
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Song of the Avantî Brâhmana
Tekst
1:
De
zoon van Vyâsa zei: 'Toen Hij aldus respectvol er door
Uddhava, de grootste van de toegewijden, toe was verzocht begon
de leider der Dâs'ârha's
wiens heldenmoed het zo waard is te bespreken, te praten, met
lof voor de woorden van Zijn dienaar.
S'ukadeva
Gosvâmî said - Lord Mukunda, the chief of the
Dâs'ârhas, having thus been respectfully
requested by the best of His devotees, S'rî Uddhava,
first acknowledged the fitness of his servant's statements.
Then the Lord, whose glorious exploits are most worthy of
being heard, began to reply to him.
Tekst
2
De Allerhoogste
Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen
brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang
te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden
gebezigd door een slecht
iemand.
Lord
S'rî Krishna said: O disciple of Brihaspati, there is
virtually no saintly man in this world capable of resettling
his own mind after it has been disturbed by the insulting
words of uncivilized men.
Tekst
3
Een persoon
wordt niet zo pijnlijk getroffen met pijlen die zijn hart
doorboren, als dat hij getroffen wordt door het met zich mee
moeten dragen van de pijlen van ruwe woorden van onwaarachtige
mensen.
Sharp
arrows which pierce one's chest and reach the heart do not
cause as much suffering as the arrows of harsh, insulting
words that become lodged within the heart when spoken by
uncivilized men.
Tekst
4
In dit opzicht
Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld,
alsjeblieft luister met grote aandacht als Ik je het uit de
doeken doe.
My
dear Uddhava, in this regard a most pious story is told, and
I shall now describe it to you. Please listen with careful
attention.
Tekst
5
Er werd verslag
van gedaan door een bedelmonnik die, beledigd als hij was door
slechte mensen, zijn kalmte bewarend, het herinnerde als het
gevolg van zijn daden in het verleden.
Once
a certain sannyâsî was insulted in many ways by
impious men. However, with determination he remembered that
he was suffering the fruit of his own previous karma. I will
narrate to you his story and that which he spoke.
Tekst
6
In Avantî
[in het district Malwa] leefde er eens een zekere
brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood
te verdienen met zaken doen; maar hij was een miserabel mens
vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen
[zie ook B.G. 2:
49].
In
the country of Avantî there once lived a certain
brâhmana who was very rich and gifted with all
opulences, and who was engaged in the occupation of
commerce. But he was a miserly person - lusty, greedy and
very prone to anger.
Tekst
7
Voor zijn
verwanten en gasten was hij zelfs niet in woorden van respect
met het, met zijn gebrek aan religiositeit, zich ook niet op de
juiste tijdstippen bekommeren om zijn eigen
noden.
In
his home, devoid of religiosity and lawful sense
gratification, the family members and guests were never
properly respected, even with words. He would not even allow
sufficient gratification for his own body at the suitable
times.
Tekst
8
Met hem zo
slecht van manieren ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde
familie, zijn vrouw, dochters en bedienden vijandschap jegens
de ellendeling, hem in afkeer hun genegenheid
onthoudend.
Since
he was so hardhearted and miserly, his sons, in-laws, wife,
daughters and servants began to feel inimical toward him.
Becoming disgusted, they would never treat him with
affection.
Tekst
9
Op deze manier
in het dharma en het plezier tekort schietend werden de vijf
eisers van het geofferde [pañca-bhâga],
met die obsessieve schatbewaarder die voor beide werelden
verstek liet gaan [deze en de volgende], boos op
hem.
In
this way the presiding deities of the five family sacrifices
became angry at the brâhmana, who, being niggardly,
guarded his wealth like a Yaksha, who had no good
destination either in this world or the next, and who was
totally deprived of religiosity and sense enjoyment.
Tekst
10
Door hen te
verwaarlozen putte hij zijn vrome tegoed uit, o grootmoedige,
en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had
ingespannen ging verloren.
O
magnanimous Uddhava, by his neglect of these demigods he
depleted his stock of piety and all his wealth. The
accumulation of his repeated exhaustive endeavors was
totally lost.
Tekst
11
Slechts in naam
een brahmaan zijnde werd een deel ervan weggenomen door zijn
verwanten, een deel door dieven, Uddhava, een deel door de
voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone
man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie
ook 10.49:
22].
Some
of the wealth of this so-called brâhmana was taken
away by his relatives, My dear Uddhava, some by thieves,
some by the whims of providence, some by the effects of
time, some by ordinary men and some by government
authorities.
Tekst
12
Toen hij
verstoken van religiositeit en liefde aldus zijn eigendom was
kwijt geraakt, deed zich, verwaarloosd als hij was door zijn
familie, zich een zwaar te dragen zorgelijkheid bij hem
voor.
Finally,
when his property was completely lost, he who never engaged
in religiosity or sense enjoyment became ignored by his
family members. Thus he began to feel unbearable
anxiety.
Tekst
13
In
hem die voor een lange tijd verstikt in tranen in zijn leed de
verloren rijkdom betreurde, rees toen een grootse minachting
voor wereldse zaken op.
Having
lost all his wealth, he felt great pain and lamentation. His
throat choked up with tears, and he meditated for a long
time on his fortune. Then a powerful feeling of renunciation
came over him.
Tekst
14
Hij zei toen
hiertoe: 'Helaas, hoe pijnlijk mezelf zo te bemoeien met al dit
gezwoeg dat noch het genoegen, noch de liefde van God tot
dienst is.
The
brâhmana spoke as follows - O what great misfortune! I
have simply tormented myself uselessly, struggling so hard
for money that was not even intended for religiosity or
material enjoyment.
Tekst
15
Over het
algemeen resulteren de kostbare zaken van ellendelingen nooit
en te nimmer in enig geluk: in dit leven leiden ze tot een
kwelling en met degene die stierf voeren ze tot de
hel.
Generally,
the wealth of misers never allows them any happiness. In
this life it causes their self-torment, and when they die it
sends them to hell.
Tekst
16
Welke zuivere
roem de beroemdheden ook mogen genieten of welke lofwaardige
kwaliteiten er ook zouden zijn met de deugdzamen, zelfs dezen
gaan teloor met slechts een klein beetje hebzucht, precies als
wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke
schoonheid.
Whatever
pure fame is possessed by the famous and whatever
praiseworthy qualities are found in the virtuous are
destroyed by even a small amount of greed, just as one's
attractive physical beauty is ruined by a trace of white
leprosy.
Tekst
17
In het
realiseren, de opbouw, het beschermen, spenderen, het verlies
en de vreugde van het geld verdienen, bestaat er voor de mens
arbeid, angst, zorgelijkheid en verwarring.
In
the earning, attainment, increase, protection, expense, loss
and enjoyment of wealth, all men experience great labor,
fear, anxiety and delusion.
Tekst
18-19
Diefstal,
geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering,
trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver
en [de drie] gevaren [van bedwelming,
promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17:
24]: dit
zijn de vijftien die men inderdaad kent als de ongewenste zaken
gebaseerd op rijkdom; derhalve moet degene die het
uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen het
onwenselijke vallend onder het hoofdstuk weelde verre van zich
houden.
Theft,
violence, speaking lies, duplicity, lust, anger, perplexity,
pride, quarreling, enmity, faithlessness, envy and the
dangers caused by women, gambling and intoxication are the
fifteen undesirable qualities that contaminate men because
of greed for wealth. Although these qualities are
undesirable, men falsely ascribe value to them. One desiring
to achieve the real benefit of life should therefore remain
aloof from undesirable material wealth.
Tekst
2o
De broeders, de
echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn
in de liefde, veranderen over een enkel muntje allen meteen in
vijanden.
Even
a man's brothers, wife, parents and friends united with him
in love will immediately break off their affectionate
relationships and become enemies over a single coin.
Tekst
21
Zelfs maar voor
een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich
over aan de woede en geven ze het als een tegenstander die uit
is op vernietiging, rap, in een oogwenk, op met het laten varen
van de welgezindheid.
For
even a small amount of money these relatives and friends
become very agitated and their anger is inflamed. Acting as
rivals, they quickly give up all sentiments of goodwill and
will reject one at a moment's notice, even to the point of
committing murder.
Tekst
22
Met het hebben
bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor
bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste
der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun
eigenbelang, daar geen waardering voor; ze zijn op weg naar een
onzalige bestemming [zie ook B.G. 16:
19-20].
Those
who obtain human life, which is prayed for even by the
demigods, and in that human birth become situated as
first-class brâhmanas, are extremely fortunate. If
they disregard this important opportunity, they are
certainly killing their own self-interest and thus achieve a
most unfortunate end.
Tekst
23
Welke persoon
die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang
tot de hemel en de bevrijding, zou zich, met de dood voor ogen,
nu hechten aan eigendom en zich ophouden in het rijk der
betekenisloosheid?
What
mortal man, having achieved this human life, which is the
very gateway to both heaven and liberation, would willingly
become attached to that abode of worthlessness, material
property?
Tekst
24
Gelijk een
geldbeluste yaksha
niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie
van de goden, de zieners, de voorvaderen, je verwanten, de
levende wezens en jezelf, komt men ten val.
One
who fails to distribute his wealth to the proper
shareholders - the demigods, sages, forefathers and ordinary
living entities, as well as his immediate relatives, in-laws
and own self - is maintaining his wealth simply like a
Yaksha and will fall down.
Tekst
25
Wat nu kan ik,
een oude man, bereiken in het zinloze streven naar geld, jeugd
en kracht, waarin er gek van, mensen van onderscheid zich
bemoeien perfect te zijn [zie B.G. 3:
35]?
Discriminating
persons are able to utilize their money, youth and strength
to achieve perfection. But I have feverishly squandered
these in the useless endeavor for further wealth. Now that I
am an old man, what can I achieve?
Tekst
26
Waarom zou een
wijs mens constant moeten lijden onder het vruchteloze najagen
van rijkdom; welzeker is iemand in deze wereld, vanwege haar
begoochelende macht, hoogst verbijsterd.
Why
must an intelligent man suffer by his constant vain efforts
to get wealth? Indeed, this whole world is most bewildered
by someone's illusory potency.
Tekst
27
Wat voor nut
hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het
gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die
bevrediging schenken; of wat anders zou het voor nut hebben
voor degene verkerend in de greep van de dood, om van het
baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende
geboorte oplevert?
For
one who is in the grips of death, what is the use of wealth
or those who offer it, sense gratification or those who
offer it, or, for that matter, any type of fruitive
activity, which simply causes one to again take birth in the
material world?
Tekst
28
De Allerhoogste
Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat, die mij
tot deze toestand van onthechting heeft gebracht, is voorzeker,
verheugd over mij, de boot voor de ziel [zie ook
11.17:
44].
The
Supreme Personality of Godhead, Lord Hari, who contains
within Himself all the demigods, must be satisfied with me.
Indeed, He has brought me to this suffering condition and
forced me to experience detachment, which is the boat to
carry me over this ocean of material life.
Tekst
29
Met de tijd die
me rest zal ik, om de tevredenheid in mezelf te vinden, zonder
in de war te zijn over mijn ware eigenbelang, mijn lichaam
[tot het minimale] beperken [zie ook
2.2:
3,
7.12:
6].
If
there is any time remaining in my life, I will perform
austerities and force my body to subsist on the bare
necessities. Without further confusion I shall pursue that
which constitutes my entire self-interest in life, and I
shall remain satisfied within the self.
Tekst
30
Mogen de goden,
de heersers over de drie werelden, in dezen verheugd zijn; was
het niet Khathvânga
die het in een enkel moment tot het spiritueel bereik
bracht?'
Thus
may the presiding demigods of these three worlds kindly show
their mercy upon me. Indeed, Mahârâja
Khathvânga was able to achieve the spiritual world in
a single moment.
Tekst
31
De Allerhoogste
Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst
godvruchtige brahmaan van Avantî, de knopen in zijn hart
losmakend, in vrede een stille
bedelmonnik.
Lord
S'rî Krishna continued - His mind thus determined,
that most excellent Avantî brâhmana was able to
untie the knots of desire within his heart. He then assumed
the role of a peaceful and silent sannyâsî
mendicant.
Tekst
32
Hij trok alleen
en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, hierin met
zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem beheerst [zie
tri-danda],
haar steden en dorpen binnen om te leven van de
liefdadigheid.
He
wandered about the earth, keeping his intelligence, senses
and life air under control. To beg charity he traveled alone
to various cities and villages. He did not advertise his
advanced spiritual position and thus was not recognized by
others.
Tekst
33
Toen ze hem,
inderdaad een oude vieze bedelaar, zagen, werd hij met menig
een belediging onteerd door mensen van lagere komaf, mijn
beste.
O
kind Uddhava, seeing him as an old, dirty beggar, rowdy
persons would dishonor him with many insults.
Tekst
34
Sommigen van
hen pakten de drievoudige staf van hem af, zijn bedelnap, zijn
waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn
gebedskralen en zijn gescheurde vodden, waarbij ze, ze tonend
met het ze hem weer terug aanbieden, ze opnieuw weer van de
wijze afpakten.
Some
of these persons would take away his sannyâsî
rod, and some the waterpot which he was using as a begging
bowl. Some took his deerskin seat, some his chanting beads,
and some would steal his torn, ragged clothing. Displaying
these things before him, they would pretend to offer them
back but would then hide them again.
Tekst
35
En op een
rivieroever op het punt staand zijn deel te genieten van het
voedsel dat hij had vergaard door zijn bedelen, urineerden de
grote zondaars op hem en spuugden ze op zijn
hoofd.
When
he was sitting on the bank of a river about to partake of
the food that he had collected by his begging, such sinful
rascals would come and pass urine on it, and they would dare
to spit on his head.
Tekst
36
Hij die naar de
gelofte van de stilte niet sprak maakten ze met hun woorden
belachelijk zeggend 'Deze hier is een dief'; aldus zich
uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen
daarbij uitriepen 'Bindt hem vast, knevel
hem!'.
Although
he had taken a vow of silence, they would try to make him
speak, and if he did not speak they would beat him with
sticks. Others would chastise him, saying, 'This man is just
a thief.' And others would bind him up with rope, shouting,
'Tie him up! Tie him up!î
Tekst
37
Sommigen
kritiseerden hem beledigingen toeslingerend als 'Deze hier is
een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren
hebben van zijn rijkdom en zijn uit de familie gezet zijn, zich
hier maar op heeft toegelegd'.
They
would criticize and insult him, saying, 'This man is just a
hypocrite and a cheat. He makes a business of religion
simply because he lost all his wealth and his family threw
him out.'
Tekst
38-39
'Kijk
eens hoe deze persoon machtig en standvastig als een massieve
berg, met zijn stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is
als een eend'. Sommigen dreven de spot aldus sprekend, terwijl
anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, hem in de ketenen
slaand, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een
huisdier.
Some
would ridicule him by saying, 'Just see this greatly
powerful sage! He is as steadfast as the Himalaya Mountains.
By practice of silence he strives for his goal with great
determination, just like a duck.' Other persons would pass
foul air upon him, and sometimes others would bind this
twice-born brâhmana in chains and keep him captive
like a pet animal.
Tekst
40
Aldus, als
gevolg van andere levende wezens, als gevolg van hogere machten
en te danken aan hemzelf, ertoe gedoemd te lijden onder dat
alles [zie kles'a],
begreep hij dat, wat hij ook op zijn weg vond, hem dat door
zijn lot werd toebedeeld.
The
brâhmana understood that all his suffering - from
other living beings, from the higher forces of nature and
from his own body - was unavoidable, being allotted to him
by providence.
Tekst
41
Beledigd door
mensen van een lager allooi die hem ten val probeerden te
brengen, zong hij, stevig vasthoudend aan zijn eigen
plichtsbetrachting, vastbesloten in de goedheid, dit lied
[zie ook B.G. 18:
33]:
Even
while being insulted by these low-class men who were trying
to effect his downfall, he remained steady in his spiritual
duties. Fixing his resolution in the mode of goodness, he
began to chant the following song.
Tekst
42
De tweemaal
geborene zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk
of ongeluk, noch zijn de halfgoden dat, mijn lichaam, de
planeten, mijn karma of de tijd; het is, naar de heersende
autoriteit [de s'ruti],
niets dan de geest die de oorzaak is, het is de geest die er de
oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het
materiële leven.
The
brâhmana said: These people are not the cause of my
happiness and distress. Neither are the demigods, my own
body, the planets, my past work, or time. Rather, it is the
mind alone that causes happiness and distress and
perpetuates the rotation of material life.
Tekst
43
De geest die
inderdaad de geaardheden weerspiegelt is maar al te sterk door
hen en door de verschillende soorten van witte
[goedheid], rode [hartstocht] en zwarte
[onwetendheid] handelingen waaruit zich de
omstandigheden [de maatschappelijke klassen] opwerpen
naar dezelfde kleuren.
The
powerful mind actuates the functions of the material modes,
from which evolve the different kinds of material activities
in the modes of goodness, ignorance and passion. From the
activities in each of these modes develop the corresponding
statuses of life.
Tekst
44
De ziel die,
zich naast de worstelende geest ophoudend, erbuiten staat
[en de verlichting uitstraalt], mijn vriend, ziet van
boven neer op de geest die met zijn beeld van de wereld de
zinsobjecten omarmt; en in die bezigheid raakt hij gebonden in
gehechtheid aan de geaardheden van de natuur [zie ook B.G.
3.42:
43].
Although
present along with the struggling mind within the material
body, the Supersoul is not endeavoring, because He is
already endowed with transcendental enlightenment. Acting as
my friend, He simply witnesses from His transcendental
position. I, the infinitesimal spirit soul, on the other
hand, have embraced this mind, which is the mirror
reflecting the image of the material world. Thus I have
become engaged in enjoying objects of desire and am
entangled due to contact with the modes of nature.
Tekst
45
Liefdadigheid,
het doen van je plicht, de niyama,
de yama,
het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en
de zuivering door geloften, houden alle het onderwerpen van de
geest in, met het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de
geest [samâdhi],
als hun doel.
Charity,
prescribed duties, observance of major and minor regulative
principles, hearing from scripture, pious works and
purifying vows all have as their final aim the subduing of
the mind. Indeed, concentration of the mind on the Supreme
is the highest yoga.
Tekst
46
Zeg me wat er
voor hem te bereiken valt wiens geest tot rust is gebracht,
volmaakt verankerd door liefdadigheid en andere processen; en
wat ook anders kan met deze processen van liefdadigheid en
dergelijke worden bereikt als men verloren is met zijn geest
niet onder controle?
If
one's mind is perfectly fixed and pacified, then tell me
what need does one have to perform ritualistic charity and
other pious rituals? And if one's mind remains uncontrolled,
lost in ignorance, then of what use are these engagements
for him?
Tekst
47
Zolang
we weten vielen anderen, de [zinnen en hun] goden
bijvoorbeeld, al onder de controle van de geest en viel de
geest nimmer onder de controle van ook maar iemand anders
[dan de Allerhoogste]; angstwekkend als een god
[Aniruddha]
is hij overeenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is
Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der
goden [zie ook B.G.
6:
35-36,
*].
All
the senses have been under the control of the mind since
time immemorial, and the mind himself never comes under the
sway of any other. He is stronger than the strongest, and
his godlike power is fearsome. Therefore, anyone who can
bring the mind under control becomes the master of all the
senses.
Tekst
48
Erin mislukkend
die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [indien
werelds betrokken, zie B.G. 6:
6] die in
zijn aandrang zo onbeheersbaar kwelt en toeslaat, veroorzaken
sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn,
onnodige tweestrijd, met de stervelingen in deze wereld
vrienden, neutralen en rivalen
zijnd.
Failing
to conquer this irrepressible enemy, the mind, whose urges
are intolerable and who torments the heart, many people are
completely bewildered and create useless quarrel with
others. Thus they conclude that other people are either
their friends, their enemies or parties indifferent to
them.
Tekst
49
Met het
aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van
hun geest, in de zin van 'Ik' en 'Mijn', is het zo dat
menselijke wezens verblind qua intelligentie door de moeilijk
te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand
anders', rondwaren in duisternis.
Persons
who identify with this body, which is simply the product of
the material mind, are blinded in their intelligence,
thinking in terms of 'I' and 'mine.' Because of their
illusion of 'this is I, but that is someone else,' they
wander in endless darkness.
Tekst
50
Met het stellen
dat [adhibhautika]
deze mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn,
welke ruimte biedt dit begrip dan aan de ziel; zij als zodanig
behoren de aarde toe [en niet de ziel] - op wie moet je
boos zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen
tanden?
If
you say that these people are the cause of my happiness and
distress, then where is the place of the soul in such a
conception? This happiness and distress pertain not to the
soul but to the interactions of material bodies. If someone
bites his tongue with his own teeth, at whom can he become
angry in his suffering?
Tekst
51
Als
men zegt dat [adhidaivika]
de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden wat heeft
dat lijden dan met de ziel te maken; die pijn is geheel en al
onderhevig aan verandering [terwijl de ziel dat niet
is] - op wie ooit zou het levende wezen boos moeten zijn
als het ene deel van zijn eigen lichaam het andere pijn doet?
If
you say that the demigods who rule the bodily senses cause
suffering, still, how can such suffering apply to the spirit
soul? This acting and being acted upon are merely
interactions of the changeable senses and their presiding
deities. When one limb of the body attacks another, with
whom can the person in that body be angry?
Tekst
52
Als de ziel
zelf [adhyâtmika]
de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, door wat anders
dan door zijn eigen aard zou het dan in die optiek zo zijn; het
is inderdaad zo dat er niets los staat van de ziel daar dat
vals zou zijn - en op wie moet je boos zijn als er geen geluk
en leed is [in de ziel die de getuige is, zie B.G.
2:
14]?
If
the soul himself were the cause of happiness and distress,
then we could not blame others, since happiness and distress
would be simply the nature of the soul. According to this
theory, nothing except the soul actually exists, and if we
were to perceive something besides the soul, that would be
illusion. Therefore, since happiness and distress do not
actually exist in this concept, why become angry at oneself
or others?
Tekst
53
Als de planeten
de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe zit het dan met
de ziel die niet geboren wordt; zij hebben betrekking op dat
wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen,
de planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten
- op wie moet het levend wezen, onderscheiden van dat lichaam,
dan kwaad worden?
And
if we examine the hypothesis that the planets are the
immediate cause of suffering and happiness, then also where
is the relationship with the soul, who is eternal? After
all, the effect of the planets applies only to things that
have taken birth. Expert astrologers have moreover explained
how the planets are only causing pain to each other.
Therefore, since the living entity is distinct from these
planets and from the material body, against whom should he
vent his anger?
Tekst
54
Als we aannemen
dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat
karma dan voor de ziel te betekenen; zeker is dat de
verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam
toegerust met bewustzijn dat [op zich zelf] niet leeft
anderzijds, beiden niet de grondoorzaak van het karma zijn
natuurlijk - op wie moet je dan kwaad zijn?
If
we assume that fruitive work is the cause of happiness and
distress, we still are not dealing with the soul. The idea
of material work arises when there is a spiritual actor who
is conscious and a material body that undergoes the
transformation of happiness and distress as a reaction to
such work. Since the body has no life, it cannot be the
actual recipient of happiness and distress, nor can the
soul, who is ultimately completely spiritual and aloof from
the material body. Since karma thus has no ultimate basis in
either the body or the soul, at whom can one become
angry?
Tekst
55
Als we zeggen
dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe
zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel behoort de tijd
toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de sneeuw niet
[te lijden heeft van koude] - op wie moet je kwaad
worden als er geen dualiteit is met het allerhoogste [zie
ook B.G. 18:
16 en
tijdcitaten]?
If
we accept time as the cause of happiness and distress, that
experience still cannot apply to the spirit soul, since time
is a manifestation of the Lord's spiritual potency and the
living entities are also expansions of the Lord's spiritual
potency manifesting through time. Certainly a fire does not
burn its own flames or sparks, nor does the cold harm its
own snowflakes or hail. In fact, the spirit soul is
transcendental and beyond the experience of material
happiness and distress. At whom, therefore, should one
become angry?
Tekst
56
Niet door wie
dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er
voor hem, superieur door bovenzinnelijkheid, de invloed van de
dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat het materieel
bestaan vorm geeft; hij wiens intelligentie aldus is ontwaakt
heeft niets te vrezen van andere levende wezens.
The
false ego gives shape to illusory material existence and
thus experiences material happiness and distress. The spirit
soul, however, is transcendental to material nature; he can
never actually be affected by material happiness and
distress in any place, under any circumstance or by the
agency of any person. A person who understands this has
nothing whatsoever to fear from the material
creation.
Tekst
57
Door de
verering van de voeten van Mukunda
zal ik de zo moeilijk over te steken oceaan van materiële
onwetendheid oversteken; hiervan ben ik zeker bij de genade van
de grote zieners uit het verleden [of de
âcârya's]
verankerd in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie
ook B.G. 6:
1-2].'
I
shall cross over the insurmountable ocean of nescience by
being firmly fixed in the service of the lotus feet of
Krishna. This was approved by the previous
âcâryas, who were fixed in firm devotion to the
Lord, Paramâtmâ, the Supreme Personality of
Godhead.
Tekst
58
De Allerhoogste
Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht rakend, zijn
huis achter zich latend, vrij van neerslachtigheid de aarde
bereizend en ondanks in dezen te zijn beledigd door schurken,
zond de wijze niet verstek laten gaand in zijn plichten dit
lied op.
Lord
S'rî Krishna said: Thus becoming detached upon the
loss of his property, this sage gave up his moroseness. He
left home, taking sannyâsa, and began to travel about
the earth. Even when insulted by foolish rascals he remained
unswerved from his duty and chanted this song.
Tekst
59
Aangaande dat
wat de ziel verdriet of leed bezorgt bestaat er niets buiten de
geest, die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven
schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook
10.32:
17-22 en B.G.
9:
29].
No
other force besides his own mental confusion makes the soul
experience happiness and distress. His perception of
friends, neutral parties and enemies and the whole material
life he builds around this perception are simply created out
of ignorance.
Tekst
60
Daarom in alle
opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie verzonken in
Mij de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden
het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip]
van de yoga [zie ook s'iks'âshthaka-vers
1].
My
dear Uddhava, fixing your intelligence on Me, you should
thus completely control the mind. This is the essence of the
science of yoga.
Tekst
61
Wie dan ook die
met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf
luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het
Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker
nimmer overweldigd zijn door de dualiteiten.'
Anyone
who listens to or recites to others this song of the
sannyâsî, which presents scientific knowledge of
the Absolute, and who thus meditates upon it with full
attention, will never again be overwhelmed by the dualities
of material happiness and distress.
*:
Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de
geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit
hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer
het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische
mâyâvâda-boeddhistische techniek om je
op je essentie te concentreren en vormt een bewust
gecreëerde illusie [zie Boeddhisme].
Neti-neti
zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad
concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest
uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het
stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware
bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang.
Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties,
moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor
Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's
en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet
men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift,
de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga
sûtra's I.1&2 atha yogânus'ânamam,
yogah citta vritti nirodah, moeten worden vertaald
met 'nu, als de les van de yoga, ga het gepieker tegen van
de geest over wereldse zaken' en niet met 'de yogales nu
bestaat er uit de werking van de geest te stoppen'. Natuurlijk
moet je je verstand gebruiken, je geest inzetten in
gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem van God; de
geest is per slot van rekening een aspect van het goddelijke
bestuurd door Aniruddha
in de catur vyuha (zie ook vritti
en siddhi).
