regelbalk


 

Canto 5

Prabhupâda Pranâti

 

Hoofdstuk 2: De aktivitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ]. (3) Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5) De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar. (6) Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (11) En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (16) Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (18) Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god. (21) Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (22) Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.
 

next               

 
Tweede editie, geladen 26 december, 2006.   
 

 

 

Bronteksten:

De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Text 1 :

S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat zijn vader, Mahârâja Priyavrata zich teruggetrokken had om ascese te beoefenen en zich aan het geestelijk leven te wijden, voerde koning Âgnîdhra zijn orders volmaakt uit. Hij hield zich strikt aan de religieuze principes en beschermde de burgers van Jambûdvîpa alsof het zijn eigen zonen waren. (Vedabase)

 

Text 2:

Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ].

Uit verlangen om een volmaakte zoon te krijgen en een bewoner van Pitriloka te worden, begon Mahârâja Âgnîdhra op een gegeven moment Heer Brahmâ te vereren, die de meester is van al diegenen die leidinggevende posities hebben in de materiële schepping. Hij begaf zich naar een dal van de berg Mandara, waar de godinnen van de hemelse planeten vaak komen wandelen. Daar verzamelde hij bloemen en andere benodigdheden, om vervolgens strenge ascese te beoefenen en zich aan het vereren van Heer Brahmâ te wijden. (Vedabase)

 

Text 3:

Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden.

Heer Brahmâ, de eerste en machtigste van de geschapen wezens in dit universum, begreep koning Âgnîdhra's verlangen, en zond het beste danseresje uit zijn gevolg, Pûrvacitti genaamd, naar hem toe. (Vedabase)

 

Text 4:

Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke.

De door Heer Brahmâ gestuurde Apsara begon rond te wandelen in een park nabij de plaats waar de koning aan het mediteren was en zijn eredienst verrichtte. Het was een prachtig park met dicht gebladerte en gouden klimplanten. Overal liepen paartjes van verschillende soorten vogels zoals pauwen, en er was een meer waar eenden en zwanen zwommen, zodat de lucht gevuld was met hun aantrekkelijke gezang en gesnater. Zo droegen het gebladerte, het heldere water, de lotusbloemen en het lieflijke gezang van de verschillende vogels allemaal bij tot de buitengewone schoonheid van het park. (Vedabase)

 

Text 5:

De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar.

Terwijl Pûrvacitti op zeer elegante wijze en met grote allure langs liep, rinkelden de charmante kettinkjes rondom haar enkels bij iedere stap die ze deed. Hoewel prins Âgnîdhra zijn zinnen beheerste en met half-gesloten ogen yoga aan het beoefenen was, kon hij haar met zijn lotusachtige ogen toch zien, en toen hij het aangename gerinkel van haar armbanden hoorde, opende hij zijn ogen iets wijder en zag dat ze vlak bij hem was. (Vedabase)

 

Text 6:

Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.

Als een bij rook de Apsara aan de prachtige, welriekende bloemen. Met haar speelse bewegingen, haar bedeesdheid, haar nederigheid, haar blikken, haar buitengewoon aangename stemgeluid en de bewegingen van haar ledematen, kon ze de aandacht en de blik van zowel halfgoden als mensen op zich vestigen. Door al deze eigenschappen opende ze in de geest van elke man de weg voor Cupido met zijn bloemenpijl. Wanneer ze sprak, leek het alsof er nectar van haar lippen stroomde, en als ze ademde probeerden de bijen, dronken van de geur van haar adem, voor haar lotusgelijke ogen te blijven zweven. Gehinderd door de bijen, probeerde ze haar bewegingen te versnellen, maar terwijl ze haar voeten hoger optilde om sneller te lopen, bewogen ook haar haar, de ceintuur om haar heupen, en haar borsten, die als waterkruiken waren, op zo'n manier dat ze er uiterst mooi en aantrekkelijk uitzag. Het leek er inderdaad op dat ze de weg vrij wilde maken voor de zeer machtige Cupido. Daarom sprak de prins, die volkomen van haar onder de indruk was, haar als volgt aan. (Vedabase)

 

Text 7:

'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos?

Per abuis zei de prins tegen de Apsara: O beste der heiligen, wie ben je? Waarom ben je op deze berg en wat kom je doen? Ben je soms een van de illusoire vermogens van de Allerhoogste Godspersoon? Het lijkt alsof je twee bogen zonder pezen draagt. Waarom is dat? Heb je er een persoonlijke bedoeling mee, of zijn ze voor een vriend bedoeld? Of draag je ze misschien om de dol geworden dieren in het woud te doden. (Vedabase)?

 

Text 8:

Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen!

Daarna bekeek Âgnîdhra Pûrvacitti's levendige ogen en zei: Mijn beste vriend, je hebt twee zeer machtige pijlen in de vorm van je levendige ogen. De veren van die pijlen lijken op de kelkbladeren van lotusbloemen. Hoewel ze geen schacht hebben, zijn ze heel erg mooi, en hun punten zijn zo scherp dat ze overal doorheen gaan. Ze lijken zeer vredig, en daarom zou men niet denken dat ze ervoor bedoeld zijn om op iemand afgeschoten te worden. Toch loop je ongetwijfeld in dit woud rond om ze op iemand te richten, al begrijp ik niet op wie. Mijn intelligentie is verdwaasd, en ik kan je geen weerstand bieden. Ja heus, niemand is zo machtig als jij, en daarom bid ik dat je macht me ten goede mag komen. (Vedabase)

 

Text 9:

Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda.

Toen Mahârâja Âgnîdhra de hommels zag die Pûrvacitti achtervolgden, zei hij: O heer, de hommels die om je lichaam zwermen, zijn als discipelen die hun aanbiddenswaardige leraar omringen. Ze chanten onophoudelijk de mantra's van de Sâma-Veda en de Upanishad's, en richten zodoende gebeden tot je. Net zoals de grote wijzen hun toevlucht zoeken bij het bestuderen van de verschillende onderdelen van de vedische literatuur, genieten de hommels van de bloemenregen die uit je haar valt. (Vedabase)

 

Text 10

Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen.

O brâhmana, ik hoor alleen nog maar het gerinkel van je enkelbelletjes, waarin tittiri-vogels schijnen te zitten die tegen elkaar kwetteren. Hoewel ik ze niet zie, kan ik ze duidelijk horen tjilpen. Als ik naar je mooie ronde heupen kijk, zie ik dat ze de prachtige kleur van kadamba-bloemen hebben, en je taille is omgord met een ceintuur van gloeiende kolen. Ja, het lijkt wel of je vergeten hebt om je aan te kleden. (Vedabase)

 

Text 11

En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert?

Vervolgens prees Âgnîdhra Pûrvatti's volle borsten. Hij zei: Mijn beste brâhmana, je taille is heel slank, en het is met grote moeite dat je voorzichtig de twee horens draagt waartoe mijn ogen zo aangetrokken zijn. Wat zit er in die twee mooie horens? Het lijkt alsof je ze besmeerd hebt met heerlijk geurend rood poeder, dat op de opkomende zon lijkt. O zeer fortuinlijke, ik zou graag willen weten waar je dat welriekende poeder vandaan hebt, dat mijn âs'rama parfumeert. (Vedabase)

 

Text 12:

Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends.

O beste vriend, wil je me niet laten zien waar je woont? Ik kan me niet voorstellen hoe de bewoners daar even mooie vormen kunnen hebben als jij met je volle borsten, die de blik en de geest van streek brengen van iedereen die ernaar kijkt, zoals ik. Te beoordelen naar het plezierige spreken en de vriendelijke glimlach van die bewoners, denk ik dat hun monden gevuld moeten zijn met nectar. (Vedabase)

 

Text 13:

En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen.

Mijn beste vriend, wat eet je om je lichaam in stand te houden? Omdat je op betel kauwt, komt er een aangename geur uit je mond, wat bewijst dat je je altijd voedt met de resten van voedsel dat aan Vishnu geofferd is. Ja, je moet een expansie van Heer Vishnu's lichaam zijn. Je gezicht is zo mooi als een koel meer en je met juwelen ingelegde oorbellen lijken op twee glinsterende haaien met ogen die niet knipperen, net als die van Vishnu, terwijl je eigen ogen op twee rusteloze vissen lijken. Daarom zwemmen er tegelijkertijd twee haaien en twee rusteloze vissen in het meer van je gezicht. Behalve dat lijken je witte tanden op twee rijen prachtige zwanen die op het water drijven, terwijl je losse haar net een zwerm hommels is die achter de schoonheid van je gezicht aanjaagt. (Vedabase)

 

Text 14:

Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw?

Mijn geest is al zo rusteloos, en door met een bal te spelen en hem met je lotus-handpalm alle kanten op te kaatsen, breng je ook mijn ogen nog van streek. Je zwarte, krullende haar hangt nu los, maar je schijnt niet de moeite te willen nemen om het in orde te brengen; ga je het niet fatsoeneren? Als een man die gehecht is aan vrouwen, probeert die gewiekste wind je onderkleding bovendien weg te nemen; maak je je daar niet bezorgd om? (Vedabase)

 

Text 15:

O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij.

O beste onder de asceten, waar heb je deze prachtige schoonheid gekregen, die de ascese van anderen ruïneert? Waar heb je deze kunst geleerd? Wat voor versterving heb je ondergaan, mijn vriend om met zo'n schoonheid gezegend te zijn? Ik zou willen dat je je bij me voegt zodat we samen ascese en boetedoening kunnen beoefenen, want misschien is Heer Brahmâ, de schepper van het universum, wel tevreden over mij en heeft hij jou naar me toegestuurd om mijn vrouw te worden. (Vedabase)

 

Text 16:

Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.

Heer Brahmâ, die vereerd wordt door de brâhmana's, is zo goed geweest om jou aan mij te geven; dat is de reden waarom ik je ontmoet heb. Ik wil niet meer bij je weggaan, want mijn geest en mijn ogen hebben zich reeds op je gevestigd en kunnen zich niet meer van je afwenden. O vrouw met je prachtige volle borsten, ik ben je volgeling; neem me overal mee naar toe waar je maar wilt, en ook je vrienden kunnen met me meekomen. (Vedabase)
 
Text 17:

S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Mahârâja Âgnîdhra, wiens intelligentie te vergelijken was met die van een halfgod, verstond de kunst van het flatteren en veroveren van vrouwen. Daarom wist hij dat hemelse meisje dan ook met zijn wellustige woorden te vleien en zo haar gunst te winnen. (Vedabase)

 

Text 18:

Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend.

Bekoord door de intelligentie, de geleerdheid, de jeugd, de schoonheid, het gedrag, de rijkdom en de edelmoedigheid van Âgnîdhra, de koning van Jambûdvîpa en de meester van alle helden, leefde Pûrvacitti vele duizenden jaren aan zijn zijde, en genoot volop van zowel aards als hemels geluk. (Vedabase)

 

Text 19:

Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen.

Mahârâja Âgnîdhra, de beste der koningen, kreeg negen zonen bij Pûrvacitti, namelijk Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla. (Vedabase)

 

Text 20:

Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god.

Zo bracht Pûrvacitti negen zonen ter wereld, ieder jaar één, maar toen ze groot waren, liet ze hen thuis achter en keerde weer terug naar Heer Brahmâ, om hem te vereren. (Vedabase)

 

Text 21:

Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd.

Dankzij de borstvoeding van hun moeder hadden de negen zonen van Âgnîdhra van nature een sterk, goed-gebouwd lichaam. Hun vader gaf hun elk een koninkrijk in een verschillend deel van Jambûdvîpa, en elk koninkrijk droeg de naam van de zoon die het bestuurde. Op die manier regeerden de zonen van Âgnîdhra over de gebieden die ze van hun vader hadden ontvangen. (Vedabase)

 

Text 22:

Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven.

Na Pûrvacitti's vertrek bleef koning Âgnîdhra, wiens wellustige verlangens geenszins bevredigd waren, voortdurend aan haar denken. Daarom ging de koning - overeenkomstig de in de Veda's beschreven wet - na zijn dood naar dezelfde planeet als zijn hemelse vrouw. Op die planeet, Pitriloka genaamd, leiden de pitâ's, de voorvaderen, een heel gelukkig leven. (Vedabase)

 

Text 23:

Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.

Na het vertrek van hun vader trouwden de negen broers met de negen dochters van Meru, namelijk Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti. (Vedabase)

  

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Sundarangi devî dâsî & Vajrakhya devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties