regelbalk


 

 

Canto 10

Boro Kripa

 

 

Hoofdstuk 69: Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

(1-6) S'rî S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10.59] en dat Hij alleen was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens zien met eigen ogen [en dacht hij]: 'Hoe wonderlijk is het dat Hij met één enkel lichaam met zovelen getrouwd is en dan tegelijkertijd in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen is met de vrouwen.' Er benieuwd naar kwam de wijze der goden aldus naar Dvârakâ, de plaats bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers waar men de geluiden van de zwanen en kraanvogels hoorde. Er waren, versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, negenhonderdduizend paleiselijke woningen die weelderig waren ingericht met goud en juwelen. Ze waren netjes planmatig gebouwd met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen. Met ontmoetingsplaatsen en bekoorlijke tempels voor de goden, waren haar paden en hoven, winkelstraten en veranda's, allen besprenkeld met water terwijl de zon werd tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden. (7-8) In de stad was er een luxueuze wijk die het brandpunt van de aandacht vormde voor de verschillende autoriteiten. Aldaar had Tvashthâ [de architect Vis'vakarmâ] voor de Heer [die daar woonde] ten volle zijn talenten tentoongespreid door de zestienduizend woningen van S'auri's echtgenotes zo mooi mogelijk te maken. Nârada ging een van de grote paleizen binnen. (9-12) Het gebouw steunde op zuilen van koraal die zeer fraai waren ingelegd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente]. De muren waren bedekt met saffieren en de vloeren glansden overal. Het was opgetrokken met baldakijnen die door Tvashthâ waren gebouwd met parels die neerhingen van de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor die versierd waren met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede, geornamenteerde dienstmaagden met hangers om hun nekken en goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de dakranden met reliëf, mijn beste, dansten de pauwen die luidkeels schreeuwden vanwege de wolken van aguru-rook die ze zagen die opkringelde uit het lattenwerk van de ramen. (13) Daarbinnen zag de wijze man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat. Zij op haar beurt had op ieder moment de beschikking over een duizendtal dienstmeisjes die qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en keuze van kleding aan haar gelijk waren. (14) De Allerhoogste Heer, de allerbeste onder hen die het dharma ten dienst staan, stond zo gauw Hij hem zag meteen op van S'rî haar bank en liet hem toen, met een buiging en met samengebrachte handpalmen, plaatsnemen op Zijn eigen zitplaats. (15) Ondanks dat Hij de Allerhoogste goeroe van het levende wezen is, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd; [het water waarmee] Hij als de meester aller heiligen met recht de naam draagt van 'de Begunstiger der Brahmanen' [Brâhmanya deva] omdat men het aan het heiligdom van Zijn voeten te danken heeft dat men een algehele zuivering vindt [zie ook de verhalen over de Ganges 5.17 & 9.9]. (16) Na zoals in de geschriften voorgeschreven van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi ging de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden die zo zoet waren als nectar en vroeg: 'O Meester, wat mogen We betekenen voor de Fortuinlijke?'

(17) S'rî Nârada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U vriendschap toont voor de mensen, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*]. (18) Na het gezien hebben van Uw voetenpaar, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop Heer Brahmâ en de andere goden met hun onpeilbare intelligentie mediteren in het hart en die voor hen die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

(19) Vervolgens ging Nârada, mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yogamâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen. (20-22) Er daar, voorwaar, zag hij Hem eveneens, met Uddhava een potje aan het dobbelen, van aanbidding zijnde met bovenzinnelijke toewijding en opstaand met de bedoeling hem te doen plaatsnemen enzovoorts, hem vragend, alsof Hij er geen weet van had, 'Wanneer is Uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen diegenen [de huishouders] die niet zo compleet zijn, zoals Wij, doen wat behoort te worden gedaan voor hen [de sannyâsî's] die compleet zijn? Hoe dan ook, alstublieft zeg Ons, o brahmaan, hoe in deze geboorte succesvol te zijn', maar Nârada, verbluft, stond op en ging zonder iets te zeggen naar een ander paleis. (23) En daar zag hij Govinda die Zijn kleine kindjes knuffelde. Toen, in een ander huis, zag hij Hem Zich voorbereidend op een bad. (24) Hier zag hij Hem offers brengen en daar zag hij Hem van aanbidding voor de vijf offervuren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen; dan weer voedde Hij de tweemaal geborenen en ergens anders at Hij van wat er over was van de offers. (25) Ergens van zonsondergang-aanbidding zijnd reciteerde Hij, Zijn spraak beheersend, de mantra [zie Gâyatrî en japa] en elders bewoog Hij zich rond met Zijn zwaard en schild in de oefengangen. (26) Hier weer bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar weer lag Hij op Zijn sofa bezongen door barden. (27) Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen. (28) Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan de tweemaal geborenen en weer elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de Purâna's] en historische epossen [de Itihâsa's]. (29) Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [kâma] fysieke lusten [ter regulatie, zie ook de purushârtha's]. (30) Op een plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen van aanbidding zijnd met dingen die ze op prijs stelden. (31) Plannen makend voor oorlog met bepaalde lieden hier en elders vrede sluitend, waren Kes'ava samen met Râma ergens anders het welzijn der vromen aan het behartigen. (32) [Hij zag Hem] groots opgezette huwelijken regelen van dochters en zoons op het juiste tijdstip overeenkomstig de vidhi met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten. (33) [Hij zag hoe] met de mensen vol verwondering over het grote ceremonieel dat erbij hoorde de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en weer terug werden gebracht. (34) Met uitvoerige offeranden in aanbidding van al de goden druk in de weer hier, was Hij daar overeenkomstig het dharma in publieke dienst voorzieningen aan het treffen als putten, parken en kloosters en dergelijke. (35) Voor een jachtpartij beklom Hij op deze plaats een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij op een andere plaats, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde die bestemd waren voor de offers [zie **]. (36) Ergens anders bewoog de Yogameester Zich in vermomming rond in de woningen van Zijn ministers, omdat Hij er achter wilde komen wat ieders mentaliteit was. (37) Daarop zei Nârada tot Hrishîkes'a, zijn lachen bedwingend over wat zich zo allemaal had ontvouwd van Zijn yogamâyâ van het aannemen van de menselijke rol: (38) 'Naar wat we zagen gebeuren met de dienst aan Uw voeten hebben we [nu] weet van Uw mystieke vermogens, vermogens die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn, o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel. (39) Sta het me toe U in nederigheid te volgen, o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen die doordrongen zijn van Uw faam en luidkeels Uw tijdverdrijf bezingen dat al de werelden zuivert.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben er de spreker van, Ik ben er de uitvoerder van en Ik ben degene die de sancties stelt terwijl Ik het de wereld bijbreng; weest niet verstoord als je in deze geest verkeert, o zoon.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus zag hij [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één gedaante in al de woningen waar Hij de zuiverende spirituele plichten in de praktijk bracht die er voor de huishouders zijn. (42) Na getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde kunnen in de uitgebreide, meervoudige manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vol van verwondering verbaasd te kijken. (43) Met de artha, de kâma en het dharma [van het huishoudelijk bestaan, zie ook 7.14] aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig eer aangedaan, ging hij waarlijk verheugd heen met Hem steeds in gedachten. (44) Met het aldus volgen van het pad der menselijke wezens genoot Nârâyana, die voor ieders welzijn Zijn vermogens tentoongespreid had, mijn beste, in Zijn voldoening over de verlegen toegenegen blikken en het lachen van zestienduizend van de fijnste gemalinnen. (45) Wie dan ook, mijn beste, die ook maar zingt, luistert of waardering opbrengt [leest over] de zinnelijke activiteiten die, onnavolgbaar in deze wereld, aan de dag worden gelegd door Hem die de oorzaak is van de voleinding, de opwekking en de voortgaande zaak van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer, hetgeen waarlijk het pad der bevrijding is.'

 

 

next                     

 
 

 

Tweede editie, geladen 8 november 2008

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Nârada Muni Visits Lord Krishna's Palaces in Dvârakâ

 

Tekst 1-6

S'rî S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10.59] en dat Hij alleen was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens zien met eigen ogen [en dacht hij]: 'Hoe wonderlijk is het dat Hij met één enkel lichaam met zovelen getrouwd is en dan tegelijkertijd in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen is met de vrouwen.' Er benieuwd naar kwam de wijze der goden aldus naar Dvârakâ, de plaats bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers waar men de geluiden van de zwanen en kraanvogels hoorde. Er waren, versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, negenhonderdduizend paleiselijke woningen die weelderig waren ingericht met goud en juwelen. Ze waren netjes planmatig gebouwd met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen. Met ontmoetingsplaatsen en bekoorlijke tempels voor de goden, waren haar paden en hoven, winkelstraten en veranda's, allen besprenkeld met water terwijl de zon werd tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden.

S'ukadeva Gosvâmî said: Hearing that Lord Krishna had killed Narakâsura and had alone married many brides, Nârada Muni desired to see the Lord in this situation. He thought, "It is quite amazing that in a single body Lord Krishna simultaneously married sixteen thousand women, each in a separate palace." Thus the sage of the demigods eagerly went to Dvârakâ.

The city was filled with the sounds of birds and bees flying about the parks and pleasure gardens, while its lakes, crowded with blooming indîvara, ambhoja, kahlâra, kumuda and utpala lotuses, resounded with the calls of swans and cranes. Dvârakâ boasted nine hundred thousand royal palaces, all constructed with crystal and silver and splendorously decorated with huge emeralds. Inside these palaces, the furnishings were bedecked with gold and jewels. Traffic moved along a well laid-out system of boulevards, roads, intersections and marketplaces, and many assembly houses and temples of demigods graced the charming city. The roads, courtyards, commercial streets and residential patios were all sprinkled with water and shaded from the sun's heat by banners waving from flagpoles. (Vedabase)

   

Tekst 7-8

In de stad was er een luxueuze wijk die het brandpunt van de aandacht vormde voor de verschillende autoriteiten. Aldaar had Tvashthâ [de architect Vis'vakarmâ] voor de Heer [die daar woonde] ten volle zijn talenten tentoongespreid door de zestienduizend woningen van S'auri's echtgenotes zo mooi mogelijk te maken. Nârada ging een van de grote paleizen binnen.

In the city of Dvârakâ was a beautiful private quarter worshiped by the planetary rulers. This district, where the demigod Vis'vakarmâ had shown all his divine skill, was the residential area of Lord Hari, and thus it was gorgeously decorated by the sixteen thousand palaces of Lord Krishna's queens. Nârada Muni entered one of these immense palaces. (Vedabase)

     

Tekst 9-12

Het gebouw steunde op zuilen van koraal die zeer fraai waren ingelegd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente]. De muren waren bedekt met saffieren en de vloeren glansden overal. Het was opgetrokken met baldakijnen die door Tvashthâ waren gebouwd met parels die neerhingen van de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor die versierd waren met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede, geornamenteerde dienstmaagden met hangers om hun nekken en goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de dakranden met reliëf, mijn beste, dansten de pauwen die luidkeels schreeuwden vanwege de wolken van aguru-rook die ze zagen die opkringelde uit het lattenwerk van de ramen.

Supporting the palace were coral pillars decoratively inlaid with vaidûrya gems. Sapphires bedecked the walls, and the floors glowed with perpetual brilliance. In that palace Tvashthâ had arranged canopies with hanging strands of pearls; there were also seats and beds fashioned of ivory and precious jewels. In attendance were many well-dressed maidservants bearing lockets on their necks, and also armor-clad guards with turbans, fine uniforms and jeweled earrings. The glow of numerous jewel-studded lamps dispelled all darkness in the palace. My dear King, on the ornate ridges of the roof danced loudly crying peacocks, who saw the fragrant aguru incense escaping through the holes of the latticed windows and mistook it for a cloud. (Vedabase)

   

Tekst 13

Daarbinnen zag de wijze man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat. Zij op haar beurt had op ieder moment de beschikking over een duizendtal dienstmeisjes die qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en keuze van kleding aan haar gelijk waren.

In that palace the learned brâhmana saw the Lord of the Sâtvatas, S'rî Krishna, together with His wife, who fanned Him with a gold-handled yak-tail fan. She personally served Him in this way, even though she was constantly attended by a thousand maidservants equal to her in personal character, beauty, youth and fine dress. (Vedabase)

  

Tekst 14

De Allerhoogste Heer, de allerbeste onder hen die het dharma ten dienst staan, stond zo gauw Hij hem zag meteen op van S'rî haar bank en liet hem toen, met een buiging en met samengebrachte handpalmen, plaatsnemen op Zijn eigen zitplaats.

The Supreme Lord is the greatest upholder of religious principles. Thus when He noticed Nârada, He rose at once from Goddess S'rî's bed, bowed His crowned head at Nârada's feet and, joining His palms, had the sage sit in His own seat. (Vedabase)

 

Tekst 15

Ondanks dat Hij de Allerhoogste goeroe van het levende wezen is, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd; [het water waarmee] Hij als de meester aller heiligen met recht de naam draagt van 'de Begunstiger der Brahmanen' [Brâhmanya deva] omdat men het aan het heiligdom van Zijn voeten te danken heeft dat men een algehele zuivering vindt [zie ook de verhalen over de Ganges 5.17 & 9.9].

The Lord bathed Nârada's feet and then put the water on His own head. Although Lord Krishna is the supreme spiritual authority of the universe and the master of His devotees, it was proper for Him to behave in this way, for His name is Brahmanya-deva, "the Lord who favors the brâhmanas." Thus S'rî Krishna honored the sage Nârada by bathing his feet, even though the water that bathes the Lord's own feet becomes the Ganges, the ultimate holy shrine. (Vedabase)

    

Tekst 16

Na zoals in de geschriften voorgeschreven van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi ging de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden die zo zoet waren als nectar en vroeg: 'O Meester, wat mogen We betekenen voor de Fortuinlijke?'

After fully worshiping the great sage of the demigods according to Vedic injunctions, Lord Krishna, who is Himself the original sage - Nârâyana, the friend of Nara - conversed with Nârada, and the Lord's measured speech was as sweet as nectar. Finally the Lord asked Nârada, "What may We do for you, Our lord and master?" (Vedabase)

 

Tekst 17

S'rî Nârada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U vriendschap toont voor de mensen, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*].

S'rî Nârada said: O almighty Lord, it is no surprise that You, the ruler of all worlds, show friendship for all people and yet subdue the envious. As we well know, You descend by Your sweet will in order to bestow the highest good on this universe by maintaining and protecting it. Thus Your glories are widely sung. (Vedabase)

 

Tekst 18

Na het gezien hebben van Uw voetenpaar, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop Heer Brahmâ en de andere goden met hun onpeilbare intelligentie mediteren in het hart en die voor hen die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

Now I have seen Your feet, which grant liberation to Your devotees, which even Lord Brahmâ and other great personalities of unfathomable intelligence can only meditate upon within their hearts, and which those who have fallen into the well of material existence resort to for deliverance. Please favor me so that I may constantly think of You as I travel about. Please grant Me the power to remember You. (Vedabase)

  

Tekst 19

Vervolgens ging Nârada, mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yogamâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen.

Nârada then entered the palace of another of Lord Krishna's wives, my dear King. He was eager to witness the spiritual potency possessed by the master of all masters of mystic power. (Vedabase)

 

Tekst 20-22

Er daar, voorwaar, zag hij Hem eveneens, met Uddhava een potje aan het dobbelen, van aanbidding zijnde met bovenzinnelijke toewijding en opstaand met de bedoeling hem te doen plaatsnemen enzovoorts, hem vragend, alsof Hij er geen weet van had, 'Wanneer is Uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen diegenen [de huishouders] die niet zo compleet zijn, zoals Wij, doen wat behoort te worden gedaan voor hen [de sannyâsî's] die compleet zijn? Hoe dan ook, alstublieft zeg Ons, o brahmaan, hoe in deze geboorte succesvol te zijn', maar Nârada, verbluft, stond op en ging zonder iets te zeggen naar een ander paleis.

There he saw the Lord playing at dice with His beloved consort and His friend Uddhava. Lord Krishna worshiped Nârada by standing up, offering him a seat, and so on, and then, as if He did not know, asked him, "When did you arrive? What can needy persons like Us do for those who are full in themselves? In any case, My dear brâhmana, please make My life auspicious." Thus addressed, Nârada was astonished. He simply stood up silently and went to another palace. (Vedabase)

 

Tekst 23

En daar zag hij Govinda die Zijn kleine kindjes knuffelde. Toen, in een ander huis, zag hij Hem Zich voorbereidend op een bad.

This time Nâradajî saw that Lord Krishna was engaged as an affectionate father petting His small children. From there he entered another palace and saw Lord Krishna preparing to lake His bath. (Vedabase)

  

 Tekst 24

Hier zag hij Hem offers brengen en daar zag hij Hem van aanbidding voor de vijf offervuren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen; dan weer voedde Hij de tweemaal geborenen en ergens anders at Hij van wat er over was van de offers.

In one place the Lord was offering oblations into the sacrificial fires; in another, worshiping through the five mahâ-yajñas; in another, feeding brâhmanas; and in yet another, eating the remnants of food left by brâhmanas. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Ergens van zonsondergang-aanbidding zijnd reciteerde Hij, Zijn spraak beheersend, de mantra [zie Gâyatrî en japa] en elders bewoog Hij zich rond met Zijn zwaard en schild in de oefengangen.

Somewhere Lord Krishna was observing the rituals for worship at sunset by refraining from speech and quietly chanting the Gâyatrî mantra, and elsewhere He was moving about with sword and shield in the areas set aside for sword practice. (Vedabase)

   

Tekst 26

Hier weer bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar weer lag Hij op Zijn sofa bezongen door barden.

In one place Lord Gadâgraja was riding on horses, elephants and chariots, and in another place He was resting on His bed while bards recited His glories. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen.

Somewhere He was consulting with royal ministers like Uddhava, and somewhere else He was enjoying in the water, surrounded by many society girls and other young women. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan de tweemaal geborenen en weer elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de Purâna's] en historische epossen [de Itihâsa's].

Somewhere He was giving well-decorated cows to exalted brâhmanas, and elsewhere he was listening to the auspicious narration of epic histories and Purânas. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [kâma] fysieke lusten [ter regulatie, zie ook de purushârtha's].

Somewhere Lord Krishna was found enjoying the company of a particular wife by exchanging joking words with her. Somewhere else He was found engaged, along with His wife, in religious ritualistic functions. Somewhere Krishna was found engaged in matters of economic development, and somewhere else He was found enjoying family life according to the regulative principles of the s'âstras. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Op een plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen van aanbidding zijnd met dingen die ze op prijs stelden.

Somewhere He was sitting alone, meditating on the Supreme Personality of Godhead, who is transcendental to material nature, and somewhere He was rendering menial service to His elders, offering them desirable things and reverential worship. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Plannen makend voor oorlog met bepaalde lieden hier en elders vrede sluitend, waren Kes'ava samen met Râma ergens anders het welzijn der vromen aan het behartigen.

In one place He was planning battles in consultation with some of His advisers, and in another place He was making peace. Somewhere Lord Kes'ava and Lord Balarâma were together pondering the welfare of the pious. (Vedabase)

 

 Tekst 32

[Hij zag Hem] groots opgezette huwelijken regelen van dochters en zoons op het juiste tijdstip overeenkomstig de vidhi met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten.

Nârada saw Lord Krishna engaged in getting His sons and daughters married to suitable brides and bridegrooms at the appropriate time, and the marriage ceremonies were being performed with great pomp. (Vedabase)

 

Tekst 33

[Hij zag hoe] met de mensen vol verwondering over het grote ceremonieel dat erbij hoorde de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en weer terug werden gebracht.

Nârada observed how S'rî Krishna, the master of all yoga masters, arranged to send away His daughters and sons-in-law, and also to receive them home again, at the time of great holiday celebrations. All the citizens were astonished to see these celebrations. (Vedabase)

 

Tekst 34

Met uitvoerige offeranden in aanbidding van al de goden druk in de weer hier, was Hij daar overeenkomstig het dharma in publieke dienst voorzieningen aan het treffen als putten, parken en kloosters en dergelijke.

Somewhere He was worshiping all the demigods with elaborate sacrifices, and elsewhere He was fulfilling His religious obligations by doing public welfare work, such as the construction of wells, public parks and monasteries. (Vedabase)

 

Tekst 35

Voor een jachtpartij beklom Hij op deze plaats een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij op een andere plaats, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde die bestemd waren voor de offers [zie **].

In another place He was on a hunting expedition. Mounted on His Sindhî horse and accompanied by the most heroic of the Yadus, He was killing animals meant for offering in sacrifice. (Vedabase)

 

Tekst 36

Ergens anders bewoog de Yogameester Zich in vermomming rond in de woningen van Zijn ministers, omdat Hij er achter wilde komen wat ieders mentaliteit was.

Somewhere Krishna, the Lord of mystic power, was moving about in disguise among the homes of ministers and other citizens in order to understand what each of them was thinking. (Vedabase)

 

Tekst 37

Daarop zei Nârada tot Hrishîkes'a, zijn lachen bedwingend over wat zich zo allemaal had ontvouwd van Zijn yogamâyâ van het aannemen van de menselijke rol:

Having thus seen this display of the Lord's Yogamâyâ, Nârada mildly laughed and then addressed Lord Hrishîkes'a, who was adopting the behavior of a human being. (Vedabase)

 

Tekst 38

'Naar wat we zagen gebeuren met de dienst aan Uw voeten hebben we [nu] weet van Uw mystieke vermogens, vermogens die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn, o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel.

[Nârada said:] Now we understand Your mystic potencies, which are difficult to comprehend, even for great mystics, O Supreme Soul, master of all mystic power. Only by serving Your feet have I been able to perceive Your powers. (Vedabase)

 

Tekst 39

Sta het me toe U in nederigheid te volgen, o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen die doordrongen zijn van Uw faam en luidkeels Uw tijdverdrijf bezingen dat al de werelden zuivert.'

O Lord, please give me Your leave. I will wander about the worlds, which are flooded with Your fame, loudly singing about Your pastimes, which purify the universe. (Vedabase)

 

Tekst 40

De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben er de spreker van, Ik ben er de uitvoerder van en Ik ben degene die de sancties stelt terwijl Ik het de wereld bijbreng; weest niet verstoord als je in deze geest verkeert, o zoon.'

The Supreme Personality of Godhead said: O brâhmana, I am the speaker of religion, its performer and sanctioner. I observe religious principles to teach them to the world, My child, so do not be disturbed. (Vedabase)

 

Tekst 41

S'rî S'uka zei: 'Aldus zag hij [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één gedaante in al de woningen waar Hij de zuiverende spirituele plichten in de praktijk bracht die er voor de huishouders zijn.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus in every palace Nârada saw the Lord in His same personal form, executing the transcendental principles of religion that purify those engaged in household affairs. (Vedabase)

 

Tekst 42

Na getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde kunnen in de uitgebreide, meervoudige manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vol van verwondering verbaasd te kijken.

Having repeatedly seen the vast mystic display of Lord Krishna, whose power is unlimited, the sage was amazed and filled with wonder. (Vedabase)

 

Tekst 43

Met de artha, de kâma en het dharma [van het huishoudelijk bestaan, zie ook 7.14] aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig eer aangedaan, ging hij waarlijk verheugd heen met Hem steeds in gedachten.

Lord Krishna greatly honored Nârada, faithfully presenting him with gifts related to economic prosperity, sense gratification and religious duties. Thus fully satisfied, the sage departed, constantly remembering the Lord. (Vedabase)

 

Tekst 44

Met het aldus volgen van het pad der menselijke wezens genoot Nârâyana, die voor ieders welzijn Zijn vermogens tentoongespreid had, mijn beste, in Zijn voldoening over de verlegen toegenegen blikken en het lachen van zestienduizend van de fijnste gemalinnen.

In this way Lord Nârâyana imitated the ways of ordinary humans, manifesting His divine potencies for the benefit of all beings. Thus He enjoyed, dear King, in the company of His sixteen thousand exalted consorts, who served the Lord with their shy, affectionate glances and laughter. (Vedabase)

 

Tekst 45

Wie dan ook, mijn beste, die ook maar zingt, luistert of waardering opbrengt [leest over] de zinnelijke activiteiten die, onnavolgbaar in deze wereld, aan de dag worden gelegd door Hem die de oorzaak is van de voleinding, de opwekking en de voortgaande zaak van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer, hetgeen waarlijk het pad der bevrijding is.'

Lord Hari is the ultimate cause of universal creation, maintenance and destruction. My dear King, anyone who chants about, hears about or simply appreciates the extraordinary activities He performed in this world, which are impossible to imitate, will surely develop devotion for the Supreme Lord, the bestower of liberation. (Vedabase)

 

 

 * De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals aangegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî, zijn alle levende wezens in feite dienaren van de Heer. De âcârya haalt ter verduidelijking er het volgende vers uit de Padma Purâna bij aan:

a-kârenocyate vishnuh
s'rîr u-kârena kathyate
ma-kâras tu tayor dâsah
pañca-vims'ah prakîrtitah

"[In de mantra AUM] betekent de letter a Heer Vishnu, de letter u betekent de godin S'rî, en de letter m heeft betrekking op hun dienaar, die het vijfentwintigste element is." Het vijfentwintigste element is de jîva, het levende wezen. Ieder levend wezen is een dienaar van de Heer, en de Heer is de ware vriend van ieder levend wezen. Zelfs dus als de Heer afgunstigen als Jarâsandha de les leest, leidt die afstraffing tot ware vriendschap, aangezien zowel de Heer Zijn bestraffing als Zijn Zegen er zijn voor het heil van het levend wezen.'

** Hoewel deze activiteit door de vidhi-regel van dayâ verboden is voor de gewone man en de brahmanen, teneinde fundamenteel van mededogen te zijn met alle levende wezens, is het in bepaalde gevallen toegestaan in de vedische orde dieren te doden. S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: "Overeenkomstig de vedische voorschriften, is het de kshatriya's toegestaan bij bepaalde gelegenheden dieren te doden, dan wel om de vrede in de bossen te handhaven dan wel om dieren te offeren in het offervuur. Kshatriya's wordt het toegestaan de kunst van het doden te beoefenen omdat ze genadeloos vijanden moeten kunnen doden om de vrede in de samenleving te handhaven." [zie ook b.v. 4: 26, 7: 15, 10.1: 4, 10.56: 13 en 10.58: 13-16].

*** De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals gesteld in tekst 2 van dit hoofdstuk, werden al de handelingen in de vele paleizen van de Heer uitgevoerd door de Heer Zijn enkele geestelijke gedaante (ekena vapushâ), welke zich op vele plaatsen tegelijk manifesteerde. Dit visioen werd Nârada vergund vanwege zijn verlangen het te aanschouwen en de Heer Zijn verlangen het hem te tonen. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî duidt uit dat de andere ingezetenen van Dvârakâ Krishna alleen maar konden zien in dat deel van de stad waar ze zelf zaten, en niet ergens anders, zelfs al gingen ze soms naar een andere wijk voor zaken. Aldus gunde de Heer Zijn geliefde toegewijde Nârada Muni een bijzondere kijk op Zijn spel en vermaak.'

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Puskar dâsa en het tweede van Vasuda dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties