regelbalk



 

Canto 8

S'rī S'rī Gurv-ashthaka

 


Hoofdstuk 5: De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmā met de Sura's

(1) S'rī S'uka zei: 'O Koning, ik beschreef voor u dit [verhaal], dat alle onzuiverheid verdrijft, over het optreden van de Heer die de vrome Gajendra verloste. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (2) De vijfde Manu, die bekend staat als Raivata, was de broer van Tāmasa en zijn zoons waren Bali, Vindhya en anderen met Arjuna als de oudste. (3) Vibhu was de hemelkoning, [de Indra] o  Koning, de Bhūtaraya's en anderen waren de halfgoden en Hiranyaromā, Vedas'irā, Ūrdhvabāhu en anderen waren de rishi's [de zeven wijzen]. (4) Uit S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhā verscheen Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, samen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid, genaamd de Vaikunthha's, als Zijn expansies. (5) Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid gesticht, [een tweede] Vaikunthha. (6) Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden te beschrijven, zou hij zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als er stofdeeltjes zijn.

(7) De zesde Manu was Cākshusha, de zoon van Cakshu en zijn zoons waren Pūru, Pūrusha, Sudyumna en anderen na hen. (8) Mantradruma was de koning van de hemel in die periode, de goden waren de Āpya's en zo meer en Havishmān, Vīraka en anderen, waren de wijzen, o Koning. (9) Van Vairāja en zijn echtgenote Devasambhūti was er in dat tijdperk een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie [een ams'a-avatāra] was van de Heer, de Meester van het Universum. (10) Toen de oceaan [van melk] werd gekarnd bracht Hij, als Kūrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met het heen en weer bewegen van de berg Mandara [op Zijn rug], de nectar voor de Sura's voort.'

(11-12) S'Parīkchit zei: 'O brahmaan, om welke reden werd de oceaan van melk met de berg gekarnd, waarom hield Hij zich in het water op als een schildpad en wat kwam er, behalve de nectar die de godsbewusten erdoor verkregen, nog meer tevoorschijn? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (13) Mijn hart dat al zo lang gebukt gaat onder de ellende [van het materieel bestaan] is nog niet helemaal tevreden met uw beschrijvingen van de heerlijkheden van de Meester van Alle Toegewijden.' "

(14) S'rī Sūta Gosvāmī zei: "De machtige zoon van Vyāsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (15-16) S'rī S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherp geslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen [in de strijd] en niet in staat weer op te staan. Omdat de wijze Durvāsā Indra met inbegrip van zijn drie werelden had vervloekt, o Koning [*], vervielen zij [die het hadden overleefd] in armoede en waren ze niet meer in staat de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (17-18) De Sura's, de grote Indra, Varuna en de overige halfgoden die dit zagen gebeuren, traden hierover in discussie, maar konden zelf niet tot een bevredigend besluit komen. Zij begaven zich daarop naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmā op de top van de berg Meru, brachten hem hun eerbetuigingen en stelden hem van alles op de hoogte. (19-20) Toen Heer Brahmā, de Almachtige, zag hoe Indra, Vāyu en de rest beroofd waren van hun betekenis en zeggingskracht en hoe de drie werelden gedompeld waren in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, concentreerde hij zijn geest door zich de Bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoon te heugen en sprak hij met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten: (21) 'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte demonen, de menselijke wezens, de dieren, de bomen, de planten, de insecten en de microben, kwamen allen voort uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [uit mij] en uit allen die deel van mij uitmaken [de grote wijzen e.d.]. Laten we bij Hem, de Onuitputtelijke, onze toevlucht zoeken. (22) Wat Hem betreft hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden gevolgd. Niettemin aanvaardt Hij, bij tijden [als een avatāra] partij kiezend voor de hartstocht, de goedheid of de onwetendheid, het om van schepping, handhaving en vernietiging te zijn [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (23) Het is nu tijd om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid goedheid te vestigen. Laten we ons daarom wenden tot de beschutting van de Leraar van het Universum. Moge Hij zo vol van genegenheid voor Zijn mensen, voor ons, de Sura's, de voorspoed brengen die we zo hard nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 en 18].'



(24) S'rī S'uka zei: 'De Heer van de Veda die aldus tot de Sura's sprak, o onderwerper van de vijanden, begaf zich samen met de goden rechtstreeks naar de verblijfplaats van [Vishnu,] de Onoverwinnelijke voorbij de wereld van de duisternis. (25) Aldaar, jegens Hem wiens ware gedaante niet kan worden waargenomen maar over wie men verneemt in de Veda, sprak de meester van de goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de zinnen vestigde. (26) S'rī Brahmā zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onovertroffen en hoogst wenselijke, Allergrootste Godheid, bieden wij, de goden, onze eerbetuigingen [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (27) Ik zoek mijn toevlucht in de Allerhoogste Waarheid van de levenskracht, de geest en de intelligentie van alle levende wezens, bij Hem die immer waakzaam is met al het objectieve, de zinnen en de kennis, de onberispelijke, onpartijdige veilige haven en het licht van allen die in de duisternis verkeren, bij Hem, de onfeilbare Heer van de ether voor al de drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde]. (28) Mogen er onze eerbetuigingen zijn voor de waarheid van Hem die men beschouwt als de as van Heer Brahmā's bliksemsnel ronddraaiende heilige rad van de Tijd met zijn vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie naven [de geaardheden] en acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] waarop de geest zich betrekt [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (29) Hij bekent zich tot één zaak [die van de goedheid] en is transcendentaal aan het materiėle duister. Hij die niet gemanifesteerd is, niet te lokaliseren is, onbegrensd is en iedere maat te boven gaat, wordt door Garuda [de Vedische verzen] op zijn rug gedragen en, met het voertuig van de yoga, aanbeden door de onverstoorde en nuchtere mens [zie ook 4.3: 23]. (30) Niemand is Zijn begoochelende energie van māyā de baas. Mensen begrijpen over het algemeen, verbijsterd door die energie, niet wat de ware bedoeling van het leven is. We bieden Hem onze eerbetuigingen die het zelf en zijn materiėle kwaliteiten [māyā] onder controle heeft, Hij de bovenzinnelijke meester die heerst over alle levende wezens en allen gelijkgezind is. (31) U die vanbinnen en vanbuiten aanwezig bent en die ons [de goden] die vertrouwen op een lichaam dat ontstond uit de goedheid, gunstig gezind bent, kan [zelfs] niet worden begrepen door de heiligen en wijzen vanwege de subtiele aard van de bestemming die U vormt. Hoe zouden dan de demonen en atheļsten die een andere leidraad volgen U kunnen begrijpen? (32) Deze aarde die Hij schiep met al de vier soorten van levende wezens die Hij gestalte gaf [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40] vormt Zijn lotusvoeten. Moge Hij, de Absolute Waarheid, de onafhankelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, ons genadig zijn. (33) De drie werelden met inbegrip van al hun plaatselijke leiders, gedijen op het water dat, als Zijn zaad, zo krachtig is in het genereren van al het leven. Moge Hij die van de grootste macht is, tevreden zijn over ons. (34) Men [de geleerden] zegt dat Soma, de maan, Zijn geest is, de kracht is van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en van de levensduur. Moge Hij, de Allerhoogste Heer die de bomen en al de andere levende wezens doet groeien, die bron van alle weelde, gelukkig zijn met ons [zie ook 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (35) Het vuur dat al de elementen [van het voedsel] verteert in [de maag en in] de diepten van de oceaan, verschaft, ingezet voor rituele plechtigheden, als Zijn mond alle weelde en Vedische kennis. Moge die Almachtige Heer voldaan zijn over ons [zie ook B.G. 3: 10]. (36) Hij wiens oog de godheid van de zon werd die de godsbewusten leidt op hun drievoudige Vedische pad, Hij die de poort vormt voor de realisatie van de nectar van de eeuwigheid, de Absolute Waarheid en iemands bevrijding, en die ook de oorzaak vormt van iemands dood, moge die Almachtige Heer blij zijn met ons [zie ook 2.1: 30, B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (37) Door Zijn levenskracht, Zijn adem in alle bewegende en niet bewegende levende wezens, door die prāna, die vitale lucht, als het basisprincipe te volgen zoals onderdanen een keizer volgen, vindt men alle kracht en vitaliteit. Moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons. (38) Zijn oren vormen de verschillende windrichtingen, door Zijn hart ontstonden de [negen] lichaamsopeningen en de navel van de Oorspronkelijke Persoon vormt, voor de levensadem, de zintuigen, de geest en de ademhaling van het lichaam, de toevlucht van de ether. Moge de Almachtige Heer ons genadig zijn [2.1: 27 en 29]. (39) Zijn kracht vormt de grote Indra, Zijn tevredenheid vormt Zijn dienaren in al de drie werelden, van Zijn woede is er de Meester op de Berg [Heer S'iva] en uit Zijn nuchtere verstand kwam Virińca voort [Heer Brahmā]. Uit Zijn lichaamsopeningen komen de mantra's voort terwijl uit Zijn genitaliėn de heiligen en de stamvaders zijn ontstaan. Mogen wij de goedkeuring genieten van de Heer die zo machtig is. (40) Zijn borst bracht de Godin van het Geluk voort, Zijn schaduw vormt de voorouders, de religie werd mogelijk door Zijn voorkant en de goddeloosheid vond zijn bestaan door Zijn achterkant. De hogere werelden zijn er van Zijn schedeldak en door Zijn zinsgenoegen vindt men de dansmeisjes van de hemel. Moge Hij, de Grootste van alle vermogen, tevreden over ons zijn. (41) De geleerden [de brahmanen], de Vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis zijn er van Zijn mond; de bestuurders [de kshatriya's] met hun macht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's, zie ook 2.1: 37], met inbegrip van hun vakkennis, en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ūdra's] die zich niet bekommeren om de Veda. Moge Hij, zo Allermachtigst, ons welgezind zijn [zie ook 12.11: 6-8]. (42) De begeerte is er van Zijn onderlip en genegenheid van Zijn bovenlip; van Zijn neus is er de luister van het lichaam en door Zijn aanraking kon er de dierlijke liefde zijn. Van Zijn wenkbrauwen is er de Heer van de Dood [Yamarāja] maar van Zijn wimpers is er de eeuwige Tijd. Moge Hij, de Almachtige, ons gunstig gestemd zijn. (43) De geleerden stellen dat de materiėle elementen, hun wever [kāla, de tijd], de baatzuchtige arbeid [karma], de geaardheden van de natuur [de guna's] en de verscheidenheid die tot stand is gebracht door Zijn scheppend vermogen [yoga-māyā], een moeilijk te doorgronden geheel vormen waarvan de grote wijzen zich afwenden [in hun afkeer van de materiėle begoocheling]. Moge Hij, de Heerser over Allen en Alles, tevreden over ons zijn. (44) Mogen er onze respectvolle eerbetuigingen zijn voor Hem, de Ziel van alle zielen die, vrij van ondernemen in Zijn onafhankelijkheid van een winstmotief, van de vrede is, voor Hem die, net als de ether, zich niet hecht aan zaken van de uitwendige energie beheerst door de basiskwaliteiten die de zinnen prikkelt. (45) Wilt U zich alstUblieft in Uw Oorspronkelijke gedaante tonen zodat we U duidelijk voor ogen hebben? Wij, die ons aan U overgegeven hebben, willen graag Uw lachende lotusgezicht zien. (46) O Almachtige, U die in verschillende incarnaties keer op keer persoonlijk ten tonele verschijnt in verschillende gedaanten naar Uw wens, gaat over tot ongewone handelingen om reden waarvan we U beschouwen als de Allerhoogste Heer [B.G. 4: 7]. (47) Voor belichaamde zielen die willen genieten bestaan er veel obstakels en is er weinig succes, zodat wat men doet op niets uitloopt. Maar dat geldt niet voor hen die U zijn toegewijd. (48) Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht [ter wille van U] is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Meester [die de Tijd is] men zich U realiseert als de Oorspronkelijke Ziel die goedgunstig iedere persoon een warm hart toedraagt. (49) Zoals men door water geven aan de wortels van een boom eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon aan Vishnu, de Ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14]. (50) Ik breng U mijn eerbetuigingen, o Heer van de Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Meester van de Geaardheden nu gevestigd in goedheid.'

next                            

 

 

 
Derde herziene editie, geladen 16 mei, 2019. 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rī S'uka zei: 'O Koning, ik beschreef voor u dit [verhaal], dat alle onzuiverheid verdrijft, over het optreden van de Heer die de vrome Gajendra verloste. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu.
S'rī S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (Vedabase)

 

Tekst 2

De vijfde Manu, die bekend staat als Raivata, was de broer van Tāmasa en zijn zoons waren Bali, Vindhya en anderen met Arjuna als de oudste.

De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tāmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons. (Vedabase)

 

Tekst 3

Vibhu was de hemelkoning [de Indra], o  Koning, de Bhūtaraya's en anderen waren de halfgoden en Hiranyaromā, Vedas'irā, Ūrdhvabāhu en anderen waren de rishi's [de zeven wijzen].

Vibhu heerste over de hemelen, o Koning, en de godvrezenden werden geleid door de Bhūtaraya's: de tweemaal geborenen Hiranyaromā, Vedas'irā, Ūrdhvabāhu en anderen. (Vedabase)


Tekst 4

Uit S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhā verscheen Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, samen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid, genaamd de Vaikunthha's, als Zijn expansies.

Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhā, verscheen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (Vedabase)

  

Tekst 5

Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid gesticht, [een tweede] Vaikunthha.

Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht.  (Vedabase)

 

Tekst 6

Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden te beschrijven, zou hij zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als er stofdeeltjes zijn.

Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen. (Vedabase)

 

Tekst 7

De zesde Manu was Cākshusha, de zoon van Cakshu en zijn zoons waren Pūru, Pūrusha, Sudyumna en anderen na hen.

De zesde Manu was Cākshusha, de zoon van Cakshu en met Pūru, Pūrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Cākshusha. (Vedabase)

 

Tekst 8

Mantradruma was de koning van de hemel in die periode, de goden waren de Āpya's en zo meer en Havishmān, Vīraka en anderen, waren de wijzen, o Koning.

Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Āpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmān, Vīraka en anderen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Van Vairāja en zijn echtgenote Devasambhūti was er in dat tijdperk een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie [een ams'a-avatāra] was van de Heer, de Meester van het Universum.

Van Vairāja zijn echtgenote Devasambhūti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatāra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum. (Vedabase)

 

Tekst 10

Toen de oceaan [van melk] werd gekarnd bracht Hij, als Kūrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met het heen en weer bewegen van de berg Mandara [op Zijn rug], de nectar voor de Sura's voort.'

Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kūrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'  (Vedabase)

 

Tekst 11-12

S'Parīkchit zei: 'O brahmaan, om welke reden werd de oceaan van melk met de berg gekarnd, waarom hield Hij zich in het water op als een schildpad en wat kwam er, behalve de nectar die de godsbewusten erdoor verkregen, nog meer tevoorschijn? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven.

S'rī Parīkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (Vedabase)


Tekst 13

Mijn hart dat al zo lang gebukt gaat onder de ellende [van het materieel bestaan] is nog niet helemaal tevreden met uw beschrijvingen van de heerlijkheden van de Meester van Alle Toegewijden.' "

Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden'." (Vedabase)


Tekst 14

S'rī Sūta Gosvāmī zei: "De machtige zoon van Vyāsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven.

S'rī Sūta Gosvāmī zei: "De grote zoon van Vyāsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (Vedabase)

 

Tekst 15-16

S'rī S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherp geslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen [in de strijd] en niet in staat weer op te staan. Omdat de wijze Durvāsā Indra met inbegrip van zijn drie werelden had vervloekt, o Koning [*], vervielen zij [die het hadden overleefd] in armoede en waren ze niet meer in staat de rituelen en het eerbetoon op te brengen.

S'rī S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvāsā die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (Vedabase)

  

Tekst 17-18

De Sura's, de grote Indra, Varuna en de overige halfgoden die dit zagen gebeuren, traden hierover in discussie, maar konden zelf niet tot een bevredigend besluit komen. Zij begaven zich daarop naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmā op de top van de berg Meru, brachten hem hun eerbetuigingen en stelden hem van alles op de hoogte.

De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmā op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 19-20

Toen Heer Brahmā, de Almachtige, zag hoe Indra, Vāyu en de rest beroofd waren van hun betekenis en zeggingskracht en hoe de drie werelden gedompeld waren in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, concentreerde hij zijn geest door zich de Bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoon te heugen en sprak hij met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten:

Toen Heer Brahmā, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten: (Vedabase)

 

Tekst 21

'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte demonen, de menselijke wezens, de dieren, de bomen, de planten, de insecten en de microben, kwamen allen voort uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [uit mij] en uit allen die deel van mij uitmaken [de grote wijzen e.d.]. Laten we bij Hem, de Onuitputtelijke, onze toevlucht zoeken.

'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmā hier of de guna-avatāra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke.  (Vedabase)

 

Tekst 22

Wat Hem betreft hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden gevolgd. Niettemin aanvaardt Hij, bij tijden [als een avatāra] partij kiezend voor de hartstocht, de goedheid of de onwetendheid, het om van schepping, handhaving en vernietiging te zijn [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8].

Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatāra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Het is nu tijd om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid goedheid te vestigen. Laten we ons daarom wenden tot de beschutting van de Leraar van het Universum. Moge Hij zo vol van genegenheid voor Zijn mensen, voor ons, de Sura's, de voorspoed brengen die we zo hard nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 en 18].'

Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij ons Sura's, Zijn eigen volk zo welgenegen, het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. Hoofdstukken 14 & 18].' (Vedabase)


Tekst 24

S'rī S'uka zei: 'De Heer van de Veda die aldus tot de Sura's sprak, o onderwerper van de vijanden, begaf zich samen met de goden rechtstreeks naar de verblijfplaats van [Vishnu,] de Onoverwinnelijke voorbij de wereld van de duisternis.

S'rī S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis. (Vedabase)

 

Tekst 25

Aldaar, jegens Hem wiens ware gedaante niet kan worden waargenomen maar over wie men verneemt in de Veda, sprak de meester van de goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de zinnen vestigde.

Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden.  (Vedabase)

 

Tekst 26

S'rī Brahmā zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onovertroffen en hoogst wenselijke, Allergrootste Godheid, bieden wij, de goden, onze eerbetuigingen [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. 

S'rī Brahmā zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (Vedabase)

 

Tekst 27

Ik zoek mijn toevlucht in de Allerhoogste Waarheid van de levenskracht, de geest en de intelligentie van alle levende wezens, bij Hem die immer waakzaam is met al het objectieve, de zinnen en de kennis, de onberispelijke, onpartijdige veilige haven en het licht van allen die in de duisternis verkeren, bij Hem, de onfeilbare Heer van de ether voor al de drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde].
Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil. (Vedabase)

 

Tekst 28

Mogen er onze eerbetuigingen zijn voor de waarheid van Hem die men beschouwt als de as van Heer Brahmā's bliksemsnel ronddraaiende heilige rad van de Tijd met zijn vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie naven [de geaardheden] en acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] waarop de geest zich betrekt [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. 

Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Hij bekent zich tot één zaak [die van de goedheid] en is transcendentaal aan het materiėle duister. Hij die niet gemanifesteerd is, niet te lokaliseren is, onbegrensd is en iedere maat te boven gaat, wordt door Garuda [de Vedische verzen] op zijn rug gedragen en, met het voertuig van de yoga, aanbeden door de onverstoorde en nuchtere mens [zie ook 4.3: 23]. 

Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiėle duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23].  (Vedabase)

 

Tekst 30

Niemand is Zijn begoochelende energie van māyā de baas. Mensen begrijpen over het algemeen, verbijsterd door die energie, niet wat de ware bedoeling van het leven is. We bieden Hem onze eerbetuigingen die het zelf en zijn materiėle kwaliteiten [māyā] onder controle heeft, Hij de bovenzinnelijke meester die heerst over alle levende wezens en allen gelijkgezind is.

Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer. (Vedabase)


Tekst 31

U die vanbinnen en vanbuiten aanwezig bent en die ons [de goden] die vertrouwen op een lichaam dat ontstond uit de goedheid, gunstig gezind bent, kan [zelfs] niet worden begrepen door de heiligen en wijzen vanwege de subtiele aard van de bestemming die U vormt. Hoe zouden dan de demonen en atheļsten die een andere leidraad volgen U kunnen begrijpen?

Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheļsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang? (Vedabase)

 

Tekst 32

Deze aarde die Hij schiep met al de vier soorten van levende wezens die Hij gestalte gaf [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40] vormt Zijn lotusvoeten. Moge Hij, de Absolute Waarheid, de onafhankelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, ons genadig zijn.

Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiėle schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn. (Vedabase)


Tekst 33

De drie werelden met inbegrip van al hun plaatselijke leiders, gedijen op het water dat, als Zijn zaad, zo krachtig is in het genereren van al het leven. Moge Hij die van de grootste macht is, tevreden zijn over ons.

De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn. (Vedabase)


Tekst 34

Men [de geleerden] zegt dat Soma, de maan, Zijn geest is, de kracht is van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en van de levensduur. Moge Hij, de Allerhoogste Heer die de bomen en al de andere levende wezens doet groeien, die bron van alle weelde, gelukkig zijn met ons [zie ook 2.10: 30 en 6.6: 24-26].
Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook: 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (Vedabase)

 

Tekst 35

Het vuur dat al de elementen [van het voedsel] verteert in [de maag en in] de diepten van de oceaan, verschaft, ingezet voor rituele plechtigheden, als Zijn mond alle weelde en Vedische kennis. Moge die Almachtige Heer voldaan zijn over ons [zie ook B.G. 3: 10].

Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons. (Vedabase)


Tekst 36

Hij wiens oog de godheid van de zon werd die de godsbewusten leidt op hun drievoudige Vedische pad, Hij die de poort vormt voor de realisatie van de nectar van de eeuwigheid, de Absolute Waarheid en iemands bevrijding, en die ook de oorzaak vormt van iemands dood, moge die Almachtige Heer blij zijn met ons [zie ook 2.1: 30, B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19].

Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (Vedabase)


Tekst 37

Door Zijn levenskracht, Zijn adem in alle bewegende en niet bewegende levende wezens, door die prāna, die vitale lucht, als het basisprincipe te volgen zoals onderdanen een keizer volgen, vindt men alle kracht en vitaliteit. Moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons.

Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prāna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons.  (Vedabase)

 

Tekst 38

Zijn oren vormen de verschillende windrichtingen, door Zijn hart ontstonden de [negen] lichaamsopeningen en de navel van de Oorspronkelijke Persoon vormt, voor de levensadem, de zintuigen, de geest en de ademhaling van het lichaam, de toevlucht van de ether. Moge de Almachtige Heer ons genadig zijn [2.1: 27 en 29].

Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29]. (Vedabase)


Tekst 39

Zijn kracht vormt de grote Indra, Zijn tevredenheid vormt Zijn dienaren in al de drie werelden, van Zijn woede is er de Meester op de Berg [Heer S'iva] en uit Zijn nuchtere verstand kwam Virińca voort [Heer Brahmā]. Uit Zijn lichaamsopeningen komen de mantra's voort terwijl uit Zijn genitaliėn de heiligen en de stamvaders zijn ontstaan. Mogen wij de goedkeuring genieten van de Heer die zo machtig is.

De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Virińca [Heer Brahmā]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliėn; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen. (Vedabase)

 

Tekst 40

Zijn borst bracht de Godin van het Geluk voort, Zijn schaduw vormt de voorouders, de religie werd mogelijk door Zijn voorkant en de goddeloosheid vond zijn bestaan door Zijn achterkant. De hogere werelden zijn er van Zijn schedeldak en door Zijn zinsgenoegen vindt men de dansmeisjes van de hemel. Moge Hij, de Grootste van alle vermogen, tevreden over ons zijn.

De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn. (Vedabase)

 

Tekst 41

De geleerden [de brahmanen], de Vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis zijn er van Zijn mond; de bestuurders [de kshatriya's] met hun macht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's, zie ook 2.1: 37], met inbegrip van hun vakkennis, en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ūdra's] die zich niet bekommeren om de Veda. Moge Hij zo Allermachtigst ons welgezind zijn [zie ook 12.11: 6-8].

De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ūdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons. (Vedabase)


Tekst 42

De begeerte is er van Zijn onderlip en genegenheid van Zijn bovenlip; van Zijn neus is er de luister van het lichaam en door Zijn aanraking kon er de dierlijke liefde zijn. Van Zijn wenkbrauwen is er de Heer van de Dood [Yamarāja] maar van Zijn wimpers is er de eeuwige Tijd. Moge Hij, de Almachtige, ons gunstig gestemd zijn.

Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarāja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen.  (Vedabase)

 

Tekst 43

De geleerden stellen dat de materiėle elementen, hun wever [kāla, de tijd], de baatzuchtige arbeid [karma], de geaardheden van de natuur [de guna's] en de verscheidenheid die tot stand is gebracht door Zijn scheppend vermogen [yoga-māyā], een moeilijk te doorgronden geheel vormen waarvan de grote wijzen zich afwenden [in hun afkeer van de materiėle begoocheling]. Moge Hij, de Heerser over Allen en Alles, tevreden over ons zijn.

De elementen der materie, hun wever [kāla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yoga-māyā] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons. (Vedabase)

 

Tekst 44

Mogen er onze respectvolle eerbetuigingen zijn voor Hem, de Ziel van alle zielen die, vrij van ondernemen in Zijn onafhankelijkheid van een winstmotief, van de vrede is, voor Hem die, net als de ether, zich niet hecht aan zaken van de uitwendige energie beheerst door de basiskwaliteiten die de zinnen prikkelt.

Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiėle zaken.  (Vedabase)

 

Tekst 45

Wilt U zich alstUblieft in Uw Oorspronkelijke gedaante tonen zodat we U duidelijk voor ogen hebben? Wij, die ons aan U overgegeven hebben, willen graag Uw lachende lotusgezicht zien.

Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen?  (Vedabase)


Tekst 46

O Almachtige, U die in verschillende incarnaties keer op keer persoonlijk ten tonele verschijnt in verschillende gedaanten naar Uw wens, gaat over tot ongewone handelingen om reden waarvan we U beschouwen als de Allerhoogste Heer [B.G. 4: 7].

Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7].  (Vedabase)


Tekst 47

Voor belichaamde zielen die willen genieten bestaan er veel obstakels en is er weinig succes, zodat wat men doet op niets uitloopt. Maar dat geldt niet voor hen die U zijn toegewijd.

Voor mensen die eropuit zijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem. (Vedabase)

 

Tekst 48

Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht [ter wille van U] is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Meester [die de Tijd is] men zich U realiseert als de Oorspronkelijke Ziel die goedgunstig iedere persoon een warm hart toedraagt.

Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon. (Vedabase)

 

Tekst 49

Zoals men door water geven aan de wortels van een boom eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon aan Vishnu, de Ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14].

Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14].  (Vedabase)

 

Tekst 50

Ik breng U mijn eerbetuigingen, o Heer van de Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Meester van de Geaardheden nu gevestigd in goedheid.'

Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.' (Vedabase)

  

*: Het verhaal luidt: 'Toen Durvāsā Muni eens op weg was, zag hij Indra op de rug van zijn olifant en bood hij in zijn vreugde Indra een bloemenkrans van zijn nek. Indra, echter, al te opgeblazen, nam de bloemenkrans, en hing die zonder respect voor Durvāsā Muni, aan de slurf van zijn draagolifant. De olifant, als een dier, kon de waarde van de krans niet begrijpen en dus gooide de olifant de bloemenkrans tussen zijn poten en verpletterde die daar. Deze beledigende gang van zaken ziend vervloekte Durvāsā Muni terstond Indra tot de bedelstaf zodat hij verstoken was van alle weelde. Aldus verloren de halfgoden, van de ene kant in het nauw gedreven door de vechtende demonen en van de andere kant door de vloek van Durvāsā Muni, alle materiėle weelde in de drie werelden.'



 


 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding is getiteld: 'Brahma Honors Krishna'. Page from a dispersed series
of the Bhagavata Purana (Story of the Lord Vishnu), India, waarschijnlijk Delhi-Agra regio, ca. 1525-40.
Courtesy
Philadelphia Museum of Art.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties