regelbalk


 

 

Canto 10

Bhoga-ârati

 

 

Hoofdstuk 58: Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ [*]

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen. (2) Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd. (3) De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat. (4) Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren]. (5) Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen. (6) Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen. (7) Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten. (8) Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend: (9) 'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49]. (10) Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'

(11) Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'

(12) Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk. (13-14) Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1]. (15) Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13]. (16) Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ. (17) Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag. (18) Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij: (19) 'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'

(20) S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî]. (21) Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn. (22) Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].' (23) Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].

(24) Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad [Indraprastha] bouwen. (25) De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner. (26) Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was. (27) Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75]. (28) Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10]. (29) Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.

(30) Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot]. (31) Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].

(32) Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning. (33) Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen. (34) Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen. (35) De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet. (36) De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden! (37) Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

(38) Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk. (40) De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'

(41) De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt! (42) Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter. (43) Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken. (44) Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.' (45) Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel. (46) Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje. (47) De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften. (48) De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte. (49) Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers. (50-51) Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren. (52) Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen. (53) Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde. (54) Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte. (55) De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.

(56) Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.

(57) Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].  

(58) Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'

 

next                      

 
 

 

Tweede editie, geladen 26 september 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

Krishna Marries Five Princesses

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen.

S'ukadeva Gosvâmî said: Once, the supremely opulent Personality of Godhead went to Indraprastha to visit the Pândavas, who had again appeared in public. Accompanying the Lord were Yuyudhâna and other associates. (Vedabase)

 

Tekst 2

Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd.

When the Pândavas saw that Lord Mukunda had arrived, those heroic sons of Prithâ all stood up at once, like the senses responding to the return of the life air. (Vedabase)

 

Tekst 3

De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat.

The heroes embraced Lord Acyuta, and the touch of His body freed them of sin. Looking at His affectionate, smiling face, they were overwhelmed with joy. (Vedabase)

 

Tekst 4

Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren].

After the Lord bowed down at the feet of Yudhishthhira and Bhîma and firmly embraced Arjuna, He accepted obeisances from the twin brothers, Nakula and Sahadeva. (Vedabase)

 

Tekst 5

Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen.

Faultless Draupadî, the Pândavas' newly married wife, slowly and somewhat timidly approached Lord Krishna, who sat on an exalted seat, and offered Him her obeisances. (Vedabase)

 

Tekst 6

Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen.

Sâtyaki also accepted a seat of honor after receiving worship and welcome from the Pândavas, and the Lord's other companions, being duly honored, sat down in various places. (Vedabase)

 

Tekst 7

Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten.

The Lord then went to see His aunt, Queen Kuntî. He bowed down to her and she embraced Him, her eyes moist with great affection. Lord Krishna inquired from her and her daughter-in-law, Draupadî, about their welfare, and they in turn questioned Him at length about His relatives [in Dvârakâ]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend:

So overcome by love that her throat choked up and her eyes filled with tears, Queen Kuntî remembered the many troubles she and her sons had endured. Thus she addressed Lord Krishna, who appears before His devotees to drive away their distress. (Vedabase)

 

Tekst 9

'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49].

[Queen Kuntî said:l My dear Krishna, our welfare was assured only when You remembered us, Your relatives, and gave us Your protection by sending my brother to visit us. (Vedabase)

 

Tekst 10

Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'

For You, the well-wishing friend and Supreme Soul of the universe, there is never any illusion of "us" and "them." Yet even so, residing within the hearts of all, You eradicate the sufferings of those who remember You constantly. (Vedabase)

 

Tekst 11

Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'

King Yudhishthhira said: O supreme controller, I do not know what pious deeds we fools have done so that we can see You, whom the masters of yogic perfection rarely see. (Vedabase)

 

Tekst 12

Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk.

Requested by the King to stay with them, the almighty Lord remained happily in Indraprastha during the months of the rainy season, giving joy to the eyes of the city's residents. (Vedabase)

   

Tekst 13-14

Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1].

Once Arjuna, the slayer of powerful enemies, donned his armor, mounted his chariot flying the flag of Hanumân, took up his bow and his two inexhaustible quivers, and went to sport with Lord Krishna in a large forest filled with fierce animals. (Vedabase)

 

Tekst 15

Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13].

With his arrows Arjuna shot tigers, boars and buffalo in that forest, along with rurus, s'arabhas, gavayas, rhinoceroses, black deer, rabbits and porcupines. (Vedabase)

 

Tekst 16

Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ.

A crew of servants carried to King Yudhishthhira the slain animals fit to be offered in sacrifice on some special occasion. Then, feeling thirsty and tired, Arjuna went to the bank of the Yamunâ. (Vedabase)

 

Tekst 17

Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag.

After the two Krishnas bathed there, they drank the river's clear water. The great warriors then saw an attractive young girl walking nearby. (Vedabase)

    

Tekst 18

Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij:

Sent by his friend, Arjuna approached the exceptional young woman, who possessed beautiful hips, fine teeth and a lovely face, and inquired from her as follows. (Vedabase)

 

Tekst 19

'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'

[Arjuna said:] Who are you, O fine-waisted lady? Whose daughter are you, and where do you come from? What are you doing here? I think you must be looking for a husband. Please explain everything, O beautiful one. (Vedabase)

 

Tekst 20

S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî].

S'rî Kâlindî said: I am the daughter of the sun-god. I desire to get as my husband the most excellent and munificent Lord Vishnu, and to that end I am performing severe penances. (Vedabase)

 

Tekst 21

Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn.

I will accept no husband other than Him, the abode of the goddess of fortune. May that Mukunda, the Supreme Personality, the shelter of the helpless, be pleased with me. (Vedabase)

  

Tekst 22

Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].'

I am known as Kâlindî, and I live in a mansion my father built for me within the water of the Yamunâ. There I will stay until I meet Lord Acyuta. (Vedabase)

  

Tekst 23

Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].

[S'ukadeva Gosvâmî continued:l Arjuna repeated all this to Lord Vâsudeva, who was already aware of it. The Lord then took Kâlindî onto His chariot and went back to see King Yudhishthhira. (Vedabase)

  

Tekst 24

Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad bouwen [Indraprastha].

[Describing a previous incident, S'ukadeva Gosvâmî said:] Upon the request of the Pândavas, Lord Krishna had Vis'vakarmâ build them a most wonderful and amazing city. (Vedabase)

 

Tekst 25

De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner.

The Supreme Lord stayed in that city for some time to please His devotees. On one occasion, S'rî Krishna wanted to give the Khândava forest as a gift to Agni, and so the Lord became Arjuna's charioteer. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was.

Being pleased, O King, Lord Agni presented Arjuna with a bow, a set of white horses, a chariot, a pair of inexhaustible quivers, and armor that no fighter could pierce with weapons. (Vedabase)

 

Tekst 27

Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75].

When the demon Maya was saved from the fire by his friend Arjuna, Maya presented him with an assembly hall, in which Duryodhana would later mistake water for a solid floor. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10].

Then Lord Krishna, given leave by Arjuna and other well-wishing relatives and friends, returned to Dvârakâ with Sâtyaki and the rest of His entourage. (Vedabase)

 

Tekst 29

Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.

The supremely auspicious Lord then married Kâlindî on a day when the season, the lunar asterism and the configurations of the sun and other heavenly bodies were all propitious. In this way He brought the greatest pleasure to His devotees. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot].

Vindya and Anuvindya, who shared the throne of Avantî, were followers of Duryodhana's. When the time came for their sister [Mitravindâ] to select her husband in the svayamvara ceremony, they forbade her to choose Krishna, although she was attracted to Him. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].

My dear King, Lord Krishna forcibly took away Princess Mitravindâ, the daughter of His aunt Râjâdhidevî, before the eyes of the rival kings. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning.

O King, Nagnajit, the very pious King of Kaus'alya, had a lovely daughter named Satyâ, or Nâgnajitî. (Vedabase)

 

Tekst 33

Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen.

The kings who came as suitors were not allowed to marry her unless they could subdue seven sharp-horned bulls. These bulls were extremely vicious and uncontrollable, and they could not tolerate even the smell of warriors. (Vedabase)

 

Tekst 34

Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen.

When the Supreme Personality of Godhead, the master of the Vaishnavas, heard of the princess who was to be won by the conqueror of the bulls, He went to the capital of Kaus'alya with a large army. (Vedabase)

 

Tekst 35

De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet.

The King of Kos'ala, pleased to see Lord Krishna, worshiped Him by rising from his throne and offering Him a seat of honor and substantial gifts. Lord Krishna also greeted the King respectfully. (Vedabase)

    

Tekst 36

De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden!

When the King's daughter saw that most agreeable suitor arrive, she immediately desired to have Him, the Lord of Goddess Râma. She prayed, "May He become my husband. If I have kept my vows, may the sacred fire bring about the fulfillment of my hopes. (Vedabase)

 

Tekst 37

Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

"Goddess Lakshmî, Lord Brahma, Lord S'iva and the rulers of the various planets place the dust of His lotus feet on their heads, and to protect the codes of religion, which He has created, He assumes pastime incarnations at various times. How may that Supreme Personality of Godhead become pleased with me?" (Vedabase)

 

Tekst 38

Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'

King Nagnajit first worshiped the Lord properly and then addressed Him: "O Nârâyana, Lord of the universe, You are full in Your own spiritual pleasure. Therefore what can this insignificant person do for You?" (Vedabase)

 

Tekst 39

S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk.

S'ukadeva Gosvâmî said: O beloved descendant of Kuru, the Supreme Lord was pleased, and after accepting a comfortable seat He smiled and addressed the King in a voice as deep as the rumbling of a cloud. (Vedabase)

 

Tekst 40

De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'

The Supreme Lord said: O ruler of men, learned authorities condemn begging for a person in the royal order who is executing his religious duties. Even so, desiring your friendship, I ask you for your daughter, though We offer no gifts in exchange. (Vedabase)

 

Tekst 41

De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt!

The King said: My Lord, who could be a better husband for my daughter than You, the exclusive abode of all transcendental qualities? On Your body the goddess of fortune herself resides, never leaving You for any reason. (Vedabase)

 

Tekst 42

Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter.

But to ascertain the proper husband for my daughter, O chief of the Sâtvatas, we previously set a condition to test the prowess of her suitors. (Vedabase)

 

Tekst 43

Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken.

These seven wild bulls are impossible to tame, O hero. They have defeated many princes, breaking their limbs. (Vedabase)

 

Tekst 44

Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.'

If You can subdue them, O descendant of Yadu, You will certainly be the appropriate bridegroom for my daughter, O Lord of S'rî. (Vedabase)

 

Tekst 45

Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel.

Upon hearing these terms, the Lord tightened His clothing, expanded Himself into seven forms and easily subdued the bulls. (Vedabase)

 

Tekst 46

Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje.

Lord S'auri tied up the bulls, whose pride and strength were now broken, and pulled them with ropes just as a child playfully pulls wooden toy bulls. (Vedabase)

 

Tekst 47

De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften.

Then King Nagnajit, pleased and astonished, presented his daughter to Lord Krishna. The Supreme Personality of Godhead accepted this suitable bride in the proper Vedic fashion. (Vedabase)

 

Tekst 48

De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte.

The King's wives felt the greatest ecstasy upon attaining Lord Krishna as the dear husband of the royal princess, and a mood of great festivity arose. (Vedabase)

 

Tekst 49

Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers.

Conchshells, horns and drums resounded, along with vocal and instrumental music and the sounds of brâhmanas, invoking blessings. The joyful men and women adorned themselves with fine clothing and garlands. (Vedabase)

 

Tekst 50-51

Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren.

As the dowry, powerful King Nagnajit gave ten thousand cows, three thousand young maidservants wearing golden ornaments on their necks and bedecked in fine clothing, nine thousand elephants, a hundred times as many chariots as elephants, a hundred times as many horses as chariots, and a hundred times as many manservants as horses. (Vedabase)

 

Tekst 52

Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen.

The King of Kos'ala, his heart melting with affection, had the bride and groom seated on their chariot, and then he sent them on their way surrounded by a great army. (Vedabase)

 

Tekst 53

Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde.

When the intolerant kings who had been rival suitors heard what had happened, they tried to stop Lord Krishna on the road as He took His bride home. But just as the bulls had broken the kings' strength before, the Yadu warriors broke it now. (Vedabase)

 

Tekst 54

Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte.

Arjuna, wielder of the Gândîva bow, was always eager to please his friend Krishna, and thus he drove back those opponents, who were shooting torrents of arrows at the Lord. He did this just as a lion drives away insignificant animals. (Vedabase)

 

Tekst 55

De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.

Lord Devakî-suta, the chief of the Yadus, then took His dowry and Satyâ to Dvârakâ and continued to live there happily. (Vedabase)

 

Tekst 56

Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.

Bhadrâ was a princess of the Kaikeya kingdom and the daughter of Lord Krishna's paternal aunt S'rutakîrti. The Lord married Bhadrâ when her brothers, headed by Santardana, offered her to Him. (Vedabase)

 

Tekst 57

Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].

  Then the Lord married Lakshmanâ, the daughter of the King of Madra. Krishna appeared alone at her svayamvara ceremony and took her away, just as Garuda once stole the demigods' nectar.  (Vedabase)

 

Tekst 58

Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'

Lord Krishna also acquired thousands of other wives equal to these when He killed Bhaumâsura and freed the beautiful maidens the demon was holding captive. (Vedabase)

 

* In totaal trouwde Krishna met 16008 vrouwen: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ, 8 Lakshmanâ, besproken in 10.83: 17, en de 1600o vrouwen gevangen gehouden door Bhaumâsura.

** Een latere datum dan het afbranden van het Khândava woud waaraan gerefereerd wordt in vers 25.

*** Een demon die volgens de Vishnu-purâna ter wereld kwam als gevolg van het aanraken van moeder aarde door Heer Varâha toen hij haar uit de oceaan ophief [zie 3.13: 31].

 

 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties