
Canto
4
Hoofdstuk 28: Purañjana wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven
(1) Nârada zei: 'O Koning Prâcînabarhishat, allen van hen, de soldaten, de uitvoerders van de dood van Bhaya [die zijn als de moeilijkheden der ouderdom] en Prajvâra en Kâlakanyâ, trokken tezamen rond over deze aarde. (2) Toen ze eens ook de stad van Purañjana belegerden die, o Koning, zo vol van zinnelijk genot was, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang. (3) Ook de dochter van Kâla nam toen bezit van de stad van Purañjana die met geweld werd ingenomen, en met haar ontdekt een persoon meteen zijn nutteloosheid. (4) Met haar inname en de Yavana's die van alle kanten door de poorten naar binnen kwamen, ontstonden er in de gehele stad grote problemen. (5) De stad in allerlei soorten van moeilijkheden gebracht deed hem, Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was, belanden in allerlei soorten van ellende. (6) Omhelsd door de dochter van de Tijd was hij beroofd van de schoonheid; door zijn verslaving aan plezier een ellendeling geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij gewelddadig van zijn weelde beroofd door de Gandharva's en Yavana's [de bewoners van de hemel en de vleeseters]. (7) Hij zag dat zijn eigen stad uiteenviel in strijdende partijen, met zoons en kleinzoons, bedienden en ministers zonder respect en dat zijn vrouw onverschillig was geworden. (8) Met hemzelf gegrepen door Kâlakanyâ en met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden, raakte hij zeer bevreesd en aldus was het voor hem niet mogelijk om tegenmaatregelen van welke aard dan ook te nemen. (9) De dingen waar hij altijd op uit was hadden allen hun smaak verloren voor de arme man, die mede door Kâlakanyâ de ware zin van het leven uit het oog had verloren in de geëmotioneerde verdediging van zijn gehechtheid aan zijn zoons en echtgenote. (10) De koning, die de stad moest opgeven die geteisterd werd door de Dochter van de Tijd en onder de voet was gelopen door de Gandharva's en Yavana's, werd er tegen zijn wil uit verdreven. (11) Prajvâra, de oudere broer van Bhaya ter plekke aanwezig, zette de stad in brand [als koorts voor het lichaam] enkel met het doel zijn broer [genaamd de angst] te behagen. (12) Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond hadden hij, Purañjana, het hoofd van de grote familie tezamen met zijn vrouw en nakomelingen, te lijden onder haar hitte.
(13) In zijn verblijfplaats aangevallen door de Yavana's, gepakt door Kâlakanyâ en nu ook nog benaderd door Prajvâra, raakte ook de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd. (14) Hij was niet in staat veel uit te richten ter haar verdediging en had het zwaar in zijn verlangen vandaar te ontsnappen; het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen werd geworpen. (15) In haar leden verzwakt met het door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslaan van zijn lichaamskracht, o Koning, schreeuwde hij gefrustreerd [met de stem van Purañjana] het waarlijk hardop uit: (16) 'O mijn dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters en schoonzoons, o mijn metgezellen, welk lot is mijn eigendom en thuis met alle weelde en goed beschoren?'
(17) Met zijn scheiden wendde de huishouder zijn aandacht naar het 'ik' en 'mijn' van zijn thuis en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het met zijn vrouw te kwaad had. (18) 'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe dan moet deze vrouw, verstoken van een echtgenoot, in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen, haar bestaan vinden? (19) Nimmer at ik als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam; zij bleef altijd trouw, angstvallig zich stil houdend als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees. (20) Ze gaf me goede raad als ik dwaas was, ze was bedroefd en terneergeslagen als ik weg was. Zal ze, ondanks dat ze de moeder is van zulke grote helden, er toe in staat zijn vast te houden aan het pad der huishoudelijke verplichtingen? (21) Hoe moeten nu feitelijk mijn arme zoons en dochters, nu die niemand anders hebben om zich op te verlaten, leven als ik van deze wereld verdwenen ben als een kapotte boot midden op zee?'
(22) Aldus met zijn armzalige intelligentie weeklagend over wat men niet moet betreuren, kwam de meester der vertoning genaamd Angst op hem af om hem zonder pardon in te rekenen.(23) Gebonden als een dier werd Purañjana door de Yavana's naar hun eigen verblijf meegesleept, gevolgd door de stroom van zijn getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren. (24) Zo gauw de slang, die het had moeten opgeven was vertrokken en hem achterna komend werd ingerekend, kon de stad niet meer anders dan uiteenvallen. (25) Met alle macht meegezeuld door de Yavana die zo machtig was, slaagde hij, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, er niet in zich zijn vriend en weldoener te herinneren die vanaf het begin met hem was geweest. (26) Al de offerdieren die door hem zo alleronvriendelijkst waren gedood met bijlen en toen aan stukken waren gesneden, herinnerden vol woede zich die zondige aktiviteit van hem. (27) Onder de invloed van de gehechtheid aan vrouwen, zonder uitzicht levend temidden van de duisternis en verstoken van alle intelligentie, heeft men voor vele jaren, als het niet een eeuwigheid is, de pijn te verduren. (28) Door haar constant in zijn geest te houden werd hij, na zijn dood, een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha. (29) Als de beloning der moed werd die dochter van Vidarbha uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste der geschoolden in het gevecht, na vele andere prinsen te hebben verslagen, de veroveraar van de stad der steden was. (30) Van haar kreeg hij een dochter met donkere ogen en zeven jongere machtige zoons * die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida]. (31) Van ieder van hen, o Koning, waren er miljoenen en miljoenen van nazaten door wie de wereld tot aan de tijd van één Manu en langer werd geregeerd [zie 3.11: 24]. (32) Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de gezworen eerste dochter en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.
(33) Nadat hij de gehele wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de zedige koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala ernaar verlangend Heer Krishna te aanbidden. (34) Met het opgeven van zijn thuis, kinderen en materiële geluk volgde de dochter van Vidarbha met de bekoorlijke ogen, haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezeld. (35-36) Daar aan de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ reinigde hij zichzelf dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren en zich voedend met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, werd zijn lichaam geleidelijk aan mager met het ondergaan van de verzaking. (37) Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed. (38) Door verzaking en discipline brandden alle onzuiverheden op; door de regulerende beginselen [niyama] en zelfbeheersing [yama] fixeerde hij zichzelf, in spirituele verwerkelijking, in de volledige beheersing van zijn zinnen, zijn leven en zijn bewustzijn [vergelijk: 4.22: 24, 3.29: 17]. (39) Zo onbeweeglijk blijvend als het hebben van de zelfde plaats voor de duur van een honderd godenjaren [zie 3.11: 12] wist hij, stabiel in relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, van niets anders dan van die aantrekking. (40) Hij kon, bij het alles doorvarende van de Superziel, zichzelf in volmaakte kennis onderscheiden alsof hij in een droom verkeerde: als de welbewuste getuige die zeker was van zijn onverschilligheid ['de verheugde held']. (41) Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen], o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht. (42) Zichzelf aldus in het bovenzinnelijk Absolute en de Superziel van het Absolute ook binnenin zichzelf waarnemend, gaf hij, met dit proces, zijn voorbehoud op en trok hij zich vastbesloten terug.
(43) Haar echtgenoot als haar God, de allerhoogste kenner der principes, aanvaardend diende Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding en gaf ze haar zinsgenoegens op. (44) In oude vodden, mager en dun en met haar haar samengeklit, straalde ze naast haar echtgenoot zo vredig als een vlam van een vuur. (45) Zij, zoals ze dat gewoon was, ging door met hem te dienen, die daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, totdat ze niet langer met zijn heengaan nog enig levensteken van haar geliefde echtgenoot kon bekennen. (46) Toen ze, hem dienend, niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hert gescheiden van haar partner. (47) Voor zichzelf weeklagend over hoe wreed het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze verscheurd in haar hart hardop te huilen, haar borsten met haar tranen nat makend. (48) 'Sta op, alsjeblieft, sta op!, o heilige Koning. Deze wereld zo bang temidden van een oceaan vol schurken en heersers vol van gehechtheid, zou je beschermen!' (49) Aldus weeklagend viel de onschuldige vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot, al weeklagend tranen plengend. (50) Bovenop het lichaam van haar man stapelde ze toen een brandstapel op van hout en na die te hebben aangestoken stierf ze [saha-marana], met haar geest gefixeerd in het verdriet, samen met hem.
(51) Voordat zich dat daar afspeelde bracht een soort van vriend, een brahmaan, een zeer geleerd persoon, haar heel vriendelijk tot rust met troostende woorden, tot haar sprekend over haar meester toen ze aan het huilen was. (52) De brahmaan zei: 'Wie ben je? Bij wie hoor je en wie is deze man die hier neerligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd? (53) Weet je nog hoe, o vriend, je, onbekend zijnde met de Superziel, je Me als je vriend op hebt gegeven, in gehechtheid aan een positie van verlangen naar materieel plezier? (54) Jij en Ik , o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die, voor duizenden jaren aan één stuk samen levend in het Mânasa meer [een heilig bergmeer in de Himalaya's dat staat voor de zuivere geest], gescheiden raakten van hun eigenlijke thuis. (55) Jij als die zwaan die me hebt verlaten, o vriend, bewoog zich als iemand met een materieel bewustzijn richting aarde, waar je jezelf aantrof in posities die waren voortgebracht door een of andere vrouw. (56) Met vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie kamers, zes families, vijf opslagplaatsen en vijf materiële elementen heeft het [die positie van het hebben van een materieel lichaam] één vrouw als meester. (57) De tuinen zijn de vijf objecten van de zinnen, de poorten, o beschermer, zijn de negen openingen van de zintuigen, de levenskracht [het vuur], water en voedsel [de aarde] zijn de drie kamers en de families zijn de vijf zinnen zelve en de geest. (58) De vijf opslagplaatsen vormen de macht van het handelen [de vijf werkende zinnen] waarbij de mens de [vrouwelijke] beheerser der energie is van het eeuwige van de vijf elementen der grove materie, tegenover waarvan men, na dat domein te zijn binnengegaan, verstoken is van kennis. (59) Jij in die situatie in contact staand met de schittering ervan moet het, ervan genietend in haar gezelschap, dan stellen zonder de heugenis van het onuitputtelijke [van je geestelijk bestaan], en op deze manier heb je een staat bereikt die vol van zonde is, mijn beste. (60) In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je alle heil toewensende echtgenoot, noch was je Purañjana de echtgenoot; je was al die tijd in het lichaam met zijn negen poorten eenvoudigweg in beslag genomen door de materiële energie. (61) Bezie enkel onze feitelijke positie; door deze illusoire energie van Mij vond je ongetwijfeld een bestaan waarin je jezelf dan hield voor een man, een vrouw of een niet-sexueel wezen, maar ons beiden vergat je als zijnde verenigd in het zuivere van het spiritueel zwaangelijke. (62) Jij en Ik zijn niet verschillend [in kwaliteit] daar jij, zoals je bent, voor zeker bent zoals Ik ben Mijn vriend; het denkbeeldig onderscheid tussen ons tweeën wordt door de meer gevorderde geleerden dan ook nooit en te nimmer onderkend. (63) Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld dat iemand van zichzelf ziet, in een spiegel of door de ogen van een ander, verschilt van hemzelf [vergelijk 3.28: 40]. (64) De individuele ziel aldus gelijk een zwaan samenlevend in het hart verkeert, onderricht door de andere zwaan, in zelfverwerkelijking, omdat dan de ware heugenis wordt hervonden die verloren was gegaan in het afgescheiden zijn van het oorspronkelijke zelf. '
(65) 'O Prâcînabarhi, ik gaf u deze analogie van de zelfverwerkelijking, om uw interesse op te wekken in de Allerhoogste Heer, onze God, de oorzaak aller oorzaken, op een indirecte manier.'
Second edition, loaded December 11, 2006.
Bronteksten:
Purañjana wordt een vrouw in zijn volgende leven
Nârada zei: 'O King Prâcînabarhishat, allen van hen, de soldaten, de uitvoerders van de dood van Bhaya [die zijn als de moeilijkheden der ouderdom] en Prajvâra en Kâlakanyâ, trokken tezamen rond over deze aarde.De grote wijze Nârada vervolgde: O koning Prâcînabarhishat, daarna begon de koning der Yavana's, die de angst in persoon is, samen met Prajvâra, Kâlakanyâ en zijn soldaten over de hele wereld te reizen. (Vedabase)
Toen ze eens ook de stad van Purañjana belegerden die, o Koning, zo vol van zinnelijk genot was, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang.
Op een dag vielen deze gevaarlijke soldaten met grote kracht Purañjana's stad aan. Hoewel de stad vol van zaken voor zinsbevrediging was, werd ze door de oude slang beschermd. (Vedabase)
Ook de dochter van Kâla nam toen bezit van de stad van Purañjana die met geweld werd ingenomen, en met haar ontdekt een persoon meteen zijn nutteloosheid.
Kâlakanyâ viel met behulp van de gevaarlijke soldaten geleidelijk alle inwoners van Purañjana's stad aan, zodat ze tenslotte tot niets meer in staat waren. (Vedabase)
Met haar inname en de Yavana's die van alle kanten door de poorten naar binnen kwamen, ontstonden er in de gehele stad grote problemen.
Toen Kâlakanyâ, dochter van de Tijd, het lichaam aanviel, gingen de gevaarlijke soldaten van de koning der Yavana's de stad door de verschillende poorten binnen. Vervolgens begonnen ze het alle burgers ontzettend moeilijk te maken. (Vedabase)
De stad in allerlei soorten van moeilijkheden gebracht deed hem, Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was, belanden in allerlei soorten van ellende.
Toen de stad zo door Kâlakanyâ en de soldaten van Yavana-râja werd bedreigd, kwam Purañjana in de problemen omdat hij te zeer opging in zijn genegenheid voor zijn gezin. (Vedabase)
Omhelsd door de dochter van de Tijd was hij beroofd van de schoonheid; door zijn verslaving aan plezier een ellendeling geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij gewelddadig van zijn weelde beroofd door de Gandharva's en Yavana's [de bewoners van de hemel en de vleeseters].
Toen Kâlakanyâ koning Purañjana omhelsde, verloor hij geleidelijk al zijn schoonheid. Daar hij te zeer aan seks gehecht was geweest, ging zijn intelligentie sterk achteruit en raakte hij al zijn rijkdom kwijt. Van al zijn bezittingen beroofd, werd hij met geweld door de Gandharva's en Yavana's geveld. (Vedabase)
Hij zag dat zijn eigen stad uiteenviel in strijdende partijen, met zoons en kleinzoons, bedienden en ministers zonder respect en dat zijn vrouw onverschillig was geworden.
Koning Purañjana zag toen dat zijn hele stad in een chaos was veranderd en dat zijn zonen, kleinzonen, dienaren en ministers zich allemaal geleidelijk tegen hem keerden. Ook merkte hij dat zijn vrouw koud en onverschillig aan het worden was. (Vedabase)
Met hemzelf gegrepen door Kâlakanyâ en met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden, raakte hij zeer bevreesd en aldus was het voor hem niet mogelijk om tegenmaatregelen van welke aard dan ook te nemen.
Toen koning Purañjana zag dat al zijn familieleden, zijn verwanten, zijn gevolg, zijn dienaren, zijn secretarissen en alle andere mensen zich tegen hem gekeerd hadden, raakte hij overmand door angst. Hij kon er echter niets tegen doen omdat hij volkomen overweldigd was door Kâlakanyâ. (Vedabase)
De dingen waar hij altijd op uit was hadden allen hun smaak verloren voor de arme man, die mede door Kâlakanyâ de ware zin van het leven uit het oog had verloren in de geëmotioneerde verdediging van zijn gehechtheid aan zijn zoons en echtgenote.
Onder invloed van Kâlakanyâ verloren de genotsobjecten hun aantrekking. Doordat koning Purañjana nog steeds wellustige verlangens koesterde, werd hij in elk opzicht heel arm en begreep hij niets van het doel van het leven. Hij hield nog steeds heel veel van zijn vrouw en kinderen en maakte zich zorgen om hun onderhoud. (Vedabase)
De koning, die de stad moest opgeven die geteisterd werd door de Dochter van de Tijd en onder de voet was gelopen door de Gandharva's en Yavana's, werd er tegen zijn wil uit verdreven.
Koning Purañjana's stad werd door de Gandharva- en Yavana-soldaten ingenomen, en hoewel de koning geen verlangen had om zijn stad te verlaten, werd hij daar gezien de omstandigheden wel toe gedwongen, daar ze door Kâlakanyâ vernietigd was. (Vedabase)
Prajvâra, de oudere broer van Bhaya ter plekke aanwezig, zette de stad in brand [als koorts voor het lichaam] enkel met het doel zijn broer [genaamd de angst] te behagen.
Vervolgens stak de oudere broer van Yavana-râja, Prajvâra geheten, de stad in brand om zijn jongere broer, ook "de angst in persoon" genoemd, voldaan te stemmen. (Vedabase)
Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond hadden hij, Purañjana, het hoofd van de grote familie tezamen met zijn vrouw en nakomelingen, te lijden onder haar hitte.
Toen de stad in brand gestoken werd, waren alle onderdanen en dienaren van de koning, al zijn familieleden, zijn zonen, zijn kleinzonen, zijn vrouwen en zijn andere verwanten omringd door het vuur. Dat maakte koning Purañjana diep ongelukkig. (Vedabase)
In zijn verblijfplaats aangevallen door de Yavana's, gepakt door Kâlakanyâ en nu ook nog benaderd door Prajvâra, raakte ook de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd.
De hoofdcommissaris van politie in de stad, de slang, zag dat de burgers door Kâlakanyâ werden aangevallen, en hij werd erg verdrietig toen hij merkte dat zijn eigen woning bij de aanval van de Yavana's in brand was gestoken. (Vedabase)
Hij was niet in staat veel uit te richten ter haar verdediging en had het zwaar in zijn verlangen vandaar te ontsnappen; het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen werd geworpen.
Zoals een slang die in een boomholte leeft eruit wil wanneer er een bosbrand is, wilde de hoofdcommissaris van politie, de slang, de stad verlaten vanwege de grote hitte van het vuur. (Vedabase)
In haar leden verzwakt met het door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslaan van zijn lichaamskracht, o Koning, schreeuwde hij gefrustreerd [met de stem van Purañjana] het waarlijk hardop uit:
De verschillende delen van het slangenlichaam waren verzwakt door de aanval van de Gandharva- en Yavana-soldaten, en zijn lichaamskracht was volkomen uitgeput. Maar toen hij zijn lichaam probeerde te verlaten, werd hij door zijn vijanden tegengehouden. Daar hij in zijn poging gefrustreerd werd, begon hij luidkeels te schreeuwen. (Vedabase)
'O mijn dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters en schoonzoons, o mijn metgezellen, welk lot is mijn eigendom en thuis met alle weelde en goed beschoren?'
Koning Purañjana begon toen aan zijn dochters, zonen, kleinzonen, schoondochters, schoonzonen, dienaren en andere metgezellen te denken, en aan zijn huis, zijn huisraad en het kleine beetje rijkdom dat hij verzameld had. (Vedabase)
Met zijn scheiden wendde de huishouder zijn aandacht naar het 'ik' en 'mijn' van zijn thuis en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het met zijn vrouw te kwaad had.
Koning Purañjana was te zeer gehecht aan zijn gezin en aan het idee van "ik" en "mijn". Zijn overdreven gehechtheid aan zijn vrouw had hem al straatarm gemaakt. Toen het moment kwam waarop hij van haar moest scheiden, werd hij daarom intens bedroefd. (Vedabase)Tekst 18:
'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe dan moet deze vrouw, verstoken van een echtgenoot, in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen, haar bestaan vinden?
Koning Purañjana dacht angstig: "Helaas, mijn vrouw moet voor zoveel kinderen zorgen. Hoe zal ze al deze familieleden onderhouden wanneer ik dit lichaam verlaat? Helaas, ze zal enorm gekweld worden door alle zorgen om het onderhoud van het gezin. (Vedabase)"
Nimmer at ik als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam; zij bleef altijd trouw, angstvallig zich stil houdend als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees.
Koning Purañjana begon toen aan zijn relatie met zijn vrouw te denken. Hij herinnerde zich dat zijn vrouw haar middagmaal altijd pas nam wanneer hij klaar was met eten, dat ze pas een bad nam nadat hij klaar was met baden, en dat ze altijd erg aan hem gehecht was; zozeer zelfs dat wanneer hij soms kwaad werd en haar terechtwees, ze gewoon bleef zwijgen en zijn wangedrag verdroeg. (Vedabase)
Ze gaf me goede raad als ik dwaas was, ze was bedroefd en terneergeslagen als ik weg was. Zal ze, ondanks dat ze de moeder is van zulke grote helden, er toe in staat zijn vast te houden aan het pad der huishoudelijke verplichtingen?
Koning Purañjana herinnerde zich verder hoe zijn vrouw hem goede raad gaf wanneer hij in de war was en hoe verdrietig ze altijd was wanneer hij van huis weg was. Hoewel ze de moeder van zoveel zonen en helden was, vreesde de koning toch dat ze niet in staat zou zijn om de verantwoordelijkheid voor alle gezinsaangelegenheden op zich te nemen. (Vedabase)
Hoe moeten nu feitelijk mijn arme zoons en dochters, nu die niemand anders hebben om zich op te verlaten, leven als ik van deze wereld verdwenen ben als een kapotte boot midden op zee?'
Koning Purañjana vroeg zich verder bezorgd af: "Als ik deze wereld verlaat, hoe zullen mijn zonen en dochters, die nu volledig van mij afhankelijk zijn, dan in leven blijven en verder gaan? Hun situatie is als die van passagiers van een schip dat midden in de oceaan schipbreuk lijdt. (Vedabase)"
Aldus met zijn armzalige intelligentie weeklagend over wat men niet moet betreuren, kwam de meester der vertoning genaamd Angst op hem af om hem zonder pardon in te rekenen.
Hoewel koning Purañjana het lot van zijn vrouw en kinderen niet had moeten betreuren, deed hij het vanwege zijn bekrompen intelligentie toch. Ondertussen kwam Yavana-râja, die de angst in persoon genoemd werd, onverwijld naar hem toe om hem te arresteren. (Vedabase)
Gebonden als een dier werd Purañjana door de Yavana's naar hun eigen verblijf meegesleept, gevolgd door de stroom van zijn getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren.
Toen de Yavana's koning Purañjana als een dier vastbonden en hem meenamen naar hun woonplaats, werd zijn gevolg diep bedroefd. Onder luid gejammer werden ze gedwongen om met hem mee te gaan. (Vedabase)
Zo gauw de slang, die het had moeten opgeven was vertrokken en hem achterna komend werd ingerekend, kon de stad niet meer anders dan uiteenvallen.
De slang, die door de soldaten van Yavana-râja was gearresteerd en de stad al uit was, begon samen met de anderen zijn meester te volgen. Zodra ze allemaal de stad hadden verlaten, werd deze onmiddellijk afgebroken en tot stof verbrijzeld. (Vedabase)
Met alle macht meegezeuld door de Yavana die zo machtig was, slaagde hij, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, er niet in zich zijn vriend en weldoener te herinneren die vanaf het begin met hem was geweest.
Toen koning Purañjana met geweld door de sterke Yavana werd meegesleurd, kon hij zich in zijn diepe onwetendheid nog steeds zijn vriend de Superziel, die hem altijd het beste toewenste, niet herinneren. (Vedabase)
Al de offerdieren die door hem zo alleronvriendelijkst waren gedood met bijlen en toen aan stukken waren gesneden, herinnerden vol woede zich die zondige aktiviteit van hem.
Die wrede koning Purañjana had vele dieren gedood bij de verschillende offers die hij gebracht had. Al deze dieren zagen nu hun kans schoon en begonnen hem met hun hoorns te doorboren. Het was alsof hij met bijlen aan stukken gehakt werd. (Vedabase)
Onder de invloed van de gehechtheid aan vrouwen, zonder uitzicht levend temidden van de duisternis en verstoken van alle intelligentie, heeft men voor vele jaren, als het niet een eeuwigheid is, de pijn te verduren.
Vanwege hun onzuivere omgang met vrouwen, ondergaan degenen die net als koning Purañjana zijn, eeuwig alle kwellingen van het materiële bestaan en blijven zonder enige herinnering vele, vele jaren in het diepe duister van het materiële leven. (Vedabase)
Door haar constant in zijn geest te houden werd hij, na zijn dood, een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha.
Koning Purañjana verliet zijn lichaam terwijl hij aan zijn vrouw dacht, als gevolg waarvan hij in zijn volgende leven een bijzonder mooie en hooggeplaatste vrouw werd; hij werd namelijk als de dochter van koning Vidarbha in diens huis geboren. (Vedabase)
Als de beloning der moed werd die dochter van Vidarbha uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste der geschoolden in het gevecht, na vele andere prinsen te hebben verslagen, de veroveraar van de stad der steden was.
Er werd besloten dat Vaidarbhî, de dochter van koning Vidarbha, zou trouwen met Malayadhvaja, eer zeer krachtig man uit het land Pându. Nadat deze de andere prinsen verslagen had, trad hij met de dochter van koning Vidarbha in het huwelijk. (Vedabase)
Van haar kreeg hij een dochter met donkere ogen en zeven jongere machtige zoons * die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida].
Koning Malayadhvaja werd de vader van één dochter die diepzwarte ogen had. Hij had ook zeven zonen, die later het land dat bekendstaat als Dravida regeerden. Op die manier had dat land dus zeven koningen. (Vedabase)
Van ieder van hen, o Koning, waren er miljoenen en miljoenen van nazaten door wie de wereld tot aan de tijd van één Manu en langer werd geregeerd [zie 3.11: 24].
O koning Prâcînabarhishat, de zonen van Malayadhvaja verwekten vele honderdduizenden zonen, die met zijn allen de hele wereld hebben beschermd tot aan het eind van het leven van één Manu en zelfs daarna. (Vedabase)
Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de gezworen eerste dochter en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.
De grote wijze Âgastya trouwde met de eerste dochter van Malayadhvaja, de gezworen toegewijde van Heer Krishna. Zij kreeg één zoon, die Dridhacyuta heette, en deze kreeg ook een zoon, Idhmavâha genaamd. (Vedabase)
Nadat hij de gehele wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de zedige koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala ernaar verlangend Heer Krishna te aanbidden.
