De
zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij Zich heel goed bewust was
van wat zich allemaal had afgespeeld ging Krishna, toen Hij
vernam [van het gerucht] dat de zoons van Pându
en koningin Kuntî in een brand waren omgekomen [in
het huis van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen
te voldoen samen met Balarâma naar het
Kuru-koninkrijk.
De
zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Zich bewust van wat zich
feitelijk had afgespeeld ging Krishna, horend [van het
gerucht] dat de zoons van Pându en koningin
Kuntî in een brand waren omgekomen [in het huis
van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen te
voldoen samen met Balarâma naar het
Kuru-koninkrijk.
(Vedabase)
Tekst
2
Bhîshma,
Kripa, Vidura, Gândhârî en Drona ontmoetend
zeiden Ze even zo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is dit!'
Bhîshma,
Kripa, Vidura, Gândhârî and Drona
ontmoetend zeiden Ze even zo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is
dit!' (Vedabase)
Tekst
3
De kans
krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de Bhoja]
Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid van Krishna in
Dvârakâ] tot S'atadhanvâ
['honderdboog', een booswicht]: 'Waarom zouden we niet
het juweel bemachtigen?
De
kans krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de
Bhoja] Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid
van Krishna in Dvârakâ] tot
S'atadhanvâ ['honderdboog', een booswicht]:
'Waarom niet het juweel
afpakken?
(Vedabase)
Tekst
4
Hij die ieder
van ons zijn juweel van een dochter beloofde, schonk haar, ons
veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou Satrâjit zijn
broer dan niet moeten volgen [in de dood, zie
10.56:
13 en
voetnoot*]?
Hij
die ieder van ons zijn juweel van een dochter beloofde,
schonk haar, ons veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou
Satrâjit zijn broer dan niet achterna [moeten in
de dood, zie 10.56: 13 en voetnoot*]?
(Vedabase)
Tekst
5
Aldus
beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in zijn
zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte
Satrâjit in zijn slaap [vergelijk
1.17:
39].
Aldus
beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in
zijn zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte
Satrâjit tijdens zijn slaap [vergelijk 1.17:
39]. (Vedabase)
Tekst
6
Terwijl de
vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te hebben
gedood zoals een slager tewerk gaat met dieren, het juweel en
ging hij er vandoor.
Terwijl
de vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te
hebben gedood zoals een slager dat doet met dieren, het
juweel en ging hij er vandoor. (Vedabase)
Tekst
7
Satyabhâmâ
nadat ze haar vader gedood zag, jammerde toen verdrinkend in de
tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik gedood!'
en viel toen flauw.
Satyabhâmâ
nadat ze haar vader gedood zag, lamenteerde verdrinkend in
de tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik
gedood!' en viel toen flauw. (Vedabase)
Tekst
8
Ze legde het
lijk in een groot vat met olie en ging naar Hastinâpura
naar Krishna die [reeds] doorhad hoe het er voorstond,
en vertelde verdrietig van de moord op haar
vader.
Ze
legde het lijk in een groot vat met olie en ging naar
Hastinâpura naar Krishna die [reeds] doorhad
hoe het er voorstond, en vertelde verdrietig van de moord op
haar vader. (Vedabase)
Tekst
9
Toen de Hoge
Heren dat hoorden o Koning, treurden Ze net zo, in navolging
van de menselijke manier van doen, met ogen vol tranen: 'Och
welk een tragedie heeft ons getroffen!'
De
Hoge Heren die dat hoorden, o Koning, in navolging van de
menselijke manier van doen weeklaagden, met ogen vol tranen:
'Och welk een tragedie heeft ons getroffen!'
(Vedabase)
Tekst
10
De Allerhoogste
Heer ging toen samen met Zijn vrouw en oudere broer terug naar
Zijn hoofdstad, bereid om S'atadhanvâ te doden en hem het
juweel afhandig te maken.
De
Allerhoogste Heer keerde van daar terug naar Zijn hoofdstad
met Zijn vrouw en oudere broer, bereid om S'atadhanvâ
te doden en het juweel van hem af te pakken.
(Vedabase)
Tekst
11
Toen hem dat
ter ore kwam nam hij bevreesd maatregelen om zijn leven zeker
te zijn en verzocht hij Kritavarmâ om bijstand. Deze zei
hem:
Hij,
dat uitvindend, trof bevreesd ook zijn maatregelen om zijn
leven zeker te zijn en verzocht Kritavarmâ om bijstand
die hem zei: (Vedabase)
Tekst
12-13
'Ik kan echt
niet in overtreding zijn met de Heren Râma en Krishna;
hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu feitelijk het
geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun haat van
tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en
Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van
[zelfs] zijn strijdwagen!'
'Ik
kan echt niet in overtreding zijn met de Heren Râma en
Krishna; hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu
feitelijk het geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun
haat van tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en
Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van
[zelfs] zijn strijdwagen!'
(Vedabase)
Tekst
14
Hij, afgewezen,
smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook hij zei: 'Wie
nu, bekend met de macht van de Heren, is nu in staat het tegen
Hen op te nemen?
Hij,
afgewezen, smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook
hij zei: 'Wie nu, bekend met de macht van de Heren, is in
staat tegen Hen op te staan?
(Vedabase)
Tekst
15-17
Hij die dit
universum handhaaft, schept en vernietigt bij wijze van spel;
Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan de nevengeschikte
scheppers [met Brahmâ aan het hoofd] die
verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke vermogen [van
mâyâ]; Hij die spelend als een kind van
zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog hield met
één enkele hand zoals een jongen een paddestoel
omhoog houdt [zie 10.25];
Hem, Krishna de Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen
einde komt aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele
bestaan de Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik
mijn eerbetuigingen.'
(15-17)
Hij die dit universum handhaaft, schept en vernietigt bij
wijze van spel; Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan
de nevengeschikte scheppers [met Brahmâ aan het
hoofd] die verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke
vermogen [van mâyâ]; Hij die spelend als
een kind van zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog
hield met één enkele hand zoals een jongen een
paddestoel omhoog houdt [zie 10.25]; Hem, Krishna de
Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen einde komt
aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele bestaan de
Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik mijn
eerbetuigingen.' (Vedabase)
Tekst
18
S'atadhanvâ
ook door hem afgewezen liet het kostbare kleinood bij hem
achter, besteeg een paard dat een honderd yojana's kon
afleggen en vertrok.
Hij,
S'atadhanvâ ook door hem afgewezen, liet het kostbare
kleinood bij hem achter, besteeg een paard dat een honderd
yojana's kon afleggen en vertrok.
(Vedabase)
Tekst
19
Krishna en
Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda en
gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de moordenaar
aan van hun goeroe [Hun schoonvader als een
leraar].
Krishna
en Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda
en gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de
moordenaar van hun goeroe [Hun schoonvader als een
leraar] aan. (Vedabase)
Tekst
20
In een park aan
de rand van Mithilâ zijn paard achterlatend dat ten val
was gekomen, rende hij met de schrik in de benen te voet verder
met een furieuze Krishna achter zich aan die net zo rende.
In
een park aan de rand van Mithilâ zijn paard
achterlatend dat ten val was gekomen, rende hij met de
schrik in de benen te voet verder met een furieuze Krishna
achter zich aan hollend op dezelfde manier.
(Vedabase)
Tekst
21
Met hem op de
vlucht scheidde de Heer te voet met de scherpgerande schijf
zijn hoofd van zijn romp, waarna Hij zijn boven- en
onderkleding doorzocht op zoek naar het juweel.
Met
hem op de vlucht scheidde de Heer te voet met de
scherpgerande schijf zijn hoofd van zijn romp, en doorzocht
Hij zijn boven- en onderkleding op zoek naar de steen.
(Vedabase)
Tekst
22
Het sieraad
niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer afstappend die
naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor niets het loodje,
het juweel heeft hij niet bij zich.'
Het
sieraad niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer
afstappend die naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor
niets het loodje, het juweel heeft hij niet bij zich.'
(Vedabase)
Tekst
23
Balarâma
zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij iemand hebben
achtergelaten, ga dus [terug] naar de stad
[Dvârakâ] en zoek naar hem.
Balarâma
zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij de ene of
andere persoon hebben achtergelaten, ga dus [terug]
naar de stad [Dvârakâ] en achterhaal
waar die zit. (Vedabase)
Tekst
24
Ik wil graag de
koning van Videha [de latere Janaka, zie
9.10:
11] een
bezoekje brengen die Me zeer dierbaar is', en dat gezegd
hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning, Mithilâ
binnen [de hoofdstad van Videha].
Ik
wens het de koning van Videha [de latere Janaka, zie
9.10:11] te treffen die Me zeer dierbaar is', en aldus
gesproken hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning,
Mithilâ binnen [de hoofdstad van Videha].
(Vedabase)
Tekst
25
Toen de koning
van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met een geest
vervuld van liefde en vereerde hij Hem die zo aanbiddelijk was,
als was voorgeschreven met alles wat erbij komt kijken.
Toen
de koning van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met
een geest vervuld van liefde en vereerde hij Hem zo
aanbiddelijk, als was voorgeschreven met alles wat erbij
komt kijken. (Vedabase)
Tekst
26
Aldaar in
Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de
toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren. In die
tijd onderrichte Hij Duryodhana in de kunst van het
knotsvechten.
Aldaar
in Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de
toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren in die
tijd Duryodhana onderrichtend in de kunst van het
knotsvechten.
(Vedabase)
Tekst
27
Toen Kes'ava de
Almachtige in Dvârakâ aankwam, stelde Hij tot
troost Zijn geliefde [de treurende
Satyabhâmâ] op de hoogte van de ondergang van
S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te
bemachtigen.
Kes'ava
de Alvermogende in Dvârakâ aangeland, verhaalde
ter troost van Zijn geliefde [de treurende
Satyabhâmâ] van de ondergang van
S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te
bemachtigen.
(Vedabase)
Tekst
28
Hij, de
Opperheer tezamen met al de weldoeners die men zo tegen zijn
levenseinde erop na kan houden, zorgden ervoor dat de
begrafenisplechtigheden werden uitgevoerd voor de overleden
verwant [Satrâjit].
Hij,
de Opperheer tezamen met al de weldoeners die men er zo
tegen zijn levenseinde op na kan houden, verzekerden zich
ervan dat de begrafenisrituelen werden uitgevoerd voor de
overleden verwant [Satrâjit].
(Vedabase)
Tekst
29
De
verantwoordelijken, Akrûra en Kritavarmâ, doken,
toen ze vernamen van de dood van S'atadhanvâ, door angst
bevangen onder, ergens buiten Dvârakâ.
Zij
die er verantwoordelijk voor waren, Akrûra en
Kritavarmâ, doken, toen ze vernamen van de dood van
S'atadhanvâ, door angst bevangen onder, weg uit
Dvârakâ.
(Vedabase)
Tekst
30
Met
Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan de
bewoners van Dvârakâ. Ze ondervonden aanhoudend van
de kant van hogere machten [natuurrampen inbegrepen] en
van andere levende wezens [vergelijk 1.14;
1.17:
19],
lichamelijke en geestelijke moeilijkheden
[**].
Met
Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan
de bewoners van Dvârakâ die hen van de hogere
machten [natuurrampen inbegrepen] en van andere
levende wezens [vergelijk 1.14; 1.17: 19],
onophoudelijk lichamelijke en geestelijke moeilijkheden
bezorgden [**].
(Vedabase)
Tekst
31
Zo, mijn beste,
waren enkelen die zich hadden overgegeven aan gissingen aan het
vergeten wat vanouds reeds werd beschreven door de wijzen als
het gevolg van Zijn verblijf onder de mensen; hoe kon met Zijn
aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken?
Aldus,
mijn beste, waren enkelen aan speculaties overgegeven aan
het vergeten wat van ouds al werd beschreven door de wijzen
als volgend op Zijn verblijven; hoe kon met Zijn
aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken?
(Vedabase)
Tekst
32
[Ze
zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning van
Benares [Kâs'î, zie ook 9.17:
4] zijn
dochter Gândinî aan S'vaphalka [Akrûra's
vader, 9.24:
15] die
hem kwam opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in
Kâs'î.
[Ze
zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning
van Benares [Kâs'î, zie ook 9.17: 4]
zijn dochter Gândinî aan S'vaphalka
[Akrûra's vader, 9.24: 15] die hem kwam
opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in
Kâs'î.
(Vedabase)
Tekst
33
Waar ook
inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is met
zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer Indra
het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke verstoringen
of vroegtijdige sterfgevallen voordoen.'
Waar
ook inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is
met zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer
Indra het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke
verstoringen of vroegtijdige sterfgevallen
voordoen.'
(Vedabase)
Tekst
34
Van de ouderen
deze woorden vernemend gebood Janârdana, met in Zijn
achterhoofd dat dit niet de enige oorzaak voor de slechte
tekenen was [***],
dat Akrûra moest worden teruggebracht.
Van
de ouderen deze woorden vernemend gebood Janârdana,
met de gedachte dat dit niet de enige oorzaak voor de
onderhavige feiten was [***], dat Akrûra moest
worden teruggebracht. (Vedabase)
Tekst
35-36
Hem met respect
en eerbetoon tegemoettredend en aangenaam allerlei met hem
besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig bewust van alles wat
in zijn hart omging, en zei: 'Natuurlijk zijn Wij, o meester
der liefdadigheid, reeds bekend met het feit dat u
daadwerkelijk op het moment het rijke Syamantaka-juweel in
bezit heeft dat S'atadhanvâ aan u
toevertrouwde.
Hem
met respect en eerbetoon tegemoet tredend en aangenaam
allerlei met hem besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig
bewust van alles wat in zijn hart omging, en zei:
'Natuurlijk zijn Wij, o meester der liefdadigheid, reeds
bekend met het feit dat u daadwerkelijk op het moment het
rijke syamantaka-juweel in bezit heeft dat S'atadhanvâ
aan u toevertrouwde. (Vedabase)
Tekst
37
Aangezien
Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn
dochter [haar èn haar zoons] om, na het
aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van
zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te
nemen.
Aangezien
Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn
dochter [haar èn haar zoons] om, na het
aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van
zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te
nemen.
(Vedabase)
Tekst
38-39
Niettemin dient
het juweel, daar het onmogelijk te beheren is door anderen, in
uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige nalever der
geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet helemaal wat betreft
het sieraad. Alstublieft, breng Mijn verwanten de vrede, toon
het Ons nu, o hoogst fortuinlijke ziel die met uw altaren van
goud onafgebroken doorgaat met uw
offerplechtigheden.
Niettemin
dient het juweel, daar het onmogelijk te houden is door
anderen, in uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige
nalever der geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet
helemaal wat betreft het sieraad. Alstublieft, breng Mijn
verwanten de vrede, toon het Ons nu, o hoogst fortuinlijke
ziel die met uw altaren van goud onafgebroken doorgaat met
uw offerplechtigheden.
(Vedabase)
Tekst
40
Overgehaald
door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het
kleinnood verborgen in zijn kleding tevoorschijn en gaf hij het
kleinnood dat zo helder straalde als de zon.
Overgehaald
door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het
kleinnood verborgen in zijn kleding tevoorschijn en gaf hij
het, zo schitterend stralend als de
zon.
(Vedabase)
Tekst
41
Na Syamantaka
aan Zijn verwanten te hebben getoond, en [aldus] een
einde te maken aan de emoties [van de beschuldigingen]
met Hem, bood de Meester het weer aan hem terug.
Na
Syamantaka aan Zijn verwanten te hebben getoond,
[aldus] een einde makend aan de emoties [van de
beschuldigingen] met Hem, bood de Meester het weer aan
hem terug. (Vedabase)
Tekst
42
Wie dan ook die
over dit voorval vertelt, erover verneemt of zich dit verhaal
herinnert dat voorwaar, rijk als het is met het kunnen van de
Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen
van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn slechtheid
en slechte roep weten uit te bannen.'
Wie
dan ook die dit aanhaalt, erover verneemt of zich dit
verhaal herinnert dat voorwaar, rijk met het kunnen van de
Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen
van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn
slechtheid en slechte roep weten uit te
bannen.
(Vedabase)
* Als
zuivere toegewijden, konden ze feitelijk niet ongelukkig zijn
over deze partnerkeuze, noch konden ze zich ontwikkelen tot
jaloerse rivalen van de Heer. Daarom hielden ze er een
nevenmotief op na met het zich gedragen als Zijn rivalen.
Daarover doen er in de paramparâ speculaties de ronde
over Akrûra's vervloekt zijn vanwege zijn wegvoeren van
Krishna uit Gokula [zie 10.39]
of het feit dat Kritavarmâ een lid was van Kamsa's
familie, of dat de twee kwaad zouden zijn geweest op het
slachtoffer vanwege het bezoedelen van Krishna's goede naam met
de roddel dat Hij zijn broer gedood zou hebben.
**
Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî,
redenerend naar vers 32 en 35-36, nam Akrûra de
Syamantaka steen en sloeg hij zijn kamp op in de stad Benares,
alwaar hij bekend raakte als Dânapati, "de meester der
liefdadigheid." Daar bracht hij uitgebreid vuuroffers op gouden
altaren met een hele verzameling aan brahmaanse
priesters.
***
Wat betreft de reden waarom zich deze moeilijkheden voordeden
ondanks de genadige aanwezigheid van de Heer doen ook hierover
speculaties de ronde. Sommigen suggereren dat Krishna die
moeilijke tijd zou geven omdat Hij in verlegenheid zou zijn
gebracht door Akrûra die het juweel naar elders
overbracht in wedijver met Zijn heerschappij; anderzijds is het
niet ongebruikelijk dat moord in een leefgemeenschap naar de
regel van God en Krishna die gemeenschap een slechte tijd
bezorgt, zoals men dat ook algemeen kan zien plaatsgrijpen na
grote oorlogen zoals aangetoond in het Bhâgavatam met de
beschrijving van de kwade tijd toen Krishna zelve vertrok naar
Zijn verblijf na de grote Kuru-oorlog [1.14].