Canto
9
Hoofdstuk 24: De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 9.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was. (2) Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren. (3-4) Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg. (5) Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte. (6-8) Van Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester. (9) Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie: (10-11) 'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.
(12) Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna. (13) Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka. (14) Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (15) S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons: (16-18) Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.
(19) Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er. (20) Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu. (21-23) Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (24) Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons. (25) Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.
(26) Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is. (27) Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ. (28-31) In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.
(32) Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan. (33) Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'
(34) [De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'
(35) Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was. (36) Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.
(37) Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti. (38) Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop. (39) Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ. (40) S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala. (41) Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Purujit verwekt in Kankâ. (42) Sriñjaya met Râshthrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha. (43) In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten. (44) Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door S'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.
(45) Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva]. (46) Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî. (47-48) Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf. (49) Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie. (50) Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning. (51) Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ. (52) Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (53-55) Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?
(56) Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7]. (57) Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (58) Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (59) Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (60) Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven. (61) Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten. (62) Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd. (63-64) Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht. (65) Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3] (66) Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8]. (67) Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'
(Afbeelding: stamboom van Purûravâ tot aan Krishna)
Aldus eindigt het negende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Bevrijding'.
Tweede editie, geladen 14 februari 2008.
Bronteksten:
Krishna, de Allerhoogste Godspersoon
S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 7.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was.S'ukadeva Gosvâmî zei: Bij het meisje dat zijn vader meegebracht had, verwekte Vidarbha drie zonen, te weten Kus'a, Kratha en Romapâda. Romapâda was het meest geliefd in de dynastie van Vidarbha. (Vedabase)
Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren.
De zoon van Romapâda heette Babhru, die een zoon verwekte met de naam Kriti. De zoon van Kriti heette Us'ika en Us'ika had Cedi tot zoon. Cedi was de vader van koning Caidya en anderen. (Vedabase)
Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg.
De zoon van Kratha heette Kunti, Kunti's zoon was Vrishni, Vrishni's zoon heette Nirvriti en de zoon van Nirvriti werd Das'ârha genoemd. Das'ârha verwekte Vyoma, Vyoma verwekte Jîmûta, Jîmûta verwekte Vikriti, Vikriti verwekte Bhîmaratha, Bhîmaratha verwekte Navaratha en Navaratha was de vader van Das'aratha. (Vedabase)
Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte.
Das'aratha kreeg een zoon met de naam S'akuni en de zoon van S'akuni was Karambhi. Karambhi's zoon heette Devarâta en diens zoon was Devakshatra. De zoon van Devakshatra was Madhu en Madhu's zoon heette Kuruvas'a, die een zoon met de naam Anu kreeg. (Vedabase)
Van Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester.
De zoon van Anu heette Puruhotra, Puruhotra's zoon was Ayu en Ayu had Sâtvata tot zoon. O grote Âryan-koning, Sâtvata had zeven zonen, te weten Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja. Bhajamâna kreeg bij zijn ene vrouw drie zonen met de namen Nimloci, Kinkana en Dhrishthi, en bij zijn andere vrouw kreeg hij eveneens drie zonen, namelijk S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit. (Vedabase)
Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie:
De zoon van Devâvridha heette Babhru. Er bestaan twee beroemde lofzangen op Devâvridha en Babhru, die onze voorouders plachten te zingen en die wij van een afstand gehoord hebben. Ja, zelfs nu nog hoor ik diezelfde gebeden zingen waarin hun eigenschappen verheerlijkt worden [omdat datgene wat men vroeger hoorde zingen nu nog steeds gezongen wordt]. (Vedabase)
'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.
"Men is het erover eens dat van alle mensen Babhru de beste is en dat Devâvridha gelijk is aan de halfgoden. Dankzij hun omgang met Babhru en Devâvridha bereikten al hun nakomelingen, 14.065 in getal, bevrijding." In de dynastie van koning Mahâbhoja, die buitengewoon religieus was, verschenen de Bhoja-koningen. (Vedabase)
Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna.
O koning, Mahârâja Parîkshit, overwinnaar van uw vijanden, de zonen van Vrishni heetten Sumitra en Yudhâjit. Yudhâjit verwekte S'ini en Anamitra, en Anamitra kreeg een zoon met de naam Nighna. (Vedabase)
Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka.
De twee zonen van Nighna heetten Satrâjita en Prasena. Een andere zoon van Anamitra heette ook S'ini en diens zoon was Satyaka. (Vedabase)
Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni.
De zoon van Satyaka heette Yuyudhâna, die op zijn beurt Jaya tot zoon had. Jaya verwekte een zoon met de naam Kuni en Kuni kreeg een zoon die Yugandhara heette. Anamitra had nog een andere zoon met de naam Vrishni. (Vedabase)
S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons:
Vrishni verwekte de zonen met de namen S'vaphalka en Citraratha. S'vaphalka verwekte Akrûra bij zijn vrouw Gândinî. Akrûra was de oudste, maar ze hadden nog twaalf andere zonen, die allemaal bijzonder beroemd waren. (Vedabase)
Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.
De namen van deze twaalf zonen waren Âsanga, Sârameya, Mridura, Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha, Arimardana, S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Ze hadden ook een zuster met de naam Sucârâ. Akrûra kreeg twee zonen, te weten Devavân en Upadeva. Citraratha had vele zonen, met Prithu en Vidûratha als voornaamsten, en allen stonden bekend als leden van de dynastie van Vrishni. (Vedabase)
Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er.
Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha waren de vier zonen van Andhaka. De zoon van Kukura heette Vahni en diens zoon heette Vilomâ. (Vedabase)
Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu.
De zoon van Vilomâ heette Kapotaromâ en diens zoon heette Anu, die een vriend was van Tumburu. Anu verwekte Andhaka, Andhaka verwekte Dundubhi, Dundubhi verwekte Avidyota en Avidyota kreeg een zoon met de naam Punarvasu. (Vedabase)
Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen.
Punarvasu had een zoon en een dochter die respectievelijk Âhuka en Âhukî heetten en Âhuka kreeg twee zonen, te weten Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zonen, namelijk Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana, en hij had ook zeven dochters: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ. Hiervan was Dhritadevâ de oudste. Vasudeva, de vader van Krishna, trouwde met al deze zusters. (Vedabase)
Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons.
Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû, Râshthrapâla, Dhrishthi en Tushthimân waren de zonen van Ugrasena. (Vedabase)
Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.
Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ waren de dochters van Ugrasena. Zij werden de vrouwen van de jongere broers van Vasudeva. (Vedabase)
Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is.
De zoon van Citraratha was Vidûratha, de zoon van Vidûratha was S'ûra en S'ûra's zoon heette Bhajamâna. De zoon van Bhajamâna was S'ini, de zoon van S'ini heette Bhoja en Bhoja had Hridika tot zoon. (Vedabase)
Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ.
De drie zonen van Hridika heetten Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ. De zoon van Devamîdha was S'ûra en S'ûra trouwde met Mârishâ. (Vedabase)
In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.
Koning S'ûra verwekte bij zijn vrouw Mârishâ tien zonen: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Deze zonen waren allemaal even onberispelijk en vroom. Toen Vasudeva geboren werd, sloegen de halfgoden in het hemelrijk op pauken. Daarom stond Vasudeva, die voor de geschikte plaats zorgde zodat de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, kon verschijnen, ook bekend onder de naam Ânakadundubhi. De vijf dochters van koning S'ûra, te weten Prithâ, S'rutadevâ, S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî, waren Vasudeva's zusters. S'ûra schonk Prithâ aan zijn vriend Kunti, die geen nakomelingen had, en daarom werd Prithâ ook Kuntî genoemd. (Vedabase)
Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan.
Toen Durvâsâ eens te gast was bij Prithâ's vader, Kunti, stelde Prithâ Durvâsâ tevreden door hem allerlei diensten te bewijzen. Daarom schonk hij haar het mystieke vermogen om iedere willekeurige halfgod op te roepen. Om de kracht van dit mystieke vermogen uit te proberen, riep de vrome Kuntî onmiddellijk de zonnegod op. (Vedabase)
Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'
Zodra Kuntî de halfgod van de zon had opgeroepen, verscheen deze tot haar grote verbazing onmiddellijk voor haar. Ze zei tot de zonnegod: "Ik wilde alleen maar proberen of dit mystieke vermogen inderdaad werkte. Het spijt me dat ik u nodeloos heb opgeroepen. Keer alstublieft terug en neem me niet kwalijk." (Vedabase)
[De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'
De zonnegod zei: O mooie Prithâ, je ontmoeting met de halfgoden kan niet tevergeefs zijn. Laat mij je daarom met mijn zaad bevruchten, opdat je zwanger mag worden van een zoon. Aangezien je nog niet getrouwd bent, zal ik ervoor zorgen dat je maagdelijkheid onaangetast blijft. (Vedabase)
Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was.
Na dit gezegd te hebben, bevruchtte de zonnegod Prithâ en keerde vervolgens terug naar het hemelrijk. Onmiddellijk daarna bracht Kuntî een kind ter wereld dat sprekend op de zonnegod leek. (Vedabase)
Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.
Omdat Kuntî bang was voor de kritiek van de mensen, gaf ze met de grootste moeite haar genegenheid voor het kind op. Met grote tegenzin legde ze het kind in een mand en liet hem met de stroom van de rivier meedrijven. O Mahârâja Parîkshit, uw overgrootvader, de vrome en ridderlijke koning Pându, trad later met Kuntî in het huwelijk. (Vedabase)
Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti.
Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, trouwde met Kuntî's zuster S'rutadevâ, en deze bracht Dantavakra ter wereld. Omdat Dantavakra vervloekt was door de wijzen onder aanvoering van Sanaka, was hij in een vorig leven geboren als Hiranyâksha, de zoon van Diti. (Vedabase)
Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop.
Koning Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, trouwde met S'rutakîrti, een andere zuster van Kuntî. S'rutakîrti had vijf zonen, van wie Santardana de voornaamste was. (Vedabase)
Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ.
Jayasena verwekte bij Râjâdhidevî, een andere zuster van Kuntî, twee zonen die Vinda en Anuvinda heetten. Evenzo trouwde de koning van de staat Cedi met S'rutas'ravâ. De Naam van die koning was Damaghosha. (Vedabase)
S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala.
De zoon van S'rutas'ravâ heette S'is'upâla, wiens geboorte al beschreven is [in het zevende canto van het S'rîmad-Bhâgavatam]. Vasudeva's broer Devabhâga kreeg twee zonen bij zijn vrouw Kamsâ. Deze twee zonen heetten Citraketu en Brihadbala. (Vedabase)
Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Purujit verwekt in Kankâ.
Vasudeva's broer Devas'ravâ trouwde met Kamsavatî, bij wie hij twee zonen verwekte, Suvîra en Ishumân. Kanka verwekte bij zijn vrouw Kankâ drie zonen, te weten Baka, Satyajit en Purujit. (Vedabase)
Sriñjaya met Râshthrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha.
Koning Sriñjaya verwekte bij zijn vrouw Râshthrapâlikâ verschillende zonen, van wie Vrisha en Durmarshana de belangrijksten waren. Koning S'yâmaka verwekte bij zijn vrouw S'ûrabhûmi twee zonen, Harikes'a en Hiranyâksha. (Vedabase)
In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten.
Vervolgens verwekte koning Vatsaka bij zijn vrouw Mis'rakes'î, een Apsarâ, verschillende zonen, van wie Vrika de belangrijkste was. Vrika en zijn vrouw Durvâkshî kregen zonen zoals Taksha, Pushkara en S'âla. (Vedabase)
Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door S'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.
S'amîka verwekte bij zijn vrouw Sudâmanî verschillende zonen, waaronder Sumitra en Arjunapâla. Koning Ânaka kreeg twee zonen bij zijn vrouw Karnikâ, te weten Ritadhâmâ en Jaya. (Vedabase)
Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva].
Devakî, Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ, Ilâ en nog anderen waren allemaal vrouwen van Ânakadundubhi [Vasudeva]. Van al deze vrouwen was Devakî de belangrijkste. (Vedabase)
Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî.
Vasudeva verwekte bij zijn vrouw Rohinî verschillende zonen, waaronder Bala, Gada, Sârana, Durmada, Vipula, Dhruva en Krita. (Vedabase)
Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf.
Pauravî bracht twaalf zonen ter wereld, waaronder Bhûta, Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen werden door Madirâ ter wereld gebracht. Bhadrâ (Kaus'alyâ) baarde slechts één zoon, Kes'î. (Vedabase)
Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie.
Bij een van zijn andere vrouwen, Rocanâ geheten, verwekte Vasudeva nog meer zonen, zoals Hasta en Hemângada. Bij zijn vrouw Ilâ verwekte hij een aantal zonen, met Uruvalka als oudste, die allemaal vooraanstaande persoonlijkheden in de dynastie van Yadu waren. (Vedabase)
Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning.
Dhritadevâ, een van de vrouwen van Ânakadundubhi [Vasudeva], bracht een zoon met de naam Viprishthha ter wereld. De zonen van S'ântidevâ, een andere vrouw van Vasudeva, waren Pras'ama, Prasita en anderen. (Vedabase)
Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ.
Vasudeva had ook een vrouw met de naam Upadevâ, bij wie hij tien zonen kreeg, met Râjanya, Kalpa en Varsha als voornaamsten. S'rîdevâ, een van zijn andere vrouwen, schonk hem zes zonen, waaronder Vasu, Hamsa en Suvams'a. (Vedabase)
Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons.
In de schoot van Devarakshitâ verwekte Vasudeva negen zonen, met Gadâ als eerste. Vasudeva, die religie in persoon was, had ook een vrouw die Sahadevâ heette, bij wie hij acht zonen verwekte, met S'ruta en Pravara als voornaamsten. (Vedabase)
Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?
De acht zonen die door Sahadevâ ter wereld werden gebracht, zoals Pravara en S'ruta, waren volle incarnaties van de acht Vasu's op de hemelse planeten. Vasudeva verwekte ook acht hoogst gekwalificeerde zonen bij Devakî. Hiertoe behoorden Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de bestuurder en slangincarnatie. De achtste zoon was de Allerhoogste Godspersoon Zelf - Krishna. De hoogst fortuinlijke Subhadrâ, de enige dochter, was uw grootmoeder. (Vedabase)
Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7].
Wanneer de religieuze principes in verval raken en de goddeloosheid toeneemt, verschijnt de allerhoogste bestuurder, de Godspersoon S'rî Hari, uit eigen vrije wil. (Vedabase)
Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4].
O koning, o Mahârâja Parîkshit, er is geen andere reden voor het verschijnen, verdwijnen of handelen van de Heer dan Zijn persoonlijke verlangen. Als Superziel weet Hij alles. Daarom kan niets Hem beïnvloeden, zelfs de gevolgen van baatzuchtige activiteiten niet. (Vedabase)
Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24].
De Allerhoogste Godspersoon handelt door middel van Zijn materiële energie bij de schepping, instandhouding en vernietiging van deze kosmische openbaring met als enig doel om uit Zijn mededogen het levend wezen te verlossen en een eind te maken aan zijn geboorte, dood en materialistische bestaan. Op deze manier stelt Hij het levend wezen in staat om terug te keren naar huis, terug naar God. (Vedabase)
Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43].
Hoewel de demonen die de macht in handen hebben gekleed gaan als regeringsleiders, kennen ze de plicht van de regering niet. Door God's regeling binden zulke demonen, die grote militaire macht bezitten, daarom de strijd met elkaar aan, waardoor de zware last van de demonen op aarde afneemt. De demonen breiden hun militaire macht uit door de wil van de Allerhoogste, opdat hun aantal zal slinken en de toegewijden de kans krijgen om vooruitgang te maken in het Krishna-bewustzijn. (Vedabase)
Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven.
De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, verrichtte in samenwerking met Sankarshana, Balarâma, activiteiten die zelfs het bevattingsvermogen van grote persoonlijkheden als Heer Brahmâ en Heer S'iva te boven gaan. [Door Krishna's regeling vond bijvoorbeeld de Slag van Kurukshetra plaats om de wereld te verlichten van de last van de vele demonen.] (Vedabase)
Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten.
Om Zijn grondeloze genade te betonen aan de toegewijden die in de toekomst in dit tijdperk van Kali geboren zouden worden, handelde de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, zodanig dat gewoon door Hem te herinneren iedereen van alle verdriet en ellende van het materiële bestaan bevrijd zou raken. [Met andere woorden: Hij handelde op zo'n manier dat alle toekomstige toegewijden die het onderricht in Krishna-bewustzijn zoals dat in de Bhagavad-gîtâ is neergelegd ter harte zouden nemen, verlicht zouden raken van de ellende van het materiële bestaan.] (Vedabase)
Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd.
Gewoon door over de heerlijkheid van de Heer te horen met gezuiverde, transcendentale oren, raken de toegewijden van de Heer onmiddellijk bevrijd van sterke materiële verlangens en de neiging om zich aan baatzuchtige activiteiten te wijden. (Vedabase)
Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht.
Bijgestaan door de nakomelingen van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena, Das'ârha, Kuru, Sriñjaya en Pându, verrichtte Heer Krishna verscheidene activiteiten. Door Zijn aangename glimlach, Zijn beminnelijke gedrag, Zijn onderricht en Zijn buitengewone spel en vermaak zoals het opheffen van de heuvel Govardhana, schonk de Heer, die verscheen in Zijn transcendentale lichaam, de hele mensheid vreugde. (Vedabase)
Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3]
Krishna's gezicht is getooid met sieraden, zoals Zijn oorringen in de vorm van haaien. Zijn oren zijn prachtig. Zijn wangen stralend en Zijn glimlachende gezicht bekoort iedereen. Heer Krishna zien is een waar festijn. Zijn gezicht en Zijn lichaam schenken iedereen die ze zien volkomen voldoening, maar de toegewijden zijn kwaad op de schepper omdat ze verstoord worden door het kortstondige knipperen van hun ogen. (Vedabase)
Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8].
De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, die bekendstaat als lîlâ-purushottama, verscheen als de zoon van Vasudeva, maar verliet Zijn vaders woning onmiddellijk om naar Vrindâvana te gaan, waar Hij Zijn liefdevolle relatie met Zijn vertrouwelijke toegewijden manifesteerde. In Vrindâvana doodde de Heer vele demonen en keerde daarna terug naar Dvârakâ, waar Hij geheel volgens de vedische principes vele huwelijken aanging met de besten van alle vrouwen en bij hen honderden zonen verwekte en offers verrichtte ter ere van Zichzelf om de principes van het gezinsleven te vestigen. (Vedabase)
Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'
Daarna schiep Heer S'rî Krishna een misverstand tussen Zijn familieleden om de last van de wereld te verlichten. Gewoon door Zijn blik vernietigde Hij alle demonische koningen op het slagveld van Kurukshetra en riep vervolgens Arjuna tot overwinnaar uit. Tenslotte onderwees Hij Uddhava in de principes van de toewijding en het transcendentale leven en keerde daarna in Zijn oorspronkelijke gedaante naar Zijn woning terug. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Bharadraja
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd