Canto
10
Hoofdstuk 48: Krishna Behaagt Zijn Toegewijden
(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (2) Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels als ook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (3) Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts. (4) Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter].(5) Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (6) De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (7) Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (8) Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (9) 'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'
(10) Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (11) Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].
(12) Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (13-14) Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (15-16) Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (17) 'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht. (18) Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (19) Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring. (20) De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (21) U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn?(22) Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (23) Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (24) U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (25) Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (26) Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (27) Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'
(28) Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (30) Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (31) Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt. (32) Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (33) Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (34) De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (35) Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'
(36) Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'
Tweede editie, geladen 18 augustus 2008
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10].S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (Vedabase)
Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels als ook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout.
Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels als ook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (Vedabase)
Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts.
Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats en zo voorts. (Vedabase)
Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter].
Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter]. (Vedabase)
Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava.
Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (Vedabase)
De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf.
De lieftallige vrouw bij zich roepend, die bang voor het nieuwe kontakt [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (Vedabase)
Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen.
Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (Vedabase)
Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende:
Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (Vedabase)
'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'
'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.' (Vedabase)
Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning
Hij van Respect Voor Anderen, met respect voor haar, beloofde, met het inwilligen van die wens van haar materieel verlangen, daar later op terug te komen waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (Vedabase)
Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].
Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36]. (Vedabase)
Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen.
Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (Vedabase)
Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen.
Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (Vedabase)
Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma:
Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (Vedabase)
'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht.
'Tot ons grote geluk hebben jullie tweeën de zondige Kamsa samen met zijn broers en navolgers gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en voorspoed gebracht. (Vedabase)
Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden.
Jullie twee zijn de essentiële personen die van het Universum de oorzaak en de inhoud vormen los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (Vedabase).
Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring.
Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en in de direkte ervaring. (Vedabase)
De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen.
De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (Vedabase)
U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn?
U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële aktiviteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn? (Vedabase)
Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11].
Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam en zo voorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw wilsbeschikking in liefde zo [zie b.v. 10-11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (Vedabase)
Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid.
Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (Vedabase)
U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie.
U als die zelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspekt [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door hun koningen te doden [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (Vedabase)
Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert.
Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk uitzonderlijk fortuinlijk met U, Adhokshaja, daar binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (Vedabase)
Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40].
Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (Vedabase)
Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'
Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeg gebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.' (Vedabase)
Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte.
Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij in woorden waarvan hij nogal zwaar onder de indruk raakte. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd.
De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (Vedabase)
Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn.
Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente, het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (Vedabase)
Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt.
Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als ze slechts één enkele keer worden gezien. (Vedabase)
Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan.
Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om uit te vinden wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (Vedabase)
Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam.
Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn eigen hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (Vedabase)
De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26].
De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (Vedabase)
Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'
Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat we met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.' (Vedabase)
Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'
Akrûra volledig instruerend met deze woorden, ging de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen woning. (Vedabase)
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het eerste schilderij is een detail van een klassieke folio genaamd
"Kubja invites Krishna", Rajasthan, India.
Het tweede schilderij "Krishna teaches Arjuna" is van
Surendra
Nath
Kar
(1892-1970).
Bron: 'Myths of the Hindus and Buddhists', Ballantine Press, Oct.
1913.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.