regelbalk


 

 

Canto 11

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

 

Hoofdstuk 9: Onthechting van Al het Materiële

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een onbegrensd geluk bereiken.

(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.

(3) Ikzelf, die als een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Van hen die vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

(5) Eens arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal. (7) In haar verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-] geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een verwijderde en er nog maar één overbleef, was er geen geluid meer te horen. (9) Ik o onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde. (10) In een plaats waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen, zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) De geest moet worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] waarin men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich zorgvuldig op één punt concentreert [het ware zelf, zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft opgegeven, het nirvâna omdat men in sattva sterk geworden niet langer het vuur van de rajas en de tamas [het vuur van het materieel bestaan] van brandstof voorziet [zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

(13) Aldus verankerd in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passee rde [zie B.G. 7: 27-28].

(14) Alleen rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet stellen maar weinig spreken. (15) Zich een huis bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk leven, zie B.G. 4: 18] is iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is zich op te houden in een hol dat door een ander werd gemaakt.

(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men omschrijft als kaivalya [of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G. 7: 5 en *]. (19) Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel de regel danwel de directie aangeeft van de mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping [zie ook 3.26: 19]. (20) Aan die draad, die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie ook B.G. 7: 7]. (21) Zoals de spin tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.

(22) Ongeacht waar de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie B.G. 8: 6]. (23) O Koning, een wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm, dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.

(24) Dit is wat ik weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis die ik verwierf door te leren van mijn eigen lichaam. (25) Met het lichaam heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik onthecht in het leven moet staan. (26) Het lichaam zit vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam als een boom die alvorens te sterven zijn zaad afwerpt. (27) Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (28) Nadat de Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van de vele soorten materiële lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en bereikte Hij zo het geluk. (29) Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig, een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik is.

(30) Aldus [met al deze vierentwintig plus één meesters] het beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid en vals ego rond over deze aarde. (31) Voorzeker kan de kennis van één leraar niet erg solide zijn of volledig [zie 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten benaderd.'

(32) De Opperheer zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer Dattâtreya was, zie 2.7: 4 en **] nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen, van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij was gekomen. (33) Na de woorden van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen gelijkgezind bewustzijn.'

 

 next                    

 
 

Tweede editie, geladen 6 april 2009  

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een onbegrensd geluk bereiken.

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer gekoesterd worden door de mens [een huis, de vrouw, de auto etc.], voert voorzeker tot ellende; wie dan ook die dat weet zal, vrij van een dergelijke gehechtheid, daarop het onbegrensde geluk bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 2

Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.

Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen heel sterk die zonder prooi zaten; op dat moment het vlees opgevend bereikte hij het geluk. (Vedabase)

 

Tekst 3

Ikzelf, die als een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen.

Ik, als een kind enkel in de ziel genietend, trek hier rond; in mij vindt men geen eer en oneer; verkerend met het zelf is er niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (Vedabase)

 

Tekst 4

Van hen die vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

Vrij van zorgen zijn er zo twee types: hij niet goed bij zijn verstand die onwetend als een kind opgegaan is in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt. (Vedabase)

 

Tekst 5

Eens arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving.

Eens arriveerden ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten weg waren naar een andere plaats, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (Vedabase)

 

Tekst 6

Helemaal alleen als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal.

Helemaal alleen als ze was sloeg ze, zodat haar gasten konden eten, de kaf van de rijst waardoor de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal maakten. (Vedabase)

 

 Tekst 7

In haar verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-] geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend aan iedere pols.

Zij verlegen van aard beschaamd over dat [dienstmeiden-] geluid, slim van geest brak een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, slechts twee overlatend aan iedere pols. (Vedabase)

 

Tekst 8

Nog steeds was er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een verwijderde en er nog maar één overbleef, was er geen geluid meer te horen.

Nog steeds was er van de twee, met haar pellen van de rijst, het geluid natuurlijk, zodat, toen ze van ieder van de twee er een weghalend er nog maar een overbleef, er geen geluid meer was te horen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Ik o onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde.

Ik ronddolend langs alle plaatsen in mijn naspeuren van de waarheid van de wereld, o onderwerper der vijanden, was met eigen ogen getuige van de les van dit meisje. (Vedabase)

 

Tekst 10

In een plaats waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen, zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men leven zoals de armband van het jonge meisje.

In een plaats waar veel mensen zijn zullen zich ruzies voordoen, zelfs met alleen twee mensen die converseren; voorzeker behoort men daarom te leven zoals de armband van het jonge meisje. (Vedabase)

 

 Tekst 11

De geest moet worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] waarin men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich zorgvuldig op één punt concentreert [het ware zelf, zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47].

Door onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] moet de geest worden bestendigd, met zorg geconcentreerd door het de baas zijn van de ademhaling in zithoudingen [zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (Vedabase)

  

 Tekst 12  

Met het realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft opgegeven, het nirvâna omdat men in sattva sterk geworden niet langer het vuur van de rajas en de tamas [het vuur van het materieel bestaan] van brandstof voorziet [zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

Met het bereikt hebben van bestendigheid in die positie, stap voor stap de karmische besmetting opgevend, bereikt die zelfde geest het nirvâna met het in sattva sterk geworden zijnd verzaken van de brandstof van de rajas en de tamas [voor het vuur van het materieel bestaan, zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Aldus verankerd in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passee rde [zie B.G. 7: 27-28].

Te dien tijde aldus verankerd in de ziel heeft men geen weet van wat ook [als bestaande] van buiten of van binnen, net als de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die vlak naast hem voorbij kwam [zie B.G. 7: 27-28]. (Vedabase)

  

 Tekst 14

Alleen rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet stellen maar weinig spreken.

Alleen, zich bewegend zonder een vaste woonplaats [ook: tempel] en terughoudend niet herkend in zijn handelingen, spreekt een wijze, het zonder gezelschap stellend, zeer weinig. (Vedabase)

 

 Tekst 15  

Zich een huis bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk leven, zie B.G. 4: 18] is iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is zich op te houden in een hol dat door een ander werd gemaakt.

Het bouwen van een huis als een zinledige bezigheid [zie B.G. 4: 18], leidt tot misère; ook de slang gedijt gelukkig met het zijn binnengegaan van een schuilplaats gebouwd door anderen. (Vedabase)

 

Tekst 16

Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf.

Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen inderdaad werd, is Nârâyana, de God die in het begin bij machte van Zijn eigen vermogen schiep en met het deel van de tijd aan het eind van de kalpa dit universum terugtrekt in Zichzelf. (Vedabase)

 

Tekst 17-18

Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men omschrijft als kaivalya [of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G. 7: 5 *].

Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva en zo voorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring omschreven als kaivalya [zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid ontdaan van materiële relaties [zie ook B.G. 7: 5]. (Vedabase)

  

Tekst 19

Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel de regel danwel de directie aangeeft van de mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping [zie ook 3.26: 19].

Door het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie samengesteld uit de drie geaardheden, manifesteert Hij, ermee [met de Tijd] beroering gevend in de aanvang van de schepping, het plan van de materie [de sûtra, de draad, de regel of de directie van de mahat-tattva, zie ook 3.26: 19]. (Vedabase)

 

Tekst 20

Aan die draad, die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie ook B.G. 7: 7].

Daaraan [naar die draad] wordt, zich manifesterend als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zoals men zegt, dit universum, waarvan het levende wezen zijn bestaan ondervindt, geregen en gebonden [zie ook B.G 7: 7]. (Vedabase)

 

Tekst 21

Zoals de spin tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.

Net als de spin, die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat op dezelfde manier de Opperste Beheerser te werk. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Ongeacht waar de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie B.G. 8: 6].

Waar de geconditioneerde ziel zijn geest ook op vestigt, die specifieke staat zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, met de emotionele uitwerking van zijn afgunst of angst bereiken. [zie B.G. 8: 6]. (Vedabase)

 

 Tekst 23

O Koning, een wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm, dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.

O koning, een larve [of een gevangen insect] mediterend op een wesp die dicht bij hem bezig is in zijn nest zal, vast houdend aan zijn eigen lichaam, dezelfde staat van zijn van die wesp vinden. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Dit is wat ik weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis die ik verwierf door te leren van mijn eigen lichaam.

Dit is de kennis met het lering trekken uit al deze goeroes, alstublieft verneem van mij wat ik te zeggen heb over de kennis verworven in het lering trekken uit het eigen lichaam, o Koning. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Met het lichaam heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik onthecht in het leven moet staan.

Het lichaam als mijn geestelijk leraar van onthechting en onderscheidingsvermogen behoort - er mee altijd lijdend naar de zaak van het onvermijdelijke handhaven en de toekomstige vernietiging van zijn bestaan - ookal bezin ik me ermee op de waarheden van de wereld, hoe dan ook anderen toe; aldus overtuigd trek ik rond zonder gehechtheid. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Het lichaam zit vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam als een boom die alvorens te sterven zijn zaad afwerpt.

Het lichaam dat al de categorieën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten die het tracht te behagen koestert, heeft, in navolging van de aard van de boom die zijn zaad laat vallen, omvalt en sterft, ten tijde van zijn dood zich uitgebreid met het hebben geschapen van dit [andere kinder-]lichaam ervan, [ervoor] met grote inspanning weelde vergaard hebbend. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen.

Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, doet de tastzin dat, doet de maag dat, leiden de oren af naar elders, zoekt de reuk zijn weg of zijn de ogen anderzijds wankelmoedig zich naar elders aan het bewegen; en zo trekken de ledematen als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (Vedabase)

  

 Tekst 28

Nadat de Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van de vele soorten materiële lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en bereikte Hij zo het geluk.

Na het met de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van dergelijken geschapen hebben van materiële lichamen in vele variëteiten middels de mâyâ van Zijn eigen vermogen, schiep de Heer in Zijn hart onvoldaan, het menselijk wezen begiftigd met een intelligentie geschikt om zich de Absolute Waarheid voor te stellen en bereikte Hij het geluk. (Vedabase)

  

 Tekst 29

Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig, een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik is.

Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante, die zo moeilijk te bereiken is, gebracht te hebben welke, alhoewel ze niet eeuwig is, beloont met een grote waarde, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder af te wachten in deze wereld zich in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die altijd in alle omstandigheden van zinsbevrediging mogelijk is. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Aldus [met al deze vierentwintig plus één meesters] het beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid en vals ego rond over deze aarde.

Aldus [van al deze vierentwintig plus één meesters] het ziend in de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van de onthechting en de wijsheid, rond over deze aarde bevrijd van gehechtheid en egoïsme. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Voorzeker kan de kennis van één leraar niet erg solide zijn of volledig [zie 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten benaderd.'

(31) Voorzeker kan de kennis van één [zo'n] leraar niet erg solide zijn of volledig [derhalve: 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen zonder twijfel verheerlijkt op vele manieren.' (Vedabase)

 

 Tekst 32

De Opperheer zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer Dattâtreya was, zie 2.7: 4 en **] nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen, van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij was gekomen.

De Opperheer zei: 'De brahmaan van diepe intelligentie [in feite Heer Dattâtreya, zie 2.7: 4 en **] aldus tot koning Yadu gesproken hebbend, nam, naar behoren door de koning geëerd te zijn die zijn eerbetuigingen bracht, afscheid en ging heen, net zo tevreden als hij was gekomen. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Na de woorden van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen gelijkgezind bewustzijn.'

Na de woorden van de Avadhûta gehoord te hebben raakte Yadu, de voorvader van onze voorouders, bevrijd met een toen gelijk bewustzijn. (Vedabase)

 

*: Vers 3.25: 34 in aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat het enkel op de Heer gericht zijn, niet als jnâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp. 11.9: 10].

**: De paramparâ [pp. 11.9: 32] bevestigt: 'Dit vers [2.7: 4] vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig stelt het huidige vers, vandito sv-arcito râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, de avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura bevestigt dit nog eens.'

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van
Raja Ravi Varma
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties