Tweede
editie, geladen 9 oktober 2009

Voorgaande
Aadhar-editie en
Vedabase links:
Tekst
1

S'rî
S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en
culminerend in de twee helften [of
parârdha's] van het leven van Brahmâ, o
Koning is beschreven [in 3.11]
tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de
vernietiging van de kalpa.
S'rî
S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en
culminerend in de twee helften [of parârdha's]
van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven
[in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister
nu naar de vernietiging van de kalpa.
(Vedabase)
Tekst
2
Duizend cycli
van vier yuga's heet een kalpa, een dag van
Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn
[Manu's].
Duizend
cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van
Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid
zijn [Manu's]. (Vedabase)
Tekst
3
Als zij klaar
zijn met hun leven is er de desintegratie beschreven als de
nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; de drie
werelden blijven ontbonden tot aan het eind van die
tijd.
Na
hen is er de desintegratie beschreveven als de nacht van
Brahmâ die van dezelfde duur is; tot aan het eind van
die tijd blijven deze drie werelden ontbonden.
(Vedabase)
Tekst
4
Dit wordt de
incidentele vernietiging genoemd [of naimittika
pralaya] waarin [Nârâyana] de
schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn
slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer
Brahmâ in Zich op te nemen.
Dit
wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika
pralaya] waarin [Nârâyana] de
schepper van het universum neerligt net als heer
Brahmâ, om op Zijn bed Ananta het universum in Zich op
te nemen. (Vedabase)
Tekst
5
Na het
verstrijken van twee parârdha's [d.w.z. de
levenshelften] van het hoogst geplaatste levende wezen,
Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen
[mahat,
ahamkâra
en de tanmâtra's],
onderhevig aan vernietiging.
Na
de volle tijd van twee parârdha's van het hoogst
geplaatste levende wezen, Heer Br rahmâ, zijn
vervolgens de zeven elementen [mahat, ahamkâra en
de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging.
(Vedabase)
Tekst
6
Dit, o Koning
vormt de elementaire vernietiging. Daarna, als de tijd voor
zijn vernietiging is aangebroken, valt dit universele ei, dit
samenstel [van deze zeven universele principes]
uiteen.
Dit,
o Koning, is de elementaire vernietiging, waarna dit
universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele
principes] ontbindt, als de tijd van zijn uiteenvallen
is bereikt. (Vedabase)
Tekst
7
Honderd jaar
lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de
aarde. De mensen verward door die tijd, zullen dan, met de
eropvolgende hongersnood, als gevolg van de honger die ze
lijden [zelfs] elkaar consumeren en aldus geleidelijk
aan hun vernietiging vinden.
Een
honderd jaren lang zullen de wolken o Koning, geen regen
laten vallen op de aarde en zullen dan, met de er op
volgende hongersnood, de mensen in de war gestuurd door de
tijd, daardoor lijdend onder honger [zelfs] elkaar
consumeren en geleidelijk aan hun vernietiging vinden.
(Vedabase)
Tekst
8
De zon die met
zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste [aan
neerslag] terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de
aarde, de oceaan en de levende lichamen.
De
zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste
terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de
oceaan en de levende lichamen. (Vedabase)
Tekst
9
Dan zal het
vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer
Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale
gebieden van de planeten verbranden [3.11:
30,
8.5:
35].
Dan
zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van
Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind
de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30,
8.5: 35]. (Vedabase)
Tekst
10
Het ei van het
universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het
vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal
koeienmest.
Van
alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en
de zon erboven, zal het ei van het universum gloeien als een
bal koeienmest. (Vedabase)
Tekst
11
Daarna zal er
meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de
vernietiging brengt en de hemel met grijs stof zal
verduisteren.
Daarna
zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind
waaien die de vernietiging brengt en de hemel grijs zal
verduisteren. (Vedabase)
Tekst
12
Samengepakte
veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar
lang laten regenen met enorme donderslagen.
Samengepakte
veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar
lang laten regenen met enorme donderslagen.
(Vedabase)
Tekst
13
Het omhulsel
van het universum zal dan vollopend één enkele
[kosmische] zee van water vormen.
Het
omhulsel van het universum zal, vollopend, dan
één enkele [kosmische] zee van water
vormen. (Vedabase)
Tekst
14
Als het water
ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur verdrijft zal
het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen
[zie ook 3.26:
49-61,
11.3:
9,
11.24:
22-27].
Als
het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur
wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur,
oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24:
22-27]. (Vedabase)
Tekst
15-19
Vuur neemt dan
de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar
unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht
verstoken raakt van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind
neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de
lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid,
dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire van de
natuur [of het valse ego in onwetendheid]. Met de ether
die vervolgens opgaat neemt de vitale kracht [vals ego in
hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de
goden die onderhevig zijn aan verandering gegrepen [door
het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie
neemt daar weer bezit van [van vaikârika]
samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan
en die mahat wordt dan door de guna's van
sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o
Koning worden daarna, onder de druk van de Tijd, overschaduwd
door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke
ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de
transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd
[shath-ûrmi]; ongemanifesteerd zonder een
begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige
oorzaak.
Vuur
neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken
van haar unieke kwaliteit, oplost; dan volgt het vuur door
de lucht verstoken van haar vorm. Met het vuur opgegaan in
de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking]
van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het
geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk
elementaire [of valse ego in onwetendheid]. Met de
ether vervolgens daarin opgaand neemt de vitale kracht
[vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn
beste, en worden de goden gegrepen die onderhevig zijn aan
verandering [naar het valse ego der goedheid]. De
kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van
vaikârika] samen met de kwaliteiten [of
manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de
guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie
geaardheden o Koning worden dan, er door de Tijd toe
aangezet, overschaduwd door de onuitputtelijke doener
[de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de
natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke
is met de verdelingen van de tijd; ongemanifesteerd zonder
een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige
oorzaak. (Vedabase)
Tekst
20-21
Daarin vindt
men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid,
hartstocht of onwetendheid; de elementen van de grotere
werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en
zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of
de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde.
Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen
water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een
leegte of als iemand die diep in slaap is vormt iedere
verklaring tebovengaand de substantie die dienst doet als de
wortel [de pradhâna],
zo stellen de autoriteiten.
Daarin
vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid
goedheid, hartstocht of onwetendheid; daar zijn er niet de
elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de
intelligentie de zinnen en zo meer - noch zijn er daar de
goden of is er daar de schikking van de verschillende
planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het
waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur,
aarde of zon; dat, alle logica verslaand er zijnde als een
leegte of iemand die diep in slaap is, vormt de substantie
die dienst doet als de wortel [de pradhâna],
zo zeggen de autoriteiten. (Vedabase)
Tekst
22
Dit vormt de
[prâkritika pralaya] vernietiging waarin
al de materiële elementen van de natuur en de
energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon
volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos
opgaan.
Deze
tijd als de energieën hulpeloos opgaan, volledig
onttakeld door de Tijd, vormt de [prâkritika
pralaya] vernietiging van al de materiële elementen
van de natuur van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon.
(Vedabase)
Tekst
23
Het is
[niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn,
de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van
deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten.
Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is
inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn
oorzaak [maar er slechts een aanduiding van vormt,
vergelijk 11.28:
21].
Het
is de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute
Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze
elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten;
wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is
inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van
zijn oorzaak [maarslechts een aanduiding vormt,
vergelijk 11.28: 31]. (Vedabase)
Tekst
24
Een lamp, een
waarnemend oog en de waargenomen vorm staan niet los van het
licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde
manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de
zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene]
werkelijkheid die geheel iets anders is [zie ook
siddhânta
en B.G. 9.15].
Een
lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm zijn
[als de omvormingen ervan] niet verschillend van het
licht, op dezelfde manier verschillen de intelligentie, de
zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen niet van de
[ene] zich verschillend manifesterende werkelijkheid
[zie ook siddhânta en B.G. 9.15].
(Vedabase)
Tekst
25
Het waken, de
slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden
aldus een begoocheling van de zinnen genoemd. Dit o Koning is
de dualiteit zoals de ziel die ervaart.
Het
waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie
horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd,
dit o Koning is de dualiteit ervaren door de ziel.
(Vedabase)
Tekst
26
Net zoals
wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van
de Waarheid, is evenzo dit ganse universum dat zijn
verschillende delen ontwikkelt en weer opgeeft wel en niet
aanwezig.
Net
zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het
Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum wel
en niet aanwezig zoals het met zijn verschillende delen zich
ontwikkelt en weer opgaat. (Vedabase)
Tekst
27
De
samenstellende oorzaak, mijn beste, van welke samengestelde
bestaansvorm dan ook alhier, is een werkelijk iets zo stelt men
[in de Vedânta-sûtra],
precies zoals dat met de draden van een stof is die men los kan
waarnemen van het product dat zij vormen [zie ook
6.3:
12,
11.12:
21].
Het
oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde
bestaansvorm dan ook alhier, kan, zo is gesteld [in de
vedânta-sûtra], los van zijn gemanifesteerde
product worden waargenomen, precies zoals men dat met de
draden van stof kan [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21].
(Vedabase)
Tekst
28
Wat men ook
ervaart in termen van een algemene oorzaak en een bepaald
gevolg is een vorm van illusie, daar alles wat onderling
afhankelijk zijnde onderhevig is aan het hebben van een begin
en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. gefixeerde materie
vormt een illusie, maar de daaraan ten grondslag liggende
energie van de materie zelf is echt].
Wat
men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een
specifiek effect is, in die wederzijdse afhankelijkheid, een
vorm van verbijstering, daar alles wat onderhevig is aan het
hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is
[d.w.z. de fixatie is de illusie, de materie is
echt]. (Vedabase)
Tekst
29
Een enkel atoom
aan verandering onderhevig is, hoewel het zich manifesteert,
zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de
Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs
maar waarneembaar], zelfs als het op dezelfde manier
[als de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te
veranderen.
Onderhevig
aan verandering is een enkel atoom, hoewel het zich
manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de
vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar
[of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het zo
gelijksoortig [aan de onveranderlijke ziel]
standhoudt zonder te veranderen.
(Vedabase)
Tekst
30
Er kunnen geen
verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende
persoon erover denkt in termen van tegenstellingen is dat als
het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden.
Dienovereenkomstig
bestaat er wat betreft de Absolute Waarheid geen dualiteit;
als een persoon niet in kennis erover denkt als zijnde
tweevoudig is dat als het hebben van twee hemelen, twee
daglichten of twee winden. (Vedabase)
Tekst
31
Net zoals goud
zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het
gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer
Adhokshaja
die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in
verschillende termen door zowel de gewone man als door de
vedische persoon.
Net
zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen
afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de
Allerhoogste Heer Adhokshaya die zintuiglijk niet te
doorgronden is, omschreven in verschillende termen door
zowel de gewone man als door de vedische persoon.
(Vedabase)
Tekst
32
Zoals een wolk
als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon
en feitelijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de
duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de
ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die
zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem
tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die
[met een versluierde blik] in verhouding tot de
Opperziel in gebondenheid leeft.
Zoals
een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt
door de zon en waarlijk als een gedeeltelijke expansie van
de zon de duisternis is [van het werpen van een
schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een
kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een
gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet
als een individuele ziel die [met een versluierde
blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid
leeft. (Vedabase)
Tekst
33
Als een wolk
voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt kan het oog
daarop de eigenlijke verschijning van de zon zien; zo ook
verwerft men de juiste heugenis zo gauw men het oppervlakkige
valse ego dat de geestelijke ziel verduistert vernietigt door
spiritueel onderzoek.
Als
de wolk als een product van de zon uiteengedreven is ziet
het oog daarop de zon in zijn eigen gedaante; zo ook
verwerft men, als het oppervlakkige valse ego dat de
geestelijke ziel verduistert wordt vernietigd door
spiritueel onderzoek, op dat moment de juiste heugenis.
(Vedabase)
Tekst
34
Als men op deze
manier door middel van dit zwaard van onderscheid het
misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden
dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een
gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel
[van het Levende Wezen], spreekt men in dat geval van
de uiteindelijke vernietiging [âtyantika
pralaya], mijn beste.
Als
men op deze manier door middel van dit zwaard van
onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties]
heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid
van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de
Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende
Wezen], is dat wat men noemt de uiteindelijke
vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.
(Vedabase)
Tekst
35
O onderwerper
van de vijanden, door sommige deskundigen van het subtiele
wordt gesteld dat de schepping en vernietiging die al de
levende wezens beginnende bij Brahmâ ondergaan iets is
dat voortdurend plaatsvindt.
O
onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen in het
subtiele wordt bevestigd dat schepping en vernietiging van
al de levende wezens beginnende bij Brahmâ voortdurend
plaats vindt. (Vedabase)
Tekst
36
De
verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] van
de dingen die zijn onderworpen aan verandering worden gezwind
weggevaagd door de kracht van de machtige maalstroom van de
Tijd; ze vormen het bewijs van hun constant geboren en
vernietigd worden [dat we nityah pralaya
noemen].
Van
de dingen onderworpen aan verandering welke gezwind worden
weggenomen door de kracht van de machtige stroom van de
Tijd, vormen de verschillende omstandigheden [stadia van
bestaan] de oorzaken van hun constant geboren en
vernietigd worden [nityah pralaya].
(Vedabase)
Tekst
37
De
verschillende stadia gecreëerd door de Tijd - die zelf,
zonder een begin en een eind te kennen, Îs'vara [de
Beheerser] vertegenwoordigd [in het onpersoonlijke]
- worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net
zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of
iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden
gezien [zie ook 3.10;
10-14].
De
verschillende stadia gecreëerd door de Tijd die, zonder
een begin en een eind, de representatie vormt van
Î'svara, worden, zoals u weet, niet rechtstreeks
waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de
ruimte [of iemands verschillende conditioneringen]
niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14].
(Vedabase)
Tekst
38
Op deze manier
wordt de voortgang van de Tijd [kâla]
beschreven als zijnde van een voortdurende
[nitya], incidentele
[naimittika], natuurlijke [elementaire of
prâkritika] en uiteindelijke
[âtyantika] vernietiging.
Op
deze manier wordt de voortgang van de Tijd
[kâla] beschreven als zijnde van een
voortdurende [nitya], incidentele
[naimittika], natuurlijke [elementaire of
prâkritika] en uiteindelijke
[âtyantika] vernietiging.
(Vedabase)
Tekst
39
Bondig zijn
deze vertellingen over de lîlâ
van de schepper van het universum, Nârâyana, het
reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste
van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ]
is in staat ze allen op te sommen.
Bondig
zijn deze vertellingen over de lîlâ van de
schepper van het universum, Nârâyana, het
reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o
beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene
[Brahmâ] is in staat ze allen op te
sommen. (Vedabase)
Tekst
40
Voor de persoon
die te lijden heeft als gevolg van het vuur van de
verschillende vormen van ongeluk en ernaar verlangt de moeilijk
te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te
steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst
aan de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid,
overeenkomstig de persoonlijke smaak voor de vertellingen van
Zijn wederwaardigheden.
Voor
de persoon die, in leed verkerend door het vuur van de
verschillende vormen van ongeluk, het verlangt de moeilijk
te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over
te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van
dienst naar de persoonlijke smaak voor de vertellingen van
de wederwaardigheden van de Fortuinlijke, de Allerhoogste
Persoonlijkheid. (Vedabase)
Tekst
41
Dit
essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd
voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana
uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna
Dvaipâyana [Vyâsa, de schrijver; zie
5.19:
10-15].
Dit
essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd
voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana
uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor
Krishna-dvaipayana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19:
10-15]. (Vedabase)
Tekst
42
Hij, die
machtige heer Bâdarâyana,
was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die een
status geniet gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o
Mahârâja.
Hij,
die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van
dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die qua status te
vergelijken is met de vier Veda's, aan mij te vertellen o
Mahârâja. (Vedabase)
Tekst
43
Sûta
Gosvâmî, die hier bij ons zit, zal het [op zijn
beurt] doorvertellen aan de wijzen die aanwezig zijn in het
Naimishâranyawoud voor een langdurig offer onder leiding
van S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie
1.1].'
Dit
zal worden verteld door Sûta Gosvâmî, die
hier bij ons zit, aan de wijzen aanwezig in het
Naimishâranya woud voor een langdurig offer
voorgezeten door S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie
1.1]. (Vedabase)
