regelbalk



 

Canto 10

Mahāmantra 9

 

 

Hoofdstuk 61: Heer Balarāma Maakt een Einde aan Rukmī op Aniruddha's Huwelijk

(1) S'rī S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna gaf geboorte aan tien zoons die in geen enkel opzicht onderdeden voor hun Vader's persoonlijke rijkdom. (2) Aangezien ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de prinsessen zichzelf als de meest geliefde. De vrouwen hadden geen notie van Zijn waarheid. (3) Volledig in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op de geest van de Almachtige. (4) Ondanks de romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven wenkbrauwen, hun verholen blikken en de bedeesde glimlachen waarmee ze zo bekoorlijk blijk gaven van hun bedoelingen, waren de zestienduizend vrouwen niet in staat de zinnen [van Krishna] in beroering te brengen met hun pijlen van Cupido en andere methoden. (5) Deze vrouwen die de Heer van Ramā als hun man kregen en zodoende iets bereikten dat zelfs Heer Brahmā en de andere goden niet kunnen bereiken, keken vooral gretig uit naar Zijn altijd weer nieuwe, intieme omgang en wisselden met plezier, onophoudelijk en in toenemende mate liefdevol aangetrokken, glimlachen en blikken met Hem [zoals in 10.59: 44]. (6) Hoewel ze [zoals gezegd] honderden dienstmaagden hadden benaderden ze Hem [persoonlijk] en boden ze Hem een zitplaats aan, waren ze van eersteklas eerbetoon, wasten ze Zijn voeten en gaven ze Hem betelnoot. Ze gaven massages, wuifden Hem koelte toe en waren de Almachtige Heer van dienst met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het verzorgen van Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken [zoals in 10.59: 45]. (7) Onder deze [16008 *] vrouwen van Krishna die ieder tien zonen hadden, bevonden zich, zoals ik reeds zei, acht vrouwen die de belangrijkste koninginnen waren. Ik zal een opsomming geven van hun zoons met allereerst Pradyumna.



(8-9) Hij werd door de Heer verwekt in Rukminī [zie 10.54: 60] en deed in geen enkel opzicht voor Hem onder, zoals dat ook het geval was met de zonen Cārudeshna, Sudeshna en de machtige Cārudeha, Sucāru, Cārugupta, Bhadracāru en nog een zoon genaamd Cārucandra, alsook Vicāru en Cāru, de tiende zoon. (10-12) De tien zoons van Satyabhāmā [10.56: 44] waren Bhānu, Subhānu, Svarbhānu, Prabhānu, Bhānumān en Candrabhānu, Brihadbhānu en de achtste zoon Atibhānu gevolgd door S'rībhānu en Pratibhānu [bhānu betekent luister, schittering]. Sāmba, Sumitra, Purujit, S'atajit, Sahasrajit, Vijaya en Citraketu, Vasumān, Dravida en Kratu waren de zoons van Jāmbavatī [10.56: 32]. Het waren deze zoons met Sāmba voorop die de voorkeur van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 & 12]. (13) Vīra, Candra en As'vasena, Citragu, Vegavān, Vrisha, Āma, S'anku, Vasu en de machtige Kunti waren de zoons van Nāgnajitī [ofwel Satyā, zie 10.58: 55]. (14) S'ruta, Kavi, Vrisha, Vīra, Subāhu, hij die Bhadra heette, S'ānti, Dars'a, Pūrnamāsa en Somaka, de jongste, waren de zoons van Kālindī [10.58: 23]. (15) Praghosha, Gātravān, Simha, Bala, Prabala en Ūrdhaga waren samen met Mahās'akti, Saha, Oja en Aparājita de zoons van Mādrā [zie **]. (16) Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnāda, Mahāmsa, Pāvana, Vahni en Kshudhi waren de zoons van Mitravindā [10.58: 31]. (17) De zonen van Bhadrā heetten Sangrāmajit, Brihatsena, S'ūra, Praharana en Arijit, Jaya, Subhadra, Vāma, Āyur en Satyaka [10.58: 56]. (18) Dīptimān, Tāmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en Rohinī [*]. O Koning, Pradyumna die zich ophield in de stad Bhojakatha [Rukmī's domein], verwekte in Rukmavatī, de dochter van Rukmī, de hoogst machtige Aniruddha [zie ook 4.24: 35-36]. (19) Van deze zoons en kleinzoons van de zestienduizend moeders, kwamen tientallen miljoenen nakomelingen van Krishna ter wereld o Koning.'

(20) De koning zei: 'Hoe kon Rukmī zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij op een gelegenheid om Hem te doden. Alstublieft o geleerde, leg me uit hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden gearrangeerd. (21) Yogi's [als u] zijn er perfect toe in staat om het verleden, het heden alsook wat zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij aan de zinnen.'

(22) S'rī S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij [Rukmavatī] de voor haar tastbare Cupido [Pradyumna] die er met haar vandoor ging nadat Hij met een enkele wagen in de strijd de verzamelde koningen had verslagen. (23) Om zijn zus [Rukminī] een plezier te doen gunde Rukmī zijn dochter zijn neef, ondanks dat hij zich steeds de vijandschap met Krishna die hem had beledigd herinnerde [10.54: 35]. (24) O Koning, de jonge dochter van Rukminī [*], Cārumatī die grote amandelogen had, trouwde met de zoon van Kritavarmā genaamd Balī. (25) Ondanks dat hij in vijandschap gebonden was aan de Heer, schonk Rukmī Aniruddha - die zijn dochters zoon was, zijn kleindochter genaamd Rocanā ten huwelijk. Zich ervan bewust dat het huwelijk indruiste tegen het dharma [niet te heulen met de vijand], gaf hij, in zijn vrijheid beperkt door de banden der genegenheid, er de voorkeur aan zijn zuster te behagen met dat huwelijk. (26) Ter gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis o Koning, begaven Rukminī, Balarāma en Kes'ava [Krishna], Sāmba, Pradyumna en anderen zich naar de stad Bhojakatha.

(27-28) Na de plechtigheid zeiden een paar arrogante koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga tot Rukmī: 'U moet Balarāma met dobbelen verslaan. O koning, hij is er echt niet zo goed in maar wordt er niettemin hoogst door gefascineerd.' Aldus aangesproken nodigde Rukmī Balarāma uit om een partijtje met hem te dobbelen. (29) In die weddenschap accepteerde Balarāma een inzet van eerst honderd, toen duizend en daarna tienduizend [gouden munten]. Maar het was Rukmī die won. De heer van Kalinga moest luidkeels om Balarāma lachen en liet daarbij zijn tanden vrijuit zien. Dit kon de Drager van de Ploeg niet tolereren.  (30) Toen Rukmī daarop een inzet van zo'n honderdduizend munten aanging en die door Balarāma werd gewonnen, nam Rukmī zijn toevlucht tot bedrog en zei hij: 'Ik heb het gewonnen!'

(31) Met een geest zo onstuimig als de oceaan tijdens volle maan, aanvaardde de knappe Balarāma, wiens van nature roze ogen brandden van woede, een weddenschap om honderd miljoen munten. (32) Balarāma won ook dat spel eerlijk, maar Rukmī zocht opnieuw zijn heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze getuigen dat bevestigen!'

(33) Toen sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was Balarāma die de weddenschap eerlijk won, wat Rukmī zei is een leugen!'

(34) Geen acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de kwade koningen op zijn dood afgestuurd, spottend tot Sankarshana: (35) 'Jullie koeherders die rondtrekken in het woud zijn niet bedreven in het dobbelen. Dobbelen en pijlen afschieten is iets voor koningen, niet voor jullie slag!'

(36) Aldus door Rukmī beledigd in de ceremoniėle bijeenkomst [van het huwelijk] en uitgelachen door de aanwezige koningen, hief Hij woedend Zijn knots en sloeg Hij hem dood. (37) Razendsnel nam Hij de wegvluchtende koning van Kalinga te pakken op zijn tiende stap en sloeg Hij hem in Zijn toorn de tanden eruit die hij lachend had ontbloot [zie ook 4.5: 21]. (38) Geteisterd door Balarāma's knots sloegen de [andere] koningen in doodsangst op de vlucht, doordrenkt van het bloed met gebroken armen, benen en schedels. (39) Het feit dat Zijn zwager, Rukmī, was gedood o Koning, werd door de Heer toegejuicht noch afgekeurd uit angst de band der genegenheid met Rukminī en Balarāma te verbreken. (40) De nakomelingen van Das'ārha wiens doelen onder de hoede van Madhusūdana allen waren bereikt, plaatsten toen de bruidegom Aniruddha samen met Zijn bruid op een wagen en verlieten onder leiding van Balarāma Bhojakatha om zich naar Kus'asthalī te begeven [een andere naam voor Dvārakā].'

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 4  juli, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rī S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna gaf geboorte aan tien zoons die in geen enkel opzicht onderdeden voor hun Vader's persoonlijke rijkdom.
S'rī S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien zoons ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al Zijn persoonlijke rijkdom. (Vedabase)

 

Tekst 2

Aangezien ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de prinsessen zichzelf als de meest geliefde. De vrouwen hadden geen notie van Zijn waarheid.

Omdat ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de vrouwen hadden geen weet van de waarheid omtrent Hem. (Vedabase)

 

Tekst 3

Volledig in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op de geest van de Almachtige.

Volledig in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, niet de geest overweldigen van Hem die Almachtig was. (Vedabase)

 

Tekst 4

Ondanks de romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven wenkbrauwen, hun verholen blikken en de bedeesde glimlachen waarmee ze zo bekoorlijk blijk gaven van hun bedoelingen, waren de zestienduizend vrouwen niet in staat de zinnen [van Krishna] in beroering te brengen met hun pijlen van Cupido en andere methoden.

Ondanks hun romantische signalen afgegeven door hun geheven wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, alzo bekoorlijk blijk gevend van hun bedoelingen, waren de zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] van streek te brengen. (Vedabase)

 

Tekst 5

Deze vrouwen die de Heer van Ramā als hun man kregen en zodoende iets bereikten dat zelfs Heer Brahmā en de andere goden niet kunnen bereiken, keken vooral gretig uit naar Zijn altijd weer nieuwe, intieme omgang en wisselden met plezier, onophoudelijk en in toenemende mate liefdevol aangetrokken, glimlachen en blikken met Hem [zoals in 10.59: 44].

Deze vrouwen, op die manier als hun echtgenoot de Heer van Ramā krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer Brahmā en de andere goden de middelen van succes kennen, eisten volijverig anticiperend op de altijd weer nieuwe, intieme omgang met plezier, glimlachen en blikken hun deel op in de onophoudelijke en liefdevolle aantrekking [zoals in 10:59: 44]. (Vedabase)


Tekst 6

Hoewel ze [zoals gezegd] honderden dienstmaagden hadden benaderden ze Hem [persoonlijk] en boden ze Hem een zitplaats aan, waren ze van eersteklas eerbetoon, wasten ze Zijn voeten en gaven ze Hem betelnoot. Ze gaven massages, wuifden Hem koelte toe en waren de Almachtige Heer van dienst met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het verzorgen van Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken [zoals in 10.59: 45].

Hoewel ze honderden dienstmaagden hadden waren ze, [persoonlijk] Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas eerbetoon zijnd, Zijn voeten wassend, dienend met betelnoot, met het geven van massages en Hem koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het schikken van Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken, de Almachtige Heer van dienst [als in 10.59: 45]. (Vedabase)

 

Tekst 7

Onder deze [16008 **] vrouwen van Krishna die ieder tien zonen hadden, bevonden zich, zoals ik reeds zei, acht vrouwen die de belangrijkste koninginnen waren. Ik zal een opsomming geven van hun zoons met allereerst Pradyumna.

Van deze [16008 *] vrouwen van Krishna voorheen genoemd die ieder tien zonen hadden, waren er acht belangrijkste koninginnen van wie ik de zoons met Pradyumna voorop zal opsommen. (Vedabase)

 

Tekst 8-9

Hij werd door de Heer verwekt in Rukminī [zie 10.54: 60] en deed in geen enkel opzicht voor Hem onder, zoals dat ook het geval was met de zonen Cārudeshna, Sudeshna en de machtige Cārudeha, Sucāru, Cārugupta, Bhadracāru en nog een zoon genaamd Cārucandra, alsook Vicāru en Cāru, de tiende zoon.

Door de Heer verwekt in Rukminī [zie 10.54: 60] waren er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend, [met Pradyumna voorop] Cārudeshna, Sudeshna en de machtige Cārudeha; Sucāru, Cārugupta, Bhadracāru en een andere genaamd Cārucandra als ook Vicāru en Cāru, de tiende. (Vedabase)

 

Tekst 10-12

De tien zoons van Satyabhāmā [10.56: 44] waren Bhānu, Subhānu, Svarbhānu, Prabhānu, Bhānumān en Candrabhānu, Brihadbhānu en de achtste zoon Atibhānu gevolgd door S'rībhānu en Pratibhānu [bhānu betekent luister, schittering]. Sāmba, Sumitra, Purujit, S'atajit, Sahasrajit, Vijaya en Citraketu, Vasumān, Dravida en Kratu waren de zoons van Jāmbavatī [10.56: 32]. Het waren deze zoons met Sāmba voorop die de voorkeur van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 & 12].

De tien zoons van Sathyabhāmā [10.56: 44] waren Bhānu, Subhānu, Svarbhānu, Prabhānu, Bhānumān en Candrabhānu; als ook Brihadbhānu, de achtste Atibhānu en S'rībhānu en Pratibhānu [bhānu betekent luister, schittering]. Sāmba, Sumitra, Purujit, S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu, Vasumān, Dravida en Kratu waren de zoons van Jāmbavatī [10.56: 32]. Het waren inderdaad deze zoons met Sāmba voorop die de voorkeur van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 & 12]. (Vedabase)

    

Tekst 13

Vīra, Candra en As'vasena, Citragu, Vegavān, Vrisha, Āma, S'anku, Vasu en de machtige Kunti waren de zoons van Nāgnajitī [ofwel Satyā, zie 10.58: 55].

Vīra, Candra en As'vasena; Citragu, Vegavān, Vrisha, Āma, S'anku, Vasu en de zo heel mooie Kuntī waren de zoons van Nāgnajitī [ofwel Satyā, zie 10.58: 55]. (Vedabase)

 

Tekst 14

S'ruta, Kavi, Vrisha, Vīra, Subāhu, hij die Bhadra heette, S'ānti, Dars'a, Pūrnamāsa en Somaka, de jongste, waren de zoons van Kālindī  [10.58: 23].

S'ruta, Kavi, Vrisha, Vīra, Subāhu, degene die Bhadra heette, S'ānti, Dars'a en Pūrnamāsa waren, met Somaka als de jongste, de zoons van Kālindī [10.58: 23]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Praghosha, Gātravān, Simha, Bala, Prabala en Ūrdhaga waren samen met Mahās'akti, Saha, Oja en Aparājita de zoons van Mādrā [zie *].

Praghosha, Gātravān, Simha, Bala, Prabala en Ūrdhaga waren met Mahās'akti, Saha, Oja en Aparājita de zoons van Mādrā [zie *]. (Vedabase)

 

Tekst 16

Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnāda, Mahāmsa, Pāvana, Vahni en Kshudhi waren de zoons van Mitravindā  [10.58: 31].

Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnāda, Mahāmsa, Pāvana en Vahni waren met Kshudhi de zoons van Mitravindā [10.58: 31]. (Vedabase)

    

Tekst 17

De zonen van Bhadrā heetten Sangrāmajit, Brihatsena, S'ūra, Praharana en Arijit, Jaya, Subhadra, Vāma, Āyur en Satyaka [10.58: 56].

Sangrāmajit, Brihatsena, S'ūra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadra waren tezamen met Vāma, Āyur en Satyaka de zoons van Bhadrā [10.58: 56]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Dīptimān, Tāmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en Rohinī [*]. O Koning, Pradyumna die zich ophield in de stad Bhojakatha [Rukmī's domein], verwekte in Rukmavatī, de dochter van Rukmī, de hoogst machtige Aniruddha [zie ook 4.24: 35-36].

Dīptimān, Tāmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en Rohinī [*]. O Koning, van Pradyumna kwam, toen Hij zich ophield in de stad Bhojakatha [Rukmī's domein], verwekt in Rukmavatī, de dochter van Rukmī, de hoogste machtige Aniruddha ter wereld [zie ook 4.24: 35-36]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Van deze zoons en kleinzoons van de zestienduizend moeders, kwamen tientallen miljoenen nakomelingen van Krishna ter wereld o Koning.'

Uit deze zoons en kleinzoons werden er tientallen miljoenen geboren, o Koning, daar het aantal moeders van de nakomelingen van Krishna zestienduizend bedroeg.' (Vedabase)

  

Tekst 20

De koning zei: 'Hoe kon Rukmī zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij op een gelegenheid om Hem te doden. Alstublieft o geleerde, leg me uit hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden gearrangeerd.

De koning zei: 'Hoe kon Rukmī zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij de gelegenheid af om Hem te doden. Alstublieft, leg het me uit, o geleerde, hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden gearrangeerd. (Vedabase)

  

Tekst 21

Yogi's [als u] zijn er perfect toe in staat om het verleden, het heden alsook wat zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij aan de zinnen.'

Yogi's [als u] zijn perfect in staat het verleden, het heden als ook wat zich nog niet heeft voorgedaan te zien zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij aan de zinnen.' (Vedabase)

  

Tekst 22

S'rī S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij [Rukmavatī] de voor haar tastbare Cupido [Pradyumna] die er met haar vandoor ging nadat Hij met een enkele wagen in de strijd de verzamelde koningen had verslagen.

S'rī S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij [Rukmavatī] de Cupido tastbaar [die Pradyumna was] die met een enkele wagen in de strijd de verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor ging. (Vedabase)

 

Tekst 23

Om zijn zus [Rukminī] een plezier te doen gunde Rukmī zijn dochter zijn neef, ondanks dat hij zich steeds de vijandschap met Krishna die hem had beledigd herinnerde [10.54: 35].

Rukmī, zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met Krishna die hem had beledigd [10.54: 35], gunde, om zijn zus een plezier te doen, zijn dochter de zoon van zijn zus. (Vedabase)

 

Tekst 24

O Koning, de jonge dochter van Rukminī [*], Cārumatī die grote amandelogen had, trouwde met de zoon van Kritavarmā genaamd Balī.

De jonge dochter van Rukminī met grote amandelogen, Cārumatī, huwde, zo wordt beweerd, o Koning, de zoon van Kritavarmā genaamd Balī. (Vedabase)

 

Tekst 25

Ondanks dat hij in vijandschap gebonden was aan de Heer, schonk Rukmī Aniruddha - die zijn dochters zoon was, zijn kleindochter genaamd Rocanā ten huwelijk. Zich ervan bewust dat het huwelijk indruiste tegen het dharma [niet te heulen met de vijand], gaf hij, in zijn vrijheid beperkt door de banden der genegenheid, er de voorkeur aan zijn zuster te behagen met dat huwelijk.

Rukmī, ondanks zijn aan de Heer gebonden zijn in vijandschap, schonk aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn kleindochter weg genaamd Rocanā; zich ervan bewust dat het huwelijk indruiste tegen het dharma [van het het als zodanig niet houden met de vijand], wenste hij het, ingeperkt door de banden der genegenheid, zijn zuster te behagen met dat huwelijk.(Vedabase)

 

 Tekst 26

Ter gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis o Koning, begaven Rukminī, Balarāma en Kes'ava [Krishna], Sāmba, Pradyumna en anderen zich naar de stad Bhojakatha.

Ter gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven Rukminī, Balarāma en Kes'ava [Krishna], Sāmba, Pradyumna en anderen, zich naar de stad Bhojakatha. (Vedabase)

 

Tekst 27-28

Na de plechtigheid zeiden een paar arrogante koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga tot Rukmī: 'U moet Balarāma met dobbelen verslaan. O koning, hij is er echt niet zo goed in maar wordt er niettemin hoogst door gefascineerd.' Aldus aangesproken nodigde Rukmī Balarāma uit om een partijtje met hem te dobbelen.

Toen het huwelijk was voltrokken richtten een paar arrogante koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga zich tot Rukmī: 'U zou Balarāma eens met een dobbelspelletje moeten verslaan. Er waarlijk niet zo goed in is Hij, o Koning, er niettemin hogelijkst door gefascineerd', zeiden ze aldus en zo Balarāma uitnodigend dobbelde Rukmī een partijtje met Hem. (Vedabase)

  

Tekst 29

In die weddenschap accepteerde Balarāma een inzet van eerst honderd, toen duizend en daarna tienduizend [gouden munten]. Maar het was Rukmī die won. De heer van Kalinga moest luidkeels om Balarāma lachen en liet daarbij zijn tanden vrijuit zien. Dit kon de Drager van de Ploeg niet tolereren.

In die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend en daarna tienduizend [gouden munten] accepterend was het Rukmī echter die won, waarop de heer van Kalinga luidkeels om Balarāma moest lachen waarbij hij zijn tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de Ploeg hem niet vergeven. (Vedabase)

 

Tekst 30

Toen Rukmī daarop een inzet van zo'n honderdduizend munten aanging en die door Balarāma werd gewonnen, nam Rukmī zijn toevlucht tot bedrog en zei hij: 'Ik heb het gewonnen!'

Rukmī ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen door Balarāma werd gewonnen, maar Rukmī, zijn toevlucht nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het gewonnen!' (Vedabase)

 

 Tekst 31

Met een geest zo onstuimig als de oceaan tijdens volle maan, aanvaardde de knappe Balarāma, wiens van nature roze ogen brandden van woede, een weddenschap om honderd miljoen munten.

Met een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle maan aanvaardde de knappe Balarāma, wiens van nature roze ogen brandden van woede, een gok van een honderd miljoen. (Vedabase)

  

Tekst 32

Balarāma won ook dat spel eerlijk maar Rukmī zocht opnieuw zijn heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze getuigen dat bevestigen!'

Balarāma won ook dat spel eerlijk maar Rukmī vluchtte wederom in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze getuigen dat bevestigen!'. (Vedabase)

 

Tekst 33

Toen sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was Balarāma die de weddenschap eerlijk won, wat Rukmī zei is een leugen!'

Toen sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad Balarāma die de inzet won, de woorden die Rukmī uitsprak zijn een botte leugen! (Vedabase)

 

Tekst 34

Geen acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de kwade koningen op zijn dood afgestuurd, spottend tot Sankarshana:

Geen acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot Sankarshana: (Vedabase)

    

Tekst 35

'Jullie koeherders die rondtrekken in het woud zijn niet bedreven in het dobbelen. Dobbelen en pijlen afschieten is iets voor koningen, niet voor jullie slag!'

Jullie koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen en pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie slag!' (Vedabase)

 

Tekst 36

Aldus door Rukmī beledigd in de ceremoniėle bijeenkomst [van het huwelijk] en uitgelachen door de aanwezige koningen, hief Hij woedend Zijn knots en sloeg Hij hem dood.

Op deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het huwelijk], door Rukmī beledigd, de risee geworden van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en sloeg Hij hem dood. (Vedabase)

 

Tekst 37

Razendsnel nam Hij de wegvluchtende koning van Kalinga te pakken op zijn tiende stap en sloeg Hij hem in Zijn toorn de tanden eruit die hij lachend had ontbloot [zie ook 4.5: 21].

Heel rap de koning van Kalinga op zijn tiende stap te pakken nemend, sloeg Hij in woede de tanden uit van hem die lachend zijn tanden had laten zien [zie ook 4.5: 21]. (Vedabase)

 

Tekst 38

Geteisterd door Balarāma's knots sloegen de andere koningen in doodsangst op de vlucht, doordrenkt van het bloed met gebroken armen, benen en schedels.

Andere koningen geteisterd door Balarāma's knots kregen hun armen, benen en schedels gebroken en vluchtten doordrenkt met bloed in doodsangst. (Vedabase)

  

Tekst 39

Het feit dat Zijn zwager, Rukmī, was gedood o Koning, werd door de Heer toegejuicht noch afgekeurd uit angst de band der genegenheid met Rukminī en Balarāma te verbreken.

Met zijn zwager, Rukmī, afgemaakt, o Koning, gaf de Heer, beducht de band der genegenheid te verbreken met Rukminī en Balarāma, blijk van goedkeuring noch protest. (Vedabase)

 

Tekst 40

De nakomelingen van Das'ārha wiens doelen onder de hoede van Madhusūdana allen waren bereikt, plaatsten toen de bruidegom Aniruddha samen met Zijn bruid op een wagen en verlieten onder leiding van Balarāma Bhojakatha om zich naar Kus'asthalī te begeven [een andere naam voor Dvārakā].' 

Toen, met Rāma voorop, plaatsten de nakomelingen van Das'ārha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van Madhusūdana alle doelen waren bereikt, vanuit Bhojakatha in de richting van Kus'asthalī [een andere naam voor Dvārakā]. (Vedabase)

 

*: Deze die Mādrā heet is de achtste van de hoofdvrouwen van Krishna die nog niet eerder werd vermeld; ze is de dochter van de heerser van Madra, genaamd Brihatsena, en staat ook bekend als Lakshmanā. Van het Bhāgavatam haar verhaal kennend zoals verteld in 10.83: 16, is het duidelijk dat ze behoorde tot de acht koninginnen die Hij voordien huwde. Aldus waren er 16008 van hen. Rohinī [niet te verwarren met Balarāma's moeder die dezelfde naam draagt], niet beschouwend als een hoofdvrouw van Krishna, schijnt degene te zijn geweest die aan het hoofd van de zestienduizend prinsessen stond. Aldus Mādrā als de reden aannemend voor het spreken van 16001 vrouwen in plaats van 16000, hebben we alles bij elkaar: 1 Rukminī, 2 Jāmbavatī, 3 Satyabhāmā, 4 Kālindī, 5 Mitravindā, 6 Satyā (Nāgnajitī), 7 Bhadrā en 8 Mādrā (Lakshmanā) en dan de zestienduizend vrouwen met Rohinī voorop die op de tweede plaats stonden [zie ook voetnoot 10.59** en 10.83].

**: Śrīla Śrīdhara Svāmī legt uit dat elke koningin van de Heer een dochter had.

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
Plaatje: Bron en artiest onbekend.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.




 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties