regelbalk



 

Canto 10

Yugala Ārati

 

 

Hoofdstuk 65: Heer Balarāma in Vrindāvana en de Stroom Verdeeld

(1) S'rī S'uka zei: 'O beste van de Kuru's, de Allerhoogste Heer Balarāma klom [op een dag] in Zijn wagen ernaar verlangend Zijn vrienden te zien en reisde af naar Nanda's koeherdersdorp. (2) Door de gopa's en de gopī's, die Hem inderdaad al een lange tijd hadden gemist, werd Rāma omhelsd. Nadat Hij Zijn ouders Zijn eerbetuigingen had gebracht begroetten ze Hem blij met het brengen  van gebeden: (3) 'O afstammeling van Das'ārha,  Heer van het Universum, bescherm ons alsJeblieft altijd samen met Je jongere broer [Krishna].' Dit gezegd hebbende trokken ze Hem dicht naar zich toe op hun schoten en omhelsden ze Hem, waarbij ze Hem bevochtigden met het vocht van hun tranen. (4-6) Zoals was voorgescreven begaf hij zich naar de oudere gopa's waarna hij werd verwelkomd door de jongere. Daarna benaderde hij de koeherders die Hij, naar gelang ieders leeftijd, vriendschaps- en familierelatie, tegemoet trad met glimlachen en het beetgrijpen van hun handen. Na Hem een comfortabele zitplaats te hebben geboden zodat Hij wat kon uitrusten en dergelijke, verzamelden zij, die alles in dienst hadden gesteld van de lotusogige Krishna, zich rondom Hem en stelden ze, met stemmen verstikt van de liefde, vragen met betrekking tot het welzijn van hun dierbaren: (7) 'O Balarāma gaat het goed met al onze verwanten? O Rāma, herinneren Je vrouwen en kinderen, zich ons allemaal nog? (8) Gelukkig werd die zondaar van een Kamsa ter dood gebracht en werden onze verwanten bevrijd. Goddank vonden zij beschutting in een fort [Dvārakā] en slaagden ze erin onze vijanden te doden en te verslaan! (9) Vereerd om Balarāma in hun midden te zien vroegen de gopī's met een glimlach: 'Geniet Krishna, de lieveling van de dames in de stad, een gelukkig leven? (10) Denkt Hij nog wel aan Zijn mensen, zijn [pleeg-]vader en Zijn moeder; zal Hij er ooit nog eens toe komen in eigen persoon Zijn moeder weer te zien en herinnert Hij met Zijn machtige armen Zich onze onwankelbare dienst nog? (11-12) Terwille van Hem hebben wij o Heer, ons onthecht van degenen waar men zich maar moeilijk van los kan maken: onze moeders, vaders, echtgenoten, kinderen en zusters o afstammeling van Das'ārha. Toen Hij ons opeens afwees en vertrok, brak Hij met de vriendschap, maar welke vrouw Zou Hem nu niet op Zijn woord geloven [dat hij terug zou keren]? (13) Hoe kunnen die schrandere dames uit de stad, die afgaan op Zijn welbespraaktheid, fraaie glimlachen en de lust die Hij bij ze opwekt, nu vertrouwen op de woorden van Hem die zo ondankbaar Zijn hart makkelijk elders heeft en het contact afbreekt?  (14) Maar waarom zouden we nog langer over Hem uitweiden o gopī's? Laten we het alsjeblieft over wat anders hebben. Als Hij Zijn tijd zonder ons doorbrengt, laten wij dan hetzelfde doen [en proberen het zonder Zijn aanwezigheid te redden. Zie ook 10.47: 47].'

(15) Aldus samen sprekend herinnerden de vrouwen zich S'auri's lachen, gesprekken, aantrekkelijke blikken, manier van lopen en liefdevolle omhelzing en moesten ze huilen. (16) Sankarshana, de Opperheer, die bedreven was in verschillende manieren van steunverlenen, troostte hen met Krishna's vertrouwelijke boodschappen die hen in hun harten raakten. (17) Balarāma verbleef daar gedurende de twee maanden Madhu en Mādhava [de eerste twee na de lente-equinox] en bracht ook 's nachts de gopī's in [amoureuze] verrukking [zie ook 10.15: 8]. (18) In een stukje bos nabij de Yamunā [bekend als S'rīrāma-ghaththa] waar de wind de geur van ['s nachts bloeiende] kumuda-lotussen, meevoerde en de volle maan de plek baadde in haar licht, genoot Hij ervan bediend te worden in het gezelschap van de vele vrouwen. (19) Uit de holte van een boom vloeide de goddelijke [bedwelmende drank] Vārunī die door Varuna werd gebracht en die met zijn aroma het gehele bos zelfs nog meer deed geuren. (20) Balarāma, die de geur opsnoof van die honingstroom meegevoerd door de wind, ging eropaf en dronk ervan samen met de vrouwen. (21) En terwijl de zangers van de hemel Zijn heerlijkheid bezongen, genoot Hij, die er in de kring van jonge vrouwen nog mooier uitzag, van de jonge vrouwen als was Hij Indra's olifantenstier met een kudde wijfjes. (22) Pauken weerklonken in de hemel, de Gandharva's lieten vol vreugde bloemen neerregenen en de wijzen prezen Balarāma voor Zijn heldendaden. (23) Terwijl Zijn avonturen werden bezongen door de vrouwen zwierf Halāyudha [Balarāma als 'gewapend met de ploeg'] beschonken, met ogen zwaar van de bedwelming, door het bos.


(24-25) Hij met Zijn bloemen, met een enkele oorhanger, dwaas van het plezier, met Zijn Vaijayantī bloemenslinger om en met Zijn lachende, lotusgelijke gezicht overdekt door zweetdruppeltjes als waren het sneeuwvlokken, riep toen om de Yamunā met het voornemen in het water te spelen, maar toen de rivier Zijn dronken woorden daarop negeerde en niet kwam, werd ze door Hem kwaad met de punt van Zijn ploeg erbij gesleept: (26) 'Door mij opgeroepen kom je niet o zondige. Omdat je buiten Mij om je beweegt naar eigen goeddunken, zal ik je hier brengen met de punt van Mijn ploeg verdeeld in honderden stroompjes!'

(27) De [godin van de] Yamunā aldus berispt, viel Hem bevreesd ten voeten o Koning en sprak bevend de volgende woorden tot de nazaat van Yadu [*]: (28) 'Rāma, Balarāma, o machtig gearmde, wat weet ik nu van Uw macht o Meester van het Universum die met een enkel deelaspect van  U [dat van S'esha] de aarde draagt? (29) AlstUblieft o Allerhoogste Heer, laat me gaan, ik geef me aan u over. Ik was me niet bewust van Uw status o  Allerhoogste Persoonlijkheid, o Ziel van het Universum die zorgt voor de toegewijden!'

(30) Balarāma, de Allerhoogste Heer, schonk op die smeekbede van de Yamunā haar toen de vrijheid en ging met de vrouwen het water in, als was hij de koning der olifanten met zijn wijfjes. (31) Na Zich naar hartelust te hebben uitgeleefd kwam Hij uit het water en bood Kānti ['de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmī] Hem een blauw stel kleren aan, hoogst kostbare sieraden en een prachtige halsketting. (32) Hij hulde Zich in de blauwe kledingstukken en deed de gouden halsketting om. Schitterend uitgedost en ingesmeerd, zag Hij er zo magnifiek uit als de olifant van de grote heer Indra. (33) O Koning, tot op de dag van vandaag worden de stromen van de Yamunā, zoals ze werden getrokken door de onbegrensd machtige Balarāma, beschouwd als een bewijs van Zijn kunnen. (34) En zo genoot Balarāma, met Zijn geest in de ban van de charme en liefde van de vrouwen van de koeherdersgemeenschap, van Zijn nachten in Vraja als betrof het één enkele nacht.'

 

next                         

 

 

Derde herziene editie, geladen 30  juli, 2014.

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rī S'uka zei: 'O beste van de Kuru's, de Allerhoogste Heer Balarāma klom [op een dag] in Zijn wagen ernaar verlangend Zijn vrienden te zien en reisde af naar Nanda's koeherdersdorp.

