regelbalk


 

Canto 7

Pañca Tattva

 

Hoofdstuk 3: Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

(1) S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, verlangde het onoverwinnelijk te worden, vrij van ouderdom en zelf onsterfelijk, de ene koning zonder rivalen of tegenstanders. (2) In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij zijn armen ten hemel ophief naar boven starend in de hemel en hij met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond. (3) Voortkomend uit het haar op zijn hoofd was er een licht helder als een supernova en door de straling ervan werden al de goden in hun boetepraktijken teruggedreven naar hun eigen plaatsen. (4) Teweeggebracht door zijn zware boete, met rook zich zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidend, verhitte het al de werelden. (5) De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden en bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen met het in lichterlaaie staan van al de tien windrichtingen. (6) Daardoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en begaven ze zich naar de plaats van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum door de boetedoening van de daitya koning zijn we allen aangetast en niet langer in staat onze posities in de hemel te behouden. (7) Alstublieft, als u het goed dunkt, zouden we hier graag een eind aan gemaakt zien, o Grootheid, of anders zijn allen gehoorzaam aan uw aanbidding verloren. (8) Sla acht op dit voornemen van hem in zijn uitvoer van de zo moeilijke boete-oefening; wat zou u ook niet bekend zijn - maar niettemin zouden we dit graag aan u voorleggen: (9-10) 'Heer Brahmâ, die door verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag en daarom zal ik dankzij een zelfs nog ernstiger boetedoening verzonken in de yoga, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, voor mezelf evenzoveel bereiken. (11) Ik zal met mijn kracht deze wereld op zijn kop zetten en opnieuw instellen wat men nu onbehoorlijk noemt; wat is het nut van al die andere praktijken van de volgelingen van Vishnu, per slot van rekening gaan ze allemaal ten onder.' (12) Van deze aard, zo ontdekten wij, is zijn overtuiging vanuit zijn buitensporige boete; onderneem alstublieft, in uw eigen belang, de nodige stappen, o meester van de drie werelden. (13) Het is uw positie om de allerhoogste meester in het universum te zijn ter wille van het betere en verhevene van de twee maal geborenen en de koeien, de verlossing en de weelde, het welzijn en de overwinning.

(14) Aldus op de hoogte gesteld door de goddelijken begaf de meest machtige, geboren van de lotus, o Koning, in het gezelschap van Bhrigu, Daksha en anderen zich naar de plaats van boete van de heer der daitya's. (15-16) Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe, met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt, maar hij die de zwaan bereed lachte met verwondering toen hij zag hoe door zijn boete het verhitten van al de werelden versluierd was zoals de zon versluierd wordt door wolken. (17) Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom te voorschijn, kom tevoorschijn, o zoon van Kas'yapa, al het goede zij u toegewenst die zo volmaakt bent in uw boete, ik, de toekenner van gunsten ben gekomen, laat wat u van me verlangt mijn zegen zijn. (18) Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw volharding is en hoe verwonderlijk het is dat iemand wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren er in geslaagd is zijn levensadem binnen zijn gebeente te behouden. (19) Er is nog nooit zoiets volbracht door de wijzen vóór u, noch zal er ook maar iemand na u in slagen; wie o wie zou zonder water te drinken zijn levensadem in stand kunnen houden voor meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar]? (20) O zoon van Diti, door uw besluit een vorm van boete te doen die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk is, hebt u mij voor u gewonnen. (21) Daarvoor zal ik u alle zegeningen vergunnen, o beste der Asura's, de opwachting van iemand voorbestemd te sterven zoals u bij een onsterfelijk iemand als ik zal zeker niet vruchteloos blijken.'

(22) S'rî Nârada zei: 'Aldus sprekend sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum, goddelijk, alvermogend en onfeilbaar water vanuit zijn kamandalu [waterpot] over het door de mieren opgegeten lichaam. (23) Daarvan herstelde hij, vanuit zijn mierenheuvel en zijn bamboe, zich volledig qua geest, zinnen en kracht in al zijn leden; hij verhief zich, als vuur tevoorschijn springend uit brandhout, met een jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud. (24) Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd Heer Brahmâ te ontmoeten, hem met zijn hoofd naar de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10]. (25) Toen hij weer overeind komend met zijn eigen ogen de Almachtige aanschouwde begon hij, overweldigd door een jubelstemming, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden. (26-27) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van zijn dag als hij onder de invloed van de tijd is overdekt door de hechte duisternis der onwetendheid, wordt door de eigen gloed van de stralen van zijn lichaam deze kosmische schepping gemanifesteerd. Deze wereld wordt door hemzelf èn gestuurd door de drie geaardheden van rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Mijn respectvolle eerbetuigingen aan die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer. (28) Mijn respectvolle eerbetoon voor het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid; voor de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie, die door zijn werken de schepping tot stand bracht. (29) Aan u is de feitelijke heerschappij over de bewegende en de niet-bewegende wezens; met de levenskracht bent u de bron van alles wat er gebeurt en de oorspronkelijke bedenker en bron van inzicht voor allen die in leven zijn; de grote meester van de zintuigen van waarnemen en handelen bent u, de beheerser van alle verlangen, de materiële elementen en hun kwaliteiten [vergelijk B.G. 7: 7]. (30) Door uw lichaam van de drie Veda's verspreidt u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de benodigde kennis; u bent die ene ziel van alle vormen van leven zonder een aanvang en zonder een eind; de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf van binnen. (31) Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven. (32) Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of zelfs maar lager, beweegt of niet beweegt, terwijl de kennis in al zijn geledingen het verschil uitmaakt van de uiteenlopende kenmerken van uw lichaam; u bent die Ene groter dan de grootste, verheven boven de drie geaardheden, die het universum in zijn buik houdt. (33) Zich bevindend in uw verblijf geniet u ongezien, als de Allerhoogste, de Ziel en de oudste persoon het gemanifesteerde, o Almachtige, deze kosmische manifestatie die het uitwendige van u vormt waarvan we de zinnen, de levensadem en de kwaliteiten hebben. (34) Door deze onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van u is er dit geheel van alles bij elkaar wat zich uitbreidde met zijn materiële en spirituele vermogen; hem aldus toegerust, hem die Allerhoogste Meester van God, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(35) Als u bereid bent mij de gunst die ik verlang te verlenen, o schenker van alle genade, laat het dan, o mijn Heer, zo zijn dat ik door geen van de wezens door u geschapen de dood zal vinden. (36) Noch thuis noch daarbuiten, niet gedurende de dag noch gedurende de nacht, noch van enige andere god zelfs of door enig bekend wapen, noch op de grond noch in de hemel mag ik sterven. (37-38) Levenloze dingen noch levensvormen, halfgod noch demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden; ik moet geen rivalen hebben, het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij hebben over alle belichaamden met inbegrip van de goden van alle leefwerelden; aan mij de glorie gelijk die van u en nimmer mogen de verworvenheden verkregen door de boete in yoga worden verslagen.'

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 12 juni 2007.

 

 

 

Bronteksten:

Hiranyakas'ipu's plan om onsterfelijk te worden

 

Tekst 1

S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, verlangde het onoverwinnelijk te worden, vrij van ouderdom en zelf onsterfelijk, de ene koning zonder rivalen of tegenstanders.

Nârada Muni zei tegen Mahârâja Yudhishthhira: De demonische koning Hiranyakas'ipu wilde onoverwinnelijk worden en vrij zijn van ouderdom en lichamelijke aftakeling. Hij wilde alle yoga-volmaaktheden zoals animâ en laghimâ verwerven, niet doodgaan, en de enige koning van het hele universum zijn, met inbegrip van Brahmaloka. (Vedabase)

 

Tekst 2

In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij zijn armen ten hemel ophief naar boven starend in de hemel en hij met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond.

Hiranyakas'ipu begon in de vallei van de berg Mandara zijn ascese te beoefenen: hij ging op zijn tenen staan met zijn armen omhoog en zijn blik naar de hemel gericht. Dit was een bijzonder moeilijke positie, maar hij beschouwde het als een middel om volmaaktheid te bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 3

Voortkomend uit het haar op zijn hoofd was er een licht helder als een supernova en door de straling ervan werden al de goden in hun boetepraktijken teruggedreven naar hun eigen plaatsen.

Uit het haar op Hiranyakas'ipu's hoofd kwam een verblindend licht tevoorschijn, dat even schitterend en onverdraaglijk was als de stralen van de zon ten tijde van de vernietiging. Toen de halfgoden hem zo met zijn strenge boetedoeningen bezig zagen, keerden ze van hun tocht langs de planeten naar hun eigen woonplaatsen terug. (Vedabase)

 

Tekst 4

Teweeggebracht door zijn zware boete, met rook zich zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidend, verhitte het al de werelden.

Doordat Hiranyakas'ipu zich aan zulke strenge ascese onderwierp, kwam er vuur uit zijn hoofd; dit vuur en de rook die ermee gepaard ging, verbreidden zich door de hele ruimte en omgaven zowel de hogere als de lagere planeten, die stuk voor stuk gloeiend heet werden. (Vedabase)

 

Tekst 5:

De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden en bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen met het in lichterlaaie staan van al de tien windrichtingen.

Door de kracht van zijn strenge ascese kwamen alle rivieren en oceanen in beroering, begon het aardoppervlak met zijn bergen en eilanden te beven en vielen de sterren en planeten naar beneden. Het hele universum stond aan alle kanten in lichterlaaie. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Daardoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en begaven ze zich naar de plaats van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum door de boetedoening van de daitya koning zijn we allen aangetast en niet langer in staat onze posities in de hemel te behouden.

Omdat alle halfgoden verschroeid raakten door de hitte en zich bijzonder bezorgd maakten over de strenge ascese van Hiranyakas'ipu, verlieten ze de planeten waar ze woonden en begaven zich naar de planeet van Heer Brahmâ, waar ze de schepper als volgt van de feiten op de hoogte brachten: "O heer van de halfgoden, o meester van het universum, het vuur dat door Hiranyakas'ipu's strenge ascese uit zijn hoofd laait, bezorgt ons zoveel problemen dat we niet op onze planeten konden blijven en naar u zijn toegekomen." (Vedabase)

 

Tekst 7:

Alstublieft, als u het goed dunkt, zouden we hier graag een eind aan gemaakt zien, o Grootheid, of anders zijn allen gehoorzaam aan uw aanbidding verloren.

O hoogverheven heer, leider van het universum, als u het juist acht, maak dan alstublieft een eind aan deze ongeregeldheden die bedoeld zijn om alles te gronde te richten, voordat al uw trouwe onderdanen vernietigd zijn. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Sla acht op dit voornemen van hem in zijn uitvoer van de zo moeilijke boete-oefening; wat zou u ook niet bekend zijn - maar niettemin zouden we dit graag aan u voorleggen:

Hiranyakas'ipu onderwerpt zich aan een zeer strenge vorm van ascese. Hoewel zijn plan u niet onbekend zal zijn, zouden we u graag laten weten wat zijn ware bedoelingen zijn. Wees daarom zo goed om naar ons te luisteren. (Vedabase)

 

Tekst 9-10

'Heer Brahmâ, die door verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag en daarom zal ik dankzij een zelfs nog ernstiger boetedoening verzonken in de yoga, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, voor mezelf evenzoveel bereiken.

"Heer Brahmâ, het allerhoogste wezen in dit universum, heeft zijn verheven positie te danken aan zijn strenge ascese, mystieke kracht en trance. Daardoor is hij, nadat hij het universum geschapen had, de meest geprezen halfgod geworden. Aangezien ik eeuwig ben en de tijd ook, zal ik vele, vele levens lang net zulke ascese beoefenen en dezelfde mystieke krachten en trance proberen te bereiken, zodat ik dezelfde positie kan bekleden als Heer Brahmâ." (Vedabase)

 

Tekst 11

Ik zal met mijn kracht deze wereld op zijn kop zetten en opnieuw instellen wat men nu onbehoorlijk noemt; wat is het nut van al die andere praktijken van de volgelingen van Vishnu, per slot van rekening gaan ze allemaal ten onder.'

"Door de kracht van mijn strenge ascese zal ik de resultaten van vrome en goddeloze activiteiten omdraaien. Ik zal de gevestigde orde in deze wereld omverwerpen. Zelfs Dhruvaloka zal aan het eind van het millennium vernietigd worden. Wat is het nut dan van dit alles? Ik houd liever de positie van Brahmâ." (Vedabase)

 

Tekst 12:

Van deze aard, zo ontdekten wij, is zijn overtuiging vanuit zijn buitensporige boete; onderneem alstublieft, in uw eigen belang, de nodige stappen, o meester van de drie werelden.

O heer, we hebben uit betrouwbare bron vernomen dat Hiranyakas'ipu zich nu aan strenge ascese onderwerpt omdat hij uw positie wil overnemen. U bent de meester van de drie werelden. Neem alstublieft onverwijld de stappen die u nodig acht. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Het is uw positie om de allerhoogste meester in het universum te zijn ter wille van het betere en verhevene van de twee maal geborenen en de koeien, de verlossing en de weelde, het welzijn en de overwinning.

O Heer Brahmâ, zolang u de hoogste positie in dit universum inneemt, is dit voor iedereen beslist heel gunstig, met name voor de koeien en de brâhmana's. In deze situatie kunnen de brahmaanse beschaving en de bescherming van de koeien steeds meer verheerlijkt worden en zo zullen alle vormen van materieel geluk, rijkdom en voorspoed vanzelf toenemen. Maar als Hiranyakas'ipu uw positie zou weten te bemachtigen is alles jammerlijk verloren. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Aldus op de hoogte gesteld door de goddelijken begaf de meest machtige, geboren van de lotus, o Koning, in het gezelschap van Bhrigu, Daksha en anderen zich naar de plaats van boete van de heer der daitya's.

O koning, toen de halfgoden de machtige Heer Brahmâ van de feiten op de hoogte hadden gebracht, begaf deze zich vergezeld van Bhrigu, Daksha en andere grote wijzen onmiddellijk naar de plek waar Hiranyakas'ipu zijn boetedoening en ascese beoefende. (Vedabase)

 

Tekst 15-16:

Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe, met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt, maar hij die de zwaan bereed lachte met verwondering toen hij zag hoe door zijn boete het verhitten van al de werelden versluierd was zoals de zon versluierd wordt door wolken.

Heer Brahmâ, die op de rug van een zwaan reist, kon Hiranyakas'ipu eerst niet vinden, want zijn lichaam was bedolven onder een mierenhoop, gras en bamboestengels. Doordat Hiranyakas'ipu daar al zolang stond, hadden de mieren zijn huid, vet, vlees en bloed weggevreten. Opeens zagen Heer Brahmâ en de halfgoden hem echter; hij leek op een achter de wolken verscholen zon en verhitte de hele wereld met zijn ascese. Heer Brahmâ, stom van verbazing, begon te glimlachen en sprak hem als volgt toe. (Vedabase)

  

Tekst 17:

Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom te voorschijn, kom tevoorschijn, o zoon van Kas'yapa, al het goede zij u toegewenst die zo volmaakt bent in uw boete, ik, de toekenner van gunsten ben gekomen, laat wat u van me verlangt mijn zegen zijn.

Heer Brahmâ zei: O zoon van Kas'yapa Muni, sta alstublieft op, sta alstublieft op. Ik wens u alle geluk. U hebt nu volmaaktheid bereikt in uw ascese en daarom mag ik u een zegen schenken. U mag me nu alles vragen wat u maar wenst, en ik zal mijn best doen om uw verlangens te vervullen. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw volharding is en hoe verwonderlijk het is dat iemand wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren er in geslaagd is zijn levensadem binnen zijn gebeente te behouden.

Ik ben zeer onder de indruk van uw uithoudingsvermogen. Hoewel u opgevreten en gebeten bent door allerlei wormen en mieren, bent u in staat om uw levenslucht te laten circuleren in uw botten. Dat is zondermeer wonderbaarlijk. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Er is nog nooit zoiets volbracht door de wijzen vóór u, noch zal er ook maar iemand na u in slagen; wie o wie zou zonder water te drinken zijn levensadem in stand kunnen houden voor meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar]?

Zelfs heiligen als Bhrigu, die eerder geboren zijn dan u, zouden zulke zware boetedoeningen niet kunnen doorstaan, noch zal iemand daar in de toekomst toe in staat zijn. Wie in deze drie werelden kan honderd hemelse jaren lang in leven blijven zonder ook maar een druppel water te drinken? (Vedabase)

 

Tekst 20:

O zoon van Diti, door uw besluit een vorm van boete te doen die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk is, hebt u mij voor u gewonnen.

Beste zoon van Diti, met uw grote vastberadenheid en ascese hebt u iets gedaan wat zelfs grote heiligen onmogelijk kunnen; daarom hebt u me zondermeer verslagen. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Daarvoor zal ik u alle zegeningen vergunnen, o beste der Asura's, de opwachting van iemand voorbestemd te sterven zoals u bij een onsterfelijk iemand als ik zal zeker niet vruchteloos blijken.'

O beste der Asura's, daarom ben ik nu bereid om u alle zegeningen te schenken die u verlangt. Ik behoor tot de hemelse wereld van de halfgoden, die niet sterven zoals mensen. Daarom, ofschoon u onderworpen bent aan de dood, zal uw onderhoud met mij niet vruchteloos blijven. (Vedabase)

 

Tekst 22:

S'rî Nârada zei: 'Aldus sprekend sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum, goddelijk, alvermogend en onfeilbaar water vanuit zijn kamandalu [waterpot] over het door de mieren opgegeten lichaam.

S'rî Nârada Muni vervolgde: Na deze woorden tot Hiranyakas'ipu te hebben gesproken, sprenkelde Heer Brahmâ, die buitengewoon machtig is en het oorspronkelijke wezen van dit universum, wat transcendentaal, nimmer falend geestelijk water uit zijn kamandalu op Hiranyakas'ipu's lichaam, dat was weggevreten door mieren en andere insekten. Zo blies hij Hiranyakas'ipu nieuw leven in. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Daarvan herstelde hij, vanuit zijn mierenheuvel en zijn bamboe, zich volledig qua geest, zinnen en kracht in al zijn leden; hij verhief zich, als vuur tevoorschijn springend uit brandhout, met een jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud.

Zodra Hiranyakas'ipu besprenkeld was met het water uit Heer Brahmâ's kruik, stond hij op, begiftigd met een volmaakt lichaam en met ledematen die zo krachtig waren dat ze een blikseminslag konden weerstaan. Uitgerust met grote fysieke kracht en met een lichaamsgloed die op gesmolten goud leek, kwam hij uit de mierenhoop tevoorschijn als een volslagen jonge man, net als vuur dat opvlamt uit hout. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd Heer Brahmâ te ontmoeten, hem met zijn hoofd naar de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10].

Toen Hiranyakas'ipu Heer Brahmâ voor hem in de lucht zag, gezeten op zijn zwaan, was hij bijzonder verheugd. Hij wierp zich onmiddellijk, met zijn gezicht naar de grond, languit ter aarde en betoonde de heer zijn erkentelijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Toen hij weer overeind komend met zijn eigen ogen de Almachtige aanschouwde begon hij, overweldigd door een jubelstemming, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden.

Toen de leider van de Daitya's van de grond opstond en Heer Brahmâ voor zich zag, was hij overweldigd door grote vreugde. Met tranen in de ogen, trillend van top tot teen, begon hij in een nederige gemoedsstemming en met gevouwen handen stamelend gebeden op te dragen aan Heer Brahmâ teneinde hem tevreden te stellen. (Vedabase)

 

Tekst 26-27:

S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van zijn dag als hij onder de invloed van de tijd is overdekt door de hechte duisternis der onwetendheid, wordt door de eigen gloed van de stralen van zijn lichaam deze kosmische schepping gemanifesteerd. Deze wereld wordt door hemzelf èn gestuurd door de drie geaardheden van rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Mijn respectvolle eerbetuigingen aan die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer.

Laat me nederig eer betuigen aan de allerhoogste heer in dit universum. Onder invloed van de tijd wordt aan het eind van iedere dag van zijn leven het hele universum in diepe duisternis gehuld, en de volgende dag openbaart, onderhoudt en vernietigt deze zelf-stralende heer door zijn eigen uitstraling de hele kosmische openbaring door middel van de materiële energie, bestaande uit de drie geaardheden der materiële natuur. Hij, Heer Brahmâ, is de toevlucht van die geaardheden der natuur - sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Mijn respectvolle eerbetoon voor het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid; voor de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie, die door zijn werken de schepping tot stand bracht.

Ik breng mijn eerbetuigingen aan de oorspronkelijke persoon in dit universum, Heer Brahmâ, die volledig bewust is en in staat is zijn geest en verlichte intelligentie aan te wenden voor de schepping van deze kosmische openbaring. Het is aan zijn werk te danken dat alles wat er in het universum te zien is bestaat. Daarom is hij de oorzaak van alle openbaringen. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Aan u is de feitelijke heerschappij over de bewegende en de niet-bewegende wezens; met de levenskracht bent u de bron van alles wat er gebeurt en de oorspronkelijke bedenker en bron van inzicht voor allen die in leven zijn; de grote meester van de zintuigen van waarnemen en handelen bent u, de beheerser van alle verlangen, de materiële elementen en hun kwaliteiten [vergelijk B.G. 7: 7].

O heer, u bent de oorsprong van het leven in deze materiële wereld en daarom bent u de heer en meester van alle levende wezens, zowel de bewegende als de niet-bewegende, en u bent degene die ze hun bewustzijn schenkt. U houdt bovendien zowel de geest als de werk- en kennis-verwervende zintuigen in stand, en daarom bent u de grote bestuurder van alle materiële elementen en hun hoedanigheden, en degene die alle verlangens regeert. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Door uw lichaam van de drie Veda's verspreidt u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de benodigde kennis; u bent die ene ziel van alle vormen van leven zonder een aanvang en zonder een eind; de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf van binnen.

O mijn heer, als de verpersoonlijking van de Veda's en de kenner van alle activiteiten van de brâhmana's die yajña's brengen, heeft u de wetenschap van de vedische riten verkondigd met betrekking tot de zeven soorten offers, waarvan het agnistoma het voornaamste is. Ja, u bent degene die de offer-brâhmana's inspireert om de riten die in de drie Veda's genoemd worden uit te voeren. Omdat u de Allerhoogste Ziel bent, de Superziel van alle levende wezens, bent u zonder begin, zonder einde, alwetend en niet begrensd door tijd en ruimte. (Vedabase)

  

Tekst 31:

Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven.

O heer, u bent altijd waakzaam en ziet alles wat er gebeurt. Als eeuwige tijd vermindert u de levensduur van alle levende wezens door middel van uw verschillende deel-aspecten zoals ogenblikken, seconden, minuten en uren. Zelf blijft u echter onveranderd en u verwijlt op één vaste plek als Superziel, getuige en Allerhoogste Heer, de ongeboren, alomtegenwoordige bestuurder die de bron van leven is voor alle wezens. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of zelfs maar lager, beweegt of niet beweegt, terwijl de kennis in al zijn geledingen het verschil uitmaakt van de uiteenlopende kenmerken van uw lichaam; u bent die Ene groter dan de grootste, verheven boven de drie geaardheden, die het universum in zijn buik houdt.

Er is niets wat los van u staat, of het nu hoger of lager, bewegend of niet-bewegend is. De kennis die vervat is in de vedische geschriften zoals de Upanishad's en in alle bijlagen van de oorspronkelijke vedische wijsheid, vormt uw uitwendige lichaam. U bent Hiranyagarbha, de oorsprong van het universum, maar omdat u de positie van allerhoogste bestuurder inneemt, bent u transcendentaal aan de materiële wereld, die bestaat uit de drie geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Zich bevindend in uw verblijf geniet u ongezien, als de Allerhoogste, de Ziel en de oudste persoon het gemanifesteerde, o Almachtige, deze kosmische manifestatie die het uitwendige van u vormt waarvan we de zinnen, de levensadem en de kwaliteiten hebben.

O mijn heer, terwijl u onveranderlijk in uw eigen woonplaats verblijft, ontvouwt u uw universele gedaante in deze kosmische openbaring, zodat het lijkt alsof u van deze materiële wereld proeft. U bent Brahman, de Superziel, de oudste, de Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Door deze onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van u is er dit geheel van alles bij elkaar wat zich uitbreidde met zijn materiële en spirituele vermogen; hem aldus toegerust, hem die Allerhoogste Meester van God, biedt ik mijn eerbetuigingen.

Laat me nederig eer betuigen aan de Allerhoogste, die in zijn grenzeloze, ongeopenbaarde gedaante de kosmische openbaring, het totale universum, heeft ontvouwen. Hij bezit behalve zijn in- en uitwendige energieën een gemengde energie die de marginale energie genoemd wordt en bestaat uit alle levende wezens. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Als u bereid bent mij de gunst die ik verlang te verlenen, o schenker van alle genade, laat het dan, o mijn Heer, zo zijn dat ik door geen van de wezens door u geschapen de dood zal vinden.

O heer, o beste van alle zegenaars, als u zo vriendelijk wilt zijn om me de zegen te schenken die ik verlang, laat me dan alstublieft niet gedood worden door een van de levende wezens die u geschapen hebt. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Noch thuis noch daarbuiten, niet gedurende de dag noch gedurende de nacht, noch van enige andere god zelfs of door enig bekend wapen, noch op de grond noch in de hemel mag ik sterven.

Schenk me dat ik niet binnenshuis zal sterven en ook niet buiten, niet overdag en niet 's nachts, en niet op de grond of in de lucht. Schenk me verder dat ik niet gedood zal worden door enig wezen dat niet door u geschapen is, noch door enig wapen, noch door enig mens of dier. (Vedabase)

 

Tekst 37-38:

Levenloze dingen noch levensvormen, halfgod noch demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden; ik moet geen rivalen hebben, het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij hebben over alle belichaamden met inbegrip van de goden van alle leefwerelden; aan mij de glorie gelijk die van u en nimmer mogen de verworvenheden verkregen door de boete in yoga worden verslagen.'

Schenk me dat ik niet gedood zal worden door enig wezen, levend of niet-levend. Schenk me verder dat ik niet door een halfgod, niet door een demon en evenmin door een van de grote slangen van de lagere planeten gedood zal worden. Aangezien er niemand is die u op het slagveld kan doden, hebt u geen tegenstander. Schenk me daarom de zegen dat ook ik geen rivaal mag hebben. Geef me de exclusieve heerschappij over alle levende wezens en heersende godheden, en schenk me alle heerlijkheid die bij die positie hoort. Geef me bovendien nog alle mystieke krachten die men krijgt door langdurige ascese en de beoefening van yoga, want die kunnen nooit verloren gaan. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties