S'rî
Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze
beginselen die de bhakti voorschrijft en die worden
gerespecteerd door alle varnâs'rama
volgelingen en zelfs door hen die dat systeem niet volgen. Je
zou me dit proces moeten uitleggen waarin de mens die zijn
beroepsmatige plichten vervult met Jouw genade tot liefdevolle
toegewijde dienst kan komen.
S'rî
Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de
religieuze beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle
varnâs'rama volgelingen en zelfs de
[onwetende] tweebenige schepselen; Je zou me dit
proces moeten uitleggen van de mens die zijn beroepsmatige
plichten vervult, waarmee er, door Jou geschonken, de
liefdevolle toegewijde dienst mag zijn.
(Vedabase)
Tekst
3-4
De religieuze
beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarover
Jij, zoals gezegd [11.13],
voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de
gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen, zoals
ze vandaag de dag door Jou zijn onderwezen, nadat ze zolang
gegolden hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet langer
algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook
5.6:
10 en
11.5:
36 en
Kali-yuga].
De
religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is
en waarvan Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen,
beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van
Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag de dag na
door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te hebben, o
Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in de
menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en
kali-yuga]. (Vedabase)
Tekst
5-6
Beste Acyuta
behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer
van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van
Brahmâ alwaar Je aanwezig bent in de gedaante van een
deel van Jezelf [te weten de Veda's, zie ook
10:
87]. Als
de aarde door Jouw heerlijkheid is verlaten, o
Madhusûdana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o
Heer, zal dan spreken over de kennis die verloren
ging?
Beste
Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en
beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de
vergadering van Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de
gedaante van een deel van Jou [te weten de Veda's, zie
ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is
achtergelaten, o Madhûsudana, o Schepper, Beschermer
en Spreker, wie, o God, zal dan spreken over wat er verloren
is gegaan?
(Vedabase)
Tekst
7
Beschrijf
daarom zolang Je nog onder ons verkeert alsJeblieft voor mij o
Meester, o Kenner van Alle Dharma, wie ervoor in aanmerking
komt om de oorspronkelijke plichten, die kenmerkend zijn voor
Jouw bhakti, uit te voeren en op welke manier dat moet
geschieden.'
Daarom,
met Jou nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o
Kenner van Alle Dharma, de manier waarop en door wie de
oorspronkelijke plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti
dragen, kunnen worden uitgevoerd.'
(Vedabase)
Tekst
8
S'rî
S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, die blij was met
dat verzoek van de beste van Zijn toegewijden, sprak toen
terwille van het hoogste welzijn van alle geconditioneerde
zielen over de eeuwige plichten van het dharma.
S'rî
S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd
verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor
het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de
eeuwige plichten van het
dharma.
(Vedabase)
Tekst
9
De Allerhoogste
Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de gewone man
de oorzaak van het hoogste welbevinden. Alsjeblieft, Uddhava,
verneem van Mij over hoe ze [de plichten] worden
nageleefd door hen die respect hebben voor het
varnâs'rama-systeem.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor
de normale menselijke wezens de oorzaak van het hoogste
welbevinden; alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen
[de plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van
achting voor het varnâs'rama-systeem.
(Vedabase)
Tekst
10
In het begin
was er het tijdperk van Krita
waarin de menselijke wezens tot één klasse
behoorden die hamsa wordt genoemd. De burgers van die
tijd zijn van hun geboorte af aan goed op de hoogte van de uit
te voeren plichten - om die reden kennen de geschoolden dat
tijdperk als Krita-yuga, het tijdperk van de
plichtsbetrachting.
In
het begin was er het tijdperk van krita waarin de klasse der
menselijke wezens hamsa wordt genoemd; de burgers toen zijn
van hun geboorte af aan goed bekend met het uitvoeren van de
plichten - om die reden kennen de geschoolden het als
krita-yuga, het tijdperk van de plichtsvervulling.
(Vedabase)
Tekst
11
Om te beginnen
wordt aan de [onverdeelde] Veda uitdrukking gegeven met
de Pranava,
waarbij men Mij kent als plicht in de gedaante van de stier der
religie [zie 1.16:
18 en
1.17:
24].
Daarmee aanbidden zij die verankerd in de verzaking vrij zijn
van zonden Mij als Heer Hamsa.
Aanvankelijk
wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de pranava, met Mij
als de plicht in de gedaante van de stier der religie
[zie 1.16: 18 en 1. 17: 24], waarmee zij, die
verankerd in de verzaking bevrijd zijn van zonden, Mij, Heer
Hamsa, aanbidden. (Vedabase)
Tekst
12
Aan het begin
van Tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, ontstond vanuit de
prânâ in Mijn hart de drievoud van het
kennen [de drie Veda's Rig, Sâma en Yajur]
waarmee Ik verscheen in de drie vormen van offeren [vandaar
de naam Tretâ, zie ritvik].
Aan
het begin van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke,
verscheen van de prânâ uit Mijn hart de drievoud
van het kennen [de drie Veda's] en daaruit verscheen
Ik in drie vormen van offeren [vandaar de naam
tretâ, zie ritvik]. (Vedabase)
Tekst
13
Uit de
Oorspronkelijke Persoonlijkheid kwamen de geschoolden, de
krijgers, de kooplieden en de arbeiders voort [de
varna's]
waarvan de individuele handelingen te herkennen zijn als
[respectievelijk] die van de mond, de armen, de dijen
en de benen van de universele gedaante [vergelijk
2.1:
37].
Voortgekomen
uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de
geschoolden, de strijders, de kooplieden en de arbeiders
[de varna's] geboren en aan de hand van hun
persoonlijke activiteiten herkend als
[respectievelijk] zijnde van de mond, de armen, de
dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk
2.1: 37]. (Vedabase)
Tekst
14
De huishouders
bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in
Mijn hart, in Mijn borst houden zich degenen op die verblijven
in het woud en de wereldverzakende orde houdt zich op in Mijn
hoofd [zie âs'rama's].
De
huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire
studenten in Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die
verblijven in het woud en de wereldverzakende orde bevindt
zich in Mijn hoofd [zie
âs'rama's].
(Vedabase)
Tekst
15
Afhankelijk van
de superieure danwel inferieure positie die men overeenkomstig
zijn geboorte inneemt in Mijn lichaam ontwikkelde de hogere en
lagere menselijke aard zich van de mensen behorende tot de
verschillende maatschappelijke klassen [varna's]
en statusvormen
[âs'rama's].
De
hogere of lagere naturen van de menselijke wezens van de
varna's en âs'rama's wierpen zich op naar gelang de
superieure of inferieure positie van geboorte [in Mijn
lichaam]. (Vedabase)
Tekst
16
Gelijkmoedigheid,
zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid,
vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding voor Mij,
mededogen en waarachtigheid zijn de natuurlijke kwaliteiten van
de brahmanen [vergelijk 7.11:
21 en B.G.
18:
42].
Gelijkmoedigheid,
zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid,
vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij,
mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke
kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G.
18: 42]. (Vedabase)
Tekst
17
IJver,
lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie,
vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, aandacht
hebben voor het brahmaanse en leiderschap vormen de
eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben
[vergelijk 7.11:
22 en B.G.
18:
43].
IJver,
lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie,
vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht
zijn op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de
eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben
[vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43].
(Vedabase)
Tekst
18
Geloof in God
en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, liefde voor het
brahmaanse en altijd druk in de weer met het vergaren van geld
zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's
[vergelijk 7.11:
23 en B.G.
18:
44].
Geloof
in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van
liefde voor het brahmaanse en rusteloos aangaande het
vergaren van geld; dezen dan zijn de natuurlijke
eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en
B.G. 18: 44].
(Vedabase)
Tekst
19
Betrouwbaar te
zijn in het dienen van de brahmanen, de koeien en de
godvrezenden en volmaakt tevreden zijn met wat ermee verdiend
wordt vormen de natuurlijke kwaliteiten van de
s'ûdra's [vergelijk 7.11:
24 en B.G.
18:
44].
De
brahmanen, de koeien en de godvrezenden van dienst zijn,
betrouwbaar van aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat
werd verworven; dit dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van
de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18:
44]. (Vedabase)
Tekst
20
Onrein,
achterbaks, diefachtig, ongelovig, ruziezoekerig, wellustig,
licht ontvlambaar zijn en steeds maar smachten naar vormt de
aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de
uitgestotenen].
Onrein,
achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie,
wellustig, van woede en ook van smachten; dit vormt de aard
van hen die zich in de laagste positie bevinden [de
uitgestotenen].
(Vedabase)
Tekst
21
Het is de
plicht van alle leden van de samenleving om geweldloos,
waarheidlievend en eerlijk te zijn, vrij te zijn van lust,
woede en begeerte en het welzijn en geluk na te streven van
alle levende wezens.
Geweldloos
zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust,
woede en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle
levende wezens; dit is de plicht van alle leden van de
samenleving. (Vedabase)
Tekst
22
Als hij zoals
het hoort [middels samskâra's]
een nieuw leven begint met het zich kwijten van zijn taken
[de zonden overwint, het karma afwerpt, en daar
traditioneel aan gepaard met initiatie in de
Gâyatrî
de heilige draad ontvangt], behoort een tweemaal geborene
verblijvend in de leefgemeenschap van de goeroe, met zijn
zinnen in bedwang het voorschrift na te leven dat men de
heilige boeken moet bestuderen [zie ook B.G.
16:
24].
Zoals
het hoort [met samskâra's] een tweede geboorte
bereikend met de kwijting [der zonden, traditioneel met
initiatie in de gâyatrî de heilige draad
ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich
ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst,
zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook
B.G. 16: 24]. (Vedabase)
Tekst
23
Met een gordel,
een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een
staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een
brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar
[toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de
tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam
behoorlijk bedekken [*]
is hij [de brahmacârî], kus'a
dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de
hoogste zetel.
Met
een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige
kleding], een staf [of een ander
transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad,
een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn
opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en
met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken
[*] is hij [de brahmacârî],
kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op
de hoogste zetel. (Vedabase)
Tekst
24
Het zich baden
en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer
hanteren en het zich ontdoen van ontlasting en urine doet hij
in stilte [Vaishnava's mompelen met hun
japa].
Hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn
nagels of haar te knippen, ook niet het haar onder zijn armen
en het schaamhaar [zie ook s'ikhâ].
Het
zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het
bidsnoer doen en het zich ontdoen van ontlasting en urine,
doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun
japa]; hij behoort niet [in zijn geheel, dezer
dagen] zijn nagels of haar te knippen, met inbegrip van
het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook
s'îkhâ]. (Vedabase)
Tekst
25
Hij die van de
gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te
verspillen en, als het uit zichzelf wegvloeide, een bad te
nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî
op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah].
Hij
die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn
zaad te verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een
bad te nemen, zijn adem te beheersen en de
gâyatrî op te zeggen [zie ook
ûrdhva-retah]. (Vedabase)
Tekst
26
Gezuiverd met
het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon
[zie cakra],
de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en
de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend,
japa
te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtends en
's avonds, vergelijk: 11.14:
35].
Gezuiverd
met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de
zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de
geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort
hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee
snijvlakken van de tijd ['s ochtens en 's avonds,
vergelijk: 11.14: 35]. (Vedabase)
Tekst
27
In de leraar
van het voorbeeld [de âcârya] moet
men Mij herkennen. De âcârya moet men nooit
en te nimmer afgunstig het respect misgunnen met het idee dat
hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de
representant is van al de goden [zie ook de
vuistregel
en vergelijk b.v. 7.14:
17,
10.81:
39,
10.45:
32 en
11.15:
27].
De
leraar van het voorbeeld [de âcârya]
moet men als was hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te
nimmer afgunstig het respect worden misgund met het idee dat
hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de
representant is van al de goden [zie ook de heuristiek
en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10 81: 39 , 10.45: 32 en 11.15:
27]. (Vedabase)
Tekst
28
's Avonds en 's
morgens moet men hem het voedsel brengen dat werd ingezameld en
het overhandigen tezamen met andere artikelen. Daarbij behoort
men met ingetogenheid blij te zijn te aanvaarden wat [door
hem] wordt toegewezen.
's
Avonds en 's morgens hem het voedsel brengend dat werd
ingezameld, en dat overhandigend tezamen met andere
artikelen, behoort men in ingetogenheid er blij mee te zijn
te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen.
(Vedabase)
Tekst
29
Altijd druk met
het dienen van de âcârya behoort men
bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen
repect te tonen voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn
staan.
Altijd
druk met het dienen van de âcârya behoort men
bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen
achting te hebben voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en
zijn staan. (Vedabase)
Tekst
30
Aldus bezig
moet hij [de upakurvâna
brahmacârî],
vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er zonder te
breken met de eed [van het celibaat] mee doorgaan te
leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is
voltooid [zie ook Kumâra's].
Aldus
bezig moet hij [de upakurvâna
brahmacârî], vrij van
[ongereguleerde] zinsbevrediging, er ongebroken in
de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in
de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid
[zie ook
kumâra's].
(Vedabase)
Tekst
31
Als hij
[naishthhika,
d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de
wereld der verzen [Maharloka]
om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het
doel van de studie van het Ware Zelf zijn lichaam ten dienste
stellen van de goeroe met het in acht nemen van de grote
gelofte [zie yama].
Als
hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het
verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen
[Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute
Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het ware
zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met
achting voor de grote gelofte [zie
yama].
(Vedabase)
Tekst
32
Vedisch
verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de
geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens
aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid
[zie ook B.G. 5:
18,
siddhânta
en advaita].
Vedisch
verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de
geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens
aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid
[zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en
advaita].
(Vedabase)
Tekst
33
Met
[seksueel ontvankelijke] vrouwen - of met op seks
beluste levende wezens - blikken uitwisselen, ze aanraken, zich
ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste
waar iemand die er geen eigen huishouding op nahoudt [die
niet getrouwd is: de sannyâsî, de
vânaprashtha en de
brahmacârî] van behoort af te zien
[zie 11.14:
29 en
6.1:
56-68].
Met
[sexueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste
levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee
onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste
waar iemand die er geen huishouding op nahoudt [de
sannyâsî, de vânaprashtha en de
brahmacârî] van behoort af te zien [zie
11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (Vedabase)
Tekst
34-35
Reinheid, de
handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus
dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken,
het bidsnoer hanteren, het vermijden van dingen die men niet
aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie
en dingen waar men niet over behoort te spreken - dit alles
vormt de vrijwillige boete die met Mij, Ik die zich ophoudt in
alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden
en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke
afdelingen [alle âs'rama's] o Uddhava.
Reinheid,
de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van
religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen
bezoeken, het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die
men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor
consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken;
dit vormt de vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in
alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de
woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle
geestelijke afdelingen, o Uddhava.
(Vedabase)
Tekst
36
Een brahmaan
die zich aldus houdt aan de grote gelofte wordt helder als vuur
een onberispelijke toegewijde van Mij waarvan het karma
verbrandde door de intensiteit van de boete.
Een
brahmaan aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt
helder als vuur Mijn toegewijde, smetteloos met het karma
verbrand door de intensiteit van de boete.
(Vedabase)
Tekst
37
Na aldus naar
behoren de vedische literatuur bestudeerd te hebben behoort hij
[als brahmacârî], zich bekommerend
om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe
schadeloos te stellen, zichzelf in orde te brengen [en te
vertrekken **]
met zijn toestemming.
Aldus
naar behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend,
behoort hij [als brahmacârî], zich
bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende
paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, en zichzelf
in orde te brengen [en te vertrekken **] met de
toestemming van de goeroe. (Vedabase)
Tekst
38
Hij moet een
gezin stichten of anders leven in het woud [een kluizenaar
worden] of, behorende tot de besten der tweemaal geborenen
[de brahmanen], een [bedel-]monnik worden.
Iemand die zich niet aan Mij heeft overgegeven kan niets anders
doen dan zich systematisch van de ene geestelijke afdeling
ontwikkelen tot de volgende.
Hij
moet ofwel het gezinsleven oppakken danwel leven in het woud
[een kluizenaar worden] of, als de beste der
tweemaal geborenen, een monnik worden; niet aan Mij
overgegeven, moet men van de ene geestelijke afdeling tot de
andere âs'rama overgaan en het niet anders doen.
(Vedabase)
Tekst
39
Een gezinsleven
verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met
gelijksoortige kwaliteiten die jonger is. Met de eerste
echtgenote van eenzelfde levensroeping mag er een andere volgen
[die van een lagere klasse of kaste is].
Een
gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw
trouwen met gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met
de eerste die van dezelfde roeping is mag er een andere
volgen [van een lagere kaste].
(Vedabase)
Tekst
40
Offerplechtigheden,
vedische studie en liefdadigheid vormt de praktijk van alle
tweemaal geborenen, maar alleen de brahmanen houden zich bezig
met het aanvaarden van liefdadigheid, vedisch onderricht en het
voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk
7.11:
14].
Offerplechtigheden,
vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal
geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden
van liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en
het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11:
14]. (Vedabase)
Tekst
41
Als een
intellectueel [de brahmaan] het aanvaarden van
liefdadigheid als nadelig ziet voor zijn boetvaardigheid,
geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de
andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of,
als hij deze twee niet kan verenigen met zijn spiritualiteit,
leven van het vergaren van korenaren die werden achtergelaten
in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie
ook 6.7:
36,
7.15:
30 en B.G.
9:
22].
Als
men het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor
de tapas, de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij
leven van de andere twee [van onderricht en
offerplechtigheid] of, als hij deze twee in strijd ziet,
leven van het vergaren van korenaren achtergelaten in het
veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook
6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22].
(Vedabase)
Tekst
42
Zeker is dat
een een brahmaan een lichaam heeft om de last te dragen van
[vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld zodat hij
een onbegrensd geluk in het hiernamaals vindt en niet voor
doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende
onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en
opsluiting, zie ook 11.6:
9 en B.G.
17:
14-19].
Voorzeker
is het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van
[vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor
een onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de
doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende
onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en
opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19].
(Vedabase)
Tekst
43
Geheel tevreden
met het zich bezighouden met het vergaren van graankorrels en
het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma,
kan, zelfs thuis blijvend, degene die zijn geest op Mij
vestigde - en aldus niet zo erg gehecht is - de bevrijding
bereiken [vergelijk B.G. 3:
22 en
10.69].
Geheel
tevreden met het zich bezig houden met het vergaren van
graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht
cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, hij
die zijn geest op Mij vestigde, niet zo erg gehecht de
bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69].
(Vedabase)
Tekst
44
Zij die zowel
de geschoolden verheffen als zij die overgegeven aan Mij te
lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, net
als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle
ellende.
Zij
die de geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij
te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik,
als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle
ellende. (Vedabase)
Tekst
45
Zoals een
olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten
beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door
anderen te verlossen [zie ook 4.20:
14].
Zoals
een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten
beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door
anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14].
(Vedabase)
Tekst
46
Een menselijke
vorst geniet, met het op aarde verdrijven van alle zonden,
aldus de hemel, samen met Indra zich in een hemels voertuig
verplaatsend zo schitterend als de zon.
Aldus
geniet de menselijk heerser op die manier met Indra, met een
hemels voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde
verdrijven van alle zonden. (Vedabase)
Tekst
47
Als een
geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit
verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan
doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand
nemen [de politiek in te gaan]. In geen geval kan hij
zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan
volgen].
Als
een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die
calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman,
zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk,
het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan];
in geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen
[lager gezag gaan
volgen].(Vedabase)
Tekst
48
Een koning mag
in geval van nood zichzelf in leven houden door tewerk te gaan
als een koopman, of door te jagen of door naar voren te treden
als een man van kennis. De weg van een hond kan hij echter
nooit volgen.
(48)
Een koning mag zichzelf in leven houden door te werk te gaan
als een koopman, of noodlijdend dat doen door te jagen of in
de gedaante van een man van kennis op te treden; in geen
geval kan hij de weg van de hond
volgen.
(Vedabase)
Tekst
49
Een
vais'ya kan het werk doen van een s'ûdra en
een s'ûdra kan het werk verrichten van een
handwerksman en manden en matten vervaardigen om bevrijd te
raken uit een penibele situatie, maar als dat voorbij is moet
men niet een kostwinning beneden zijn stand willen [zie ook
7.11:
17].
Een
vais'ya mag de zaken oppakken van een s'ûdra en een
s'ûdra mag de methode van een handwerksman volgen,
manden en matten vervaardigend om bevrijd te raken uit een
penibele situatie, maar met de arbeid verricht moet men een
kostwinning beneden zijn stand niet begeren [zie ook
7.11: 17]. (Vedabase)
Tekst
50
Naar gelang
zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de
manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de
voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te
bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke
vergezeld van [de mantra's] svadhâ
['gezegend zij'] en svâhâ ['alle
heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders,
zie ook 11.5:
41].
Naar
gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te
zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de
wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de
vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel
en dergelijke met [de mantra's] svadhâ
['gezegend zij'] en svâhâ ['alle
heil', deze regel is dus van toepassing op normale
huishouders, zie ook 11.5:
41].
(Vedabase)
Tekst
51
Er met hen die
van je afhankelijk zijn niet over in verlegenheid verkerend of
men nu zijn geld verkrijgt zonder zich in te spannen of door
zich eerlijk in te spannen, behoort men van gepast respect te
zijn met behulp van vedische rituelen.
Niet
in verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men
nu van geld is verkregen zonder inspanning of van geld
verkregen door eerlijk werk te doen, behoort men zo van
gepast respect te zijn met vedische rituelen.
(Vedabase)
Tekst
52
Voor
familieleden moet men geen gehechtheid koesteren, noch moet men
zich gaan opwinden [met het idee de baas te zijn];
neen, een wijs mens behoort in te zien dat dat wat in het
verschiet ligt net zo tijdelijk is als dat wat zich heeft
afgespeeld.
Aan
de familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men
zich gaan opwinden [met de gedachte de baas te
zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat zelfs
dat wat niet geregeld is even zo tijdelijk is als dat wat is
geregeld. (Vedabase)
Tekst
53
Het gezelschap
van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het
samenzijn met reizigers; net als met een droom die zich
voordoet in de slaap zijn ze allen weer verdwenen als men van
lichaam verwisselt [zie ook 7.2:
21,
9.19:
27-28].
Het
gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is
als het samenzijn met reizigers; als een droom die zich
voordoet in de slaap zijn ze allen weer gescheiden met
iedere wisseling van lichaam [zie ook 7.2: 21, 9.19:
27-28]. (Vedabase)
Tekst
54
Daarvan
overtuigd zal een bevrijde ziel die zich niet met het lichaam
identificeert en onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast,
niet verstrikt raken in huiselijke
aangelegenheden.
Een
bevrijde ziel van die overtuiging, die, zich niet met het
lichaam identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was
hij te gast, moet zich niet verstrikken in de huiselijke
omstandigheid. (Vedabase)
Tekst
55
Als men met de
activiteiten van een gezinsleven Mij aanbidt, mag men als
toegewijde thuis blijven of het woud ingaan, of ook, als
nazaten de verantwoordelijkheid over kunnen nemen, de
wereldverzakende orde oppakken.
Mij
aanbiddend met de activiteiten van een gezinsleven mag men,
een toegewijde zijnd, aldus thuis blijven of het woud
ingaan, ofwel, in geval van verantwoordelijk nageslacht, de
wereldverzakende orde oppakken.(Vedabase)
Tekst
56
Hij die gebrand
is op vrouwen echter en wiens bewustzijn wordt verstoord door
het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in zijn
gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan
het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'.
Echter,
hij die gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt
verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en
geld, is in gebondenheid onintelligent met een miserabele
mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik
dan'.
(Vedabase)
Tekst
57
'Och mijn arme
oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen en
mijn kleine, weerloze kindjes! Hoe moeten zij nu leven als ze
ellendig het zwaar te verduren hebben als ik er niet ben?'
[zie b.v. ook 11.7:
52-57].
'Och
arme, mijn oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in
haar armen, mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij
nu ooit leven, ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder
mij?' [zie b.v. ook 11.7:
52-57].
(Vedabase)
Tekst
58
Aldus zal, met
zijn thuis als zijn vluchtplaats, het hart van zo iemand in
beslag zijn genomen en zal hij ontevreden over hen piekerend
met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis
belanden als hij sterft.'
Aldus
zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand,
met zijn hart overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met
een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden
als hij sterft.'
(Vedabase)
*
De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het
Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta,
hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent alsook verwijderd
en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit
zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen
betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren
die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de
context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken
welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien
adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met
de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20
van dit hoofdstuk en 1.17:
24],
is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen
voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die
naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in
overeenstemming is met de normale gang van zaken bij
vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijk
leraar [zie ook pp. 11.17:
23].
**
Dit proces van 'in orde brengen' wordt de
samâvartana-samskâra genoemd die de
voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na
met de goeroe te hebben geleefd.