
Canto
5
Hoofdstuk 20: De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners
(1) S'rî S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvîpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvîpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambû, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvîpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sûrya, de God van de Zon.'
(6) Vanaf Plaksha worden op de vijf dvîpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa die bekend staat als S'âlmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ, zie voetnoot]. (8) Die dvîpa ontleent haar naam aan de s'âlmalî-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (9) De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (10) De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ.(11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (12) 'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'
(13) Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvîpa ervoor, Kus'advîpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvîpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (14) De meester van dat eiland, Hiranyaretâ, de zoon van Mahârâja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvîpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (15) De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jâtaveda ['Hij die het Loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'
(18) Zo wordt, net zoals Kus'advîpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauñcadvîpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauñca wordt aangetroffen die die dvîpa zijn naam gaf. (19) Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kârttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, heerser van die dvîpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harî, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (21) Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (22) Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'
(24) Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvîpa S'âka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvîpa bezwangert. (25) De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi verdeelde de dvîpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer. (26) De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapâla en de Mahânasa, en de rivieren genaamd de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dânavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vâyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (28) 'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'
(29) Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (30) Binnen die dvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (31) De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (32) De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden dit: (33) 'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'
(34) Daarbuiten is er een berg genaamd Lokâloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiële en immateriële plaatsen. (35) De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mânasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) De berg Lokâloka [die de buitenste schil vormt] is er als de afscheiding waarvan men spreekt van gebieden die bewoond zijn en de gebieden die niet bewoond zijn. (37) Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (38) De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].
(39) Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmâ], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (40) Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat. (41) Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (42) De onbewoonde, niet-materiële varsha strekt zich zover buiten Lokâloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.
(43) In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (45) Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.
Tweede editie, geladen 2 maart, 2007. ![]()
Source texts:
De structuur van het universum
S'rî S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvîpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32].De grote wijze S'ukadeva Gosvâmî zei: Nu zal ik de afmetingen, speciale kenmerken en de vorm van de zes eilanden beschrijven, te beginnen met het eiland Plaksha. (Vedabase)
Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvîpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambû, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvîpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie.
Zoals Jambûdvîpa rondom de berg Sumeru ligt, wordt het eiland zelf omgeven door een oceaan van zout water. Jambûdvîpa is 100.000 yojana's breed [ongeveer 1.300.000 kilometer], en de oceaan van zout water heeft diezelfde breedte. Zoals een gracht rond een vesting soms omgeven wordt door een parkachtig woud, zo omringt Plakshadvîpa op zijn beurt de zout-water-oceaan rondom Jambûdvîpa. Plakshadvîpa is tweemaal zo breed als de oceaan van zout water - met andere woorden 200.00 yojana's [ongeveer 2.600.000 kilometer] breed. Op Plakshadvîpa staat een boom die schittert als goud en even hoog is als de jambû-boom op Jambûdvîpa. Aan de voet van deze boom brandt een vuur met zeven vlammen. Omdat het een plaksha-boom is, heet het eiland Plakshadvîpa. Plakshadvîpa werd geregeerd door Idhmajihva, een van de zoons van Mahârâja Priyavrata. Hij noemde de zeven eilanden naar zijn zeven zoons, verdeelde ze onder hen, en trok zich toen uit het openbare leven terug om zich geheel aan het dienen van de Heer te wijden. (Vedabase)
S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang:
De zeven eilanden [varsha's] zijn genoemd naar deze zeven zoons - S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya. In deze zeven provincies zijn zeven bergen en zeven rivieren. De bergen heten de Manikûtha, Vajrakûtha, Indradena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla, en de rivieren heten de Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ. Door het water van deze rivieren aan te raken en erin te baden, kan men op slag vrij worden van alle materiële besmetting, en de vier klassen van mensen waarin de bewoners van Plakshadvîpa verdeeld zijn - de Hamsa's, Patanga's, Ûrdhvâyana's en Satyânga's - zuiveren zich op deze manier. De bewoners van Plakshadvîpa leven duizend jaar. Ze zijn even mooi als de halfgoden en ze verwekken hun kinderen ook op dezelfde manier. Ze houden zich uiterst strikt aan de rituele ceremonies die de Veda's aanbevelen en vereren de Allerhoogste Godspersoon in de gedaante van de zonnegod; zo bereiken ze de zon, die een hemelse planeet is. (Vedabase)
'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sûrya, de God van de Zon.'
[Dit is de mantra waarmee de bewoners van Plakshadvîpa de Allerhoogste Heer aanbidden.] Laat ons bescherming zoeken bij de zonnegod, die een deeltje van Heer Vishnu is, de alomtegenwoordige Allerhoogste Godspersoon, de oudste van allen. Vishnu is de enige Heer die onze verering verdient. Hij is de Veda's, Hij is religie, en Hij is de oorsprong van alle gunstige en ongunstige gevolgen. (Vedabase)
Vanaf Plaksha worden op de vijf dvîpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid.
O koning, een lang leven, scherpe zintuigen, lichamelijke en geestelijke kracht, intelligentie en moed zijn de eigenschappen die de natuur aan alle bewoners van de vijf eilanden - met Plakshadvîpa als het belangrijkste - in gelijke mate heeft toebedeeld. (Vedabase)
Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa die bekend staat als S'âlmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ, zie voetnoot].
Plakshadvîpa wordt omgeven door een oceaan van suikerrietsap, die even breed is als het eiland zelf. Dan is er een ander eiland - S'âlmalîdvîpa - dat tweemaal zo breed is als Plakshadvîpa [400.000 yojana's of 5.150.000 kilometer], en omringd wordt door een watermassa genaamd Surâsâgara, die even breed is als het eiland en naar sterke drank smaakt. (Vedabase)
Die dvîpa ontleent haar naam aan de s'âlmalî-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf.
Op S'âlmalîdvîpa staat een s'âlmalî-boom, waar het eiland naar genoemd is. Deze boom is even hoog en breed als de plaksha-boom - met andere woorden, 1.100 yojana's [14.300 kilometer] hoog en 100 yojana's [1.300 kilometer] breed. Grote geleerden zeggen dat deze gigantische boom de woonplaats van Garuda is, de koning van alle vogels en de drager van Heer Vishnu. In deze boom richt Garuda zijn vedische gebeden tot Heer Vishnu. (Vedabase)
De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta.
De zoon van Mahârâja Priyavrata, Yajñabâhu genaamd, die heer van S'âlmalîdvîpa is, verdeelde het eiland in zeven provincies, die hij aan zijn zeven zoons schonk. Deze stukken land hebben dezelfde namen als deze zonen, te weten Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (Vedabase)
De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ.
In die provincies staan zeven bergen - de Svarasa, S'atas'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasras'ruti. Er stromen ook zeven rivieren - de Anumati, Sinîvâlî, Sarasvatî, Kuhû, Rajanî, Nandâ en de Râkâ. Deze bestaan nog steeds. (Vedabase)
De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]:
De bewoners van deze eilanden, bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's, houden zich strikt aan de regels van het varnâs'rama-dharma-stelsel en vereren allen de expansie van de Allerhoogste Godspersoon die Soma heet, de maangod. (Vedabase)
'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'
[De bewoners van S'âlmalîdvîpa vereren de halfgod van de maan met de volgende woorden.] Voor de verdeling van graan onder de pitâ's en de halfgoden, heeft de maangod door middel van zijn eigen stralen de maand in twee perioden van veertien dagen verdeeld, die we kennen als s'ukla en krishna. De halfgod van de maan is degene die de tijd verdeelt, en hij is ook de koning van alle bewoners van het universum. Daarom bidden we dat hij altijd onze koning en gids mag blijven, en brengen we hem nederig onze eerbetuigingen. (Vedabase)
Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvîpa ervoor, Kus'advîpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvîpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht.
Aan de overkant van de oceaan van sterke drank ligt een ander eiland, bekend als Kus'advîpa, dat 800.000 yojana's [10.300.00 kilometer] breed is, tweemaal zo breed als de oceaan van sterke drank. Zoals S'âlmalîdvîpa in het midden van een oceaan van sterke drank ligt, wordt Kus'advîpa omgeven door een oceaan van vloeibare ghi die even breed is als het eiland zelf. Op Kus'advîpa staan bosjes kus'a-gras, waar het eiland ook naar genoemd is. Dit kus'a-gras, dat de halfgoden geschapen hebben volgens de wil van de Allerhoogste Heer, ziet eruit als vuur, maar dan anders, want het heeft heel milde en aangename vlammen. De jonge scheuten stralen naar alle kanten licht uit. (Vedabase)
De meester van dat eiland, Hiranyaretâ, de zoon van Mahârâja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvîpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva.
O koning, een andere zoon van Mahârâja Priyavrata, Hiranyaretâ, was koning van dit eiland. Hij deelde het in zeven provincies, die hij volgens het erfrecht aan zijn zeven zoons naliet. Vervolgens trok de koning zich terug uit het gezinsleven en onderwierp zich aan versterving. De namen van deze zoons waren Vasu, Vasudâna, Dridharuci, Stutyavrata, Nâbhigupta, Vivikta en Vâmadeva. (Vedabase)
De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ.
De grenzen van deze zeven eilanden worden gemarkeerd door zeven bergen, bekend als de Cakra, Catuhs'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina. Er stromen ook zeven rivieren: de Ramakulyâ, Madhukulyâ, Mitravindâ, Srutavindâ, Devagarbhâ, Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (Vedabase)
Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jâtaveda ['Hij die het Loon toekent']:
De bewoners van het eiland Kus'advîpa staan bekend als de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en Kulaka's - die te vergelijken zijn met respectievelijk de brâhmana's, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's. Door een bad in het water van deze rivieren te nemen, raken ze allemaal gezuiverd. Ze zijn specialisten op het gebied van de rituele ceremonies volgens de voorschriften van de Veda's. Zo vereren ze de Heer in Zijn gedaante als de halfgod van het vuur. (Vedabase)
'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'
[Dit is de mantra waarmee de bewoners van Kus'advîpa de vuurgod vereren.] O vuurgod, u bent een deel van de Allerhoogste Godspersoon, Hari, en u brengt Hem alle offergaven. Daarom verzoeken we u om de Allerhoogste Godspersoon de yajña-gaven aan te bieden die we aan de halfgoden offeren, want de Heer is de ware begunstigde. (Vedabase)
Zo wordt, net zoals Kus'advîpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauñcadvîpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauñca wordt aangetroffen die die dvîpa zijn naam gaf.
Aan de overkant van de oceaan van geklaarde boter ligt een ander eiland, bekend als Krauñcadvîpa. Dit eiland heeft een breedte van 1.600.000 yojana's [20.600.000 kilometer] en is daarmee tweemaal zo breed als de oceaan van geklaarde boter. Zoals Kus'advîpa in een oceaan van geklaarde boter ligt, zo wordt Krauñcadvîpa omgeven door een oceaan van melk die even breed is als het eiland zelf. Op Krauñcadvîpa staat een grote berg - de Krauñca - waar het eiland zijn naam aan ontleent. (Vedabase)
Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kârttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën].
Hoewel de gewassen die op de hellingen van de berg Krauñca groeien ooit aangevallen en vernietigd zijn door Kârttikeya met zijn wapens, kent de berg geen angst meer omdat hij altijd aan alle kanten gebaad wordt door de oceaan van melk en Varunadeva hem persoonlijk beschermt. (Vedabase)
Tekst 20:
Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, heerser van die dvîpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harî, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn.
De heerser van dit eiland was een andere zoon van Mahârâja Priyavrata. Zijn naam was Ghritaprishthha, en hij was een heel groot geleerde. Ook hij verdeelde zijn eiland onder zijn zeven zoons. Nadat Ghritaprishthha Mahârâja het eiland in zeven provincies had verdeeld, die hij naar zijn zoons noemde, trok hij zich geheel uit het gezinsleven terug en zocht zijn toevlucht bij de lotusvoeten van de Heer, de ziel der zielen, die alle heilzame eigenschappen bezit. Zo bereikte hij volmaaktheid. (Vedabase)
Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ.
De zoons van Mahârâja Ghritaprishthha heetten Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati. Er staan zeven bergen op hun eiland, die de grenzen van de zeven verschillende provincies vormen, en er stromen eveneens zeven rivieren. De bergen heten de S'ukla, Vardhamâna, Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra, en de namen van de rivieren zijn de Abhayâ, Amritaughâ, Âryakâ, Tîrthavatî, Rûpavatî, Pavitravatî en de S'uklâ. (Vedabase)
Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water:
De bewoners van Krauñcadvîpa zijn in vier kasten verdeeld, de purusha's, Rishabha's, Dravina's en Devaka's genaamd. Gebruik makend van het water van deze heilige rivieren, vereren ze de Allerhoogste Godspersoon door er een handvol van aan de lotusvoeten van Varuna te offeren, de halfgod die een gedaante van water heeft. (Vedabase)
'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'
[De bewoners van Krauñcadvîpa vereren Varuna met de volgende mantra.] O water van de rivieren, u hebt uw energie gekregen van de Allerhoogste Godspersoon. Daarom zuivert u de drie planetenstelsels Bhûloka, Bhuvarloka en Svarloka. U neemt van nature onze zonden van ons weg, en dat is de reden waarom we u aanraken. Blijf ons alstublieft zuiveren. (Vedabase)
Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvîpa S'âka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvîpa bezwangert.
Aan de overkant van de oceaan van melk ligt een ander eiland, S'âkadvîpa, dat een breedte heeft van 3.200.000 yojana's [41.200.000 kilometer]. Zoals Krauñcadvîpa middenin zijn eigen oceaan van melk ligt, zo wordt S'âkadvîpa omgeven door een oceaan van gekarnde yoghurt die even breed is als het eiland zelf. In S'âkadvîpa staat een grote s'âka-boom, waar het eiland zijn naam aan dankt. Deze boom heeft een overheerlijk aroma dat het hele eiland parfumeert. (Vedabase)
De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi verdeelde de dvîpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer.
De Heer van dit eiland, ook een zoon van Priyavrata, stond bekend als Medhâtithi. Ook hij verdeelde zijn eiland in zeven provincies en gaf ze de namen van zijn eigen zoons, die hij tot koningen van het eiland benoemde. De namen van deze zoons zijn Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra. Nadat Medhâtithi het eiland verdeeld had en het bewind had overgedragen aan zijn zoons, trok hij zich terug, en om zijn geest volkomen op de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon te kunnen concentreren, ging hij naar een woud dat zeer geschikt was voor meditatie. (Vedabase)
De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapâla en de Mahânasa, en de rivieren genaamd de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti.
Ook deze provincies hebben zeven bergen die de grenzen markeren en zeven rivieren. De bergen zijn de Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasrasrota, Devapâla en de Mahânasa, en de rivieren zijn de Anaghâ, Âyurdâ, Ubhayasprishthi, Aparâjitâ, Pañcapadî, Sahasras'ruti en de Nijadhriti. (Vedabase)
De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dânavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vâyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met:
De bewoners van die eilanden zijn eveneens in vier kasten verdeeld - de Ritavrata's, Satyavrata's, Dânavrata's en Anuvrata's. Deze kasten komen exact overeen met de indeling in brâhmana's, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's. Ze beoefenen prânâyâma en mystieke yoga, en ze vereren in trance de Allerhoogste Heer in de gedaante van Vâyu. (Vedabase)
'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'
[De bewoners van S'âkadvîpa vereren de Allerhoogste Godspersoon in de gedaante van Vâyu in de volgende bewoordingen.] O Allerhoogste Persoon, die als de Superziel in het lichaam zetelt, U bestuurt de werking van de verschillende luchtstromingen, zoals prâna, en houdt zo alle levende wezens in stand. O Heer, o Superziel van iedereen, o meester van de kosmische openbaring onder wie alles functioneert, moge U ons behoeden voor alle gevaar. (Vedabase)
Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ].
Aan de overkant van de oceaan van yoghurt ligt een ander eiland dat Pushkaradvîpa heet en 6.400.000 yojana's [82.400.000 kilometer] breed is, tweemaal zo breed als de oceaan van yoghurt. Dit eiland is omringd door een oceaan van heerlijk smakend water, die even breed is als het eiland zelf. Op Pushkaradvîpa staat een enorme lotus met 100.000.000 bloemblaadjes van puur goud, die schitteren als vuur. Deze lotus wordt geacht de zetel van Heer Brahmâ te zijn, die het machtigste levend wezen is en daarom soms bhagavân genoemd wordt. (Vedabase)
Binnen die dvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara].
In het midden van dat eiland staat een grote berg, de Mânasottara genaamd; deze vormt de grens tussen het binnenland en de kuststrook van het eiland. De Mânasottara is 10.000 yojanas [130.000 kilometer] breed en hoog. Boven op de berg, in elk van de vier windrichtingen, staan de paleizen van halfgoden zoals Indra. Op de top van deze berg trekt de zon in de koets van de zonnegod in een cirkel om de berg Meru heen, en de baan die hij beschrijft heet Samvatsara. De noordelijke weg van de zon heet Uttarâyana, en de zuidelijke Dakshinâyana; Uttarâyana vertegenwoordigt een dag van de halfgoden, en Dakshinâyana een nacht. (Vedabase)
De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen.
De heerser van dit eiland, Vîtihotra, een zoon van Mahârâja Priyavrata, had twee zoons - Ramanaka en Dhâtaki. Hij schonk zijn zoons elk een deel van het eiland en hield zich daarna zelf net als zijn oudere broer Medhâtithi alleen nog maar bezig met activiteiten bedoeld om de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stellen. (Vedabase)
De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden dit:
Om hun materiële wensen vervuld te krijgen, veren de bewoners van dit gebied de Allerhoogste Godspersoon in de persoon van Heer Brahmâ. Zij richten de volgende gebeden tot de Heer. (Vedabase)
'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'
Heer Brahmâ staat bekend als karma-maya, de personificatie van de rituele ceremonieën, omdat zulke rituelen iemand in staat stellen om de positie van Heer Brahmâ te bereiken en hij bovendien degene is die de vedische rituele lofzangen openbaart. Omdat hij de Allerhoogste Godspersoon onafgebroken toegewijd is, verschilt hij in zekere zin niet van de Heer. Toch moet hij aanbeden worden in dualiteit [dus als verschillend van de Heer], en niet zoals de monisten hem vereren. We moeten altijd dienaren van de Allerhoogste Heer blijven, omdat Hij de allerhoogste is aan wie alle eer toekomt. Daarom brengen we onze nederige eerbetuigingen aan Heer Brahmâ, die de belichaming is van de geopenbaarde vedische kennis. (Vedabase)
Daarbuiten is er een berg genaamd Lokâloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiële en immateriële plaatsen.
Verder ligt er aan de overkant van de oceaan van zoet water en helemaal eromheen een berg die Lokâloka heet. De landen waar volop zon is en die welke helemaal geen zon krijgen, worden door deze berg van elkaar gescheiden. (Vedabase)
De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mânasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens.
Aan de overkant van de oceaan van zoet water ligt een gebied dat even groot is als het land tussen het midden van de berg Sumeru en de grens van de berg Mânasottara. In dat gebied wonen veel levende wezens. Daarachter ligt een ander land, dat zich uitstrekt tot de berg Lokâloka en helemaal van goud is. Omdat de grond van goud is, weerkaatst hij het zonlicht als een spiegel, zodat men niets wat op de grond valt ooit weer terug kan vinden. Daarom hebben alle levende wezens dit gouden land verlaten. (Vedabase)
De berg Lokâloka [die de buitenste schil vormt] is er als de afscheiding waarvan men spreekt van gebieden die bewoond zijn en de gebieden die niet bewoond zijn.
Tussen de landen die bewoond worden door levende wezens en die onbewoond zijn, staat de grote berg die ze van elkaar scheidt en daarom bekendheid geniet als Lokâloka. (Vedabase)
Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken.
Volgens Krishna's allerhoogste wil is de berg Lokâloka zo geplaatst dat hij de uiterste grens van de drie werelden - bhûrloka, Bhuvarloka en Svarloka - vormt en de stralen van de zon gelijkmatig over het hele universum verdeelt. Alle lichtgevende hemellichamen - van de zon tot en met Dhruvaloka - projecteren hun stralen door de drie werelden, maar ze komen niet verder dan de grens die door deze berg gevormd wordt. Omdat Lokâloka zeer hoog is, hoger zelfs dan Dhruvaloka, houdt hij de stralen van de sterren tegen, en daardoor kunnen die nooit verder komen dan daar. (Vedabase)
De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft de afmetingen van hun verschijningsvormen alsook van hun stellaire situaties, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].
Grote geleerden, die niet onderhevig zijn aan fouten en illusie en vrij zijn van elke neiging tot bedrog, hebben de planetenstelsels zo beschreven, met al hun kenmerken, afmetingen en de plaats waar ze zich bevinden. Na rijp beraad hebben ze vastgelegd dat de afstand tussen de Sumeru en de berg Lokâloka een kwart van de diameter van het universum bedraagt - met andere woorden 125.000.000 yojana's. (1.600.000.000 kilometer). (Vedabase)
Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmâ], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum.
Heer Brahmâ, de allerhoogste geestelijk leraar van het hele universum, heeft op de top van de berg Lokâloka in de vier windrichtingen de vier gaja-pati's opgesteld, de besten onder de olifanten. De namen van deze olifanten zijn Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita. Zij zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de planetenstelsels in het universum. (Vedabase)
Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat.
De Allerhoogste Godspersoon is de meester van alle transcendentale rijkdom en de Heer van de geestelijke hemel. Hij is de Allerhoogste Persoon, Bhagavân, de Superziel in ons allemaal. De halfgoden, met de hemelkoning Indra aan het hoofd, zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de gang van zaken in de materiële wereld. Voor het welzijn van alle levende wezens op de verschillende planeten en om de macht van de olifanten en de halfgoden te vergroten, openbaart de Heer Zich op de top van deze berg in een geestelijk lichaam, onaangetast door de geaardheden der materiële natuur. Omringd door Zijn persoonlijke expansies en assistenten als Vishvaksena, openbaart Hij al Zijn volmaakte volheden, zoals religie en kennis, en ook Zijn mystieke krachten zoals animâ, laghimâ en mahimâ. Met de verschillende wapens in Zijn handen ziet Hij er schitterend uit. (Vedabase)
Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven.
De verschillende gedaantes van de Allerhoogste Godspersoon, zoals Nârâyana en Vishnu, zijn allemaal getooid met verschillende wapens. De Heer manifesteert Zich in al deze gedaantes om alle verschillende planeten in stand te houden, die geschapen zijn door Zijn persoonlijke vermogens, yogamâyâ. (Vedabase)
De onbewoonde, niet-materiële varsha strekt zich zover buiten Lokâloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.
Beste koning, achter de berg Lokâloka ligt het gebied dat Aloka-varsha genoemd wordt. Het heeft dezelfde doorsnee als het gebied binnenin de berg - met andere woorden, 125.000.000 yojana's [1.600.000.000 kilometer]. Achter Aloka-varsha ligt de bestemming van mensen die naar bevrijding uit de materiële wereld streven. Hier hebben de geaardheden der materiële natuur geen invloed, en daarom is het er absoluut zuiver. Toen Heer Krishna en Arjuna de zoons van de brâhmana terugbrachten, kwamen ze door dit gebied heen. (Vedabase)
In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren.
Verticaal gezien staat de zon middenin het universum, en wel in het gebied tussen Bhûrloka en Bhuvarloka, antariksha geheten, of de kosmische ruimte. De afstand van de zon tot aan de omtrek van het universum bedraagt vijfentwintig kothi yojana's [3.200.000.000 kilometer]. (Vedabase)
Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving.
De zonnegod staat ook bekend als Vairâja, het totale materiële lichaam van alle levende wezens. En omdat hij ten tijde van de schepping het levenloze ei dat het universum toen nog was, binnengegaan is, wordt hij ook wel Mârtanda genoemd. Bovendien staat hij bekend als Hiranyagarbha, omdat hij zijn materiële lichaam van Hiranyagarbha [Heer Brahmâ] gekregen heeft. (Vedabase)
Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala.
O koning, de zonnegod en de zonneplaneet verdelen het universum in verschillende richtingen. Als de zon niet bestond, zouden we niet kunnen begrijpen wat de ruimte, de hogere planeten, deze wereld en de lagere planeten zijn. Het is ook alleen aan de zon te danken dat we kunnen begrijpen welke plaatsen voor materieel genot zijn, welke voor bevrijding, en waar de helse en benedenaardse planeten liggen. (Vedabase)
De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.
Alle levende wezens. (halfgoden, mensen, zoogdieren, vogels, insekten, reptielen, klimplanten en bomen) zijn afhankelijk van de warmte en het licht dat de zonnegod hun vanaf de zonneplaneet schenkt. Daar komt nog bij dat alleen dankzij de zon alle levende wezens kunnen zien; daarom wordt hij drig-îs'vara genoemd, de Godspersoon die over het zicht heerst. (Vedabase)
*: Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeën betrekking op de lichaamssappen, met de dvîpa's als secties, in de virâth-rûpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap. (transpiratie), Surâ of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yoghurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties