De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de
bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden
gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker
tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich
vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een
onbegrensd geluk bereiken.
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de
bezittingen ook die zo zeer gekoesterd worden door de mens
[een huis, de vrouw, de auto etc.], voert voorzeker
tot ellende; wie dan ook die dat weet zal, vrij van een
dergelijke gehechtheid, daarop het onbegrensde geluk
bereiken.
(Vedabase)
Tekst
2
Een grote havik
[de visarend] die vlees had werd aangevallen door
anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen
hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.
Een
grote havik [de visarend] die vlees had werd
aangevallen door anderen heel sterk die zonder prooi zaten;
op dat moment het vlees opgevend bereikte hij het
geluk.
(Vedabase)
Tekst
3
Ikzelf, die als
een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In
mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken
ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en
kinderen.
Ik,
als een kind enkel in de ziel genietend, trek hier rond; in
mij vindt men geen eer en oneer; verkerend met het zelf is
er niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en
kinderen. (Vedabase)
Tekst
4
Van hen die
vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed
bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan
in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de
Geaardheden der Natuur heeft bereikt.
Vrij
van zorgen zijn er zo twee types: hij niet goed bij zijn
verstand die onwetend als een kind opgegaan is in het groot
geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der
Natuur heeft bereikt. (Vedabase)
Tekst
5
Eens
arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een
echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders
vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid
ontving.
Eens
arriveerden ten huize van een jong meisje dat zich een
echtgenoot wenste en van wie alle verwanten weg waren naar
een andere plaats, een paar mannen die ze met grote
gastvrijheid ontving. (Vedabase)
Tekst
6
Helemaal alleen
als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf
van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar
onderarmen een hoop kabaal.
Helemaal
alleen als ze was sloeg ze, zodat haar gasten konden eten,
de kaf van de rijst waardoor de schelpen armbanden om haar
onderarmen een hoop kabaal maakten.
(Vedabase)
Tekst
7
In haar
verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-]
geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de
schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend
aan iedere pols.
Zij
verlegen van aard beschaamd over dat [dienstmeiden-]
geluid, slim van geest brak een voor een de
schelpenarmbanden van haar armen, slechts twee overlatend
aan iedere pols. (Vedabase)
Tekst
8
Nog steeds was
er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid
natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een
verwijderde en er nog maar één overbleef, was er
geen geluid meer te horen.
Nog
steeds was er van de twee, met haar pellen van de rijst, het
geluid natuurlijk, zodat, toen ze van ieder van de twee er
een weghalend er nog maar een overbleef, er geen geluid meer
was te horen. (Vedabase)
Tekst
9
Ik o
onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de
waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was
persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde.
Ik
ronddolend langs alle plaatsen in mijn naspeuren van de
waarheid van de wereld, o onderwerper der vijanden, was met
eigen ogen getuige van de les van dit meisje.
(Vedabase)
Tekst
10
In een plaats
waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen,
zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men
leven zoals de armband van het jonge meisje.
In
een plaats waar veel mensen zijn zullen zich ruzies
voordoen, zelfs met alleen twee mensen die converseren;
voorzeker behoort men daarom te leven zoals de armband van
het jonge meisje. (Vedabase)
Tekst
11
De geest moet
worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk
[vairâgya en abhyâsa] waarin
men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich
zorgvuldig op één punt concentreert [het ware
zelf, zie ook B.G. 6:
10-15 en
6:
46-47].
Door
onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en
abhyâsa] moet de geest worden bestendigd, met zorg
geconcentreerd door het de baas zijn van de ademhaling in
zithoudingen [zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47].
(Vedabase)
Tekst
12
Met het
realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die
geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft
opgegeven, het nirvâna
omdat men in sattva
sterk geworden niet langer het vuur van de rajas
en de tamas
[het vuur van het materieel bestaan] van brandstof
voorziet [zie ook B.G. 6:
26 en
14:
6-8].
Met
het bereikt hebben van bestendigheid in die positie, stap
voor stap de karmische besmetting opgevend, bereikt die
zelfde geest het nirvâna met het in sattva sterk
geworden zijnd verzaken van de brandstof van de rajas en de
tamas [voor het vuur van het materieel bestaan, zie ook
B.G. 6: 26 en 14: 6-8]. (Vedabase)
Tekst
13
Aldus verankerd
in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook
vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept
in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passee rde
[zie B.G. 7:
27-28].
Te
dien tijde aldus verankerd in de ziel heeft men geen weet
van wat ook [als bestaande] van buiten of van
binnen, net als de pijlenmaker die verdiept in de pijl de
koning niet opmerkte die vlak naast hem voorbij kwam
[zie B.G. 7: 27-28]. (Vedabase)
Tekst
14
Alleen
rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of
tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in
zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet
stellen maar weinig spreken.
Alleen,
zich bewegend zonder een vaste woonplaats [ook:
tempel] en terughoudend niet herkend in zijn
handelingen, spreekt een wijze, het zonder gezelschap
stellend, zeer weinig. (Vedabase)
Tekst
15
Zich een huis
bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk
leven, zie B.G. 4:
18] is
iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is
zich op te houden in een hol dat door een ander werd
gemaakt.
Het
bouwen van een huis als een zinledige bezigheid [zie
B.G. 4: 18], leidt tot misère; ook de slang
gedijt gelukkig met het zijn binnengegaan van een
schuilplaats gebouwd door anderen.
(Vedabase)
Tekst
16
Het ene Zelf,
de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting
en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de
Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen
vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de
Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer
terugtrekt in Zichzelf.
Het
ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de
Grondvesting en het Reservoir van Allen inderdaad werd, is
Nârâyana, de God die in het begin bij machte van
Zijn eigen vermogen schiep en met het deel van de tijd aan
het eind van de kalpa dit universum terugtrekt in Zichzelf.
(Vedabase)
Tekst
17-18
Als door Zijn
vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van
sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de
Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha
van de primaire natuur [pradhâna],
die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale
zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men
omschrijft als kaivalya
[of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die
vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G.
7:
5
*].
Als
door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten
van sattva en zo voorts in balans zijn gebracht, bestaat de
Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire
natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke
beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de
puurste ervaring van openbaring omschreven als kaivalya
[zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid
ontdaan van materiële relaties [zie ook B.G. 7:
5]. (Vedabase)
Tekst
19
Middels het
zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat
uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de
materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel
de regel danwel de directie aangeeft van de
mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de
Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping
[zie ook 3.26:
19].
Door
het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie
samengesteld uit de drie geaardheden, manifesteert Hij,
ermee [met de Tijd] beroering gevend in de aanvang
van de schepping, het plan van de materie [de
sûtra, de draad, de regel of de directie van de
mahat-tattva, zie ook 3.26: 19].
(Vedabase)
Tekst
20
Aan die draad,
die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden
die de verschillende categorieën van de manifestatie tot
stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het
levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie
ook B.G. 7:
7].
Daaraan
[naar die draad] wordt, zich manifesterend als de
oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende
categorieën van de manifestatie tot stand brengen,
zoals men zegt, dit universum, waarvan het levende wezen
zijn bestaan ondervindt, geregen en gebonden [zie ook
B.G 7: 7]. (Vedabase)
Tekst
21
Zoals de spin
tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn
bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel
die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.
Net
als de spin, die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met
zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en
eventueel die draad inslikt, gaat op dezelfde manier de
Opperste Beheerser te werk.
(Vedabase)
Tekst
22
Ongeacht waar
de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn
geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn
intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie
B.G. 8:
6].
Waar
de geconditioneerde ziel zijn geest ook op vestigt, die
specifieke staat zal hij, vanwege de volle concentratie van
zijn intelligentie, met de emotionele uitwerking van zijn
afgunst of angst bereiken. [zie B.G. 8: 6].
(Vedabase)
Tekst
23
O Koning, een
wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het
nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm,
dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.
O
koning, een larve [of een gevangen insect]
mediterend op een wesp die dicht bij hem bezig is in zijn
nest zal, vast houdend aan zijn eigen lichaam, dezelfde
staat van zijn van die wesp vinden.
(Vedabase)
Tekst
24
Dit is wat ik
weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o
Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis
die ik verwierf door te leren van mijn eigen
lichaam.
Dit
is de kennis met het lering trekken uit al deze goeroes,
alstublieft verneem van mij wat ik te zeggen heb over de
kennis verworven in het lering trekken uit het eigen
lichaam, o Koning. (Vedabase)
Tekst
25
Met het lichaam
heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en
van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de
waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het
er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van
verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik
onthecht in het leven moet staan.
Het
lichaam als mijn geestelijk leraar van onthechting en
onderscheidingsvermogen behoort - er mee altijd lijdend naar
de zaak van het onvermijdelijke handhaven en de toekomstige
vernietiging van zijn bestaan - ookal bezin ik me ermee op
de waarheden van de wereld, hoe dan ook anderen toe; aldus
overtuigd trek ik rond zonder gehechtheid.
(Vedabase)
Tekst
26
Het lichaam zit
vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de
kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten
naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan
uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk
lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede
financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam
als een boom die alvorens te sterven zijn zaad
afwerpt.
Het
lichaam dat al de categorieën van de vrouw, de
kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten
die het tracht te behagen koestert, heeft, in navolging van
de aard van de boom die zijn zaad laat vallen, omvalt en
sterft, ten tijde van zijn dood zich uitgebreid met het
hebben geschapen van dit [andere kinder-]lichaam
ervan, [ervoor] met grote inspanning weelde vergaard
hebbend.
(Vedabase)
Tekst
27
Aan de ene kant
leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af,
aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de
tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de
oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen
de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van
het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele
richtingen.
Aan
de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde
lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat,
doet de tastzin dat, doet de maag dat, leiden de oren af
naar elders, zoekt de reuk zijn weg of zijn de ogen
anderzijds wankelmoedig zich naar elders aan het bewegen; en
zo trekken de ledematen als bijvrouwen het hoofd van de
huishouding in vele richtingen.
(Vedabase)
Tekst
28
Nadat de
Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels,
slangen en meer van de vele soorten materiële
lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend
vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk
wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is
om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en
bereikte Hij zo het geluk.
Na
het met de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels,
slangen en meer van dergelijken geschapen hebben van
materiële lichamen in vele variëteiten middels de
mâyâ van Zijn eigen vermogen, schiep de Heer in
Zijn hart onvoldaan, het menselijk wezen begiftigd met een
intelligentie geschikt om zich de Absolute Waarheid voor te
stellen en bereikte Hij het geluk.
(Vedabase)
Tekst
29
Na vele
geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben
die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig,
een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang
als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan
[in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze
wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in
alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik
is.
Na
vele geboorten het tot deze menselijke gedaante, die zo
moeilijk te bereiken is, gebracht te hebben welke, alhoewel
ze niet eeuwig is, beloont met een grote waarde, behoort een
nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd te sterven, nog
niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is],
zonder af te wachten in deze wereld zich in te spannen voor
de uiteindelijke bevrijding die altijd in alle
omstandigheden van zinsbevrediging mogelijk is.
(Vedabase)
Tekst
30
Aldus [met
al deze vierentwintig plus één meesters] het
beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben
ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid
en vals ego rond over deze aarde.
Aldus
[van al deze vierentwintig plus één
meesters] het ziend in de Ziel trek ik, met het ten
volle hebben ontwikkeld van de onthechting en de wijsheid,
rond over deze aarde bevrijd van gehechtheid en
egoïsme. (Vedabase)
Tekst
31
Voorzeker kan
de kennis van één leraar niet erg solide zijn of
volledig [zie 11.3:
21]; de
Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de
wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten
benaderd.'
(31)
Voorzeker kan de kennis van één [zo'n]
leraar niet erg solide zijn of volledig [derhalve: 11.3:
21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent,
wordt door de wijzen zonder twijfel verheerlijkt op vele
manieren.' (Vedabase)
Tekst
32
De Opperheer
zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer
Dattâtreya
was, zie 2.7:
4 en
**]
nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar
behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen,
van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij
was gekomen.
De
Opperheer zei: 'De brahmaan van diepe intelligentie [in
feite Heer Dattâtreya, zie 2.7: 4 en **] aldus tot
koning Yadu gesproken hebbend, nam, naar behoren door de
koning geëerd te zijn die zijn eerbetuigingen bracht,
afscheid en ging heen, net zo tevreden als hij was gekomen.
(Vedabase)
Tekst
33
Na de woorden
van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de
voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen
gelijkgezind bewustzijn.'
Na
de woorden van de Avadhûta gehoord te hebben raakte
Yadu, de voorvader van onze voorouders, bevrijd met een toen
gelijk bewustzijn. (Vedabase)
*:
Vers 3.25:
34 in
aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden
gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen
de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat
het enkel op de Heer gericht zijn, niet als
jnâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen
zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp.
11.9:
10].
**:
De paramparâ [pp. 11.9:
32]
bevestigt: 'Dit vers [2.7:
4]
vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren
met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig
stelt het huidige vers, vandito sv-arcito
râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten
van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens
S'rîla S'rîdhara Svâmî, de
avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God
zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî
Thhâkura bevestigt dit nog
eens.'