Canto
10
Hoofdstuk 40: Akrûra's Gebeden
(1) S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen. (5) Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie b.v. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (7) En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (9) Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad. [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.
(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].
(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (25) Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (26) Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (27) Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10]. (28) Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (29) Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'
Tweede editie, geladen 20 juli 2008
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam.S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (Vedabase)
Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam.
Aarde, water, vuur, lucht, de ether en haar gebied; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar plaats, de geest, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (Vedabase)
Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56].
Zij, onder het bestuur van het rijk der materie, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] gegrepen door de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (Vedabase)
Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen.
Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogî's hun offers brengen. (Vedabase)
Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten.
Sommige brahmanen aanbidden in respect voor de drie heilige vuren [agni-traya] inderdaad U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (Vedabase)
Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie b.v. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70].
Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie e.g. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (Vedabase)
En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt.
En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U inderdaad als zijnde de ene vorm die vele vormen heeft. (Vedabase)
Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva.
Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook door de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (Vedabase)
Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23].
Allen waarlijk, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U, die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (Vedabase)
Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28].
Net als de rivieren die, ontspringend in de bergen vol van de regen, van alle kanten de oceaan in stromen, o Meester, komen zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uit op U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (Vedabase)
Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14].
Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren.
Mijn eerbetuigingen aan U, er los van staand in Uw visie, die als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (Vedabase)
Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11].
Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen wordt beschouwd als Uw zaad. [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (Vedabase)
In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.
In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg. (Vedabase)
Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen.
Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (Vedabase)
Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen.
Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (Vedabase)
Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte.
Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst der geheiligden waar dan ook en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (Vedabase)
Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana.
Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (Vedabase)
Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36].
Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 &36]. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].
Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft en mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7]. (Vedabase)
O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma].
O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van "ik" en "mijn" [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (Vedabase)
Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige.
Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen en zo voorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (Vedabase)
Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is.
Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (Vedabase)
Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend.
Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien, inderdaad een luchtspiegeling najagend, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (Vedabase)
Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10].
Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10]. (Vedabase)
Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is.
Ik van dien aard nader Uw voeten, die tezamen met Uw genade, onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer, in gedachten houdend dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen.
Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens heersend over de krachten die een persoon beheersen. (Vedabase)
Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'
Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave. (Vedabase)
![]()
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie de
S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina.
Het schilderij is Pahari (Himalaya) en getiteld: "Akrura is amazed by
his visions of the Lord Vishnu being one
and the same as Krishna and Balarama " 18e eeuw. Ter beschikking
gesteld door Shri
Nathji's Galleries.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.