S'rī S'uka zei: 'O beste van de Kuru's, de Allerhoogste Heer Balarāma klom [op een dag] in Zijn wagen er naar verlangend Zijn vrienden te zien en reisde af naar Nanda's koeherdersdorp. (Vedabase)

 

Tekst 2

Door de gopa's en de gopī's, die Hem inderdaad al een lange tijd hadden gemist, werd Rāma omhelsd. Nadat Hij Zijn ouders Zijn eerbetuigingen had gebracht begroetten ze Hem blij met het brengen  van gebeden:

Door de gopa's en de gopī's, die Hem voor een lange tijd inderdaad hadden gemist, werd Rāma omhelsd en met het brengen van Zijn eerbetuigingen voor Zijn ouders werd Hij vreugdevol begroet met gebeden: (Vedabase)

 

Tekst 3

'O afstammeling van Das'ārha,  Heer van het Universum, bescherm ons alsJeblieft altijd samen met Je jongere broer [Krishna].' Dit gezegd hebbende trokken ze Hem dicht naar zich toe op hun schoten en omhelsden ze Hem, waarbij ze Hem bevochtigden met het vocht van hun tranen.

'O afstammeling van Das'ārha, bescherm ons alsJeblieft altijd tezamen met Je jongere broer, de Heer van het Levende Wezen', en dit gezegd hebbende trokken ze Hem dicht naar zich toe op hun schoten en omhelsden ze Hem, Hem bevochtigend met het nat van hun tranen. (Vedabase)

  

Tekst 4-6

Zoals was voorgescreven begaf hij zich naar de oudere gopa's waarna hij werd verwelkomd door de jongere. Daarna benaderde hij de koeherders die Hij, naar gelang ieders leeftijd, vriendschaps- en familierelatie, tegemoet trad met glimlachen en het beetgrijpen van hun handen. Na Hem een comfortabele zitplaats te hebben geboden zodat Hij wat kon uitrusten en dergelijke, verzamelden zij, die alles in dienst hadden gesteld van de lotusogige Krishna, zich rondom Hem en stelden ze, met stemmen verstikt van de liefde, vragen met betrekking tot het welzijn van hun dierbaren:

Toen zich naar de koeherders begevend en met glimlachen hun handen beetgrijpend, een comfortabele zitplaats krijgend en zo meer, stelden zij, die al hun goede geluk hadden geofferd aan de lotus-ogige Krishna en zich van alle kanten hadden verzameld, met Hem op Z'n gemak met stemmen verstikt van de liefde vragen met betrekking tot het welzijn van hun dierbaren: (Vedabase)

 

Tekst 7

'O Balarāma gaat het goed met al onze verwanten? O Rāma, herinneren Je vrouwen en kinderen, zich ons allemaal nog?

'O Balarāma gaat het onze verwanten allemaal goed? Herinneren zich al de Jouwen, vrouwen en kinderen tezaam, ons nog o Rāma? (Vedabase)

 

Tekst 8

Gelukkig werd die zondaar van een Kamsa ter dood gebracht en werden onze verwanten bevrijd. Goddank vonden zij beschutting in een fort [Dvārakā] en slaagden ze erin onze vijanden te doden en te verslaan!

Tot ons grote geluk werd de zondige Kamsa ter dood gebracht en werden onze verwanten bevrijd; goddank werden onze vijanden gedood en overwonnen en vonden zij beschutting in een fort [Dvārakā]!' (Vedabase)

 

Tekst 9

Vereerd om Balarāma in hun midden te zien vroegen de gopī's met een glimlach: 'Geniet Krishna, de lieveling van de dames in de stad, een gelukkig leven?

Zeer vereerd Rāma in hun midden te zien vroegen de gopī's met een glimlach: 'Geniet Krishna, de lieveling van de dames in de stad, een gelukkig leven? (Vedabase)

    

Tekst 10

Denkt Hij nog wel aan Zijn mensen, zijn [pleeg-]vader en Zijn moeder; zal Hij er ooit nog eens toe komen in eigen persoon Zijn moeder weer te zien en herinnert Hij met Zijn machtige armen Zich onze onwankelbare dienst nog?

Denkt Hij nog wel aan Zijn mensen, zijn [pleeg-] Vader en Zijn Moeder; zal Hij er ooit nog eens toe komen in eigen persoon Zijn moeder weer te zien en herinnert Hij met Zijn machtige armen Zich onze standvastige dienst nog? (Vedabase)

 

Tekst 11-12

Terwille van Hem hebben wij o Heer, ons onthecht van degenen waar men zich maar moeilijk van los kan maken: onze moeders, vaders, echtgenoten, kinderen en zusters o afstammeling van Das'ārha. Toen Hij ons opeens afwees en vertrok, brak Hij met de vriendschap, maar welke vrouw Zou Hem nu niet op Zijn woord geloven [dat hij terug zou keren]?

Terwille van Hem hebben we, o Heer, onze mensen die zo moeilijk op te geven zijn in de steek gelaten; onze moeders, vaders, echtgenoten, kinderen en zusters, o afstammeling van Das'ārha. Ons opeens afwijzend, ons verlatend, wij hier, brak Hij met de vriendschap; welke vrouw zou geen geloof hechten er dan nu mee aangesproken? (Vedabase)

  

Tekst 13

Hoe kunnen die schrandere dames uit de stad, die afgaan op Zijn welbespraaktheid, fraaie glimlachen en de lust die Hij bij ze opwekt, nu vertrouwen op de woorden van Hem die zo ondankbaar Zijn hart makkelijk elders heeft en het contact afbreekt? 

Hoe inderdaad zouden die slimme stadsvrouwen acht kunnen slaan op de woorden van Hem zo onstandvastig van hart met Zijn verbreken; zij worden in werkelijkheid, met Zijn prachtige spreken en mooie glimlachen, tot leven gewekt door de lust aangespoord. (Vedabase)

 

Tekst 14

Maar waarom zouden we nog langer over Hem uitweiden o gopī's? Laten we het alsjeblieft over wat anders hebben. Als Hij Zijn tijd zonder ons doorbrengt, laten wij dan hetzelfde doen [en proberen het zonder Zijn aanwezigheid te redden. Zie ook 10.47: 47].'

Wat nut het ons Hem ter sprake te brengen o gopī's, laten we het alsjeblieft over wat anders hebben; als Hij Zijn tijd zonder ons doorbrengt, laten wij dan het zelfde doen [zie ook 10.47: 47].' (Vedabase)

 

Tekst 15

Aldus samen sprekend herinnerden de vrouwen zich S'auri's lachen, gesprekken, aantrekkelijke blikken, manier van lopen en liefdevolle omhelzing en moesten ze huilen.

Zich aldus onderhoudend over de goedlachsheid, de gesprekken en de aantrekkelijke blikken en zich de manier van lopen en liefdevolle omhelzing van S'āuri herinnerend, moesten de vrouwen huilen. (Vedabase)

  

Tekst 16

Sankarshana, de Opperheer, die bedreven was in verschillende manieren van steunverlenen, troostte hen met Krishna's vertrouwelijke boodschappen die hen in hun harten raakten.

Sankarshana, de Opperheer, als een expert in de verschillende wijzen van steun verlenen, troostte hen met Krishna's vertrouwelijke boodschappen die hen in hun harten raakten. (Vedabase)

    

Tekst 17

Balarāma verbleef daar gedurende de twee maanden Madhu en Mādhava [de eerste twee na de lente-equinox] en bracht ook 's nachts de gopī's in [amoureuze] verrukking [zie ook 10.15: 8].

Rāma verbleef daar toen voor de duur van de twee maanden Madhu en Mādhava [de eerste twee na de lente-equinox], en inderdaad ook tijdens de nacht de gopī's [amoureuze] verrukking verschaffend [zie ook 10.15: 8]. (Vedabase)

 

Tekst 18

In een stukje bos nabij de Yamunā [bekend als S'rīrāma-ghaththa] waar de wind de geur van ['s nachts bloeiende] kumuda-lotussen, meevoerde en de volle maan de plek baadde in haar licht, genoot Hij ervan bediend te worden in het gezelschap van de vele vrouwen.

In een stukje bos nabij de Yamunā [bekend als S'rīrāma-ghaththa] met in de wind de geur van ['s nachts bloeiende] kumuda lotussen, genoot Hij, badend in het licht van de volle maan, er van door de vele vrouwen bediend te worden. (Vedabase)

 

Tekst 19

Uit de holte van een boom vloeide de goddelijke [bedwelmende drank] Vārunī die door Varuna werd gebracht en die met zijn aroma het gehele bos zelfs nog meer deed geuren.

Door Varuna gebracht vloeide uit de holte van een boom de goddelijke [bedwelmende drank] Vārunī die met zijn aroma het gehele bos zelfs nog meer deed geuren. (Vedabase)

  

Tekst 20

Balarāma, die de geur opsnoof van die honingstroom meegevoerd door de wind, ging eropaf en dronk ervan samen met de vrouwen.

Balarāma, die de geur opsnoof van die honingstroom meegevoerd door de wind, ging er op af en dronk ervan samen met de vrouwen. (Vedabase)

 

Tekst 21

En terwijl de zangers van de hemel Zijn heerlijkheid bezongen, genoot Hij, die er in de kring van jonge vrouwen nog mooier uitzag, van de jonge vrouwen als was Hij Indra's olifantenstier met een kudde wijfjes.

Pauken weerklonken in de hemel, de Gandharva's lieten vol vreugde bloemen neerregenen en de wijzen prezen Rāma in Zijn heldendaden. (Vedabase)

  

Tekst 22

 Pauken weerklonken in de hemel, de Gandharva's lieten vol vreugde bloemen neerregenen en de wijzen prezen Balarāma voor Zijn heldendaden.

En terwijl de zangers van de hemel de heerlijkheid bezongen genoot Hij, nog mooier in de kring van jonge vrouwen, als was Hij Indra's olifantenstier met een kudde wijfjes. (Vedabase)

 

Tekst 23

Terwijl Zijn avonturen werden bezongen door de vrouwen zwierf Halāyudha [Balarāma als 'gewapend met de ploeg'] beschonken, met ogen zwaar van de bedwelming, door het bos.

Met Zijn avonturen bezongen door de vrouwen zwierf Halāyudha [Balarāma als 'gewapend met de ploeg'] onder invloed rond door het bos met Zijn ogen zwaar van de bedwelming. (Vedabase)

 

Tekst 24-25

Met bloemen, met een enkele oorhanger, zot van het genoegen, met Zijn Vaijayantī bloemenslinger om en met Zijn lachende, lotusgelijke gezicht overdekt door zweetdruppeltjes als waren het sneeuwvlokken, riep Hij om de Yamunā met het voornemen in het water te spelen, maar toen de rivier Zijn dronken woorden daarop negeerde, werd zij door Hem kwaad omdat ze niet kwam met de punt van Zijn ploeg erbij gesleept:

Met bloemen, met een oorhanger, zot van het genoegen, met Zijn Vaijayantī bloemenslinger om en met Zijn lachende, lotusgelijke gezicht overdekt door zweetdruppeltjes als waren het sneeuwvlokken, riep Hij om de Yamunā met het voornemen in het water te spelen, maar toen de rivier zijn dronken woorden daarmee negeerde, werd zij door Hem met de punt van Zijn ploeg kwaad dat ze niet kwam erbij gesleept: (Vedabase)

  

 Tekst 26

'Door mij opgeroepen kom je niet o zondige. Omdat je buiten Mij om je beweegt naar eigen goeddunken, zal ik je hier brengen met de punt van Mijn ploeg verdeeld in honderden stroompjes!'

'Jij zondige, je komt niet, terwijl je door Mij bent geroepen, en omdat je naar je zin bewegend Me niet gerespecteerd hebt, zal Ik je in honderdvoud opbrengen met de punt van Mijn ploeg!' (Vedabase)

 

Tekst 27

De [godin van de] Yamunā aldus berispt, viel Hem bevreesd ten voeten o Koning en sprak bevend de volgende woorden tot de nazaat van Yadu [*]:

Yamunā aldus berispt, bevreesd Hem ten voeten gevallen, o Koning, sprak trillend voor het Yadu-kind de woorden [*]: (Vedabase)

  

Tekst 28

'Rāma, Balarāma, o machtig gearmde, wat weet ik nu van Uw macht o Meester van het Universum die met een enkel deelaspect van  U [dat van S'esha] de aarde draagt?

'Rāma, Rāma, o machtig gearmde, ik ben er niet mee bekend waar U toe in staat bent. U door wiens enkele deelaspect [van S'esha] de aarde wordt hooggehouden, o Meester van het Universum. (Vedabase)

 

 Tekst 29

AlstUblieft o Allerhoogste Heer, laat me gaan, ik geef me aan u over. Ik was me niet bewust van Uw status o  Allerhoogste Persoonlijkheid, o Ziel van het Universum die zorgt voor de toegewijden!'

AlstUblieft, o Allerhoogste Heer, laat mij die zich heeft overgegeven gaan, ik had geen weet van de status van [U als de] Allerhoogste Persoonlijkheid, o Ziel van het Universum zo vol van mededogen voor Uw toegewijden!'. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Balarāma, de Allerhoogste Heer, schonk op die smeekbede van de Yamunā haar toen de vrijheid en ging met de vrouwen het water in, als was hij de koning der olifanten met zijn wijfjes.

Er toe verzocht gaf Balarāma, de Allerhoogste Heer, de Yamunā de vrijheid en dompelde Zich toen met de vrouwen onder in het water als was hij de olifantenkoning met zijn dames. (Vedabase)

 

Tekst 31

Na Zich naar hartelust te hebben uitgeleefd kwam Hij uit het water en bood Kānti ['de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmī] Hem een blauw stel kleren aan, hoogst kostbare sieraden en een prachtige halsketting.

Zich naar hartelust uitgeleefd hebbend en uit het water gekomen bood Kānti ['de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmī] een blauw stel kleren aan, hoogst kostbare sierraden en een verrukkelijke halsketting. (Vedabase)

 

Tekst 32

Hij hulde Zich in de blauwe kledingstukken en deed de gouden halsketting om. Schitterend uitgedost en ingesmeerd, zag Hij er zo magnifiek uit als de olifant van de grote heer Indra.

Zich aankledend met de blauwe kledingstukken en de gouden halsketting omdoend kwam Hij, uitnemend opgesierd en ingesmeerd, zo magnifiek voor de dag als de olifant van de grote heer Indra. (Vedabase)

 

Tekst 33

O Koning, tot op de dag van vandaag worden de stromen van de Yamunā, zoals ze werden getrokken door de onbegrensd machtige Balarāma, beschouwd als een bewijs van Zijn kunnen.

Tot op vandaag worden, o Koning, de stromen van de Yamunā getrokken door Balarāma zo onbegrensd in Zijn vermogen, gezien als bewijs van Zijn kunnen. (Vedabase)

 

Tekst 34

En zo genoot Balarāma, met Zijn geest in de ban van de charme en liefde van de vrouwen van de koeherdersgemeenschap, van Zijn nachten in Vraja als betrof het één enkele nacht.'

Aldus voltrokken voor Rāma, in Zijn geest bekoord door de uitgelezen vrouwenschaar van de koeiengemeenschap, al de nachten die Hij in Vraja genoot, zich als betrof het één enkele nacht. (Vedabase)

 

* De paramparā geeft als commentaar: 'Volgens S'rīla Jīva Gosvāmī, is de godin die verscheen voor Heer Balarāma een expansie van S'rīmatī Kālindī, een van Heer Krishna's koninginnen in Dvārakā. S'rīla Jīva Gosvāmī noemt haar een 'schaduw' van Kālindī, en S'rīla Vis'vanātha Cakravartī bevestigt dat ze een expansie is van Kālindī, niet Kālindī zelf. S'rīla Jīva Gosvāmī levert ook bewijs met de S'rī Hari-vams'a uitspraak - pratyuvācārnava-vadhūm - dat de Godin van de Yamunā de echtgenote van de oceaan is. De Hari-vams'a refereert derhalve ook wel aan haar als Sāgarānganā.'

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
De eerste afbeelding toont Balarāma zich vermakend met de gopīs. Bron onbekend.
De tweede afbeelding is getiteld:
Balarama Diverting the course of the Yamuna River with his plough. ca. 1760-1765.
Opaque watercolor and gold on paper. Source: Brooklyn Museum.

Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties