regelbalk


 

 

Canto 11

Vibhâvarî S'esha

 

 

Hoofdstuk 21: Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het opgeven met deze manieren om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te staan voor de eindigheid van het materieel bestaan. (2) Van de standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in religieus opzicht]. (4) Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik aan de orde terwille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel. (6) Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan [zie varnâs'rama].

(7) Wat de juiste en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen. (8) Van alle plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (9) De tijd noemt men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd] ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het seizoen, het geld - de lakshmî-, de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig, willekeurig idee van de tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) Het zuivere en onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***]. (11) Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde, toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige [dan wel deugdzame] reactie. (12) Onder de invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur. (13) Men beschouwt dat als zuiverend wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp. (14) Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan overeenkomstig het zuivere, de reinheid van het [oorspronkelijke] zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het tegenovergestelde.

(16) Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat niet deugt] feitelijk door hen vervaagd [4*]. (17) Hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd. (18) Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Ervan uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd onder de mensen. (20) Door de strijd is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel overweldigd door de duisternis. (21) O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63]. (22) Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (23) De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te nemen. (24) Alleen al door hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun beminden. (25) Onderworpen [in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed. Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer zinsgenoegens [zie ook 5.5: 17]? (26) Sommige mensen, zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam]. (28) Gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de mist staren. (29-30) Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die terwille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (31) Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden, de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het realiseren van de ziel]. (32) Gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25]. (33-34) 'Als we hier op aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

(35) De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij dierbaar [de 'andere goeroes']. (36) Het bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman] dat zich manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15]. (41) Bijvoorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi,, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) Wat zij [karma-kânda] voorschrijven [dat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duiden [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden [als filosofie], de kern van deze zaak is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben het voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.

 

 

 next                      

 
 

Tweede editie, geladen 1 juli 2009

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna's Explanation of the Vedic Path

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het opgeven met deze manieren om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te staan voor de eindigheid van het materieel bestaan.

The Supreme Personality of Godhead said: Those who give up these methods for achieving Me, which consist of devotional service, analytic philosophy and regulated execution of prescribed duties, and instead, being moved by the material senses, cultivate insignificant sense gratification, certainly undergo the continual cycle of material existence. (Vedabase)

 

Tekst 2

Van de standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16].

Steadiness in one's own position is declared to be actual piety, whereas deviation from one's position is considered impiety. In this way the two are definitely ascertained. (Vedabase)

   

Tekst 3

Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in religieus opzicht].

O sinless Uddhava, in order to understand what is proper in life one must evaluate a given object within its particular category. Thus, in analyzing religious principles one must consider purity and impurity. Similarly, in one's ordinary dealings one must distinguish between good and bad, and to insure one's physical survival one must recognize that which is auspicious and inauspicious. (Vedabase)

 

Tekst 4

Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik aan de orde terwille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen.

I have revealed this way of life for those bearing the burden of mundane religious principles. (Vedabase)

 

Tekst 5

Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel.

Earth, water, fire, air and ether are the five basic elements that constitute the bodies of all conditioned souls, from Lord Brahmâ himself down to the nonmoving creatures. These elements all emanate from the one Personality of Godhead. (Vedabase)

 

Tekst 6

Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan, Uddhava [zie varnâs'rama].

My dear Uddhava, although all material bodies are composed of the same five elements and are thus equal, the Vedic literatures conceive of different names and forms in relation to such bodies so that the living entities may achieve their goal of life. (Vedabase)

 

Tekst 7

Wat de juiste en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen.

O saintly Uddhava, in order to restrict materialistic activities, I have established that which is proper and improper among all material things, including time, space and all physical objects. (Vedabase)

 

 Tekst 8

Van alle plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *].

Among places, those bereft of the spotted antelope, those devoid of devotion to the brâhmanas, those possessing spotted antelopes but bereft of respectable men, provinces like Kîkatha and places where cleanliness and purificatory rites are neglected, where meat-eaters are prominent or where the earth is barren, are all considered to be contaminated lands. (Vedabase)

 

 Tekst 9

De tijd noemt men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd] ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het seizoen, het geld - de lakshmî-, de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig, willekeurig idee van de tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **].

A specific time is considered pure when it is appropriate, either by its own nature or through achievement of suitable paraphernalia, for the performance of one's prescribed duty. That time which impedes the performance of one's duty is considered impure. (Vedabase)

 

Tekst 10

Het zuivere en onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***].

An object's purity or impurity is established by application of another object, by words, by rituals, by the effects of time or according to relative magnitude. (Vedabase)

 

Tekst 11

Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde, toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige [dan wel deugdzame] reactie.

Impure things may or may not impose sinful reactions upon a person, depending on that person's strength or weakness, intelligence, wealth, location and physical condition. (Vedabase)

 

Tekst 12

Onder de invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur.

Various objects such as grains, wooden utensils, things made of bone, thread, liquids, objects derived from fire, skins and earthy objects are all purified by time, by the wind, by fire, by earth and by water, either separately or in combination. (Vedabase)

 

 Tekst 13

Men beschouwt dat als zuiverend wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp.

A particular purifying agent is considered appropriate when its application removes the bad odor or dirty covering of some contaminated object and makes it resume its original nature. (Vedabase)

 

Tekst 14

Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan overeenkomstig het zuivere, de reinheid van het [oorspronkelijke] zelf.

The self can be cleansed by bathing, charity, austerity, age, personal strength, purificatory rituals, prescribed duties and, above all, by remembrance of Me. The brâhmana and other twice-born men should be duly purified before performing their specific activities. (Vedabase)

 

Tekst 15

De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het tegenovergestelde..

A mantra is purified when chanted with proper knowledge, and one's work is purified when offered to Me. Thus by purification of the place, time, substance, doer, mantras and work, one becomes religious, and by negligence of these six items one is considered irreligious. (Vedabase)

  

Tekst 16

Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat niet deugt] feitelijk door hen vervaagd [4*].

Sometimes piety becomes sin, and sometimes what is ordinarily sin becomes piety on the strength of Vedic injunctions. Such special rules in effect eradicate the clear distinction between piety and sin. (Vedabase)

 

Tekst 17

Hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd.

The same activities that would degrade an elevated person do not cause falldown for those who are already fallen. Indeed, one who is lying on the ground cannot possibly fall further. The material association that is dictated by one's own nature is considered a good quality. (Vedabase)

 

Tekst 18

Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt.

By refraining from a particular sinful or materialistic activity, one becomes freed from its bondage. Such renunciation is the basis of religious and auspicious life for human beings and drives away all suffering, illusion and fear. (Vedabase)

 

Tekst 19

Ervan uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd onder de mensen.

One who accepts material sense objects as desirable certainly becomes attached to them. From such attachment lust arises, and this lust creates quarrel among men. (Vedabase)

 

Tekst 20

Door de strijd is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel overweldigd door de duisternis.

From quarrel arises intolerable anger, followed by the darkness of ignorance. This ignorance quickly overtakes a man's broad intelligence. (Vedabase)

  

 Tekst 21

O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63].

O saintly Uddhava, a person bereft of real intelligence is considered to have lost everything. Deviated from the actual purpose of his life, he becomes dull, just like a dead person. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp.

Because of absorption in sense gratification, one cannot recognize himself or others. Living uselessly in ignorance like a tree, one is merely breathing just like a bellows. (Vedabase)

 

 Tekst 23

De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te nemen.

Those statements of scripture promising fruitive rewards do not prescribe the ultimate good for men hut are merely enticements for executing beneficial religious duties, like promises of candy spoken to induce a child to take beneficial medicine. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Alleen al door hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun beminden.

Simply by material birth, human beings become attached within their minds to personal sense gratification, long duration of life, sense activities, bodily strength, sexual potency and friends and family. Their minds are thus absorbed in that which defeats their actual self-interest. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Onderworpen [in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed. Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer zinsgenoegens [zie ook 5.5: 17]?

Those ignorant of their real self-interest are wandering on the path of material existence, gradually heading toward darkness. Why would the Vedas further encourage them in sense gratification if they, although foolish, submissively pay heed to Vedic injunctions? (Vedabase)

 

 Tekst 26

Sommige mensen, zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44].

Persons with perverted intelligence do not understand this actual purpose of Vedic knowledge and instead propagate as the highest Vedic truth the flowery statements of the Vedas that promise material rewards. Those in actual knowledge of the Vedas never speak in that way. (Vedabase)

 

 Tekst 27

De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam].

Those who are full of lust, avarice and greed mistake mere flowers to be the actual fruit of life. Bewildered by the glare of fire and suffocated by its smoke, they cannot recognize their own true identity. (Vedabase)

 

Tekst 28

Gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de mist staren.

My dear Uddhava, persons dedicated to sense gratification obtained through honoring the Vedic rituals cannot understand that I am situated in everyone's heart and that the entire universe is nondifferent from Me and emanates from Me. Indeed, they are just like persons whose eyes are covered by fog. (Vedabase)

 

 Tekst 29-30

Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die terwille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen.

Those who are sworn to sense gratification cannot understand the confidential conclusion of Vedic knowledge as explained by Me. Taking pleasure in violence, they cruelly slaughter innocent animals in sacrifice for their own sense gratification and thus worship demigods, forefathers and leaders among ghostly creatures. Such passion for violence, however, is never encouraged within the process of Vedic sacrifice. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden, de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het realiseren van de ziel].

Just as a foolish businessman gives up his real wealth in useless business speculation, foolish persons give up all that is actually valuable in life and instead pursue promotion to material heaven, which although pleasing to hear about is actually unreal, like a dream. Such bewildered persons imagine within their hearts that they will achieve all material blessings. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25].

Those established in material passion, goodness and ignorance worship the particular demigods and other deities, headed by Indra, who manifest the same modes of passion, goodness or ignorance. They fail, however, to properly worship Me. (Vedabase)

 

 Tekst 33-34

'Als we hier op aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

The worshipers of demigods think, 'We shall worship the demigods in this life, and by our sacrifices we shall go to heaven and enjoy there. When that enjoyment is finished we shall return to this world and take birth as great householders in aristocratic families.' Being excessively proud and greedy, such persons are bewildered by the flowery words of the Vedas. They are not attracted to topics about Me, the Supreme Lord. (Vedabase)

 

 Tekst 35

De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij dierbaar [de 'andere goeroes'].

The Vedas, divided into three divisions, ultimately reveal the living entity as pure spirit soul. The Vedic seers and mantras, however, deal in esoteric terms, and I also am pleased by such confidential descriptions. (Vedabase)

 

 Tekst 36

Het bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman] dat zich manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan.

The transcendental sound of the Vedas is very difficult to comprehend and manifests on different levels within the prâna, senses and mind. This Vedic sound is unlimited, very deep and unfathomable, just like the ocean. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15].

As the unlimited, unchanging and omnipotent Personality of Godhead dwelling within all living beings, I personally establish the Vedic sound vibration in the form of omkâra within all living entities. It is thus perceived subtly, just like a single strand of fiber on a lotus stalk. (Vedabase)

 

 Tekst 38-40

Net zoals een spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15].

Just as a spider brings forth from its heart its web and emits it through its mouth, the Supreme Personality of Godhead manifests Himself as the reverberating primeval vital air, comprising all sacred Vedic meters and full of transcendental pleasure. Thus the Lord, from the ethereal sky of His heart, creates the great and limitless Vedic sound by the agency of His mind, which conceives of variegated sounds such as the spars'as. The Vedic sound branches out in thousands of directions, adorned with the different letters expanded from the syllable om - the consonants, vowels, sibilants and semivowels. The Veda is then elaborated by many verbal varieties, expressed in different meters, each having four more syllables than the previous one. Ultimately the Lord again withdraws His manifestation of Vedic sound within Himself. (Vedabase)

 

  Tekst 41

Bijvoorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi,, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen].

The Vedic meters are Gâyatrî, Ushnik, Anusthup, Brihatî, Pankti, Tristhup, Jagatî, Aticchanda, Atyasthi, Atijagatî and Ativirâth. (Vedabase)

 

 Tekst 42

Wat zij [karma-kânda] voorschrijven [dat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duiden [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden [als filosofie], de kern van deze zaak is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41].

In the entire world no one but Me actually understands the confidential purpose of Vedic knowledge. Thus people do not know what the Vedas are actually prescribing in the ritualistic injunctions of karma-kânda, or what object is actually being indicated in the formulas of worship found in the upâsanâ-kânda, or that which is elaborately discussed through various hypotheses in the jñâna-kânda section of the Vedas. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Ik ben het voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.

I am the ritualistic sacrifice enjoined by the Vedas, and I am the worshipable Deity. It is I who am presented as various philosophical hypotheses, and it is I alone who am then refuted by philosophical analysis. The transcendental sound vibration thus establishes Me as the essential meaning of all Vedic knowledge. The Vedas, elaborately analyzing all material duality as nothing but My illusory potency, ultimately completely negate this duality and achieve their own satisfaction. (Vedabase)

 

 *: S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'

**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn.' Derhalve is de - vorm van, de soort van - tijd waarmee men de omgang met de Opperheer of de Heer Zijn zuivere toegewijde bereikt, de tijd die gunstig heet, terwijl de vorm van tijd die politiek, economisch of sociaal bepaald wordt en waarmee men die omgang verliest, een tijd is die hoogst ongelukkig wordt genoemd. Religieuze timing - overeenkomstig de zon en de maan b.v. - is sat kâla, of ware timing en juiste conditionering, terwijl menselijk bepaalde timing zoals de standaardtijd asat kâla is, ofwel een tijdconditionering inhoudt die is gebaseerd op vals gezag, een karma gemotiveerde tijd gedreven door nevenmotieven. Wetenschappelijk betreft het een biologisch conflict op het niveau van het zenuwstelsel tussen de natuurlijke prikkels van de tijd, zoals de regelmaat van het daglicht, en de culturele prikkels van de tijd die hier met lineaire en gegeneraliseerde tijdsbegrippen als de gemiddelde tijd en de zonetijd, haaks op staan. De tijdzin van de moderne mens is daardoor gestoord, hij lijdt onder de psychologische tijd, een instabiel gevoel van de tijd dat fundamenteel is voor de cultuurneurose.

***: Een voorbeeld ter illustratie bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er op een politieke manier de waarheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus Christus bijvoorbeeld, of de Mahâmantra van Heer Caitanya, naar, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, ter vergeving van de zonde van het pragmatisch afwijken van God's natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok instellen op de tijd van de natuur, op de tijd van Krishna, om in overeenstemming te verkeren met het religieuze inzicht [zie f.c.o.]. En tenslotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid afgemeten aan de relatieve maat, zoals dit vers stelt, die men met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn kan respecteren met een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden of door twee klokken die men tegelijk gebruikt: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde, karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid tewerk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in 'A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].

4*: De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties