt van zijn boog en plaatste hij die in woede op de schouder van wijze terwijl hij vertrok om terug te keren naar zijn paleis.

Gebelgd lichtte de koning bij het weggaan met de punt van zijn boog een levenloze slag van de grond en hing hem de wijze kwaad om de schouders. Daarna keerde hij terug naar zijn paleis. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen door de wijze, een vals voorgewende trance was om te kunnen blijven bij het afzien van het ontmoeten van een lagere bestuurder."

Terugkerend overwoog hij bij zichzelf of de wijze daar werkelijk in meditatie had gezeten, met gekoncentreerde zinnen en gesloten ogen, of dat hij slechts geveinsd had zich in trance te bevinden, teneinde zich niet met een lagere kshatriya te hoeven bemoeien. (Vedabase)

 

Tekst 32:

"Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het leed dat de koning zijn vader had berokkend terwijl hij met kinderlijke jongens aan het spelen was, zei hij dit:

De wijze had als brâhmana een zoon die zeer machtig was. Tijdens zijn spel met kinderlijke jongens hoorde hij dat zijn vader door de koning was lastig gevallen. Daar en op dat ogenblik sprak de knaap als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 33:

'Zie eens hoe de goddeloosheid van de heersers, met iemand die werd grootgebracht om zich als een kraai en een waakhond jegens zijn meester te gedragen, heeft geleid tot wat een zonde is voor dienaren.

[De brahmanenzoon S'ringi zei:] Zie slechts het kwaad van de heersers, die als kraaien en waakhonden voor de deur tegen hun meesters zondigen, zulks in strijd met de regels die er voor dienaars gelden. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Voor de geleerden zijn de zonen van de heersende klasse waarlijk waakhonden - op welke gronden kan hij die verondersteld wordt bij de deur te blijven wachten denken dat hij het verdient het huis van de meester binnen te gaan en uit dezelfde pot te eten?

De leden der koninklijke stand hebben beslist tot taak als waakhond op te treden en moeten aan de deur blijven. Met welk recht kan een hond het huis binnen gaan en met zijn meester van hetzelfde bord willen eten.. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Krishna, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's vertrok als onze beschermer - vandaag zal ik ze zelf bestraffen, zie maar hoe machtig ik ben.'

Na het heengaan van Heer S'rî Krishna, de Persoonlijkheid Gods en opperheerser over iedereen, is, nu we onze beschermer missen, dit soort parvenu's komen opspelen. Ik neem het thans op me ze te straffen. Zie slechts wat ik vermag. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Aldus zijn speelkameraadjes toesprekend met roodgloeiende ogen, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende de volgende donderslag van woorden:

Zijn ogen roodgloeiend van woede, beroerde de rishi-zoon het water van de rivier de Kaus'ika en liet in tegenwoordigheid van zijn speelmakkers als een donderslag de volgende woorden uit zijn mond rollen. (Vedabase)

 

Tekst 37:

'Vanwege het breken van de etiquette, zal een slangenvogel, op de zevende dag, voorzeker de slechterik van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.'

De brahmanenzoon vervloekte de koning aldus: Vandaag over zeven dagen zal een slangenvogel de ellendigste zoon van deze dynastie [Mahârâja Parîkshit] een beet toebrengen, omdat hij de regels gebroken heeft door mijn vader te beledigen. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

Toen de knaap vervolgens naar de kluizenaarshut terugkeerde, zag hij een slang om zijn vaders schouder en schreeuwde het uit van verdriet. (Vedabase)

 

Tekst 39:

"O S'aunaka, toen hij zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende de rishi die was geboren in de familie van Angira, langzaam zijn ogen en zag ook hij de dode slang op zijn schouder.

O brâhmana's, toen de rishi, die geboren was in de familie van Angirâ Muni, zijn zoon hoorde huilen, opende hij langzaam zijn ogen en zag de dode slang om zijn hals hangen. (Vedabase)

 

Tekst 40:

Die terzijde werpend, vroeg hij 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand iets verkeerd gedaan?' Aldus verzocht, vertelde de jongen hem alles.

Hij wierp de dode slang terzijde en vroeg zijn zoon waarom hij huilde en of iemand hem kwaad had gedaan. Hierop legde de knaap hem uit wat er gebeurd was. (Vedabase)

 

Tekst 41 :

Nadat hij hoorde van de vervloeking van de koning die nooit veroordeeld had mogen worden daar hij de beste onder de mensen was, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar weeklaagde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dergelijk onbetekenende overtreding.

De vader vernam van zijn zoon dat de koning vervloekt was, hoewel deze nimmer veroordeeld had mogen worden, want hij was nu eenmaal de beste onder de mensen. De rishi wenste zijn zoon geen geluk, maar sprak daarentegen vol berouw: Helaas! Hoe groot is de zonde die mijn zoon begaan heeft. Hij heeft een zware straf uitgedeeld om een onbeduidend vergrijp. (Vedabase)

 

Tekst 42:

In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijk man van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart.

O mijn jongen, je intelligentie is onvolgroeid en daarom beschik je nog niet over de wetenschap dat de koning, die de beste onder de mensen is, even goed is als de Persoonlijkheid Gods. Hij mag nimmer op gelijk niveau met gewone mensen worden gezien. De burgers van de staat leven in voorspoed, aangezien ze door zijn weergaloze bekwaamheid beschermd worden. (Vedabase)

 

Tekst 43:

O mijn jongen, als eenmaal deze koninklijke vertegenwoordiger van de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt is uitgebannen, zal deze wereld vol van dieven zijn die meteen de onbeschermden pakken alsof ze lammeren zijn.

Mijn lieve jongen, de Heer, die het wagenwiel geheven houdt, wordt vertegenwoordigd door het koninklijk bewind, en wanneer dit wordt afgeschaft, stroomt de ganse wereld vol dieven, die dan dadelijk de onbeschermde onderdanen als verstrooide lammeren aanvatten. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Vanwege het uitbannen van de monarch, zal vanaf deze dag de terugslag van deze zonde op ons neerkomen en grote maatschappelijke verstoringen veroorzaken - de weelde zal worden geplunderd door dieven en onderling zal men elkaar doden en verwonden en zal men zich onrechtmatig de vrouwen en de dieren toeëigenen.

De beëindiging van de monarchale regimes door schurken en dieven en hun beroving van het volk zullen tot ernstige verstoring van de samenleving leiden. De mensen zullen gedood en gekwetst worden en dieren en vrouwen geroofd. En voor al deze zonden zullen wij verantwoordelijk zijn. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Op dat moment zal de rechtgeaarde beschaving van menselijke vooruitgang in de roepingen en stadia van het leven naar het respect van de vedische voorschriften, systematisch worden teniet gedaan, waarna economische ontwikkeling terwille van het zingenot zal resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van honden en apen.

De mensheid in het algemeen zal dan stelselmatig afglijden van de weg der voortschrijdende beschaving als aangegeven door de Vedische voorschriften met betrekking tot de activiteiten die de kasten en levensorden te doen staan. De mensen zullen steeds meer gehecht raken aan ekonomische ontwikkeling terwille van het bevredigen van hun zinnen, met als gevolg dat er een ongewenste bevolking ontstaat van het niveau van honden en apen. (Vedabase)

 

Tekst 46:

De beschermer van de religie, de koning, is een hoogst gevierde keizer, een rechtstreekse toegewijde eerste klas van de Heer en een heilige van de koninklijke orde; een groot brenger van paardoffers - en als hij door honger en dorst is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt'.

Keizer Parîkshit is een vrome vorst. Hij is een zeer gevierde en eersterangs toegewijde van de Persoonlijkheid Gods. Hij is een heilige onder de koningen en heeft tal van paardeoffers gebracht. Als zo'n koning moe en afgemat is en door honger en dorst gekweld wordt, verdient hij het geenszins te worden vervloekt. (Vedabase)

 

Tekst 47:

Om zich te verontschuldigen voor de grote zonde begaan door het qua intelligentie onvolgroeide kind jegens een zondeloze en waardige onderworpene, wendde hij zich toen tot de Allerhoogste Al-doordringende Heer:

Daarop bad de rishi de alomtegenwoordige Persoonlijkheid Gods, vergiffenis te willen schenken aan zijn onvolwassen jongen, die geen verstand bezat en de grote zonde had begaan een ondergeschikte te vervloeken, die volkomen zondeloos was en beschermd diende te worden. (Vedabase)

 

Tekst 48:

'Of ze nu door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord door verwaarlozing, of zelfs gedood zijn, voorzeker zullen nooit vanwege dit alles de verdraagzame toegewijden van de Heer zich wreken.'

De toegewijden van de Heer zijn zo verdraagzaam, dat ook al worden ze uigescholden, bedrogen, vervloekt, dwarsgezeten, genegeerd of zelfs gedood, ze nimmer de neiging krijgen zich te wreken. (Vedabase)

 

Tekst 49:

Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk het door de koning beledigen van hemzelf niet beschouwde als een zonde.

Zo betreurde de wijze de door zijn zoon begane zonde. Hij vatte de belediging, hem door de koning aangedaan, geenszins hoog op. (Vedabase)

 

Tekst 50:

Over het algemeen zijn de heiligen in deze wereld niet pijnlijk getroffen als ze door anderen betrokken zijn bij de dualiteit, noch scheppen ze er genoegen in omdat ze zich bevinden in de bovenzinnelijkheid van de ziel."

Ook al worden de transcendentalisten door anderen bij de dualiteiten van de stoffelijke wereld betrokken, toch tonen ze zich er doorgaans blij noch verdrietig bij, omdat ze altijd met het bovenzinnelijke verbonden zijn. (Vedabase

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rî mad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties