
Canto
5
Hoofdstuk 18: Gebeden tot de verschillende Avatâra's
(1) S'rî S'uka zei: 'Op dezelfde manier [als Heer S'iva] is de zoon van Dharmarâja, die bekend staat als Bhadras'ravâ, en met hem de leidende edelen en al de mensen van het land van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva, in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie, de incarnatie van Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend heffen zij allen, gefixeerd op het hoogste, deze zang aan. (2) Bhadras'ravâ, de heerser zegt: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer die de bron is van alle religieuze beginselen en die ons van alle materiële smetten zuivert; aan Hem dus ons respectvolle eerbetoon. (3) Helaas! Hoe wonderlijk de wegen van de Heer. Er zeker van dat hij voor de dood komt te staan ziet een persoon dit niettemin niet in en denkt hij aan materieel geluk; hoe onterecht is het dat hij het zo verlangt te genieten van een leven voor zichzelf, terwijl hij zijn vader en zijn zoons cremeert! (4) De grote wijzen houden vast aan hun standpunt dat het geheel van de schepping zonder twijfel vergankelijk is en zo stellen dat ook de filosofen en de geleerden; niettemin raken ze bevangen door illusie, o ongeborene, door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen; voor U als die ongeboren Ene, mijn respect. (5) In de Veda's aangenomen als Zich waarlijk bevindend buiten Uw activiteiten van de schepping, de handhaving en het tot staan brengen van het gehele universum, wekt U, hoewel door hen niet beroerd, bij ons geen verbazing, daar we zijn verbonden in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en de oorspronkelijke substantie die er in alle opzichten los van staat.(6) Aan het eind van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon en van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, weer teruggebracht naar de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg; mijn eerbetuigingen voor Hem, voor U wiens besluit nimmer faalt.'
(7) In Hari-varsha, bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer als God in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die hoogst bevredigende gedaante aannam voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Prahlâda, deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, niet aflatende toegewijde dienst en zij aanbidden Hem onder aanhef van deze lofprijzing: (8) 'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer, mijn eerbetuigingen aan de macht aller macht die U bent; alstublieft manifesteer U volledig - o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, neemt U alstublieft het verlangen het onware te genieten weg, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen; moge er met mijn offerande er de vrijheid van alle angst zijn, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (9) Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, laat allen die aan het aardse zijn gebonden de vrede vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en de geest rust vinden - laat hen de Heer in het voorbije ervaren, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (10) Laat er niet de gehechtheid zijn aan thuis, de echtgenote, de kinderen, een banksaldo en vrienden en verwanten; laat ons verkeren met personen die de Heer liefhebben, personen tevreden met de noodzakelijkheden des levens die - in tegenstelling tot hen voor wie de zinnen dierbaar zijn - in het levend voor de ziel, zeer snel van succes zijn. (11) Door het hebben bereikt van de herhaalde omgang met hen wiens invloed van een ongewone aard is en door het in aanraking komen met de heilige plaatsen, worden voorzeker de onzuiverheden van de geest overwonnen; de ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, zou inderdaad onzuivere zaken niet van dienst zijn - zo gaat het met Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (12) In hen die, met alle goede kwaliteiten, van een onvermengde toegewijde dienst zijn voor de Fortuinlijke, verblijven alle halfgoden in respect voor de Heer - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die niet toegewijd is, die met zijn mentale speculeren zich druk maakt in de richting van het tijdelijke van de wereld? (13) Zo noodzakelijk als water is voor waterdieren is de Heer, de Allerhoogste, het leven en de ziel voor alle belichaamde wezens; als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht blijven aan het huishoudelijk leven dat dan, voor een echtpaar op leeftijd, een vorm van hoogmoed inhoudt. (14) Het huishoudelijk leven is de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood, en moet om deze redenen worden opgegeven middels het eerbetoon aan de voeten van Heer Nrisimhadev, die de toevlucht is om vrij te kunnen zijn van angst in deze wereld.'
(15) In de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] verblijft de Allerhoogste Heer in Ketumâla ter bevrediging van de Godin van het geluk, alsook van de over het land heersende zonen [de dagen] en de dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] - waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, belanden, afgedreven, aan het einde van een jaar uit [de baarmoeder] gebannen, erdoor in het werelds ongeluk. (16) Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken en lichtelijk geheven aantrekkelijke wenkbrauwen; goedgunstig met Zijn lotusgelijke gezicht is Hij de Godin van het Geluk en alle zinnen een genoegen. (17) Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten, van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan: (18) 'O Heer, o wijzenlied gezongen, mijn eerbetoon aan U als de Allerhoogste Heer der zinnen, U met achting voor al Uw kwaliteiten en al Uw verscheidenheid, U als de ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie, de Ene bekend als het zestienvoudige (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest); voor U als de genieter van alle rituelen, de Handhaver en Onderhouder van allen, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Alles-doordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen, de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, mijn respectvolle eerbetuigingen - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (19) Voor alle vrouwen van Uw overeenkomst naar de gelofte, bent U de Beheerser van de zinnen die om een echtgenoot wordt gevraagd om voor te zorgen in deze wereld. Als iemand anders voor hen zijn die echtgenoten inderdaad niet in staat de zo geliefde kinderen, weelde en levensduur te beschermen, omdat ze zelf afhankelijk zijn. (20) U zou inderdaad de echtgenoot zijn, vrij van angst en zelfvoorzienend, die ten volle de angstige persoon beschut. Derhalve, omdat U anders van de angst voor elkaar zou zijn, bent U de enige ware; er is waarlijk niets dat men hoger moet achten dan het bereiken van U. (21) Een vrouw die met dat beeld van U vol van verlangen is in de aanbidding van Uw lotusvoeten, wordt door U, ongeacht al die gekoesterde verlangens, beloond in enkel dat verlangen; ziet ze uit naar een andere gunst, dan zal, o mijn Heer, ze breken, pijnlijk getroffen in dat soort van aanbidden met nevenmotieven. (22) De ongeborene [Brahmâ], de beheerser [S'iva] en de andere goden, zowel als de onverlichten, ondergaan zware boete om mijn genade te verwerven; maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij die persoon met zijn ziel en zaligheid van dienst is aan Uw voeten, o Onoverwinnelijke. (23) Ik bidt dat U, o Onfeilbare, de aanbeden lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt; U hebt mijn merkteken op Uw borst o aanbiddelijke, maar dat is misleidend - wie zou met redeneren en argumenteren in staat zijn te doorgronden wat U als de Allerhoogste Beheerser allemaal van ons wilt?'
(24) In Ramyaka werd voorheen door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] Matsya, de vis-incarnatie, als de Allerhoogste, meest belangrijke Persoon aanbeden; hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog door zijn toegewijde dienst van aanbidding in dezen met het volgende bidden: (25) 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer in Zijn verschijnen als de eerste incarnatie; mijn respectvolle eerbetoon voor het zuivere der goedheid, de oorsprong van het leven, de bron aller zinnigheid, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht; aan Hem als de grote vis mijn eerbewijzen. (26) Zowel van binnen als van buiten aanwezig bent U, buiten het zicht van de leiders van al de verschillende werelden, er steeds; door de grootsheid van Uw geluiden wordt de mens, zo uiteenlopend benoemd, als een ledenpop onder Uw controle gebracht, o Allerhoogste Beheerser. (27) De wereldleiders in de politiek lijden onder de koorts der afgunst, zij, los van U ondernemend, of het nu afzonderlijk is of tezamen, trachten ook te beschermen, maar ze zijn er niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (28) O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten van medicinale kruiden, zich aan het einde van de Yuga in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, behoedde U haar en mij, waarbij U met al Uw macht hoogst grondig te werk ging, o Ongeborene; U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum biedt ik hier mijn respectvolle eerbetuigingen.'
(29) In Hiranmaya toont de Allerhoogste Heer zich verder in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Van Hem, die meest geliefde belichaming, is Aryamâ, de leider der voorvaderen, tezamen met de mensen van die landstreek, van aanbidding met het zingen van de volgende lofzang (30) 'Mijn Heer, ons respect voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; aan U wiens positie niet te bepalen is, onze hulde. Hoewel U de oudste bent, wordt U door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U! (31) Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw eigen vermogen en dat gekend wordt in zo vele goddelijke verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven; en van de poging dat geheel in te schatten als zijnde iets zichtbaars, hebben we het valse - voor U, wiens ware gedaante niet waar te nemen is, buig ik mij. (32) Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; dat wat bestaat als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen; de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten moet aldus, in al zijn verscheidenheid, als één worden gekend. (33) In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben de geschoolden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].
(34) Zo ook, bestaat voor eeuwig in het noordelijk gebied genaamd Kuru er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnen-gedaante [Varâha, zie 3.13], telkens weer opnieuw aanbeden door de godin en deze planeet aarde tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, volijverig in toegewijde dienst jegens Hem. Daarbij worden deze Upanishad versregels herhaald: (35) 'Ons respect voor de Allerhoogste Heer wiens ledematen en functies in waarheid worden begrepen door middel van de verschillende mantra's, door de offerandes, door de rituelen en de grote plechtigheden; aan die grote persoonlijkheid, die uitzuiveraar van het karma, mijn eerbetoon; aan Hem, bekend uit de drie voorgaande Yuga's ['tri-yuga'], mijn eerbetuigingen. (36) Voor de grote geleerden van scholing is de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante; precies als met vuur dat zich manifesteert in hout door met een stok rond te draaien, vinden zij op onderzoek uit met hun denken het verborgene van U in hun speurtocht naar de oorzaak; U, die zich manifesterende Ziel, bied, bied ik mijn respect. (37) Van de mâyâ van Uw gedaante opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden heersend over de zinnen, het lichaam, de geldende tijd, door het vals ego en de geaardheden der natuur waargenomen als feitelijkheid, raken zij wiens intelligentie zich stabiliseerde door het zorgvuldig overwegen van al de verschillende onderdelen van het yogasysteem, volledig bevrijd; jegens die Sublieme Ziel mijn respectvolle eerbetoon. (38) U, die in het handhaven, weer terugwinnen en scheppen van het universum er geen verlangens op na houdt; U van wiens overzien van het begeerde, de geaardheden en het illusoire van de materie zich bewegen als ijzer in de buurt van een magnetische steen, gelden mijn eerbetuigingen; U als de getuige van de handelingen en de terugslagen. (39) Voor Hem, die speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander [Hiranyâksha zie 3.19] in het gevecht, uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige, verbuig ik mij.'
Tweede editie, geladen 24 februari, 2007.
Bronteksten:
Gebeden van de bewoners van Jambûdvîpa
S'rî S'uka zei: 'Op dezelfde manier [als Heer S'iva] is de zoon van Dharmarâja, die bekend staat als Bhadras'ravâ, en met hem de leidende edelen en al de mensen van het land van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva, in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie, de incarnatie van Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend heffen zij allen, gefixeerd op het hoogste, deze zang aan.S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Bhadras'ravâ, de zoon van Dharmarâja, regeert het gebied bekend als Bhadrâs'va-varsha. Net zoals in Ilâvrita-varsha Heer S'iva Sankarshana aanbidt, vereert Bhadras'ravâ samen met zijn naaste dienaren en alle andere bewoners van het land de absolute expansie van Vâsudeva die we kennen als Hayas'îrsha. Heer Hayas'îrsha, die Zijn toegewijden zeer dierbaar is, is de meester van alle religieuze principes. In de allerhoogste trance brengen Bhadras'ravâ en zijn metgezellen hun nederige eerbetuigingen aan de Heer en chanten de volgende gebeden, die ze heel nauwkeurig uitspreken. (Vedabase)
Bhadras'ravâ, de heerser zegt: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer die de bron is van alle religieuze beginselen en die ons van alle materiële smetten zuivert; aan Hem dus ons respectvolle eerbetoon.
De heerser Bhadras'ravâ en zijn naaste metgezellen spraken het volgende gebed uit: Wij brengen onze nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, de bron van alle religieuze principes, die het hart van de geconditioneerde ziel in deze materiële wereld zuivert. Keer op keer buigen we ons met diep respect voor Hem neer. (Vedabase)
Helaas! Hoe wonderlijk de wegen van de Heer. Er zeker van dat hij voor de dood komt te staan ziet een persoon dit niettemin niet in en denkt hij aan materieel geluk; hoe onterecht is het dat hij het zo verlangt te genieten van een leven voor zichzelf, terwijl hij zijn vader en zijn zoons cremeert!
Ach! Is het niet verbazingwekkend dat de dwaze materialist zich niet hoedt voor het grootste gevaar - de dood? Hoewel hij weet dat de dood zonder meer komt, blijft hij toch ongevoelig en onverschillig. Als zijn vader sterft, wil hij van zijn vaders bezit genieten, en als zijn zoon sterft nog van diens nalatenschap ook. In beide gevallen probeert hij met het geld dat hij krijgt zorgeloos van materieel geluk te genieten. (Vedabase)
De grote wijzen houden vast aan hun standpunt dat het geheel van de schepping zonder twijfel vergankelijk is en zo stellen dat ook de filosofen en de geleerden; niettemin raken ze bevangen door illusie, o ongeborene, door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen; voor U als die ongeboren Ene, mijn respect.
O ongeborene, grote vedische geleerden gevorderd in geestelijke kennis, weten evenals andere logische denkers en filosofen heel goed dat deze wereld vergankelijk is. Als ze in trance zijn, beseffen ze in welke positie deze wereld zich feitelijk bevindt, en ze prediken deze waarheid eveneens. Maar toch worden zelfs zij soms in de war gebracht door Uw begoochelende energie - zo is Uw wonderbaarlijke spel en vermaak nu eenmaal. Daaruit kan ik begrijpen dat Uw begoochelende energie een groot wonder is, en vol hoogachting betuig ik U eer. (Vedabase)
In de Veda's aangenomen als Zich waarlijk bevindend buiten Uw activiteiten van de schepping, de handhaving en het tot staan brengen van het gehele universum, wekt U, hoewel door hen niet beroerd, bij ons geen verbazing, daar we zijn verbonden in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en de oorspronkelijke substantie die er in alle opzichten los van staat.
O Heer, hoewel U volkomen onthecht bent van de schepping, instandhouding en vernietiging van deze materiële wereld en er niet rechtstreeks door geraakt wordt, schrijft men deze activiteiten wel allemaal aan U toe. Dit verbaast ons niet, want Uw onvoorstelbare energieën maken U bij uitstek tot oorzaak aller oorzaken. U bent het actieve principe in alles wat bestaat, en toch staat U overal los van. Daardoor kunnen we beseffen dat alles zich afspeelt dankzij Uw onvoorstelbare energie. (Vedabase)
Aan het eind van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon en van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, weer teruggebracht naar de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg; mijn eerbetuigingen voor Hem, voor U wiens besluit nimmer faalt.'
Aan het eind van het millennium nam de verpersoonlijkte geaardheid onwetendheid de gedaante van een demon aan, stal alle Veda's en nam ze mee naar de planeet Rasâtala. De Allerhoogste Heer in Zijn gedaante van Hayagrîva bracht de Veda's echter in veiligheid, en toen Heer Brahmâ Hem smeekte of hij ze weer mocht hebben, gaf de Heer ze hem terug. Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer wiens vastberadenheid te allen tijde onwankelbaar is. (Vedabase)
In Hari-varsha, bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer als God in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die hoogst bevredigende gedaante aannam voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Prahlâda, deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, niet aflatende toegewijde dienst en zij aanbidden Hem onder aanhef van deze lofprijzing:
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, Heer Nrisimhadeva woont in het gebied bekend als Hari-varsha. In het zevende canto van het S'rîmad-Bhâgavatam zal ik u beschrijven hoe Prahlâda Mahârâja de Heer ertoe bracht om de gedaante van Nrisimhadeva aan te nemen. Prahlâda Mahârâja, de allerhoogste toegewijde van de Heer, is een reservoir van alle goede eigenschappen die grote persoonlijkheden eigen zijn. Zijn karakter en activiteiten hebben tot de bevrijding van alle gevallen leden van zijn demonische familie geleid. Heer Nrisimhadeva is deze verheven persoonlijkheid zeer dierbaar. Prahlâda Mahârâja, zijn dienaars en alle andere bewoners van Hari-varsha vereren Heer Nrisimhadeva door de volgende mantra te chanten. (Vedabase)
'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer, mijn eerbetuigingen aan de macht aller macht die U bent; alstublieft manifesteer U volledig - o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, neemt U alstublieft het verlangen het onware te genieten weg, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen; moge er met mijn offerande er de vrijheid van alle angst zijn, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen.
Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan Heer Nrisimhadeva, de bron van alle kracht. O mijn Heer, wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, bedwing alstublieft ons demonische verlangen naar baatzuchtige activiteiten in deze materiële wereld. Wees zo goed om in ons hart te verschijnen en onze onwetendheid te verdrijven, zodat we door Uw genade onbevreesd zullen zijn in de strijd om het bestaan in deze materiële wereld. (Vedabase)
Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, laat allen die aan het aardse zijn gebonden de vrede vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en de geest rust vinden - laat hen de Heer in het voorbije ervaren, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven.
Moge er in het hele universum geluk heersen en mogen alle afgunstige mensen vrede vinden. Mogen alle levende wezens door beoefening van bhakti-yoga rust krijgen, want als ze toegewijde dienst gaan doen, zullen ze aan elkanders welzijn denken. Laten we daarom allemaal toegewijde dienst bewijzen aan de allerhoogste transcendentie, Heer S'rî Krishna, en altijd opgaan in gedachten aan Hem. (Vedabase)
Laat er niet de gehechtheid zijn aan thuis, de echtgenote, de kinderen, een banksaldo en vrienden en verwanten; laat ons verkeren met personen die de Heer liefhebben, personen tevreden met de noodzakelijkheden des levens die - in tegenstelling tot hen voor wie de zinnen dierbaar zijn - in het levend voor de ziel, zeer snel van succes zijn.
O Heer, we bidden dat we nooit aangetrokken zullen raken tot de gevangenis van het gezinsleven, bestaande uit huis, vrouw, kinderen, vrienden, banksaldo, verwanten enzovoort. Als we gehecht zijn, laat het dan aan toegewijden wezen, van wie Krishna de enige geliefde vriend is. Iemand die werkelijk zelfgerealiseerd is en zijn geest weet te beheersen, is volmaakt tevreden met de eerste levensbehoeften. Hij doet geen enkele poging om zijn zinnen te bevredigen. Zo iemand maakt snel vooruitgang in Krishna-bewustzijn, terwijl anderen, die te zeer gehecht zijn aan materiële zaken, veel moeite hebben om verder te komen. (Vedabase)
Door het hebben bereikt van de herhaalde omgang met hen wiens invloed van een ongewone aard is en door het in aanraking komen met de heilige plaatsen, worden voorzeker de onzuiverheden van de geest overwonnen; de ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, zou inderdaad onzuivere zaken niet van dienst zijn - zo gaat het met Mukunda [de Heer der Bevrijding].
Door omgang te zoeken met mensen voor wie Mukunda, de Allerhoogste Godspersoon, alles betekent, krijgt men verhalen over Zijn machtige activiteiten te horen, die men dan ook al snel begrijpt. De activiteiten van Mukunda zijn zo krachtig dat men ze alleen maar hoeft te horen om meteen in het gezelschap van de Heer te verkeren. Wanneer iemand onafgebroken en met groot enthousiasme naar de verhalen over de machtige activiteiten van de Heer luistert, komt de Absolute Waarheid, de Allerhoogste Godspersoon, in de vorm van geluidstrillingen zijn hart binnen en reinigt het van alle besmetting. Het baden in de Ganges daarentegen, vermindert weliswaar lichamelijke besmetting en infecties, maar zowel dit proces als het bezoeken van heilige plaatsen reinigt ons hart pas na lange tijd. Welk verstandig mens zou het gezelschap van toegewijden dus mijden als hij zijn leven zo snel mogelijk wil vervolmaken? (Vedabase)
In hen die, met alle goede kwaliteiten, van een onvermengde toegewijde dienst zijn voor de Fortuinlijke, verblijven alle halfgoden in respect voor de Heer - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die niet toegewijd is, die met zijn mentale speculeren zich druk maakt in de richting van het tijdelijke van de wereld?
Alle halfgoden en hun verheven eigenschappen, zoals religie, kennis en verzaking, openbaren zich in het lichaam van degene die zuivere toewijding ontwikkeld heeft voor de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva. In iemand die geen toegewijde dienst doet en zich bezighoudt met materiële activiteiten, is daarentegen geen enkele goede eigenschap te vinden. Zelfs als hij bedreven is in mystieke yoga of oprecht probeert om zijn gezin en verwanten te onderhouden, wordt hij toch zonder meer geleid door zijn eigen speculatie en dient hij de uitwendige energie van de Heer. Hoe kan zo'n mens ooit goede eigenschappen bezitten? (Vedabase)
Zo noodzakelijk als water is voor waterdieren is de Heer, de Allerhoogste, het leven en de ziel voor alle belichaamde wezens; als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht blijven aan het huishoudelijk leven dat dan, voor een echtpaar op leeftijd, een vorm van hoogmoed inhoudt.
Net zoals waterdieren altijd in een uitgestrekte watermassa willen blijven, koesteren de levende wezens van nature het verlangen om in het oneindige bestaan van de Allerhoogste Heer te blijven. Als iemand volgens materiële normen zeer machtig is, maar er toch niet in slaagt om toevlucht te vinden bij de Allerhoogste Ziel, en in plaats daarvan aan het materiële gezinsleven gehecht raakt, is zijn grootheid evenveel waard als die van een jong stelletje van lage afkomst. Wie te zeer aan het materiële leven gehecht is, verliest al zijn geestelijke kwaliteiten. (Vedabase)
Het huishoudelijk leven is de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood, en moet om deze redenen worden opgegeven middels het eerbetoon aan de voeten van Heer Nrisimhadev, die de toevlucht is om vrij te kunnen zijn van angst in deze wereld.'
O demonen, geef daarom het zogenaamde geluk van het gezinsleven op en zoek gewoon uw heil bij de lotusvoeten van Heer Nrisimhadeva, want op die manier kan men werkelijk vrij zijn van alle angst. Verstrikking in het gezinsleven is de voornaamste oorzaak van materiële gehechtheid, van nooit bevredigde verlangens, somberheid, woede, wanhoop, angst en de behoefte aan vals prestige, wat allemaal de herhaling van geboorte en dood tot gevolg heeft. (Vedabase)
In de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] verblijft de Allerhoogste Heer in Ketumâla ter bevrediging van de Godin van het geluk, alsook van de over het land heersende zonen [de dagen] en de dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] - waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, belanden, afgedreven, aan het einde van een jaar uit [de baarmoeder] gebannen, erdoor in het werelds ongeluk.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: In het gebied van Ketumâla-varsha woont Heer Vishnu in de gedaante van Kâmadeva, met als enig doel om Zijn toegewijden plezier te doen. Tot Zijn toegewijden daar behoren Lakshmîjî [de geluksgodin], de prajâpati Samvatsara en alle zoons en dochters van Samvatsara. De dochters van Prajâpati worden als de godinnen van de nacht beschouwd, en zijn zoons als de heersers van de dag. Het nageslacht van Prajâpati bestaat uit 36.000 kinderen, één voor elke dag en nacht in het leven van een mens. Aan het eind van elk jaar raken de dochters van de Prajâpati buiten zichzelf van opwinding bij het zien van de uiterst fel stralende werpschijf van de Allerhoogste Godspersoon, en krijgen daardoor allemaal een miskraam. (Vedabase)
Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken en lichtelijk geheven aantrekkelijke wenkbrauwen; goedgunstig met Zijn lotusgelijke gezicht is Hij de Godin van het Geluk en alle zinnen een genoegen.
In Ketumâla-varsha loopt Heer Kâmadeva [Pradyumna] met grote gratie rond. Zijn glimlach is mild en heel mooi, en wanneer Hij de schoonheid van Zijn gelaat nog verhoogt door Zijn wenkbrauwen een beetje op te trekken en speels in het rond te blikken, behaagt Hij de godin van het geluk. Zo geniet Hij van Zijn transcendentale zinnen. (Vedabase)
Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten, van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan:
Overdag vergezeld door de zoons van Prajâpati [ de halfgoden van de dag] en 's nachts door zijn dochters [de godinnen van de nacht], vereert Lakshmîdevî de Heer tijdens de periode die we kennen als de Samvatsara in Zijn meest genadevolle gedaante als Kâmadeva. Geheel verdiept in toegewijde dienst chant zij de volgende mantra's. (Vedabase)
'O Heer, o wijzenlied gezongen, mijn eerbetoon aan U als de Allerhoogste Heer der zinnen, U met achting voor al Uw kwaliteiten en al Uw verscheidenheid, U als de ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie, de Ene bekend als het zestienvoudige. (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest); voor U als de genieter van alle rituelen, de Handhaver en Onderhouder van allen, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Alles-doordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen, de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, mijn respectvolle eerbetuigingen - moge er altijd Uw goede geluk zijn!
Laat ik mijn nederige eerbetuigingen brengen aan de Allerhoogste Godspersoon, Heer Hrishîkes'a, de meester van al mijn zinnen en de oorsprong van alles. Als allerhoogste meester van alle lichamelijke, mentale en intellectuele activiteiten geniet Hij als enige van het resultaat daarvan. De vijf zinsobjecten en de elf zinnen met inbegrip van de geest zijn gedeeltelijke manifestaties van Hem. Hij schenkt elk levend wezen al zijn levensbenodigdheden, die Zijn energie zijn en dus niet van Hem verschillen, en Hij is de oorzaak van ieders lichamelijke en mentale vermogen, dat eveneens niet van Hem verschilt. Ja, Hij is de echtgenoot en de instandhouder van alle levende wezens. Het doel van alle Veda's is om Hem te vereren. Laten we Hem daarom nederig onze eer betuigen. Moge Hij ons zowel in dit leven als in het volgende altijd gunstig gezind zijn. (Vedabase)
Voor alle vrouwen van Uw overeenkomst naar de gelofte, bent U de Beheerser van de zinnen die om een echtgenoot wordt gevraagd om voor te zorgen in deze wereld. Als iemand anders voor hen zijn die echtgenoten inderdaad niet in staat de zo geliefde kinderen, weelde en levensduur te beschermen, omdat ze zelf afhankelijk zijn.
O mijn Heer, U bent zonder meer de volkomen onafhankelijke meester van alle zinnen. Daarom zijn alle vrouwen die U vereren door zich strikt aan bepaalde geloftes te houden omdat zij een man willen vinden om hun zinnen te bevredigen, zeker in illusie. Ze beseffen niet dat die man noch henzelf noch hun kinderen werkelijk beschermen kan. En evenmin kan hij hun rijkdom of een lang leven garanderen, want hij is zelf afhankelijk van de tijd, de gevolgen van baatzuchtige activiteiten en de geaardheden der natuur, en die zijn allemaal ondergeschikt aan U. (Vedabase)
U zou inderdaad de echtgenoot zijn, vrij van angst en zelfvoorzienend, die ten volle de angstige persoon beschut. Derhalve, omdat U anders van de angst voor elkaar zou zijn, bent U de enige ware; er is waarlijk niets dat men hoger moet achten dan het bereiken van U.
Alleen hij die nooit bang is en juist alle angstige mensen volkomen bescherming weet te bieden, kan pas een ware echtgenoot en toevlucht worden. Daarom, mijn Heer, bent U de enige echtgenoot en kan niemand anders aanspraak maken op deze titel. Als U niet de enige echtgenoot was, zou U bang zijn voor anderen. Daarom erkennen de grote kenners van de vedische literatuur alleen U, mijn Heer, als ons aller meester, en beschouwen ze U als de beste echtgenoot en beschermer van allemaal. (Vedabase)
Een vrouw die met dat beeld van U vol van verlangen is in de aanbidding van Uw lotusvoeten, wordt door U, ongeacht al die gekoesterde verlangens, beloond in enkel dat verlangen; ziet ze uit naar een andere gunst, dan zal, o mijn Heer, ze breken, pijnlijk getroffen in dat soort van aanbidden met nevenmotieven.
O mijn Heer, U vervult automatisch alle wensen van een vrouw die Uw lotusvoeten met zuivere liefde vereert. Als een vrouw echter een bepaalde motivatie heeft om Uw lotusvoeten te vereren, vervult U haar wensen ook heel snel, maar dan zal ze zich uiteindelijk toch ontgoocheld voelen en beginnen te klagen. Daarom heeft het geen zin om Uw lotusvoeten te vereren om er materieel beter op te worden. (Vedabase)
De ongeborene [Brahmâ], de beheerser [S'iva] en de andere goden, zowel als de onverlichten, ondergaan zware boete om mijn genade te verwerven; maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij die persoon met zijn ziel en zaligheid van dienst is aan Uw voeten, o Onoverwinnelijke.
O allerhoogste onoverwinnelijke Heer, wanneer Heer Brahmâ en Heer S'iva en ook de andere halfgoden en demonen in beslag genomen worden door gedachten aan materieel genot, onderwerpen ze zich aan zware boetedoening en ascese in de hoop mijn zegen te verkrijgen. Maar tenzij iemand voortdurend opgaat in de dienst aan Uw lotusvoeten, begunstig ik hem niet, ook al is hij nog zo groot. Omdat ik U altijd in mijn hart draag, kan ik niemand behalve een toegewijde een gunst verlenen. (Vedabase)
Ik bidt dat U, o Onfeilbare, de aanbeden lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt; U hebt mijn merkteken op Uw borst o aanbiddelijke, maar dat is misleidend - wie zou met redeneren en argumenteren in staat zijn te doorgronden wat U als de Allerhoogste Beheerser allemaal van ons wilt?'
O onfeilbare, de palm van Uw lotushand is de bron van alle zegen. Daarom wordt hij door Uw zuivere toegewijden vereerd, en U bent zo genadig dat U Uw hand op hun hoofd legt. Ik wou dat U Uw hand ook op mijn hoofd legde, want U draagt wel mijn teken op Uw borst - de gouden lijnen - maar deze eer bezorgt me niet veel meer dan wat vals prestige. Uw echte genade verleent U aan Uw toegewijden, en niet aan mij. Natuurlijk, U bent de allerhoogste absolute bestuurder, en niemand kan Uw beweegredenen begrijpen. (Vedabase)
In Ramyaka werd voorheen door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] Matsya, de vis-incarnatie, als de Allerhoogste, meest belangrijke Persoon aanbeden; hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog door zijn toegewijde dienst van aanbidding in dezen met het volgende bidden:
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: In Ramyaka-varsha, waar Vaivasvata Manu regeert, is de Allerhoogste Godspersoon aan het eind van het laatste tijdperk [het Câkshusha-manvantara] als Heer Matsya verschenen. Vaivasvata Manu vereert Heer Matsya nu in zuivere toegewijde dienst en chant de volgende mantra. (Vedabase)
'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer in Zijn verschijnen als de eerste incarnatie; mijn respectvolle eerbetoon voor het zuivere der goedheid, de oorsprong van het leven, de bron aller zinnigheid, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht; aan Hem als de grote vis mijn eerbewijzen.
Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, die zuivere transcendentie is. Hij is de oorsprong van al het leven, van lichaams- en geesteskracht en van de zintuiglijke vermogens. Zijn naam is Matsyâvatâra, de gigantische vis-incarnatie, en van alle incarnaties is Hij de eerste. Ik breng Hem nogmaals mijn eerbetuigingen. (Vedabase)
Zowel van binnen als van buiten aanwezig bent U, buiten het zicht van de leiders van al de verschillende werelden, er steeds; door de grootsheid van Uw geluiden wordt de mens, zo uiteenlopend benoemd, als een ledenpop onder Uw controle gebracht, o Allerhoogste Beheerser.
Zoals een poppenspeler zijn marionetten laat dansen of een man zijn vrouw onder controle heeft, zo bestuurt U, mijn Heer, alle levende wezens in het universum, zoals de brâhmana's, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's. Hoewel U Zich als de allerhoogste getuige en meester in ieders hart bevindt en tegelijkertijd ook buiten iedereen bent, kunnen de zogenaamde leiders van onze gemeenschap, samenleving of land U niet realiseren. Alleen degenen die de geluidstrilling van de vedische mantra's horen, kunnen U waarderen. (Vedabase)
De wereldleiders in de politiek lijden onder de koorts der afgunst, zij, los van U ondernemend, of het nu afzonderlijk is of tezamen, trachten ook te beschermen, maar ze zijn er niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft.
O Heer, alle leiders van het universum, van Heer Brahmâ en andere halfgoden tot en met de politici van deze wereld, benijden Uw machtspositie. Maar zonder Uw hulp zouden ze - zij het alleen of met vereende krachten - de ontelbare levende wezens in het universum niet in stand kunnen houden. U bent immers de enige echte instandhouder van alle mensen, van dieren als koeien en ezels, en van de planten, reptielen, vogels, bergen en wat er verder nog allemaal in deze materiële wereld te zien is. (Vedabase)
O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten van medicinale kruiden, zich aan het einde van de Yuga in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, behoedde U haar en mij, waarbij U met al Uw macht hoogst grondig te werk ging, o Ongeborene; U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum biedt ik hier mijn respectvolle eerbetuigingen.'
O almachtige Heer, aan het eind van het millennium werd de bron van alle gewassen, geneeskrachtige kruiden en bomen - de aarde - overspoeld door de golven van het verwoestingswater. U hebt mij toen samen met de aarde beschermd, terwijl U met hoge snelheid de zee doorkliefde. O ongeborene, U bent de ware instandhouder van de hele universele schepping, en daarom bent U de oorsprong van alles wat leeft. Ik breng U in alle nederigheid mijn eerbetuigingen. (Vedabase)
In Hiranmaya toont de Allerhoogste Heer zich verder in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Van Hem, die meest geliefde belichaming, is Aryamâ, de leider der voorvaderen, tezamen met de mensen van die landstreek, van aanbidding met het zingen van de volgende lofzang
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: In Hiranmaya-varsha leeft de Allerhoogste Heer, Vishnu, in de gedaante van een schildpad [kûrma-s'arîra]. Aryamâ, de meest vooraanstaande persoon in Hiranmaya-varsha, vereert deze geliefde, prachtige gedaante altijd samen met alle andere bewoners van dit land in toegewijde dienst. Zij chanten de volgende mantra's. (Vedabase)
'Mijn Heer, ons respect voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; aan U wiens positie niet te bepalen is, onze hulde. Hoewel U de oudste bent, wordt U door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U!
O Heer, nederig betuig ik eer aan U die de gedaante van een schildpad hebt aangenomen. U bent het reservoir van alle transcendentale eigenschappen, en omdat U in geen enkel opzicht beïnvloed wordt door materie, bent U volmaakt in zuivere goedheid. U zwemt in het water - nu weer hier en dan weer daar - maar toch kan niemand Uw positie bepalen. Daarom betuig ik U nederig eer. Omdat U een transcendentale positie inneemt, bent U niet begrensd door verleden, heden en toekomst. U bent overal aanwezig als het toevluchtsoord van alles wat er is, en daarom breng ik U in alle nederigheid steeds weer mijn eerbetuigingen. (Vedabase)
Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw eigen vermogen en dat gekend wordt in zo vele goddelijke verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven; en van de poging dat geheel in te schatten als zijnde iets zichtbaars, hebben we het valse - voor U, wiens ware gedaante niet waar te nemen is, buig ik mij.
O mijn Heer, deze zichtbare kosmische schepping is een openbaring van Uw eigen scheppende energie. De rijke verscheidenheid aan vormen in de kosmos is niet meer dan een manifestatie van Uw uitwendige energie, en daarom is deze virâth-rûpa[het universele lichaam] niet Uw werkelijke gedaante. Niemand behalve een toegewijde met transcendentaal bewustzijn, kan Uw werkelijke gedaante waarnemen. Daarom breng ik U met grote achting mijn eerbetuigingen. (Vedabase)
Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; dat wat bestaat als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen; de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten moet aldus, in al zijn verscheidenheid, als één worden gekend.
O mijn Heer, U openbaart Uw verschillende energieën in talloze vormen: als levende wezens geboren uit de baarmoeder, een ei of transpiratie; als planten en bomen die uit de aarde groeien; als alle levende wezens, bewegende en niet-bewegende, met inbegrip van de halfgoden, de grote wijzen en de pitâ's; als de kosmische ruimte, als het hogere planetenstelsel met de hemelse planeten, en als de planeet aarde met haar heuvels, rivieren, zeeën, oceanen en eilanden. Zelfs alle sterren en planeten zijn niets anders dan manifestaties van Uw verschillende energieën, maar oorspronkelijk bent U het enige wat bestaat. Daarom is er niets dat boven U staat. Deze hele kosmische manifestatie is dan ook niet vals, maar slechts een tijdelijke openbaring van Uw onvoorstelbare energie. (Vedabase)
In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben de geschoolden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].
O Heer, Uw naam, gedaante en lichaam hebben talloze vormen. Er is niemand die precies kan uitrekenen hoeveel vormen er zijn, maar in Uw incarnatie als de grote geleerde Kapiladeva hebt U Zelf verklaard dat de kosmische openbaring samengesteld is uit vierentwintig elementen. Daarom moet iemand die belangstelling heeft voor de sânkhya-filosofie, waarmee hij verschillende waarheden op een rijtje kan zetten, daarover horen van U. Helaas tellen niet-toegewijden alleen maar de verschillende elementen en komen ze niets te weten over Uw werkelijke gedaante. Ik breng U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Zo ook, bestaat voor eeuwig in het noordelijk gebied genaamd Kuru er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnen-gedaante [Varâha, zie 3.13], telkens weer opnieuw aanbeden door de godin en deze planeet aarde tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, volijverig in toegewijde dienst jegens Hem. Daarbij worden deze Upanishad versregels herhaald:
S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, de Allerhoogste Heer in Zijn incarnatie als een everzwijn, die alle offergaven aanvaardt, woont in het noorden van Jambûdvîpa. Daar, in het gebied bekend als Uttarakuru-varsha, vereren moeder aarde en alle andere bewoners Hem met onafgebroken toegewijde dienst, terwijl ze steeds weer de volgende Upanishad-mantra chanten. (Vedabase)
'Ons respect voor de Allerhoogste Heer wiens ledematen en functies in waarheid worden begrepen door middel van de verschillende mantra's, door de offerandes, door de rituelen en de grote plechtigheden; aan die grote persoonlijkheid, die uitzuiveraar van het karma, mijn eerbetoon; aan Hem, bekend uit de drie voorgaande Yuga's ['tri-yuga'], mijn eerbetuigingen.
O Heer, nederig betuigen wij eer aan U, de gigant. Gewoon door mantra's te chanten, zullen wij in staat zijn om U volkomen te begrijpen. U bent yajña [het offer], en U bent kratu [het ritueel]. Daarom zijn alle rituele offerceremonies deel van Uw transcendentale lichaam, en bent U de enige begunstigde van alle offers. Uw gedaante bestaat uit transcendentale goedheid. U staat bekend als tri-yuga, daar U in Kali-yuga verscheen als een verborgen incarnatie en U altijd in het rijke bezit bent van de drie paren volheden. (Vedabase)
Voor de grote geleerden van scholing is de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante; precies als met vuur dat zich manifesteert in hout door met een stok rond te draaien, vinden zij op onderzoek uit met hun denken het verborgene van U in hun speurtocht naar de oorzaak; U, die zich manifesterende Ziel, bied, bied ik mijn respect.
Met een vuurstok kunnen grote heiligen en wijzen het vuur opwekken dat in hout verborgen zit. Op dezelfde wijze, o Heer, trachten degenen die de Absolute Waarheid het beste begrijpen U in alles te zien - zelfs in hun eigen lichaam. Toch blijft U verborgen, want we kunnen U niet begrijpen via indirecte methoden, gebaseerd op mentale of fysieke activiteiten. Omdat U zelf-geopenbaard bent, laat U Zich alleen zien als U merkt dat iemand met hart en ziel naar U op zoek is. Daarom betuig ik U nederig eer. (Vedabase)
Van de mâyâ van Uw gedaante opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden heersend over de zinnen, het lichaam, de geldende tijd, door het vals ego en de geaardheden der natuur waargenomen als feitelijkheid, raken zij wiens intelligentie zich stabiliseerde door het zorgvuldig overwegen van al de verschillende onderdelen van het yogasysteem, volledig bevrijd; jegens die Sublieme Ziel mijn respectvolle eerbetoon.
De objecten van materieel genot [geluid, vorm, smaak, aanraking en geur], de activiteiten van de zinnen en degenen die deze besturen [de halfgoden], het lichaam, de eeuwige tijd en het egotisme zijn allemaal scheppingen van Uw materiële energie. Mensen wier intelligentie door volmaakte beoefening van mystieke yoga stabiel is geworden, kunnen begrijpen dat al deze elementen het resultaat zijn van de werking van Uw uitwendige energie. Ze kunnen eveneens Uw transcendentale gedaante als Superziel zien, die de fundering van alles is. Daarom betuig ik U steeds weer nederig eer. (Vedabase)
U, die in het handhaven, weer terugwinnen en scheppen van het universum er geen verlangens op na houdt; U van wiens overzien van het begeerde, de geaardheden en het illusoire van de materie zich bewegen als ijzer in de buurt van een magnetische steen, gelden mijn eerbetuigingen; U als de getuige van de handelingen en de terugslagen.
O Heer, U koestert geen verlangen om deze materiële wereld te scheppen, in stand te houden en te vernietigen, maar U doet dit alles via Uw scheppende energie ten behoeve van de geconditioneerde zielen. Net als een stuk ijzer beweegt onder invloed van een magneet, komt de levenloze materie in beweging wanneer U een blik over het geheel der materiële energie werpt. (Vedabase)
Voor Hem, die speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander [Hiranyâksha zie 3.19] in het gevecht, uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige, verbuig ik mij.'
O Heer, als het eerste everzwijn in dit universum hebt U met de grote demon Hiranyâksha gevochten en hem gedood, en vervolgens mij [de aarde] uit de Garbhodaka-oceaan opgehaald met de punten van Uw slagtanden, net zoals een olifant spelenderwijs een lotus uit het water vist. Ik buig me voor U neer. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Jadurani
devî dâsî
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd