
Canto
7
Hoofdstuk 6: Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes
(1) S'rî Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een persoon die van intelligentie is het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; geboorte nemen in dit menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis. (2) Die weg [van betekenis] is van een levend wezen hier inderdaad het benaderen van de voeten van Vishnu omdat dit de meest geliefde en beste van alle levenden, de Meester van de Ziel aangaat [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5: 29]. (3) Door goddelijke beschikking is gelukkig zijn met het sensuele, o Daitya's, overal beschikbaar voor alle wezens verenigd met een materieel lichaam, net zoals er het ongelukkig zijn is zonder dat men er om vraagt. (4) Daarvoor bestaat er geen noodzaak je in te spannen, men zou slechts zijn leven verspillen, en het is ook niet nodig je erover te verlustigen; het uiteindelijk levensdoel zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (5) Derhalve moet een nadenkend persoon zolang als hij [van ouderdom] nog niet verstek laat gaan, nog steeds ferm en krachtig is, uit zijn op het ware voordeel van [Mukunda in] het hebben van een materieel leven in een lichaam. (6) Van de honderd jaar die iedere persoon voor zijn leven heeft is een persoon in dienst van zijn zintuigen daadwerkelijk de helft van zijn tijd aan het verspillen daar men de halve dag gehuld in duisternis slaapt in onwetendheid. (7) In zijn jeugd is men onnozel, als een jongen is men met spelen bezig en aldus verstrijken een twintigtal jaren en nog eens twintig jaren verstrijken waarin men niet meer in staat is tot als men fysiek onvermogend is van ouderdom. (8) En verbijsterd door enorme materiële lusten die nimmer kunnen worden bevredigd is hij die overmatig gehecht is aan familiezaken als een dwaas de rest van zijn leven aan het verspillen. (9) Welke man is in staat om zichzelf te bevrijden die, gehecht aan huis en haard, met handen en voeten is gebonden door de touwen der genegenheid, en zo zijn zinnen niet meer in bedwang heeft [zie 1.2: 6-7]? (10) Wie, die er daadwerkelijk van uitgaat dat geld verdienen belangrijker is dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], zou ertoe in staat zijn dat vergaren op te geven waarvoor de handelaar, de dief en de wetsdienaar hun leven in de waagschaal leggen? (11-13) Hoe kan men er mee ophouden in het privé omgang te hebben met de zo liefhebbende echtgenote die zoveel plezier geeft; hoe kan men niet met wijze woorden de gezinsleden ondersteunen die gebonden zijn aan hun genegenheid of welke persoon zou zich niet aangetrokken voelen tot het gebrabbel van zijn kinderen? Met je zonen en getrouwde dochters, broers, zussen en afhankelijke ouders vooropgesteld in het hart, met al de zaken van de huishouding van mooie meubeltjes, een goed inkomen en alle huisdieren en de groepen van bedienden en helpsters in de huishouding die verbonden zijn met de familie, hoe kan men het daarmee opgeven; als een zijderups is men begeertig druk met allerlei soorten van activiteiten in verlangens die nooit te bevredigen zijn met het vooropstellen van de geslachtsdelen en de tong als het belangrijkste; hoe kan men van zo een gigantische illusie afzien? (14) Zijn hele leven denkt hij met geen haar op zijn hoofd eraan om zich te weerhouden van het onderhouden van zijn gezin; verdwaasd de ware bedoeling bedervend en op alle fronten op de drievoudige manier [zie 2.10: 8] in moeilijkheden, heeft hij er geen spijt van eenvoudigweg van zijn gezin te genieten. (15) Met een geest gericht op weelde en bekend met de fout van het bedriegen ter wille van de centen in deze wereld is hij niettemin na gestorven te zijn gebonden aan deze materiële wereld [door Yamarâja opnieuw geboorte nemend] daar hij, al te verzot op zijn geliefden, nimmer in vrede met zijn verlangen, zich op een rooftocht bevond zonder zijn zinnen te beheersen. (16) Hoewel men er weet van heeft, o zoons van Danu, is men er druk mee bezig de familie in ruimere zin te onderhouden terwijl men tegelijkertijd er niet in slaagt het ware zelf te begrijpen met het de mist ingaan met een, net als bij de dieren, vervreemd zijn in een "mijn" en '"dijn" begrip van het leven. (17-18) Omdat nooit, niemand, waar of wanneer dan ook met een gebrek aan kennis ook maar enigszins zal uitmunten in de kunst zichzelf te bevrijden van het als een seksueel troeteldier uitzijn op de lust en van het zijn van iemand uit wiens gehechtheid hele families tot stand komen, moeten jullie, mijn daitya vrienden in dezen je verre houden van het schuilen met de demon die al te verslaafd is aan zinsgenoegens; in plaats daarvan moet men tot Heer Nârâyana reiken, de oorspronkelijke godheid, die middels de omgang met bevrijde zielen de verlangde weg der bevrijding uitstippelt.
(19) Het heeft werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven alle wegen al gebaand zijn [vergelijk B.G. 14: 3-4]. (20-23) Vanbinnen de wezens hoog en laag, beginnend bij het eenvoudigste plantenleven tot aan Brahmâ het meest vooraanstaande wezen; vanbinnen de enkele transformaties van de elementen zowel als met het totaal van de materiële energie; met de geaardheden der natuur in een staat van evenwicht alsook in een staat van beroering, is Hij, de Enige Echte der bovenzinnelijkheid, inderdaad de oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Heer, de Beheerser is die zelf geen verval kent. Met het oorspronkelijke van Zijn positie vanbinnen en met Zijn persoonlijke manifestaties is Hij het doorvarene dat moet worden beschreven en het ongedifferentieerde allesdoordringende dat iedere beschrijving tart. Hij is het geheel, zuiver en volkomen, wiens gedaante vol van verrukking en kennis is, de Allerhoogste Heerser overdekt door de begoochelende energie op wiens onbegrensde weelde men zich verkijkt met de geaardheden der natuur. (24) Toon derhalve genade voor alle levende wezens; met een vriendelijke houding zullen zij die van de oppositie zijn, de Asura's, het opgevend op die manier te leven, de Heer voorbij de Zinnen tevreden stemmen [zie ook B.G. 12: 13-20]. (25) Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, voldaan is is er niets dat men niet kan bereiken; welke noodzaak zou er bestaan voor hen die aldus van dienst zijn in deze wereld geregeerd door de geaardheden, om te werken voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat als vanzelf [op de toewijding] volgt. Waarom zouden wij, van boven de geaardheden, van verlangen zijn als we ten faveure van Zijn kwaliteiten het genoegen smaken van de essentie van de Heer Zijn voeten? (26) De drie voorgeschreven wegen van dharma, kâma en artha die zo gedekt zijn, maken de zelfverwerkelijking, de ceremoniën, de logica, de orde en het gezag en de verschillende soorten van beroepen uit die ik alle beschouw als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt; het is iemands volledige overgave aan de Allerhoogste Vriend wat voert tot de uiteindelijke persoonlijkheid [vergelijk 1.2: 8]. (27) Deze kennis die vrij is van materiële smetten is hoogst lastig te doorgronden. Ze werd door Heer Nârâyana uitgelegd aan de zekere vriend van alle mensen Nârada terwille van al degenen die [via hem] uitsluitend van overgave zijn aan Hem, de Allerhoogste Heer; geen materieel bezit claimend, kan dat begrip worden bereikt, daar hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten. (28) Deze spirituele kennis betreffende het bhâgavata dharma [de negen van toegewijde dienst aan de Heer] werd tezamen met haar praktisch gebruik in al zijn zuiverheid voorheen aan mij uitgelegd door Nârada die de Heer altijd voor ogen heeft.'
(29-30) De daitya zonen zeiden: 'Prahlâda, een kind als jij zowel kinderen als wij kennen geen andere leraren die de controle over hen hebben dan de twee zonen van S'ukrâcârya. In het paleis verblijvend moet het moeilijk zijn een dergelijke superieure associatie te vinden; alsjeblieft neem de twijfel weg, o zachtgeaarde, over hoe we daar geloof aan kunnen hechten.'
Tweede editie, geladen 25 juni 2007.
Bronteksten:
Prahlâda onderricht zijn demonische klasgenoten
S'rî Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een persoon die van intelligentie is het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; geboorte nemen in dit menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis.Prahlâda Mahârâja zei: Wie intelligent is zou de menselijke lichaamsvorm vanaf het begin van zijn leven - dat wil zeggen, vanaf de prille kindertijd - moeten gebruiken voor het beoefenen van toegewijde dienst, en alle andere bezigheden moeten laten varen. Het komt maar zeer zelden voor dat iemand een menselijk lichaam krijgt, en hoewel het net als alle andere lichamen tijdelijk is, is dit menselijk lichaam van groot belang omdat men er toegewijde dienst mee kan verrichten. Zelfs een klein beetje oprechte toegewijde dienst kan iemand de volkomen volmaaktheid schenken. (Vedabase)
Die weg [van betekenis] is van een levend wezen hier inderdaad het benaderen van de voeten van Vishnu omdat dit de meest geliefde en beste van alle levenden, de Meester van de Ziel aangaat [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5: 29].
De menselijke levensvorm geeft aan degene die hem bezit de kans om terug te keren naar huis, terug naar God. Daarom moet ieder levend wezen, en vooral degenen in de menselijke levensvorm, toegewijde dienst bewijzen aan de lotusvoeten van Heer Vishnu. Deze toegewijde dienst is natuurlijk, omdat Heer Vishnu, de Allerhoogste Godspersoon, het levend wezen het meest dierbaar is; bovendien is Hij de meester van de ziel en de weldoener van alle andere levende wezens. (Vedabase)
Door goddelijke beschikking is gelukkig zijn met het sensuele, o Daitya's, overal beschikbaar voor alle wezens verenigd met een materieel lichaam, net zoals er het ongelukkig zijn is zonder dat men er om vraagt.
Prahlâda Mahârâja vervolgde: Beste vrienden die in demonische families zijn geboren, het geluk dat men ervaart door het contact van het lichaam met de zinsobjecten kan in iedere levensvorm verkregen worden, naargelang iemands baatzuchtige activiteiten in het verleden. Zulk geluk komt vanzelf, zonder dat men er moeite voor hoeft te doen, net zoals ook ellende automatisch komt. (Vedabase)
Daarvoor bestaat er geen noodzaak je in te spannen, men zou slechts zijn leven verspillen, en het is ook niet nodig je erover te verlustigen; het uiteindelijk levensdoel zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer der Bevrijding].
Men dient niet louter naar zinsbevrediging of materieel geluk te streven door te proberen zijn materiële situatie te verbeteren, want dit leidt tot verlies van tijd en energie zonder enige werkelijke winst. Als men zich daarentegen inspant om Krishna-bewust te worden, zal men zeker in staat zijn om het transcendentale niveau van zelfrealisatie te bereiken. Zoiets waardevols kan men nooit bereiken door zich bezig te houden met activiteiten voor materiële voorspoed. (Vedabase)
Derhalve moet een nadenkend persoon zolang als hij [van ouderdom] nog niet verstek laat gaan, nog steeds ferm en krachtig is, uit zijn op het ware voordeel van [Mukunda in] het hebben van een materieel leven in een lichaam.
Daarom moet iemand die zich in het materiële bestaan bevindt [bhavam-âs'ritah] en ten volle in staat is om slecht van goed te onderscheiden, ernaar streven om het hoogste levensdoel te bereiken zolang het lichaam nog sterk en gezond is en niet begint af te takelen. (Vedabase)
Van de honderd jaar die iedere persoon voor zijn leven heeft is een persoon in dienst van zijn zintuigen daadwerkelijk de helft van zijn tijd aan het verspillen daar men de halve dag gehuld in duisternis slaapt in onwetendheid.
Ieder mens heeft een maximale levensduur van honderd jaar, maar als iemand zijn zinnen niet kan beheersen gaat de helft van die tijd volkomen verloren omdat hij 's nachts twaalf uur slaapt, volledig ondergedompeld in onwetendheid. Daarom leeft zo iemand slechts vijftig jaar. (Vedabase)
In zijn jeugd is men onnozel, als een jongen is men met spelen bezig en aldus verstrijken een twintigtal jaren en nog eens twintig jaren verstrijken waarin men niet meer in staat is tot als men fysiek onvermogend is van ouderdom.
De prille kindertijd, waarin iedereen in illusie is, kost iemand tien jaar, en met de jeugdjaren gaan er nog eens tien jaar verloren aan sport en spel. Op deze manier verspilt men twintig jaar. En wanneer men oud en invalide is geworden en niet eens in staat is om gewone materiële activiteiten te verrichten, brengt men nog eens twintig jaar nutteloos door. (Vedabase)
En verbijsterd door enorme materiële lusten die nimmer kunnen worden bevredigd is hij die overmatig gehecht is aan familiezaken als een dwaas de rest van zijn leven aan het verspillen.
Iemand wiens geest en zinnen onbeheerst zijn, raakt door zijn onverzadigbare, wellustige verlangens en de zeer sterke illusie waarin hij verkeert steeds meer gehecht aan het gezinsleven. Zo'n waanzinnige verspilt de resterende jaren van zijn leven eveneens, omdat hij zelfs dan niet met toegewijde dienst bezig kan zijn. (Vedabase)
Welke man is in staat om zichzelf te bevrijden die, gehecht aan huis en haard, met handen en voeten is gebonden door de touwen der genegenheid, en zo zijn zinnen niet meer in bedwang heeft [zie 1.2: 6-7]?
Hoe kan iemand die te gehecht is aan het gezinsleven doordat hij niet in staat is zijn zinnen te beheersen, zichzelf bevrijden? Zo iemand is aan handen en voeten gebonden door de ketenen der genegenheid voor zijn familie [vrouw, kinderen en andere verwanten]. (Vedabase)
Wie, die er daadwerkelijk van uitgaat dat geld verdienen belangrijker is dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], zou ertoe in staat zijn dat vergaren op te geven waarvoor de handelaar, de dief en de wetsdienaar hun leven in de waagschaal leggen?
Geld is de mensen zo dierbaar dat ze het als zoeter dan honing beschouwen. Wie kan daarom het verlangen om geld te vergaren opgeven, met name in het gezinsleven? Dieven, bezoldigde bediendes [soldaten] en kooplieden stellen zelfs hun lieve leven in de waagschaal om aan geld te komen. (Vedabase)
Hoe kan men er mee ophouden in het privé omgang te hebben met de zo liefhebbende echtgenote die zoveel plezier geeft; hoe kan men niet met wijze woorden de gezinsleden ondersteunen die gebonden zijn aan hun genegenheid of welke persoon zou zich niet aangetrokken voelen tot het gebrabbel van zijn kinderen? Met je zonen en getrouwde dochters, broers, zussen en afhankelijke ouders vooropgesteld in het hart, met al de zaken van de huishouding van mooie meubeltjes, een goed inkomen en alle huisdieren en de groepen van bedienden en helpsters in de huishouding die verbonden zijn met de familie, hoe kan men het daarmee opgeven; als een zijderups is men begeertig druk met allerlei soorten van activiteiten in verlangens die nooit te bevredigen zijn met het vooropstellen van de geslachtsdelen en de tong als het belangrijkste; hoe kan men van zo een gigantische illusie afzien?
Hoe kan iemand zijn familie, die hij zo liefheeft dat hij in zijn hart altijd de afbeeldingen van zijn dierbaren met zich meedraagt, ooit opgeven? Vooral de vrouw is altijd erg vriendelijk en hartelijk tegenover haar man, en vervult op een afgezonderde plek altijd al zijn wensen. Wie zou de omgang met zo'n lieve en toegenegen vrouw op kunnen geven? De gebroken taal van de kleine kinderen is zeer aangenaam om te horen, en hun liefhebbende vader denkt altijd aan hun gebabbel. Hoe zou hij ooit van hen kunnen scheiden? Zijn ouders, zoons en dochters zijn hem ook heel dierbaar. Een vader geeft vooral veel om zijn dochter, en wanneer ze in het huis van haar echtgenoot woont, moet hij altijd aan haar denken. Wie zou zo'n relatie op kunnen geven? Bovendien staat het hele huis vol met fraai bewerkt meubilair, en zijn er ook nog huisdieren en bediendes. Wie zou zulk gerief de rug toe kunnen keren? Het gehechte gezinshoofd is als een zijderups, die een cocon spint waarin hijzelf gevangen raakt. Gewoon voor de bevrediging van twee belangrijke zinnen - het geslachtsdeel en de tong - raakt men gebonden aan de materiële omstandigheden. Hoe kan men hieraan ontsnappen? (Vedabase)
Zijn hele leven denkt hij met geen haar op zijn hoofd eraan om zich te weerhouden van het onderhouden van zijn gezin; verdwaasd de ware bedoeling bedervend en op alle fronten op de drievoudige manier [zie 2.10: 8] in moeilijkheden, heeft hij er geen spijt van eenvoudigweg van zijn gezin te genieten.
Iemand die te gehecht is, kan niet begrijpen dat hij zijn kortbare leven verspilt door zijn gezin te onderhouden. Het komt ook niet bij hem op dat het doel van het menselijk bestaan, het realiseren van de Absolute Waarheid, aan hem voorbijgaat zonder dat hij er erg in heeft. Hij ziet er echter nauwkeurig op toe dat er geen cent verkeerd besteed wordt. Dus hoewel iemand die aan het materiële bestaan gehecht is altijd te lijden heeft van de drievoudige ellende, verliest hij zijn smaak er niet voor. (Vedabase)
Met een geest gericht op weelde en bekend met de fout van het bedriegen ter wille van de centen in deze wereld is hij niettemin na gestorven te zijn gebonden aan deze materiële wereld [door Yamarâja opnieuw geboorte nemend] daar hij, al te verzot op zijn geliefden, nimmer in vrede met zijn verlangen, zich op een rooftocht bevond zonder zijn zinnen te beheersen.
Als iemand die te gehecht is aan het onderhouden van zijn gezin niet in staat is om zijn zinnen te beheersen, gaat hij volkomen op in het bedenken van manieren om aan geld te komen. Hoewel hij weet dat iemand die andermans bezittingen steelt gestraft zal worden door de wetten van de overheid, en na de dood door die van Yamarâja, gaat hij door met anderen te bedriegen om zichzelf te verrijken. (Vedabase)
Hoewel men er weet van heeft, o zoons van Danu, is men er druk mee bezig de familie in ruimere zin te onderhouden terwijl men tegelijkertijd er niet in slaagt het ware zelf te begrijpen met het de mist ingaan met een, net als bij de dieren, vervreemd zijn in een "mijn" en '"dijn" begrip van het leven.
O beste vrienden, zonen van demonen! In deze materiële wereld hebben zelfs degenen die schijnbaar ontwikkeld zijn de neiging om te denken: "Dit is van mij en dat is voor anderen." Zo zijn ze altijd bezig om in het onderhoud van hun gezin te voorzien en hun blik reikt niet verder dan hun familieleden, net als katten en honden, die nooit iets geleerd hebben. Ze zijn niet in staat om geestelijke kennis te begrijpen; in plaats daarvan zijn ze verward en overmand door onwetendheid. (Vedabase)Text 17-18:
Omdat nooit, niemand, waar of wanneer dan ook met een gebrek aan kennis ook maar enigszins zal uitmunten in de kunst zichzelf te bevrijden van het als een seksueel troeteldier uitzijn op de lust en van het zijn van iemand uit wiens gehechtheid hele families tot stand komen, moeten jullie, mijn daitya vrienden in dezen je verre houden van het schuilen met de demon die al te verslaafd is aan zinsgenoegens; in plaats daarvan moet men tot Heer Nârâyana reiken, de oorspronkelijke godheid, die middels de omgang met bevrijde zielen de verlangde weg der bevrijding uitstippelt.
O beste vrienden, zonen van de demonen, het staat vast dat iemand die geen kennis van de Allerhoogste Godspersoon bezit er nog nooit ofte nimmer in geslaagd is om zich uit zijn materiële gebondenheid te bevrijden. Zij die verstoken zijn van kennis aangaande de Heer, blijven juist gebonden door de wetten der materie. Ze zijn in feite verslaafd aan zinsbevrediging en alles draait bij hen om vrouwen; ja, zij zijn eigenlijk niets meer dan marionetten in de handen van aantrekkelijke vrouwen. Als gevolg van zo'n levenshouding raken ze omringd door kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, en worden zo aan het materiële bestaan gekluisterd. Degenen die buitengewoon gehecht zijn aan een dergelijke levenshouding worden demonen genoemd. Houd je daarom afzijdig van zulke personen, ook al zijn jullie de zonen van demonen, en zoek je toevlucht bij de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, de oorsprong van alle halfgoden, omdat het uiteindelijke doel voor de toegewijden van Nârâyana bevrijding uit de gebondenheid van het materiële bestaan is. (Vedabase)
Het heeft werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven alle wegen al gebaand zijn [vergelijk B.G. 14: 3-4].
O beste demonenzonen, de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, is de oorspronkelijke Superziel, de vader van alle levende wezens. Daarom bestaan er geen belemmeringen om Hem, onder wat voor omstandigheden dan ook, te plezieren of te aanbidden, of men nu een kind is of een grijsaard. De relatie tussen de levende wezens en de Allerhoogste Godspersoon is altijd een feit; daarom is het helemaal niet moeilijk om de Heer te plezieren. (Vedabase)
Vanbinnen de wezens hoog en laag, beginnend bij het eenvoudigste plantenleven tot aan Brahmâ het meest vooraanstaande wezen; vanbinnen de enkele transformaties van de elementen zowel als met het totaal van de materiële energie; met de geaardheden der natuur in een staat van evenwicht alsook in een staat van beroering, is Hij, de Enige Echte der bovenzinnelijkheid, inderdaad de oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Heer, de Beheerser is die zelf geen verval kent. Met het oorspronkelijke van Zijn positie vanbinnen en met Zijn persoonlijke manifestaties is Hij het doorvarene dat moet worden beschreven en het ongedifferentieerde allesdoordringende dat iedere beschrijving tart. Hij is het geheel, zuiver en volkomen, wiens gedaante vol van verrukking en kennis is, de Allerhoogste Heerser overdekt door de begoochelende energie op wiens onbegrensde weelde men zich verkijkt met de geaardheden der natuur.
De Allerhoogste Godspersoon, de allerhoogste bestuurder, die onfeilbaar en onvermoeibaar is, is aanwezig in alle verschillende levensvormen, van de onbeweeglijke levende wezens [sthâvara] zoals de planten, tot aan Brahmâ, het eerstgeschapen wezen. Hij is ook aanwezig in de verscheidenheid van materiële scheppingen en in de materiële elementen, het totaal van de materiële energie en in de geaardheden der materiële natuur [sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna], alsook in de ongeopenbaarde materiële natuur en in het vals ego. Hoewel Hij één is, is Hij overal aanwezig. Hij is bovendien de transcendentale Superziel, de oorzaak van alle oorzaken, die Zich als waarnemer in het diepst van het hart van alle levende wezens bevindt. Hoewel hij aangeduid wordt als datgene waar alles van doordrongen is en als de alomtegenwoordige Superziel, kan Hij eigenlijk helemaal niet aangeduid worden. Hij is onveranderlijk en onverdeeld. Hij wordt waargenomen als de allerhoogste sac-cid-ânanda [eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid]. Omdat Hij door het gordijn van de uitwendige energie verhuld wordt, lijkt het voor de atheïst alsof Hij niet bestaat. (Vedabase)
Toon derhalve genade voor alle levende wezens; met een vriendelijke houding zullen zij die van de oppositie zijn, de Asura's, het opgevend op die manier te leven, de Heer voorbij de Zinnen tevreden stemmen [zie ook B.G. 12: 13-20].
Mijn beste jonge vrienden die in de families van demonen geboren zijn, handel daarom alsjeblieft op zo'n manier dat de Allerhoogste Heer, die alle materiële kennis te boven gaat, tevreden is. Geef je demonische aard op en handel zonder vijandschap of dualiteit. Wees alle levende wezens genadig door ze te verlichten in toegewijde dienst en wordt zo hun weldoener. (Vedabase)
Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, voldaan is is er niets dat men niet kan bereiken; welke noodzaak zou er bestaan voor hen die aldus van dienst zijn in deze wereld geregeerd door de geaardheden, om te werken voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat als vanzelf [op de toewijding] volgt. Waarom zouden wij, van boven de geaardheden, van verlangen zijn als we ten faveure van Zijn kwaliteiten het genoegen smaken van de essentie van de Heer Zijn voeten?
Niets is onbereikbaar voor toegewijden die de Allerhoogste Godspersoon, de oorzaak van alle oorzaken en de oorspronkelijke bron van alles, hebben tevredengesteld. De Heer is een oceaan van onbegrensde transcendentale eigenschappen. Wat voor zin heeft het daarom voor toegewijden, die de geaardheden der materiële natuur ontstegen zijn, om de beginselen van religie, materiële welvaart, zinsbevrediging en bevrijding te volgen, hetgeen doelstellingen zijn die men onder invloed van de geaardheden der natuur vanzelf kan bereiken? Wij toegewijden verheerlijken altijd de lotusvoeten van de Heer, en hoeven daarom om niets te vragen op het gebied van dharma, kâma, artha en moksha. (Vedabase)
De drie voorgeschreven wegen van dharma, kâma en artha die zo gedekt zijn, maken de zelfverwerkelijking, de ceremoniën, de logica, de orde en het gezag en de verschillende soorten van beroepen uit die ik alle beschouw als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt; het is iemands volledige overgave aan de Allerhoogste Vriend wat voert tot de uiteindelijke persoonlijkheid [vergelijk 1.2: 8].
Religie, welvaart en zinsbevrediging worden in de Veda's tri-varga, of de drie wegen tot verlossing genoemd. Binnen deze drie categorieën bevinden zich onderwijs en zelfrealisatie, rituele ceremonies in overeenstemming met de vedische bepalingen, logica, de wetenschap van recht en orde, en de verschillende manieren waarop men in zijn onderhoud kan voorzien. Dit zijn de externe onderwerpen van de Veda's, en daarom beschouw ik ze als materieel. Overgave aan de lotusvoeten van Heer Vishnu beschouw ik daarentegen als transcendentaal. (Vedabase)
Deze kennis die vrij is van materiële smetten is hoogst lastig te doorgronden. Ze werd door Heer Nârâyana uitgelegd aan de zekere vriend van alle mensen Nârada terwille van al degenen die [via hem] uitsluitend van overgave zijn aan Hem, de Allerhoogste Heer; geen materieel bezit claimend, kan dat begrip worden bereikt, daar hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten.
Nârâyana, de Allerhoogste Godspersoon, de weldoener en vriend van alle levende wezens, zette deze transcendentale kennis eertijds uiteen aan de grote wijze Nârada. Het is buitengewoon moeilijk om zulke kennis zonder de genade van een heilig iemand als Nârada te begrijpen, maar iedereen die zijn toevlucht bij de guru-paramparâ van Nârada gezocht heeft kan deze vertrouwelijke kennis begrijpen. (Vedabase)
Deze spirituele kennis betreffende het bhâgavata dharma [de negen van toegewijde dienst aan de Heer] werd tezamen met haar praktisch gebruik in al zijn zuiverheid voorheen aan mij uitgelegd door Nârada die de Heer altijd voor ogen heeft.'
Prahlâda Mahârâja vervolgde: Ik heb deze kennis ontvangen van de grote heilige Nârada Muni, die altijd opgaat in toegewijde dienst. Deze kennis, bhâgavata-dharma genaamd, is volkomen wetenschappelijk. Ze is gebaseerd op logica en filosofie en vrij van elke materiële besmetting. (Vedabase)
De daitya zonen zeiden: 'Prahlâda, een kind als jij zowel kinderen als wij kennen geen andere leraren die de controle over hen hebben dan de twee zonen van S'ukrâcârya. In het paleis verblijvend moet het moeilijk zijn een dergelijke superieure associatie te vinden; alsjeblieft neem de twijfel weg, o zachtgeaarde, over hoe we daar geloof aan kunnen hechten.'
De zonen van de demonen antwoordden: Beste Prahlâda, jij kent net zomin als wij een andere onderwijzer of geestelijk leraar dan Shanda en Amarka, de zonen van S'ukrâcârya. Tenslotte zijn zij onze meesters, en zijn wij kinderen. Voor jou, die altijd in het paleis verblijft, is het helemaal erg moeilijk om een heilige te ontmoeten. Beste welwillende vriend, zou je alsjeblieft willen uitleggen hoe je onderricht van Nârada Muni hebt kunnen krijgen? Wees zo goed om onze twijfels in dit opzicht weg te nemen. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Prasanta
dâsa
& en het tweede schilderij van Puskar
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd