regelbalk


 

Canto 9

Nârada Muni

 
        

   

Hoofdstuk 11: Heer Râmacandra Regeert de Wereld

(1) S'rî S'uka zei: De Allerhoogste Heer Râma, de Godheid, het hart en de ziel van de godsbewusten, accepteerde een âcârya zodat van Hemzelf door Hemzelf met de grootste weelde er aanbidding was in het uitvoeren van offerplechtigheden [zie ook 4.31: 14]. (2) De hotâ priester [hij die de offergaven offert] wees Hij het gehele oosten toe, de brahmâ priester [die de gang van zaken voor het offeren superviseert] ontving van Zijne Heerlijkheid het zuidelijke gebiedsdeel, de adhvaryu priester [die de yayur mantra's reciteert ter voorbereiding van de plechtigheid] kreeg het gehele westen en het noordelijk gebied ging naar de udgâtâ priester [die de sâma-veda hymnen zingt]. (3) Denkend dat de brahmanen vrij van begeerte het volledige ervan verdienden, schonk Hij de leraar van het voorbeeld, de âcârya, de rest van al het land dat zich tussen de gebieden in bevond. (4) Alles wat Hij voor zichzelf hield op deze wijze waren Zijn persoonlijke sierselen en kledingstukken terwijl de koningin, de dochter van de koning van Videha, slechts de ring door haar neus restte. (5) Maar toen ze zagen hoe Hij als de God der brahmanen van een dergelijke zorgzaamheid was, smolten, verguld als ze met Hem waren, hun harten en vereerden ze Hem met gebeden, Hem alles weer teruggevend wat ze hadden ontvangen en zeiden ze: (6) 'Wat ook hebt U ons niet geschonken o Allerhoogste Heer, o Meester van het Universum? Met U binnengaand in de kern van ons hart verdrijft U, met Uw gloed, het duister van onze onwetendheid. (7) Aan U onze eerbetuigingen Râmacandra, o beste van alle beroemdheden, U wiens heugenis en kennis, in Uw goddelijk respect voor de brahmanen, nimmer verstoord zijn door angst. Zij die boven alle sancties verheven zijn [de wijzen] zijn overgeleverd aan Uw voeten!'

(8) Op een avond benieuwd naar de publieke opinie ging Râma in vermomming onopgemerkt erop uit en hoorde Hij iemand spreken die het had over zijn [en Zijn] echtgenote: (9) 'Ik kan je hier niet langer hebben aangezien je een onreine, onkuise vrouw bent die het met andere mannen houdt; ik zal het niet nog eens pikken om me door jou op m'n kop te laten zitten zoals zelfs Râma dat doet met Sîtâ!' (10) Beducht voor volk dat, niet wetende waar te stoppen, met een gebrek aan kennis allerlei nonsens uitkraamt, werd zij [Sîtâ] door haar echtgenoot verlaten en ging ze naar de hermitage van Prâcetasa [Vâlmîki Muni]. (11) Zwanger zijnde bracht zij aldaar, toen de tijd er rijp voor was, tweelingzoons ter wereld die bijgevolg van de wijze die de geboorte-plechtigheden voltrok de namen Kus'a en Lava kregen toebemeten ['van het gras' en 'dat wat is afgesneden']. (12) Ook Lakshmana had twee zoons: Angada en Citraketu [vernoemd naar 6.14-17] en Bharata, o grote heerser, had er twee die men zich herinnerde als Taksha en Pushkala. (13-14) Subâhu en S'rutasena kwamen door S'atrughna ter wereld. De Gandharva's [oplichters en gokkers] werden met miljoenen tegelijk gedood door Heer Bharata die in Zijn overwinningstocht al de windstreken onder het gezag van de Koning [Râma] plaatste aan wie Hij al hun rijkdommen overdroeg. De Râkshasa luisterend naar de naam Lavana, een zoon van Madhu, werd gedood door S'atrughna in het grote woud Madhuvana alwaar hij de grootse stad bekend als Mathurâ grondvestte. (15) De wijze haar zoons toevertrouwend verdween Sîtâ, die verbannen door haar echtgenoot bleef mediteren op Râma's voeten, onder de grond. (16) Hierover vernemend was Hij, Râma, de Allerhoogste Heer, Zich haar kwaliteiten herinnerende in al de verschillende omstandigheden, niet in staat Zijn verdriet te beteugelen, hoezeer Hij ook trachtte die met Zijn intelligentie uit te bannen. (17) Een dergelijke aantrekking tussen man en vrouw is algemeen een bron van zorgen; zelfs voor de grote beheersers - wat zou het dan wel niet inhouden voor de gewone man die verslingerd is aan een huishoudelijk bestaan? (18) Nadat ze naar de hemel was gegaan nam Hij strikt het celibaat in acht en voerde de Heer een plechtigheid op, een vuur-offer [Agnihotra], dat dertienduizend jaar lang zonder onderbreking werd voortgezet. (19) Daarna plaatste Râma de lotusblaadjes die Zijn voeten waren en die geschramd waren door de doornen van het Dandakâranya woud [alwaar Hij tijdens zijn verbanning verbleef], in de harten van hen die Hem in gedachten houden en ging Hij, het Licht van de Ziel [âtma-jyoti], over in het Voorbije.

(20) De Heer van de Raghu-dynastie [Râma], zich geestelijk tot ons verhoudend in Zijn spel en vermaak, had, met niemand groter of gelijk aan Hem, [persoonlijk] geen behoefte aan al deze roem, aan al de gebeden van de godsbewusten, aan het doden van de Râkshasa's, een brug te slaan over de oceaan en Zijn boog en pijlen, noch had Hij de apen nodig om Hem bij te staan in het verslaan van de vijand [vergelijk B.G. 3: 20-26]. (21) Hem wiens onbezoedelde faam in koninklijke samenkomsten tot op de dag van vandaag wordt verheerlijkt, Hem van wie de zonde verdrijvende lotusvoeten voor de geheiligden zijn wat het kleed dat de olifant der victorie bedekt is voor de goden van de hemel en de koningen der aarde, die het begroeten met hun helmen - aan die Meester van de Raghu-dynastie geef ik mij over. (22) Hij, naar wie de mensen van Kosala uitzagen en die ze wilden aanraken, werd door hen allen, of ze nu met Hem aten en sliepen ofwel Hem respecteerden als een dienaar, gevolgd naar de plaats waarheen Hij vertrokken was, daar waar alle [bhakti-]yoga-beoefenaren naar toe gaan [zie ook B.G. 4: 9]. (23) Welke persoon ook die verneemt over de handelingen van Heer Râma zal enkel daardoor al bevrijd raken van de menselijke zwakheid [van de afgunst, of de erfzonde], o Koning, en verlost worden uit zijn verstriktheid in het karma.

(24) De koning vroeg: 'Hoe verhield Hij, de Allerhoogste Heer, Râma, zich tot Zijn broeders die Zijn persoonlijke expansies waren en hoe gedroegen Zij, zowel als al Zijn mensen, Zijn onderdanen, zich jegens Hem, hun Heerser?'

(25) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Na de troon te hebben bestegen droeg Hij, de Heer van het Universum, Zijn jongere broers op de wereld te veroveren [*] terwijl Hij persoonlijk Zijn volk audiëntie verleende en de gang van zaken in de hoofdstad tezamen met andere medewerkers in het oog hield. (26) De straten waren besprenkeld met geparfumeerd water en door het musth van de olifanten. Om Hem te zien, hun Heer en Meester, aanwezig in eigen persoon was de grootste en hoogste verrukking. (27) In de paleizen, bij de paleispoorten, in de ruimten van samenkomst, op de podia en in de huizen van God en zo meer, waren gouden waterpotten geplaatst samen met vlaggen. (28) Overal werd Hij ontvangen met de feestelijkheid van welkomstpoorten, draperieën, bloemenslingers, betelnoot, snijbloemen en vruchten, bananenbomen, kleurige vlaggen en spiegels. (29) Hem benaderend, droeg de plaatselijke bevolking, waar Hij ook maar op bezoek kwam, hun benodigdheden voor de aanbidding met zich mee om zich te verzekeren van Zijn zegen zeggende: 'O mijn Heer, houdt dit land in stand dat U, zoals U dat voorheen hebt gedaan, hebt gered [als de andere vishnu-avatâra's]'. (30) De mannen en de vrouwen in de stad verlieten daarna, begerig hun koning terug te zien keren na zo'n lange tijd, hun huizen om op de daken te gaan zitten van de grotere woningen zodat ze hun hongerige ogen de kost konden geven met de aanblik van de Heer met de Lotusogen en Hem met bloemen konden bestrooien. (31-34) Hij ging daarop dan de woning waar Zijn familieleden leefden binnen die door Zijn voorouders was veranderd in een ongekende schatkamer die helemaal volstond met de meest kostbare voorwerpen. De deurposten waren van koraal, de pilaren in rijen langs de gepolijste marakata vloeren [van smaragd] waren van vaidûrya-gesteente, er waren adembenemende marmeren fonteinen, alle soorten bloemen en vlaggen, een rijke stoffering en een onzeglijke hemel naar ieders verlangen aan artikelen opgesierd met parels en de meest kostbare stralende edelstenen. Met al de bossen bloemen, de geurige wierook en de lampen leken de mannen en vrouwen aldaar, wiens lichamen in schoonheid wedijverden met hun opsmuk, wel halfgoden. (35) Daar genoot Hij, de Allerhoogste Heer Râma [let.: 'de bron der vreugde'], altijd behaagd door Zijn teerbeminde echtgenote, moeder Sîtâ, Zijn persoonlijke geluk als de leider van de grootste geleerden. (36) Voor vele vele jaren genoot Hij zonder ophouden, met de mensen mediterend op Zijn lotusvoeten, en zonder met het dharma in overtreding te komen, van alle geneugten van het leven.'

 

 

next

 

 

 Tweede editie, geladen 30 december 2007.

 

 

 

 

 

Bronteksten:

Heer Râmacandra regeert de wereld

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: De Allerhoogste Heer Râma, de Godheid, het hart en de ziel van de godsbewusten, accepteerde een âcârya zodat van Hemzelf door Hemzelf met de grootste weelde er aanbidding was in het uitvoeren van offerplechtigheden [zie ook 4.31: 14].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Vervolgens aanvaardde de Allerhoogste Godspersoon, Heer Râmacandra, een âcârya en verrichtte vedische offers [yajña's] met zeer kostbare artikelen. Aldus vereerde Hij Zichzelf, want Hij is de Allerhoogste Heer van alle halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 2:

De hotâ priester [hij die de offergaven offert] wees Hij het gehele oosten toe, de brahmâ priester [die de gang van zaken voor het offeren superviseert] ontving van Zijne Heerlijkheid het zuidelijke gebiedsdeel, de adhvaryu priester [die de yayur mantra's reciteert ter voorbereiding van de plechtigheid] kreeg het gehele westen en het noordelijk gebied ging naar de udgâtâ priester [die de sâma-veda hymnen zingt].

Heer Râmacandra gaf het hele oosten aan de hotâ-priester, het hele zuiden aan de brahmâ-priester, het westen aan de adhvaryu-priester en het noorden aan de udgâtâ-priester, die de Sâma-Veda voordraagt. Op deze wijze schonk Hij Zijn koninkrijk weg. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Denkend dat de brahmanen vrij van begeerte het volledige ervan verdienden, schonk Hij de leraar van het voorbeeld, de âcârya, de rest van al het land dat zich tussen de gebieden in bevond.

Vervolgens schonk Heer Râmacandra het land tussen het oosten, het westen, het noorden en het zuiden aan de âcârya met de gedachte dat de brâhmana's de hele wereld zouden moeten bezitten omdat ze geen materiële verlangens hebben. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Alles wat Hij voor zichzelf hield op deze wijze waren Zijn persoonlijke sierselen en kledingstukken terwijl de koningin, de dochter van de koning van Videha, slechts de ring door haar neus restte.

Nadat Heer Râmacandra aldus alles aan de brâhmana's weggeschonken had, hield Hijzelf alleen Zijn persoonlijke kleding en sieraden over, en de koningin, moeder Sîtâ, had niets anders meer dan haar neusring. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Maar toen ze zagen hoe Hij als de God der brahmanen van een dergelijke zorgzaamheid was, smolten, verguld als ze met Hem waren, hun harten en vereerden ze Hem met gebeden, Hem alles weer teruggevend wat ze hadden ontvangen en zeiden ze:

De brâhmana's die de verschillende activiteiten met betrekking tot het offer verricht hadden, waren allemaal erg tevreden over Heer Râmacandra omdat Hij de brâhmana's zo toegenegen en bijzonder gunstig gezind was. Daarom gaven ze Hem met vertederd hart alles wat ze van Hem gekregen hadden terug en spraken als volgt. (Vedabase)

   

Tekst 6:

'Wat ook hebt U ons niet geschonken o Allerhoogste Heer, o Meester van het Universum? Met U binnengaand in de kern van ons hart verdrijft U, met Uw gloed, het duister van onze onwetendheid.

O Heer, U bent de meester van het hele universum. Wat heeft U ons niet gegeven? U bent ons hart binnengegaan en hebt daar met Uw stralengloed de duisternis van onze onwetendheid verdreven. Dit is het hoogst denkbare geschenk. We hebben geen behoefte aan een materiële gift. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Aan U onze eerbetuigingen Râmacandra, o beste van alle beroemdheden, U wiens heugenis en kennis, in Uw goddelijk respect voor de brahmanen, nimmer verstoord zijn door angst. Zij die boven alle sancties verheven zijn [de wijzen] zijn overgeleverd aan Uw voeten!'

O Heer, U bent de Allerhoogste Godspersoon, en U hebt de brâhmana's het object van Uw verering gemaakt. Uw kennis en geheugen zijn nooit verstoord door angst of zorgen. U bent de belangrijkste van alle beroemde personen in deze wereld, en Uw lotusvoeten worden vereerd door wijzen die boven iedere vorm van straf verheven zijn. O Heer Râmacandra, laten we U onze nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)

 

Tekst 8

Op een avond benieuwd naar de publieke opinie ging Râma in vermomming onopgemerkt erop uit en hoorde Hij iemand spreken die het had over zijn [en Zijn] echtgenote:

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Op een nacht, toen Heer Râmacandra Zich vermomd had en incognito rondliep om er zo achter te komen wat de mensen over Hem dachten, hoorde Hij een man in ongunstige zin over Zijn vrouw, Sîtâdevî, spreken. (Vedabase)

 

Tekst 9

 'Ik kan je hier niet langer hebben aangezien je een onreine, onkuise vrouw bent die het met andere mannen houdt; ik zal het niet nog eens pikken om me door jou op m'n kop te laten zitten zoals zelfs Râma dat doet met Sîtâ!'

[Sprekend tot zijn ontrouwe vrouw zei de man:] Je bent naar het huis van een andere man gegaan en daarom ben je onkuis en bezoedeld. Ik zal je niet langer onderhouden. Een pantoffelheld als Heer Râma mag er dan misschien een vrouw als Sîtâ op na houden, die naar het huis van een andere man is gegaan, maar ik zit niet zo onder de plak als Hij, en zal je daarom niet meer aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 10

Beducht voor volk dat, niet wetende waar te stoppen, met een gebrek aan kennis allerlei nonsens uitkraamt, werd zij [Sîtâ] door haar echtgenoot verlaten en ging ze naar de hermitage van Prâcetasa [Vâlmîki Muni].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Mensen met weinig kennis en een slecht karakter spreken louter onzin. Uit angst voor zulke schurken verliet Heer Râmacandra Zijn vrouw, Sîtâdevî, hoewel ze zwanger was. Om deze reden ging Sîtâdevî naar de âs'rama van Vâlmîki Muni. (Vedabase)

 

Tekst 11

Zwanger zijnde bracht zij aldaar, toen de tijd er rijp voor was, tweelingzoons ter wereld die bijgevolg van de wijze die de geboorte-plechtigheden voltrok de namen Kus'a en Lava kregen toebemeten ['van het gras' en 'dat wat is afgesneden'].

Toen de tijd rijp was, bracht de zwangere moeder Sîtâdevî een tweeling ter wereld. Deze broers zouden later bekend worden als Lava en Kus'a. De geboorteceremonieën werden verricht door Vâlmîki Muni. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ook Lakshmana had twee zoons: Angada en Citraketu [vernoemd naar 6.14-17] en Bharata, o grote heerser, had er twee die men zich herinnerde als Taksha en Pushkala.

O Mahârâja Parîkshit, Heer Lakshmana had twee zonen, Angada en Citraketu, en Heer Bharata had eveneens twee zonen, Taksha en Pushkala. (Vedabase)

 

Tekst 13-14

Subâhu en S'rutasena kwamen door S'atrughna ter wereld. De Gandharva's [oplichters en gokkers] werden met miljoenen tegelijk gedood door Heer Bharata die in Zijn overwinningstocht al de windstreken onder het gezag van de Koning [Râma] plaatste aan wie Hij al hun rijkdommen overdroeg. De Râkshasa luisterend naar de naam Lavana, een zoon van Madhu, werd gedood door S'atrughna in het grote woud Madhuvana alwaar hij de grootse stad bekend als Mathurâ grondvestte.

S'atrughna had twee zonen, Subâhu en S'rutasena. Toen Heer Bharata eropuit ging om alle richtingen te veroveren, moest Hij vele miljoenen Gandharva's doden, die over het algemeen huichelaars zijn. Hij nam ze al hun rijkdom af en gaf alles aan Heer Râmacandra. S'atrughna doodde eveneens een Râkshasa met de naam Lavana, de zoon van Madhu Râkshasa. Daardoor was Hij in staat om in het grote woud dat men kent als Madhuvana de stad Mathurâ te vestigen. (Vedabase)

 

Tekst 15

De wijze haar zoons toevertrouwend verdween Sîtâ, die verbannen door haar echtgenoot bleef mediteren op Râma's voeten, onder de grond.

Sîtâdevî, die door haar echtgenoot verlaten was, vertrouwde haar twee zonen aan de zorg van Vâlmîki Muni toe. Daarna verdween ze, mediterend op de lotusvoeten van Heer Râmacandra, in de schoot van de aarde. (Vedabase)

  

Tekst 16:

Hierover vernemend was Hij, Râma, de Allerhoogste Heer, Zich haar kwaliteiten herinnerende in al de verschillende omstandigheden, niet in staat Zijn verdriet te beteugelen, hoezeer Hij ook trachtte die met Zijn intelligentie uit te bannen.

Toen de Allerhoogste Godspersoon het nieuws vernam dat moeder Sîtâ in de schoot van de aarde was verdwenen, was Hij zondermeer bedroefd. Hoewel Hij de Allerhoogste Godspersoon is, kon Hij, wanneer Hij Zich de verheven eigenschappen van moeder Sîtâ herinnerde, uit transcendentale liefde Zijn verdriet niet de baas. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Een dergelijke aantrekking tussen man en vrouw is algemeen een bron van zorgen; zelfs voor de grote beheersers - wat zou het dan wel niet inhouden voor de gewone man die verslingerd is aan een huishoudelijk bestaan?

De aantrekkingskracht tussen man en vrouw, of tussen mannelijk en vrouwelijk, bestaat altijd en overal en maakt iedereen voortdurend angstig. Zelfs grote leiders als Brahmâ en Heer S'iva kennen zulke gevoelens en ze vormen voor hen eveneens een bron van angst, om maar te zwijgen van anderen die aan het gezinsleven in deze materiële wereld gehecht zijn. (Vedabase)

  

Tekst 18:

Nadat ze naar de hemel was gegaan nam Hij strikt het celibaat in acht en voerde de Heer een plechtigheid op, een vuur-offer [Agnihotra], dat dertienduizend jaar lang zonder onderbreking werd voortgezet.

Nadat moeder Sîtâ in de schoot van de aarde was verdwenen, leefde Heer Râmacandra volledig celibatair en verrichtte dertienduizend jaar lang onafgebroken een Agnihotra-yajña. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Daarna plaatste Râma de lotusblaadjes die Zijn voeten waren en die geschramd waren door de doornen van het Dandakâranya woud [alwaar Hij tijdens zijn verbanning verbleef], in de harten van hen die Hem in gedachten houden en ging Hij, het Licht van de Ziel [âtma-jyoti], over in het Voorbije.

Nadat Hij het offer voltooid had, plaatste Heer Râmacandra Zijn lotusvoeten, die soms verwond werden door doornen toen Hij in het woud van Dandakâranya leefde, in het hart van degenen die altijd aan Hem denken. Toen keerde Hij terug naar Zijn eigen woonplaats, de Vaikunthha-planeet die nog voorbij de brahmajyoti ligt. (Vedabase)

 

Tekst 20:

De Heer van de Raghu-dynastie [Râma], zich geestelijk tot ons verhoudend in Zijn spel en vermaak, had, met niemand groter of gelijk aan Hem, [persoonlijk] geen behoefte aan al deze roem, aan al de gebeden van de godsbewusten, aan het doden van de Râkshasa's, een brug te slaan over de oceaan en Zijn boog en pijlen, noch had Hij de apen nodig om Hem bij te staan in het verslaan van de vijand [vergelijk B.G. 3: 20-26].

Heer Râmacandra's naam en faam omdat Hij op verzoek van de halfgoden Râvana doodde met een regen van pijlen of omdat Hij een brug bouwde over de oceaan, is nog niet de werkelijke glorie van de Allerhoogste Godspersoon, Heer Râmacandra, wiens geestelijke lichaam altijd opgaat in diverse vormen van spel en vermaak. Heer Râmacandra heeft geen gelijke of meerdere, en Hij had de hulp van de apen niet nodig om Râvana te verslaan. (Vedabase)

 

 Tekst 21:

Hem wiens onbezoedelde faam in koninklijke samenkomsten tot op de dag van vandaag wordt verheerlijkt, Hem van wie de zonde verdrijvende lotusvoeten voor de geheiligden zijn wat het kleed dat de olifant der victorie bedekt is voor de goden van de hemel en de koningen der aarde, die het begroeten met hun helmen - aan die Meester van de Raghu-dynastie geef ik mij over.

Heer Râmacandra's vlekkeloze naam en faam, die alle reacties op zondig handelen tenietdoen, worden alom geroemd, net als de sierdoek van de zegevierende olifant die alle richtingen verovert. Grote heiligen als Mârkandeya Rishi verheerlijken Zijn karakter nog steeds op bijeenkomsten van grote keizers als Mahârâja Yudhishthhira. Bovendien vereren alle heilige koningen en halfgoden, met inbegrip van Heer S'iva en Heer Brahmâ, de Heer door neer te buigen en de grond aan te raken met hun helmen. Laat me mijn eerbetuigingen aan Zijn lotusvoeten brengen. (Vedabase)

 

Tekst 22:

 Hij, naar wie de mensen van Kosala uitzagen en die ze wilden aanraken, werd door hen allen, of ze nu met Hem aten en sliepen ofwel Hem respecteerden als een dienaar, gevolgd naar de plaats waarheen Hij vertrokken was, daar waar alle [bhakti-]yoga-beoefenaren naar toe gaan [zie ook B.G. 4: 9].

Heer Râmacandra keerde terug naar Zijn woonplaats, die de bestemming is van de bhakti-yogî's. Dit is de plaats waar alle inwoners van Ayodhyâ heengingen nadat ze de Heer in Zijn geopenbaarde spel en vermaak gediend hadden door Hem eerbetuigingen te brengen, Zijn lotusvoeten aan te raken, Hem volledig te aanvaarden als hun vaderlijke koning, als gelijken aan Zijn zijde te zitten of zich samen met Hem ter ruste te leggen, of zelfs door Hem gewoon te vergezellen. (Vedabase)

  

Tekst 23:

Welke persoon ook die verneemt over de handelingen van Heer Râma zal enkel daardoor al bevrijd raken van de menselijke zwakheid [van de afgunst, of de erfzonde], o Koning, en verlost worden uit zijn verstriktheid in het karma.

O koning Parîkshit, ieder die naar dit verhaal over het spel en vermaak van Heer Râmacandra luistert, zal uiteindelijk bevrijd worden van de ziekte van afgunst en zo verlost raken van de gebondenheid aan baatzuchtige activiteiten. (Vedabase)

    

Tekst 24:

De koning vroeg: 'Hoe verhield Hij, de Allerhoogste Heer, Râma, zich tot Zijn broeders die Zijn persoonlijke expansies waren en hoe gedroegen Zij, zowel als al Zijn mensen, Zijn onderdanen, zich jegens Hem, hun Heerser?'

Mahârâja Parîkshit vroeg S'ukadeva Gosvâmî: Hoe placht de Heer Zich te gedragen, en hoe gedroeg Hij Zich tegenover Zijn broers, die expansies van Hemzelf waren? Hoe behandelden Zijn broers en de inwoners van Ayodhyâ Hem? (Vedabase)

 

Tekst 25:

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Na de troon te hebben bestegen droeg Hij, de Heer van het Universum, Zijn jongere broers op de wereld te veroveren [*] terwijl Hij persoonlijk Zijn volk audiëntie verleende en de gang van zaken in de hoofdstad tezamen met andere medewerkers in het oog hield.

S'ukadeva Gosvâmî antwoordde: Nadat Heer Râmacandra op het vurige verzoek van Zijn jongere broer Bharata de troon had bestegen, droeg Hij Zijn jongere broers op om eropuit te trekken en de hele wereld te veroveren, terwijl Hij persoonlijk in de hoofdstad bleef om alle burgers en paleisbewoners audiëntie te verlenen en met Zijn medewerkers toezicht te houden op de regeringszaken. (Vedabase)

 

Tekst 26:

De straten waren besprenkeld met geparfumeerd water en door het musth van de olifanten. Om Hem te zien, hun Heer en Meester, aanwezig in eigen persoon was de grootste en hoogste verrukking.

Tijdens het bewind van Heer Râmacandra werden de straten van de hoofdstad Ayodhyâ besprenkeld met reukwater en druppeltjes geparfumeerde alcohol, die door olifanten met hun slurf in het rond gesproeid werden. De burgers waren bijzonder tevreden toen ze zagen dat de Heer persoonlijk op het bestuur van de stad toezag en dat Hij alles op zo'n weelderige manier aanpakte. (Vedabase)

  

Tekst 27:

In de paleizen, bij de paleispoorten, in de ruimten van samenkomst, op de podia en in de huizen van God en zo meer, waren gouden waterpotten geplaatst samen met vlaggen.

De paleizen, paleispoorten, gemeenschapshuizen, podiums voor samenkomsten, tempels en al dergelijke plaatsen waren opgeluisterd met gouden waterkruiken en diverse soorten vlaggen. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Overal werd Hij ontvangen met de feestelijkheid van welkomstpoorten, draperieën, bloemenslingers, betelnoot, snijbloemen en vruchten, bananenbomen, kleurige vlaggen en spiegels.

Overal waar Heer Râmacandra een bezoek bracht, werden er zegenrijke erepoorten opgericht met bananenbomen en betelpalmen die vol bloemen en vruchten zaten. Deze poorten werden versierd met verschillende vlaggen van kleurig doek en met wandkleden, spiegels en bloemenkransen. (Vedabase)

 

Tekst 29:

 Hem benaderend, droeg de plaatselijke bevolking, waar Hij ook maar op bezoek kwam, hun benodigdheden voor de aanbidding met zich mee om zich te verzekeren van Zijn zegen zeggende: 'O mijn Heer, houdt dit land in stand dat U, zoals U dat voorheen hebt gedaan, hebt gered [als de andere vishnu-avatâra's]'.

Waar Heer Râmacandra ook maar een bezoek bracht kwamen de mensen naar Hem toe met artikelen om Hem te vereren, en smeekten Hem om Zijn zegen. "O Heer", zeiden ze, "wees zo goed de aarde in stand te houden, net zoals U haar in Uw ever-incarnatie van de bodem van de oceaan gered hebt. Dit is de zegen waarom we U vragen." (Vedabase)

 

Tekst 30:

De mannen en de vrouwen in de stad verlieten daarna, begerig hun koning terug te zien keren na zo'n lange tijd, hun huizen om op de daken te gaan zitten van de grotere woningen zodat ze hun hongerige ogen de kost konden geven met de aanblik van de Heer met de Lotusogen en Hem met bloemen konden bestrooien.

Omdat de burgers, zowel mannen als vrouwen, er na zo'n lange tijd intens naar verlangden om de Heer te zien, verlieten ze hun huizen en klommen op de daken van de paleizen. Ze kregen er maar niet genoeg van om naar het gezicht van de lotus-ogige Heer Râmacandra te kijken, en bedekten Hem onder een regen van bloemen. (Vedabase)

 

Tekst 31-34:

Hij ging daarop dan de woning waar Zijn familieleden leefden binnen die door Zijn voorouders was veranderd in een ongekende schatkamer die helemaal volstond met de meest kostbare voorwerpen. De deurposten waren van koraal, de pilaren in rijen langs de gepolijste marakata vloeren [van smaragd] waren van vaidûrya-gesteente, er waren adembenemende marmeren fonteinen, alle soorten bloemen en vlaggen, een rijke stoffering en een onzeglijke hemel naar ieders verlangen aan artikelen opgesierd met parels en de meest kostbare stralende edelstenen. Met al de bossen bloemen, de geurige wierook en de lampen leken de mannen en vrouwen aldaar, wiens lichamen in schoonheid wedijverden met hun opsmuk, wel halfgoden.

Daarna ging Heer Râmacandra het paleis van Zijn voorvaderen binnen. In dit paleis bevonden zich allerlei kostbaarheden en waardevolle garderobes. De zitplaatsen aan beide zijden van de toegangsdeur waren van koraal, de binnenplaatsen waren omgeven door pilaren van vaidûrya-mani, de vloer was van glanzend gepolijst marakata-mani en de fundering bestond uit marmer. Het hele paleis was versierd met vlaggen en bloemenkransen en ingelegd met kostbare stenen die een hemelse glans uitstraalden. Het was van boven tot onder versierd met parels en overal brandden lampjes en wierook. De mannen en vrouwen in het paleis leken stuk voor stuk op halfgoden en waren getooid met allerlei sieraden, waarvan de schoonheid verhoogd werd doordat zij ze op hun lichaam droegen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Daar genoot Hij, de Allerhoogste Heer Râma [let.: 'de bron der vreugde'], altijd behaagd door Zijn teerbeminde echtgenote, moeder Sîtâ, Zijn persoonlijke geluk als de leider van de grootste geleerden.

Heer Râmacandra, de Allerhoogste Godspersoon en de beste van alle grote geleerden, woonde in dat paleis met Zijn geluksvermogen, moeder Sîtâ, en ervaarde er totale vrede. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Voor vele vele jaren genoot Hij zonder ophouden, met de mensen mediterend op Zijn lotusvoeten, en zonder met het dharma in overtreding te komen, van alle geneugten van het leven.'

Zo genoot Heer Râmacandra, wiens lotusvoeten door toegewijden in meditatie vereerd worden, zonder de religieuze beginselen te overtreden zolang als nodig was met alle toebehoren van alle vormen van transcendentaal geluk. (Vedabase)

 

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei over deze Râma-missie van het veroveren van de wereld: 'prithivîte âche yata nagarâdi grâma sarvatra pracâra haibe mora nâma'; Een zuivere toegewijde, daarom, moet de opdracht van de Heer ten uitvoer brengen en niet zijn zinnen bevredigen door te blijven steken op één plaats, valselijk trots, denkend omdat hij Vrindâvana niet verlaat maar chant op een afgezonderde plaats hij een grote toegewijde is geworden. Hij zei ook: 'yâre dekha, târe kaha 'krishna'-upades'a'; iedere toegewijde, derhalve, moet het Krishna-bewustzijn verspreiden door te prediken, een ieder die hij ontmoet vragend om de opdracht van de Hoogste Persoonlijkheid van God te aanvaarden.

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Râmadâsa Abhirâma dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties