Canto
10
Hoofdstuk 12: Het Einde van de Demon Aghâsura
(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven. (2) Zij allen in hun sas, prachtig stralend samen met Hem eropuit trekkend met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik. (3) Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, opgegaan in hun jongensspelletjes, op uiteenlopende plaatsen [in het woud]. (4) Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauweveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien. (5) Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven. (6) Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken. (7-11) Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6]. (12) Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?
(13) En toen verscheen hij genaamd Agha ['de kwaadaardige'] daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en naar wiens levenseinde steeds werd uitgezien door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken. (14) De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen! (15) Als deze jongens voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar zo goed als dood zijn als de kracht van hun leven hen heeft verlaten, als deze levende wezens die voor hen zo dierbaar zijn als hun liefde en adem weg zijn.' (16) Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen. (17) Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur. (18) Hem ziend in die positie dachten ze allen dat het Vrindâvana op zijn best was; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken: (19) 'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet? (20) Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed... (21) En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest. (22) Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek. (23) Let maar eens op hoezeer de wind die er heet als vuur vandaan komt op zijn adem lijkt, met de kwalijke lucht van verbrand vlees van de lijken in zijn buik. (24) Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' zeiden ze en wierpen daarbij een blik op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, terwijl ze luid lachend, in hun handen klappend de bek inliepen. (25) Horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder door te hebben waar ze mee van doen hadden, kwam Krishna, die heel goed doorhad dat de Rakshasa maar al te echt was en hen voor de gek aan het houden was, tot de conclusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens Zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden. (26) Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging. (27) Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon. (28) Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch moesten die onschuldige trouwe zielen hun einde vinden; hoe kon Hij nu beide tegelijk voor elkaar krijgen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en liep Hijzelf de bek in. (29) Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en stonden Kamsa en de andere bloeddorstige vrienden van Aghâsura te juichen. (30) Toen Hij dat hoorde maakte Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, Zichzelf groot binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten. (31) Met die actie werden al de luchtwegen geblokkeerd en puilden de ogen van de heftig worstelende en kronkelende gigant uit hun kassen; de levensadem, die gestokt was in het inwendig geheel geblokkeerde lichaam, brak toen naar buiten ontsnappend via het schedeldak. (32) Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn. (33) Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht tevoorschijn dat geheel op eigen kracht de tien richtingen verlichtte; het bleef in de lucht wachten totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti]. (34) Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd het zijne met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, al de halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden. (35) De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonderbaarlijke geluid hoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, lieflijke klanken, liederen en gejuich terwille van de Ene Allerhoogste Heer, haastte zich er snel heen om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.
(36) O Koning, de uitgedroogde huid van de python werd een bezienswaardigheid van Vrindâvana die als een grot dienend nog lang daarna een uitje vormde. (37) Dit voorval van het sterven en verlost raken van de Python en de bevrijding van Zijn metgezellen, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd. (38) Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken. (39) Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "
(40) S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden. (41) De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde? (42) Ik brand van nieuwsgierigheid, o grote yogi, om er van u over te vernemen, o goeroe, ik ben er zeker van dat het uit niets anders kan zijn voortgekomen dan uit het begoochelend vermogen van de Heer [yoga-mâyâ]. (43) Al ben ik maar een werelds heerser toch ben ik in deze wereld zeer gezegend, o leraar, altijd te mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'."
(44) S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."
Tweede editie, geladen 4 april 2008
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven.S'rî S'uka zei: 'Op een dag bij zich zelf overwegende om te gaan picknicken in het bos wekte de Heer vroeg in de ochtend zijn kameraadjes en de kalfjes, fraai op Zijn hoorn blazend om ze te laten opstaan, en vertrokken ze uit Vraja met hun groepjes kalveren voor zich uit. (Vedabase)
Zij allen in hun sas, prachtig stralend samen met Hem eropuit trekkend met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik.
De velen die Hij er had, begeleid door de jongens, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik toen ze allen in hun sas, prachtig stralend erop uit gingen met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en ieder zijn eigen groep kalveren voor zich die qua aantal het duizendtal konden overschrijden. (Vedabase)
Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, opgegaan in hun jongensspelletjes, op uiteenlopende plaatsen [in het woud].
Krishna tezamen met de talloze kalveren die Hij van Zichzelf bijeen had gebracht, genoot toen, her en der [in het woud], opgaand in hun jongensspelletjes. (Vedabase)
Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauweveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien.
Hoewel met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds opgesierd maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauwenveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien. (Vedabase)
Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven.
Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven. (Vedabase)
Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken.
Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken. (Vedabase)
Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6].
Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor diegenen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om te dienen, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6]. (Vedabase)
Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?
Zelfs niet voor vele levens van boete zijnd bereiken yogî's bedreven in de zelfbeheersing het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig zijnde het voorwerp was geworden van hun rechtstreeks aanschouwen? (Vedabase)
En toen verscheen hij genaamd Agha ['de kwaadaardige'] daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en naar wiens levenseinde steeds werd uitgezien door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken.
En toen verscheen hij, genaamd Agha ['de kwaadaardige'], daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en wiens levenseinde steeds door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken, werd afgewacht. (Vedabase)
De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen!
De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen! (Vedabase)
Als deze jongens voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar zo goed als dood zijn als de kracht van hun leven hen heeft verlaten, als deze levende wezens die voor hen zo dierbaar zijn als hun liefde en adem weg zijn.'
Als dezen voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar met hun levenskracht verdwenen dood zijn; beschouwen zij in feite niet die levende wezens als werkelijk de eigenlijke belichaming van hun liefde en hun leven?' (Vedabase)
Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen.
Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen. (Vedabase)
Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur.
Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het zo donker als mogelijk, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle kijken was als vuur. (Vedabase)
Hem ziend in die positie dachten ze allen dat het Vrindâvana op zijn best was; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken:
Hem ziend in die positie dachten ze allen dat het Vrindâvana op zijn best was; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken: (Vedabase)
'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet?
'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet? (Vedabase)
Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed...
Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed... (Vedabase)
En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest.
En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest. (Vedabase)
Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek.
Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek. (Vedabase)
Let maar eens op hoezeer de wind die er heet als vuur vandaan komt op zijn adem lijkt, met de kwalijke lucht van verbrand vlees van de lijken in zijn buik.
Let maar eens op hoezeer de hete wind die inderdaad als vuur naar buiten komt zijn adem is die net zo kwalijk als brandlucht stinkt van het dode vlees dat in zijn buik zit. (Vedabase)
Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' zeiden ze en wierpen daarbij een blik op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, terwijl ze luid lachend, in hun handen klappend de bek inliepen.
Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' en daarbij een blik werpend op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, gingen ze luid lachend, met hun handen klappend de bek binnen. (Vedabase)
Horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder door te hebben waar ze mee van doen hadden, kwam Krishna, die heel goed doorhad dat de Rakshasa maar al te echt was en hen voor de gek aan het houden was, tot de conclusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens Zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden.
Van hen horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder te weten wat het was, kwam Krishna, denkend dat de rakshasa waarvan Hij wist dat die maar al te echt was maar deed alsof, tot de konklusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden. (Vedabase)
Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging.
Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging. (Vedabase)
Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon.
Krishna, voor een ieder de bron der onbevreesdheid, was ontsteld het gade te slaan en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde zoals zij, die niemand anders dan Hem hadden, nu hulpeloos aan Zijn beheersing waren ontsnapt en als strootjes in het vuur van de buik van Aghâsura, die verpersoonlijking van de dood, beland waren. (Vedabase)
Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch moesten die onschuldige trouwe zielen hun einde vinden; hoe kon Hij nu beide tegelijk voor elkaar krijgen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en liep Hijzelf de bek in.
Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch zouden de onschuldige getrouwen moeten komen te overlijden; hoe kon Hij dat allebei tegelijkertijd bewerkstelligen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en ging Hij de bek binnen. (Vedabase)
Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en stonden Kamsa en de andere bloeddorstige vrienden van Aghâsura te juichen.
Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en jubelden Kamsa en de andere lijkenpikkende vrienden van Aghâsura het uit. (Vedabase)
Toen Hij dat hoorde maakte Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, Zichzelf groot binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten.
Dat horend zette Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, onmiddellijk Zichzelf uit binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten. (Vedabase)
Met die actie werden al de luchtwegen geblokkeerd en puilden de ogen van de heftig worstelende en kronkelende gigant uit hun kassen; de levensadem, die gestokt was in het inwendig geheel geblokkeerde lichaam, brak toen naar buiten ontsnappend via het schedeldak.
Met die aktie werden al de openingen geblokkeerd en sprongen de ogen van de worstelende en kronkelende gigant uit zijn kassen; de levensadem tot staan gebracht binnenin het volledig opgevulde lichaam brak toen uit en ging weg via het schedeldak. (Vedabase)
Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn.
Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn. (Vedabase)
Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht tevoorschijn dat geheel op eigen kracht de tien richtingen verlichtte; het bleef in de lucht wachten totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti].
Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht voort dat op eigen kracht al de tien richtingen verlichtte; het wachtte af zich in de hemel ophoudend totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti]. (Vedabase)
Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd het zijne met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, al de halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden.
Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd zijn eigen bijdrage met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, alle halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden. (Vedabase)
De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonderbaarlijke geluid hoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, lieflijke klanken, liederen en gejuich terwille van de Ene Allerhoogste Heer, haastte zich er snel heen om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.
De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonder aanhoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, zoete geluiden, liederen en gejuich voor de Ene Allerhoogste Heer, kwam daar zeer spoedig aan om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.. (Vedabase)
O Koning, de uitgedroogde huid van de python werd een bezienswaardigheid van Vrindâvana die als een grot dienend nog lang daarna een uitje vormde.
O Koning, de huid van de python, uitgedroogd, was voor een lange tijd een bezienswaardigheid van Vrindâvana en werd als grot een plaats van spel en vermaak. (Vedabase)
Dit voorval van het sterven en verlost raken van de Python en de bevrijding van Zijn metgezellen, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd.
Dit voorval van dood en geboorte over de verlossing van Zijn metgezellen en de python, dat plaats greep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd. (Vedabase)
Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken.
Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken. (Vedabase)
Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "
Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?'." (Vedabase)
S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden.
S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o twee maal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden. (Vedabase)
De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde?
De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde? (Vedabase)
Ik brand van nieuwsgierigheid, o grote yogi, om er van u over te vernemen, o goeroe, ik ben er zeker van dat het uit niets anders kan zijn voortgekomen dan uit het begoochelend vermogen van de Heer [yoga-mâyâ].
Ik brand van nieuwsgierigheid opdat u, o grote yogi, me er over vertelt, o goeroe, daar tot dusverre dit van de Heer schijnt te zijn voortgekomen uit werkelijk niets dan illusie [yoga-mâyâ]. (Vedabase)
Al ben ik maar een werelds heerser toch ben ik in deze wereld zeer gezegend, o leraar, altijd te mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'."
Als slechts maar een werelds heerser zijn we in deze wereld er zeer mee gezegend o leraar, dat we altijd mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'." (Vedabase)
S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."
S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier zo door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord." (Vedabase)
*: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Mensen zijn over het algemeen niet bekend met het geheim van het succes, en derhalve heeft S'rîla Vyâsadeva, vol van mededogen jegens de gevallen zielen in deze materiële wereld, speciaal in dit tijdperk van Kali, ons het S'rîmad Bhâgavatam gegeven. S'rîmad Bhâgavatam purânam amalam yad vaishnavânâm priyam (S.B. 12.13: 18). Voor Vaishnava's die enigszins gevorderd zijn, of die zich volledig bewust zijn van de heerlijkheden en vermogens van de Heer, is het S'rîmad Bhâgavatam een geliefd Vedisch boek. Per slot van rekening, moeten we van lichaam veranderen (tathâ dehântara-prâptih). Als we ons niet bekommeren om de Bhagavad Gîtâ en het S'rîmad Bhâgavatam, weten we niet wat ons volgende lichaam zal zijn. Maar als men vasthoudt aan deze twee boeken - Bhagavad Gîtâ en S'rîmad Bhâgavatam - kan men er zeker van zijn in het volgende leven de associatie te verkrijgen (tyaktvâ deham punar janma naiti mâm eti so 'rjuna [B.G. 4: 9]). Derhalve, is de distributie van het S'rîmad Bhâgavatam over de gehele wereld een welzijns-activiteit voor theologen, filosofen, transcendentalisten en yogi's (yoginâm api sarveshâm [B.G. 6: 47]), zowel als voor de mensen in het algemeen'. (Vedabase)
![]()
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de
Srîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij is getiteld: 'Krishna and the cowherds under
trees' c. 1800 Kulu, India,
©
Victoria and Albert Museum.
Het tweede schilderij is getiteld: 'Krishna Destroys the Demon
Agha'.
Page from a dispersed series of the Bhagavata Purana.
Kota, Rajasthan, India c. 1740-50. Source: Philadelphia
Museum
of Art.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.