Daarna verdeelde de grote heilige koning Malayadhvaja zijn koninkrijk onder zijn zonen. Vervolgens ging hij naar een afgelegen plaats, Kulâcala geheten, om Heer Krishna met volle aandacht te aanbidden. (Vedabase)
Met het opgeven van zijn thuis, kinderen en materiële geluk volgde de dochter van Vidarbha met de bekoorlijke ogen, haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezeld.
Toen koning Malayadhvaja naar Kulâcala vertrok, volgde zijn toegewijde vrouw, wier ogen zeer bekoorlijk waren, hem onmiddellijk, zoals de maneschijn 's nachts de maan volgt. Daarmee gaf ze al het huiselijk geluk op ondanks het feit dat haar familie en kinderen achterbleven. (Vedabase)
Daar aan de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ reinigde hij zichzelf dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren en zich voedend met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, werd zijn lichaam geleidelijk aan mager met het ondergaan van de verzaking.
In de provincie Kulâcala stroomden de rivieren Candravasâ, Tâmraparnî en Vathodakâ. Koning Malayadhvaja ging regelmatig naar deze heilige rivieren om zich er te baden. Op die manier zuiverde hij zich zowel vanbuiten als vanbinnen. Hij nam een bad en onderging strenge boetedoeningen door knollen, zaden, bladeren, bloemen, wortels, vruchten en grassen te eten en alleen water te drinken, zodat hij tenslotte heel mager werd. (Vedabase)
Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed.
Door zijn boetedoeningen bereikte koning Malayadhvaja geleidelijk het niveau waarop de dualiteiten van hitte en koude, geluk en verdriet, regen en wind, honger en dorst, het aangename en het onaangename, hem zowel lichamelijk als geestelijk onberoerd lieten. Aldus steeg hij boven alle betrekkelijkheden uit. (Vedabase)
Door verzaking en discipline brandden alle onzuiverheden op; door de regulerende beginselen [niyama] en zelfbeheersing [yama] fixeerde hij zichzelf, in spirituele verwerkelijking, in de volledige beheersing van zijn zinnen, zijn leven en zijn bewustzijn [vergelijk: 4.22: 24, 3.29: 17].
Door te vereren, boete te doen en het volgen van leefregels, werd koning Malayadhvaja volkomen meester over zijn zintuigen, zijn leven en zijn bewustzijn. Zo richtte hij alles op het middelpunt, het allerhoogste Brahman [Krishna]. (Vedabase)
Zo onbeweeglijk blijvend als het hebben van de zelfde plaats voor de duur van een honderd godenjaren [zie 3.11: 12] wist hij, stabiel in relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, van niets anders dan van die aantrekking.
Zo bleef hij honderd halfgodenjaren onbeweeglijk op één plaats zitten, totdat hij gevoelens van zuivere toewijding tot Krishna, de Allerhoogste Godspersoon, ontwikkeld had, en deze realisatie hield hij vast. (Vedabase)
Hij kon, bij het alles doorvarende van de Superziel, zichzelf in volmaakte kennis onderscheiden alsof hij in een droom verkeerde: als de welbewuste getuige die zeker was van zijn onverschilligheid ['de verheugde held'].
Koning Malayadhvaja kwam tot volmaakte kennis doordat hij de Superziel van de individuele ziel kon onderscheiden. De individuele ziel is maar op één plaats tegelijk, terwijl de Superziel alomtegenwoordig is. Hij werd zich volkomen bewust van het feit dat het stoffelijke lichaam niet de ziel is, maar dat de ziel de getuige van de activiteiten van het stoffelijke lichaam is. (Vedabase)
Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen], o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht.
Zo verwierf koning Malayadhvaja volmaakte kennis omdat hij zuiver als hij was, rechtstreeks door de Allerhoogste Godspersoon onderwezen werd. Met deze verlichtende transcendentale kennis kon hij alles vanuit elk oogpunt begrijpen. (Vedabase)
Zichzelf aldus in het bovenzinnelijk Absolute en de Superziel van het Absolute ook binnenin zichzelf waarnemend, gaf hij, met dit proces, zijn voorbehoud op en trok hij zich vastbesloten terug.
Koning Malayadhvaja kon dus zien dat de Superziel Zich aan zijn zijde bevond en dat hij, de individuele ziel, naast de Superziel zat. Daar ze samen waren, was het niet nodig om enig eigen belang na te jagen; daarom staakte hij dergelijke activiteiten. (Vedabase)
Haar echtgenoot als haar God, de allerhoogste kenner der principes, aanvaardend diende Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding en gaf ze haar zinsgenoegens op.
De dochter van koning Vidarbha beschouwde haar echtgenoot in alle opzichten als de Allerhoogste. Ze gaf elk zinnelijk genot op en volgde in volledige verzaking de principes van haar echtgenoot, die zo gevorderd was. Op die manier diende ze hem voortdurend. (Vedabase)
In oude vodden, mager en dun en met haar haar samengeklit, straalde ze naast haar echtgenoot zo vredig als een vlam van een vuur.
De dochter van koning Vidarbha droeg oude kleren en was door haar geloften van versterving dun en mager. Daar ze haar haar niet kamde, raakte het verward en zat het vol klitten. Hoewel ze altijd vlak bij haar man bleef, was ze zo stil en sereen als een vlam in een onverstoord brandend vuur. (Vedabase)
Zij, zoals ze dat gewoon was, ging door met hem te dienen, die daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, totdat ze niet langer met zijn heengaan nog enig levensteken van haar geliefde echtgenoot kon bekennen.
De dochter van koning Vidarbha ging gewoon door met het dienen van haar echtgenoot, die steeds in dezelfde houding zat, totdat ze vaststelde dat hij zijn lichaam had verlaten. (Vedabase)
Toen ze, hem dienend, niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hert gescheiden van haar partner.
Toen ze haar man diende door zijn benen te masseren, voelde ze dat zijn voeten niet meer warm waren, waaruit ze begreep dat hij zijn lichaam reeds verlaten had. Alleen achtergebleven, werd ze overmand door angst. Zonder het gezelschap van haar man voelde ze zich precies als een hinde die van haar partner gescheiden is. (Vedabase)
Voor zichzelf weeklagend over hoe wreed het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze verscheurd in haar hart hardop te huilen, haar borsten met haar tranen nat makend.
Nu de dochter van Vidarbha een weduwe was, eenzaam en alleen in het woud, begon ze te weeklagen. Ze weende zeer luid, waarbij de tranen die onophoudelijk uit haar ogen stroomden, haar borsten natmaakten. (Vedabase)
'Sta op, alsjeblieft, sta op!, o heilige Koning. Deze wereld zo bang temidden van een oceaan vol schurken en heersers vol van gehechtheid, zou je beschermen!'
O beste onder de koningen, sta alstublieft op! Sta op! Zie toch hoe deze wereld omringd is door water, en door schurken en zogenaamde koningen geteisterd wordt. De wereld is heel erg bang, en het is uw plicht om haar te beschermen. (Vedabase)
Aldus weeklagend viel de onschuldige vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot, al weeklagend tranen plengend.
Deze buitengewoon volgzame vrouw viel toen aan de voeten van haar overleden echtgenoot neer en begon jammerlijk te wenen in dat eenzame woud. De tranen stroomden uit haar ogen. (Vedabase)
Bovenop het lichaam van haar man stapelde ze toen een brandstapel op van hout en na die te hebben aangestoken stierf ze [saha-marana], met haar geest gefixeerd in het verdriet, samen met hem.
Daarna maakte ze een brandstapel klaar en legde het lijk van haar man daarop. Toen dit gedaan was, jammerde ze erbarmelijk en bereidde ze zich voor om zich samen met haar man door het vuur te laten verteren. (Vedabase)
Voordat zich dat daar afspeelde bracht een soort van vriend, een brahmaan, een zeer geleerd persoon, haar heel vriendelijk tot rust met troostende woorden, tot haar sprekend over haar meester toen ze aan het huilen was.
O koning, toen kwam er een brâhmaan, een oude vriend van koning Purañjana, op die plek aan, die de koningin met vriendelijke woorden begon te troosten. (Vedabase)
De brahmaan zei: 'Wie ben je? Bij wie hoor je en wie is deze man die hier neerligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd?
De brâhmana vroeg haar: Wie ben je? Wiens vrouw of dochter ben je? Wie is de man die hier ligt? Het lijkt wel alsof je om dit lijk treurt. Herken je Me niet? Ik ben je eeuwige vriend. Misschien kun je je herinneren dat je Me in het verleden vele malen geraadpleegd hebt. (Vedabase)
Weet je nog hoe, o vriend, je, onbekend zijnde met de Superziel, je Me als je vriend op hebt gegeven, in gehechtheid aan een positie van verlangen naar materieel plezier?
De brâhmana vervolgde: Mijn beste vriend, zelfs al kan je Me niet meteen herkennen - herinner je je niet dat je in het verleden een zeer intieme vriend had? Helaas heb je Mijn gezelschap verlaten en de positie van genieter in deze materiële wereld ingenomen. (Vedabase)
Jij en Ik , o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die, voor duizenden jaren aan één stuk samen levend in het Mânasa meer [een heilig bergmeer in de Himalaya's dat staat voor de zuivere geest], gescheiden raakten van hun eigenlijke thuis.
Mijn beste, zachtmoedige vriend, jij en Ik zijn net als twee zwanen. We wonen samen in hetzelfde hart, dat als het Mânasa-meer is. Hoewel we al vele duizenden jaren lang samenleven, zijn we nog altijd ver weg van ons oorspronkelijke huis. (Vedabase)
Jij als die zwaan die me hebt verlaten, o vriend, bewoog zich als iemand met een materieel bewustzijn richting aarde, waar je jezelf aantrof in posities die waren voortgebracht door een of andere vrouw.
Je bent nog steeds diezelfde vriend voor Mij. Sinds je Mij hebt verlaten, ben je steeds materialistischer geworden, en Mij vergetend, heb je in verschillende gedaanten door deze materiële wereld gereisd, die door een of andere vrouw geschapen is. (Vedabase)
Met vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie kamers, zes families, vijf opslagplaatsen en vijf materiële elementen heeft het [die positie van het hebben van een materieel lichaam] één vrouw als meester.
In die stad [het materiële lichaam] zijn vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie kamers, zes gezinnen, vijf opslagplaatsen, vijf materiële elementen en één vrouw, die de baas is in het huis. (Vedabase)
De tuinen zijn de vijf objecten van de zinnen, de poorten, o beschermer, zijn de negen openingen van de zintuigen, de levenskracht [het vuur], water en voedsel [de aarde] zijn de drie kamers en de families zijn de vijf zinnen zelve en de geest.
Mijn beste vriend, de vijf tuinen zijn de vijf objecten van zingenot, en de beschermer is de levenslucht, die door de negen poorten circuleert. De drie kamers zijn de hoofdelementen - vuur, water en aarde. De zes gezinnen zijn het geheel van de geest en de vijf zintuigen. (Vedabase)
De vijf opslagplaatsen vormen de macht van het handelen [de vijf werkende zinnen] waarbij de mens de [vrouwelijke] beheerser der energie is van het eeuwige van de vijf elementen der grove materie, tegenover waarvan men, na dat domein te zijn binnengegaan, verstoken is van kennis.
De vijf opslagplaatsen zijn de vijf actieve zinsorganen. Ze voeren hun taak uit door de gecombineerde krachten van de vijf elementen, die eeuwig zijn. Achter al deze activiteit zit de ziel. De ziel is een persoon, en in werkelijkheid bestemd om te genieten. Maar omdat hij nu opgesloten zit in de stad van het lichaam, is hij verstoken van kennis. (Vedabase)
Jij in die situatie in contact staand met de schittering ervan moet het, ervan genietend in haar gezelschap, dan stellen zonder de heugenis van het onuitputtelijke [van je geestelijk bestaan], en op deze manier heb je een staat bereikt die vol van zonde is, mijn beste.
Mijn beste vriend, wanneer je samen met de vrouw van materiële verlangens zo'n lichaam ingaat, raak je volledig geabsorbeerd in zingenot. Daarom ben je je geestelijk leven vergeten. Als gevolg van je materiële opvattingen, word je in verschillende ellendige situaties geplaatst. (Vedabase)
In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je alle heil toewensende echtgenoot, noch was je Purañjana de echtgenoot; je was al die tijd in het lichaam met zijn negen poorten eenvoudigweg in beslag genomen door de materiële energie.
In feite ben je niet de dochter van Vidarbha, noch is deze man Malayadhvaja, je welgezinde echtgenoot, en eigenlijk was je evenmin de echtgenoot van Purañjanî. Je was gewoon gevangen in dit lichaam met negen poorten. (Vedabase)
Bezie enkel onze feitelijke positie; door deze illusoire energie van Mij vond je ongetwijfeld een bestaan waarin je jezelf dan hield voor een man, een vrouw of een niet-sexueel wezen, maar ons beiden vergat je als zijnde verenigd in het zuivere van het spiritueel zwaangelijke.
De ene keer denk je dat je een man bent, de andere keer denk je dat je een kuise vrouw bent, en dan beschouw je jezelf weer als een eunuch. Dit komt allemaal door het lichaam, dat door de begoochelende energie is geschapen. Deze begoochelende energie is Mijn vermogen. In feite hebben we echter beiden - jij en Ik - een zuiver geestelijke identiteit. Tracht dit nu gewoon te begrijpen. Ik probeer je onze ware positie duidelijk te maken. (Vedabase)
Jij en Ik zijn niet verschillend [in kwaliteit] daar jij, zoals je bent, voor zeker bent zoals Ik ben Mijn vriend; het denkbeeldig onderscheid tussen ons tweeën wordt door de meer gevorderde geleerden dan ook nooit en te nimmer onderkend.
Mijn beste vriend, Ik, de Superziel, en jij, de individuele ziel, zijn niet verschillend in kwaliteit, want we zijn beiden geestelijk. In feite ben jij in je wezensstaat kwalitatief niet verschillend van Mij. Probeer over deze zaak na te denken. De waarlijk gevorderde geleerden, zij die werkelijke kennis bezitten, zien kwalitatief geen enkel verschil tussen jou en Mij. (Vedabase)
Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld dat iemand van zichzelf ziet, in een spiegel of door de ogen van een ander, verschilt van hemzelf [vergelijk 3.28: 40].
Zoals iemand zijn spiegelbeeld als één en niet verschillend van zichzelf beschouwt, terwijl anderen twee lichamen zien, zo bestaat er in onze materiële conditie, waaraan het levend wezen tegelijkertijd wel en niet onderhevig is, verschil tussen God en het levend wezen. (Vedabase)
De individuele ziel aldus gelijk een zwaan samenlevend in het hart verkeert, onderricht door de andere zwaan, in zelfverwerkelijking, omdat dan de ware heugenis wordt hervonden die verloren was gegaan in het afgescheiden zijn van het oorspronkelijke zelf.'
Zo leven de twee zwanen naast elkaar in het hart. Wanneer de ene zwaan door de andere wordt onderwezen, bevindt hij zich in zijn wezensstaat. Dit betekent dat hij zijn oorspronkelijke Krishna-bewustzijn, dat verloren was gegaan omdat hij tot het materiële was aangetrokken, hervindt. (Vedabase)
'O Prâcînabarhi, ik gaf u deze analogie van de zelfverwerkelijking, om uw interesse op te wekken in de Allerhoogste Heer, onze God, de oorzaak aller oorzaken, op een indirecte manier.'
O koning Prâcînabarhi, de Allerhoogste Godspersoon, de oorzaak aller oorzaken, staat erom bekend dat men Hem indirect leert kennen. Nu heb ik u het verhaal over Purañjana helemaal verteld. In feite is het een les in zelfrealisatie. (Vedabase)
* Deze zeven zoons zouden staan voor de in de aanvang zeven processen van de vidhi marga toegewijde dienst van horen, zingen, heugen, aanbidden, bidden, liefdevolle toegewijde dienst leveren en dienen van de voeten van de Heer. Later werd daar aan toegevoegd de raga marga processen van de evenwicht-vriendschap en het overgeven van alles.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties