regelbalk


 

Canto 10

Gaurânga Karunâ Koro

 

 

Hoofdstuk 22: Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

(1)  S'rî S'uka zei: 'Tijdens de eerste maand van het winterseizoen [hemanta: nov./jan.] namen de ongetrouwde meisjes van Nanda's Vraja, zich voedend met ongekruide khichrî [een mengsel van rijst en linzen], een gelofte in acht in aanbidding van Kâtyâyanî. (2-3) Met het ochtendgloren een bad nemend in het water van de Yamunâ maakten ze van klei een beeltenis van de godin om, weelderig doch eenvoudig, van aanbidding te zijn, o heerser der mensen, met sandelhoutpasta, geurige bloemenslingers, giften [van voedsel, kleding, etc.], wierook en lampen en met offergaven van verse bladeren, vruchten en betelnoten. (4) De jonge meisjes waren van aanbidding met het chanten van een mantra met de woorden: 'O Kâtyâyanî, voor u onze eerbetuigingen, o grote macht, grootste van alle yoginî's, o allerhoogste beheersing, alstublieft maak de zoon van Nanda de gopa mijn echtgenoot!' [*] (5) Op deze manier brachten de meisjes voor de duur van een maand hun gelofte in de praktijk voor Bhadrakâlî van gepast eerbetoon zijnde met 'Moge Hij, Nanda's zoon mijn man worden'. (6) Iedere dag, bij zonsopkomst elkaar erbij roepend, hielden ze elkaars handen vast en gingen ze luidkeels zingend ter ere van Krishna naar de Kâlindî om te baden. (7) Op een dag al zingend over Krishna daar bij de rivier aangekomen lieten ze zoals gebruikelijk op de oever hun kleren achter en vermaakten ze zich spelend in het water.

(8) Krishna, de Allerhoogste Heer, als de Meester van alle meesters van de yoga bekend met wat ze van zins waren, ging omringd door Zijn metgezellen erheen om de meisjes te verzekeren van het resultaat van hun handelen. (9) Hun kleren wegkapend klom Hij snel in een kadamba-boom lachend samen met de jongens lol trappend door te zeggen: (10) 'Kom dan hier meisjes, en wees zo lief ieder van jullie naar wens je eigen kledingstuk uit te zoeken; het is geen grap, Ik meen het serieus, daar jullie vast uitgeput zijn van de verzaking. (11) Het staat vast dat Ik nog nooit ook maar iets onwaars beweerd heb, dat weten al deze jongens; derhalve, o slanke meisjes, wees er zeker van jullie keuze te maken, dan wel een voor een dan wel allemaal samen.'

(12) Met die streek van Hem zag Hij hoe de gopî's, vol van liefde voor Hem, elkaar aankijkend moesten lachen, maar in verlegenheid gebracht kwamen ze niet uit het water. (13) Govinda aldus het woord voerend had met Zijn grappenmakerij de geesten in Zijn greep gekregen van hen die, tot hun nek bibberend in het koude water, tot Hem zeiden: (14) 'O Jij, wees nou eerlijk, gedraag Je nu als degene die Je ook kan zijn, als de beminde zoon van gopa Nanda die we kennen, o liefste, als Hij die beroemd is in heel Vraja; overhandig ons alsJeblieft onze kleren, we hebben het koud. (15) O S'yâmasundara ['mooie donkerhuidige'] wij, Jouw dienstmaagden zullen doen wat Je ons maar zegt, geef ons alsJeblieft onze kleren terug, o Kenner van het Dharma, of anders wacht Je, dan zeggen we het tegen de koning!'

(16) De Allerhoogste Heer zei: 'Als jullie Mijn dienaren zijn moeten jullie dan niet doen wat Ik je zeg en met jullie onschuldige glimlachen uit het water komen om je kleren uit te zoeken; zo niet dan krijg je ze niet, en met de koning er boos over, wat kan hij er aan doen?' (17) Toen kwamen al de meisjes, geplaagd door de koude, rillend tevoorschijn uit het water, hun schaamstreek bedekkend met hun handen. (18) De Allerhoogste Heer die ze verslagen zag legde tevreden over de zuiverheid van hun liefde hun kledingstukken over Zijn schouder en zei met een liefdevolle glimlach: (19) 'Omdat jullie, met het uitvoeren van een vedisch offer, naakt in het water aan het baden waren, hebben jullie een overtreding begaan jegens Varuna en de andere goden; om die zonde ongedaan te maken moeten jullie je eerbetuigingen brengen met jullie handen samengevouwen boven jullie hoofden en dan je kleren weer terugpakken.'

(20) Met wat de Onfeilbare Heer hen zo uitduidde beschouwden de meisjes van Vraja hun naaktzwemmen als een val van hun gelofte en voornemens met succes die gelofte, alsook een oneindig aantal soortgelijke vrome activiteiten te volbrengen, boden ze het rechtstreeks voor hen zichtbare resultaat in de gedaante van de Zuiveraar van Alle Zonden hun eerbetuigingen. (21) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, er tevreden over dat ze zich verbogen gaf, vol van mededogen op die daad, hen toen de kledingstukken terug. (22) Ondanks het feit dat ze met hun kleren weggestolen behoorlijk bij de neus waren genomen, in hun schaamte ontkend waren, waren uitgelachen en waren gemanipuleerd alsof ze marionetten waren, koesterden ze, er blij mee in het gezelschap te verkeren van hun geliefde, niettemin geen vijandigheid jegens Hem. (23) Toen ze hun kleren weer aanhadden waren ze, verrukt over de omgang met hun geliefde, met hun geesten op hol er werkelijk niet toe in staat zich te bewegen en wierpen ze Hem uiterst verlegen hun blikken toe. (24) Van hen begrijpend dat ze er vast toe besloten waren de gelofte na te leven met het verlangen de Allerhoogste Heer Zijn voeten te beroeren, sprak Dâmodara tot de meisjes: (25) 'O vrome zielen, met begrip voor jullie motief Me te aanbidden keur Ik dat goed als zijnde waarachtig en moet het zo zijn gevolg hebben. (26) Van hen wiens bewustzijn ten volle in beslag wordt genomen door Mij zal het verlangen niet leiden tot materiële lust, zoals geroosterd en gekookt graan ook niet in staat is tot nieuw leven uit te groeien [zie ook b.v. 1.6: 35, 3.15: 20, 7.7: 51-52]. (27) Ga nu, beste meisjes, naar Vraja; met het gerealiseerd hebben van jullie verlangen, zullen jullie samen met Mij één dezer nachten genieten op een manier die zuiver zal zijn, jullie leverden immers het bewijs van deze gelofte door het volbrengen van jullie eerbetoon voor de godin.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer mediteerden de jonge meisjes, met hun verlangens in vervulling gegaan, op Zijn lotusvoeten terwijl ze met moeite weer teruggingen naar het koeherdersdorp. (29) Enige tijd daarna begaf de zoon van Devakî temidden van de gopa's zich een eind buiten Vrindâvana om de koeien te hoeden samen met Zijn broer. (30) Met de zon zinderend heet van het seizoen kijkend naar de bomen die Hem met hun schaduw als parasol van dienst waren, zei Hij tot de jongens: (31-32) 'O Stoka Krishna en Ams'u; o S'rîdâma, Subala en Arjuna; o Vis'âla, Vrishabha en Ojasvî; o Devaprastha en Varûthapa, zie toch eens dezen hier zo fortuinlijk wiens leven er enkel uit bestaat er voor het hogere doel te zijn van het afweren van de regen, de wind, de hitte en de sneeuw die ze voor ons verdragen. (33) O hoe verheven de geboorte van deze bomen die, zoals grote zielen dat doen, alle levende wezens ondersteuning verlenen; zeker zal niemand die ze nodig heeft ooit teleurgesteld bij hen vandaan komen. (34) Met hun bladeren, bloesems en vruchten; schaduw en wortels, bast en hout; met hun geur, hun sap en as, pulp en spruiten vervullen ze al je verlangens. (35) Het is aan ieder levend wezen deze volmaaktheid van geboren zijn na te leven in deze wereld: namelijk om met je leven, je welvaart, intelligentie en woorden jegens ieder levend wezen steeds van het allerhoogste te zijn in je plichtsbetrachting [zie ook de Vaishnava Pranâma].'

(36) Van tussen de bomen die voorover bogen met hun overvloed aan bladeren, trossen vruchten, bloesems en twijgen, kwam Hij op deze manier sprekend aan bij de Yamunâ. (37) Aldaar drenkten de gopa's de koeien in het heldere, frisse en koele, heilzame water, o heerser, en dronken ze zichzelf ook vol met het zoet smakende nat. (38) In een bosje langs de Yamunâ waar ze de dieren los lieten lopen, o heerser der mensen, zeiden ze, gekweld door de honger Râma en Krishna benaderend, dit:'

 

 

next          

 
 

Tweede editie, geladen 11 mei 2008.

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande Nederlandse tekst beschikbaar):

Krishna Steals the Garments of the Unmarried Gopîs

 

Text 1:

 

S'rî S'uka zei: 'Tijdens de eerste maand van het winterseizoen [hemanta: nov./jan.] namen de ongetrouwde meisjes van Nanda's Vraja, zich voedend met ongekruide khichrî [een mengsel van rijst en linzen], een gelofte in acht in aanbidding van Kâtyâyanî.

S'ukadeva Gosvâmî said: During the first month of the winter season, the young unmarried girls of Gokula observed the vow of worshiping goddess Kâtyâyanî. For the entire month they ate only unspiced khichrî. (Vedabase)

 

Text 2-3:

Met het ochtendgloren een bad nemend in het water van de Yamunâ maakten ze van klei een beeltenis van de godin om, weelderig doch eenvoudig, van aanbidding te zijn, o heerser der mensen, met sandelhoutpasta, geurige bloemenslingers, giften [van voedsel, kleding, etc.], wierook en lampen en met offergaven van verse bladeren, vruchten en betelnoten.

My dear King, after they had bathed in the water of the Yamunâ just as the sun was rising, the gopîs made an earthen deity of goddess Durgâ on the riverbank. Then they worshiped her with such aromatic substances as sandalwood pulp, along with other items both opulent and simple, including lamps, fruits, betel nuts, newly grown leaves, and fragrant garlands and incense. (Vedabase)

 

Text 4:

De jonge meisjes waren van aanbidding met het chanten van een mantra met de woorden: 'O Kâtyâyanî, voor u onze eerbetuigingen, o grote macht, grootste van alle yoginî's, o allerhoogste beheersing, alstublieft maak de zoon van Nanda de gopa mijn echtgenoot!' [*]

Each of the young unmarried girls performed her worship while chanting the following mantra. "O goddess Kâtyâyanî, O great potency of the Lord, O possessor of great mystic power and mighty controller of all, please make the son of Nanda Mahârâja my husband. I offer my obeisances unto you." (Vedabase)

 

Text 5:

Op deze manier brachten de meisjes voor de duur van een maand hun gelofte in de praktijk voor Bhadrakâlî van gepast eerbetoon zijnde met 'Moge Hij, Nanda's zoon mijn man worden'.

Thus for an entire month the girls carried out their vow and properly worshiped the goddess Bhadrakâlî, fully absorbing their minds in Krishna and meditating upon the following thought: "May the son of King Nanda become my husband." (Vedabase)

 

Text 6

Iedere dag, bij zonsopkomst elkaar erbij roepend, hielden ze elkaars handen vast en gingen ze luidkeels zingend ter ere van Krishna naar de Kâlindî om te baden.

Each day they rose at dawn. Calling out to one another by name, they all held hands and loudly sang the glories of Krishna while going to the Kâlindî to take their bath. (Vedabase)

   

Text 7

Op een dag al zingend over Krishna daar bij de rivier aangekomen lieten ze zoals gebruikelijk op de oever hun kleren achter en vermaakten ze zich spelend in het water.

One day they came to the riverbank and, putting aside their clothing as they had done before, happily played in the water while singing the glories of Krishna. (Vedabase)

 

Text 8

Krishna, de Allerhoogste Heer, als de Meester van alle meesters van de yoga bekend met wat ze van zins waren, ging omringd door zijn metgezellen erheen om de meisjes te verzekeren van het resultaat van hun handelen.

Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead and master of all masters of mystic yoga, was aware of what the gopîs were doing, and thus He went there surrounded by His young companions to award the gopîs the perfection of their endeavor. (Vedabase)

  

Text 9

Hun kleren wegkapend klom hij snel in een kadamba-boom lachend samen met de jongens lol trappend door te zeggen:

Taking the girls' garments, He quickly climbed to the top of a kadamba tree. Then, as He laughed loudly and His companions also laughed, He addressed the girls jokingly. (Vedabase)

 

 Text 10

'Kom dan hier meisjes, en wees zo lief ieder van jullie naar wens je eigen kledingstuk uit te zoeken; het is geen grap, Ik meen het serieus, daar jullie vast uitgeput zijn van de verzaking.

[Lord Krishna said:] My dear girls, you may each come here as you wish and take back your garments. I'm telling you the truth and am not joking with you, since I see you're fatigued from executing austere vows. (Vedabase)

   

Text 11

Het staat vast dat Ik nog nooit ook maar iets onwaars beweerd heb, dat weten al deze jongens; derhalve, o slanke meisjes, wees er zeker van jullie keuze te maken, dan wel een voor een dan wel allemaal samen.'

I have never before spoken a lie, and these boys know it. Therefore, O slender-waisted girls, please come forward, either one by one or all together, and pick out your clothes. (Vedabase)

 

Text 12

Met die streek van Hem zag Hij hoe de gopî's, vol van liefde voor Hem, elkaar aankijkend moesten lachen, maar in verlegenheid gebracht kwamen ze niet uit het water.

Seeing how Krishna was joking with them, the gopîs became fully immersed in love for Him, and as they glanced at each other they began to laugh and joke among themselves, even in their embarrassment. But still they did not come out of the water. (Vedabase)

 

Text 13

Govinda aldus het woord voerend had met Zijn grappenmakerij de geesten in Zijn greep gekregen van hen die, tot hun nek bibberend in het koude water, tot Hem zeiden:

As S'rî Govinda spoke to the gopîs in this way, His joking words completely captivated their minds. Submerged up to their necks in the cold water, they began to shiver. Thus they addressed Him as follows. (Vedabase)

 

Text 14

'O Jij, wees nou eerlijk, gedraag Je nu als degene die Je ook kan zijn, als de beminde zoon van gopa Nanda die we kennen, o liefste, als Hij die beroemd is in heel Vraja; overhandig ons alsJeblieft onze kleren, we hebben het koud.

[The gopîs said:] Dear Krishna, don't be unfair! We know that You are the respectable son of Nanda and that You are honored by everyone in Vraja. You are also very dear to us. Please give us back our clothes. We are shivering in the cold water. (Vedabase)

  

Text 15

O S'yâmasundara ['mooie donkerhuidige'] wij, Jouw dienstmaagden zullen doen wat Je ons maar zegt, geef ons alsJeblieft onze kleren terug, o Kenner van het Dharma, of anders wacht Je, dan zeggen we het tegen de koning!'

O S'yâmasundara, we are Your maidservants and must do whatever You say. But give us back our clothing. You know what the religious principles are, and if You don't give us our clothes we will have to tell the king. Please! (Vedabase)

 

Text 16

De Allerhoogste Heer zei: 'Als jullie Mijn dienaren zijn moeten jullie dan niet doen wat Ik je zeg en met jullie onschuldige glimlachen uit het water komen om je kleren uit te zoeken; zo niet dan krijg je ze niet, en met de koning er boos over, wat kan hij er aan doen?'

The Supreme Personality of Godhead said: If you girls are actually My maidservants, and if you will really do what I say, then come here with your innocent smiles and let each girl pick out her clothes. If you don't do what I say, I won't give them back to you. And even if the king becomes angry, what can he do? (Vedabase)

 

Text 17

Toen kwamen al de meisjes, geplaagd door de koude, rillend tevoorschijn uit het water, hun schaamstreek bedekkend met hun handen.

Then, shivering from the painful cold, all the young girls rose up out of the water, covering their pubic area with their hands. (Vedabase)

 

Text 18

De Allerhoogste Heer die ze verslagen zag legde tevreden over de zuiverheid van hun liefde hun kledingstukken over Zijn schouder en zei met een liefdevolle glimlach:

When the Supreme Lord saw how the gopîs were struck with embarrassment, He was satisfied by their pure loving affection. Putting their clothes on His shoulder, the Lord smiled and spoke to them with affection. (Vedabase)

 

Text 19

'Omdat jullie, met het uitvoeren van een vedisch offer, naakt in het water aan het baden waren, hebben jullie een overtreding begaan jegens Varuna en de andere goden; om die zonde ongedaan te maken moeten jullie je eerbetuigingen brengen met jullie handen samengevouwen boven jullie hoofden en dan je kleren weer terugpakken.'

[Lord Krishna said:] You girls bathed naked while executing your vow, and that is certainly an offense against the demigods. To counteract your sin you should offer obeisances while placing your joined palms above your heads. Then you should take back your lower garments. (Vedabase)

 

Text 20

Met wat de Onfeilbare Heer hen zo uitduidde beschouwden de meisjes van Vraja hun naaktzwemmen als een val van hun gelofte en voornemens met succes die gelofte, alsook een oneindig aantal soortgelijke vrome activiteiten te volbrengen, boden ze het rechtstreeks voor hen zichtbare resultaat in de gedaante van de Zuiveraar van Alle Zonden hun eerbetuigingen.

Thus the young girls of Vrindâvana, considering what Lord Acyuta had told them, accepted that they had suffered a falldown from their vow by bathing naked in the river. But they still desired to successfully complete their vow, and since Lord Krishna is Himself the ultimate result of all pious activities, they offered their obeisances to Him to cleanse away all their sins. (Vedabase)

 

Text 21

De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, er tevreden over dat ze zich verbogen gaf, vol van mededogen op die daad, hen toen de kledingstukken terug.

Seeing them bow down like that, the Supreme Personality of Godhead, the son of Devakî, gave them back their garments, feeling compassionate toward them and satisfied by their act. (Vedabase)

 

Text 22

Ondanks het feit dat ze met hun kleren weggestolen behoorlijk bij de neus waren genomen, in hun schaamte ontkend waren, waren uitgelachen en waren gemanipuleerd alsof ze marionetten waren, koesterden ze, er blij mee in het gezelschap te verkeren van hun geliefde, niettemin geen vijandigheid jegens Hem.

Although the gopîs had been thoroughly cheated, deprived of their modesty, ridiculed and made to act just like toy dolls, and although their clothing had been stolen, they did not feel at all inimical toward S'rî Krishna. Rather, they were simply joyful to have this opportunity to associate with their beloved. (Vedabase)

 

Text 23

Toen ze hun kleren weer aanhadden waren ze, verrukt over de omgang met hun geliefde, met hun geesten op hol er werkelijk niet toe in staat zich te bewegen en wierpen ze Hem uiterst verlegen hun blikken toe.

The gopîs were addicted to associating with their beloved Krishna, and thus they became captivated by Him. Thus, even after putting their clothes on they did not move. They simply remained where they were, shyly glancing at Him. (Vedabase)

 

Text 24

Van hen begrijpend dat ze er vast toe besloten waren de gelofte na te leven met het verlangen de Allerhoogste Heer Zijn voeten te beroeren, sprak Dâmodara tot de meisjes:

The Supreme Lord understood the determination of the gopîs in executing their strict vow. The Lord also knew that the girls desired to touch His lotus feet, and thus Lord Dâmodara, Krishna, spoke to them as follows. (Vedabase)

 

Text 25

'O vrome zielen, met begrip voor jullie motief Me te aanbidden keur Ik dat goed als zijnde waarachtig en moet het zo zijn gevolg hebben.

[Lord Krishna said:] O saintly girls, I understand that your real motive in this austerity has been to worship Me. That intent of yours is approved of by Me, and indeed it must come to pass. (Vedabase)

 

Text 26

Van hen wiens bewustzijn ten volle in beslag wordt genomen door Mij zal het verlangen niet leiden tot materiële lust, zoals geroosterd en gekookt graan ook niet in staat is tot nieuw leven uit te groeien [zie ook b.v. 1.6: 35, 3.15: 20, 7.7: 51-52].

The desire of those who fix their minds on Me does not lead to material desire for sense gratification, just as barleycorns burned by the sun and then cooked can no longer grow into new sprouts. (Vedabase)

 

Text 27

Ga nu, beste meisjes, naar Vraja; met het gerealiseerd hebben van jullie verlangen, zullen jullie samen met Mij één dezer nachten genieten op een manier die zuiver zal zijn, jullie leverden immers het bewijs van deze gelofte door het volbrengen van jullie eerbetoon voor de godin.'

Go now, girls, and return to Vraja. Your desire is fulfilled, for in My company you will enjoy the coming nights. After all, this was the purpose of your vow to worship goddess Kâtyâyanî, O pure-hearted ones. (Vedabase)

 

Text 28

S'rî S'uka zei: 'Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer mediteerden de jonge meisjes, met hun verlangens in vervulling gegaan, op Zijn lotusvoeten terwijl ze met moeite weer teruggingen naar het koeherdersdorp.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus instructed by the Supreme Personality of Godhead, the young girls, their desire now fulfilled, could bring themselves only with great difficulty to return to the village of Vraja, meditating all the while upon His lotus feet. (Vedabase)

 

Text 29

Enige tijd daarna begaf de zoon van Devakî temidden van de gopa's zich een eind buiten Vrindâvana om de koeien te hoeden samen met Zijn broer.

Some time later Lord Krishna, the son of Devakî, surrounded by His cowherd friends and accompanied by His elder brother, Balarâma, went a good distance away from Vrindâvana, herding the cows. (Vedabase)

 

Text 30

Met de zon zinderend heet van het seizoen kijkend naar de bomen die Hem met hun schaduw als parasol van dienst waren, zei Hij tot de jongens:

Then the sun's heat became intense, Lord Krishna saw that the trees were acting as umbrellas by shading Him, and thus He spoke as follows to His boyfriends. (Vedabase)

 

Text 31-32

'O Stoka Krishna en Ams'u; o S'rîdâma, Subala en Arjuna; o Vis'âla, Vrishabha en Ojasvî; o Devaprastha en Varûthapa, zie toch eens dezen hier zo fortuinlijk wiens leven er enkel uit bestaat er voor het hogere doel te zijn van het afweren van de regen, de wind, de hitte en de sneeuw die ze voor ons verdragen.

[Lord Krishna said:] O Stoka Krishna and Ams'u, O S'rîdâma, Subala and Arjuna, O Vrishabha, Ojasvî, Devaprastha and Varûthapa, just see these greatly fortunate trees, whose lives are completely dedicated to the benefit of others. Even while tolerating the wind, rain, heat and snow, they protect us from these elements. (Vedabase)

 

Text 33

O hoe verheven de geboorte van deze bomen die, zoals grote zielen dat doen, alle levende wezens ondersteuning verlenen; zeker zal niemand die ze nodig heeft ooit teleurgesteld bij hen vandaan komen.

Just see how these trees are maintaining every living entity! Their birth is successful. Their behavior is just like that of great personalities, for anyone who asks anything from a tree never goes away disappointed. (Vedabase)

 

Text 34

Met hun bladeren, bloesems en vruchten; schaduw en wortels, bast en hout; met hun geur, hun sap en as, pulp en spruiten vervullen ze al je verlangens.

These trees fulfill one's desires with their leaves, flowers and fruits, their shade, roots, bark and wood, and also with their fragrance, sap, ashes, pulp and shoots. (Vedabase)

 

Text 35

Het is aan ieder levend wezen deze volmaaktheid van geboren zijn na te leven in deze wereld: namelijk om met je leven, je welvaart, intelligentie en woorden jegens ieder levend wezen steeds van het allerhoogste te zijn in je plichtsbetrachting [zie ook de Vaishnava Pranâma].'

It is the duty of every living being to perform welfare activities for the benefit of others with his life, wealth, intelligence and words. (Vedabase)

 

Text 36

Van tussen de bomen die voorover bogen met hun overvloed aan bladeren, trossen vruchten, bloesems en twijgen, kwam Hij op deze manier sprekend aan bij de Yamunâ.

Thus moving among the trees, whose branches were bent low by their abundance of twigs, fruits, flowers and leaves, Lord Krishna came to the Yamunâ River. (Vedabase)

 

Text 37

Aldaar drenkten de gopa's de koeien in het heldere, frisse en koele, heilzame water, o heerser, en dronken ze zichzelf ook vol met het zoet smakende nat.

The cowherd boys let the cows drink the clear, cool and wholesome water of the Yamunâ. O King Parîkshit, the cowherd boys themselves also drank that sweet water to their full satisfaction. (Vedabase)

 

Text 38

In een bosje langs de Yamunâ waar ze de dieren los lieten lopen, o heerser der mensen, zeiden ze, gekweld door de honger Râma en Krishna benaderend, dit:'

Then, O King, the cowherd boys began herding the animals in a leisurely way within a small forest along the Yamunâ. But soon they became afflicted by hunger and, approaching Krishna and Balarâma, spoke as follows. (Vedabase)

 

 * Het onderscheid tussen het inwendige van yoga-mâyâ en het uitwendige, of illusoire, vermogen van de Heer van mahâ-mâyâ wordt beschreven in de Nârada-pañcarâtra, in het gesprek tussen S'ruti en Vidyâ:

jânâty ekâparâ kântam
saivâ durgâ tad-âtmikâ
yâ parâ paramâ s'aktir
mahâ-vishnu-svarûpinî
yasyâ vijñâna-mâtrena
parânâm paramâtmanah
mahûrtâd deva-devasya
prâptir bhavati nânyathâ
ekeyam prema-sarvasva
svabhâvâ gokules'varî
anayâ su-labho jñeya
âdi-devo 'khiles'varah
asyâ âvârika-s'aktir
mahâ-mâyâkhiles'varî
yayâ mugdam jagat sarvam
sarve dehâbhimâninah

"De Heer Zijn lagere vermogen, dat bekend staat als Durgâ, is Zijn liefdevolle dienst toegewijd. Het vermogen van de Heer zijnde, verschilt deze lagere energie niet van Hem. Er is een andere hogere energie, waarvan de vorm zich op hetzelfde spirituele niveau bevindt als dat van God zelve. Eenvoudig door wetenschappelijk deze hogere energie te begrijpen, kan men onmiddellijk de Allerhoogste Ziel aller zielen bereiken, die de Heer aller heren is. Er bestaat geen ander proces om Hem te bereiken. Dat allerhoogste vermogen van de Heer staat bekend als Gokules'varî, de godin van Gokula. Het ligt in haar aard volledig verzonken te zijn in liefde voor God, en door Haar kan met gemak de voorwereldlijke God, de Heer van al wat er is worden bereikt. Dit inwendig vermogen van de Heer heeft een overdekkend vermogen, bekend als Mahâ-mâyâ, dat de materiële wereld bestiert. In feite begoochelt ze het ganse universum, en dus identificeert iedereen in dat universum zich valselijk met het materiële lichaam." Zie ook 8.12: 40 voor Durgâ.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Syamarani dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties