
Canto
9
Hoofdstuk 9: De Dynastie van Ams'umân
(1) S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die voor een lange tijd boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen was niet succesvol en stierf toen na verloop van tijd.(2) Zijn zoon Dilîpa was, net als zijn vader, er ook niet toe in staat en stierf eveneens ten prooi aan de tijd. Daarop was zijn zoon Bhagîratha in zijn boetedoening van de grootste verzaking. (3) Aan hem verscheen de godin [moeder Ganga] die zei: 'Zeer tevreden als ik ben zal ik uw gebeden verhoren', en aldus aangesproken zijn wens in vervulling zien gaand [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] verboog die heerser der mensen zich vol respect.
(4) [Moeder Ganga zei:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen met mij neerkomend op deze aarde? Als niemand mij opvangt zou ik het oppervlak van de aarde opensplijten, o meester der mensen, en op weg zijn naar de lagere regionen! (5) Bovendien kan ik me niet richting aarde begeven omdat - en neemt u alstublieft dit in overweging o Koning - ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zondigheid zal moeten wegwassen.'
(6) S'rî Bhagîratha zei: 'De geheiligde verzakers van de wereld die vreedzaam en deskundig naar de regels allen verlossen, zullen de zondigheid van u wegnemen, daar ze badend in uw water de Overwinning op Alle Zonde, de Heer [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15] in zich dragen. (7) De god der vernietiging, Rudra, zal uw geweld dragen daar hij van de belichaamde wezens de Superziel is in wie het gehele universum lang en breed zich ophoudt als de draden in een doek [*].'
(8) Nadat dit was gezegd was hij, de heerser, van boete met Heer S'iva; onverwijld stemde hij de Al-gunstige tevreden zodat zijne goddelijkheid waarlijk snel was behaagd, o Koning [**]. (9) 'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is, nadat hij door de koning was toegesproken, en met grote aandacht droeg hij de Ganges die zuiver is van het afspoelen van Vishnu's voeten [zie ook 5.17]. (10) Hij Bhagîratha, de heilige koning, bracht haar die het hele universum kon verlossen naar de plaats waar de as zich bevond van de lichamen van zijn voorvaderen. (11) Vooropgaand, met de snelheid van de wind zich voortbewegend in een wagen, werd hij door haar gevolgd terwijl ze alle landen zegende met haar heiligheid tot ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide. (12) Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, kon enkel de eenvoudige beroering van haar water met hun overblijfselen ze het goddelijke doen bereiken. (13) Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden al naar de hemel gingen na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding de godin aanbidden?(14) Het wonder van haar water dat hiermee beschreven is, is op zich niet zo bijzonder; ze is er van nature toe in staat de banden der gehechtheid te doorbreken omdat ze ontspringt aan de Lotusvoeten van de Eeuwige. (15) Geheiligde mensen die in geloof met hun geesten vol van aandacht zijn, vinden zuivering ondanks de moeilijkheid het op te geven met de drie geaardheden der natuur; door hen wordt de spirituele kwaliteit van het Allerhoogste terstond bereikt.
(16-17) Van Bhagîratha werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren door wie later Ayutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala kreeg hij kennis van het trainen van paarden in ruil voor de geheimen van het gokken. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma. (18) Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zonden zonder een zoon bleef, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha om een menseneter te worden [een Râkshasa].
(19) De koning zei: 'Zeg me alstublieft, als het geen geheim is, wat was de reden van de vloek van de geestelijk leraar tegen Saudâsa, deze grote ziel? Dat zou ik graag willen weten.'
(20-21) S'rî S'uka zei: 'Saudâsa ging er soms op uit om te jagen en had in het verleden een Râkshasa gedood, maar de broer die hij liet ontkomen, vervolgde hem daarna in wrake. Met kwade bedoelingen deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde de geestelijk leraar die bij hem thuis kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij klaargemaakt had. (22) Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het van binnenuit wel aanvoelend ongeschikt om te consumeren en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je voorwaar in een menseneter veranderen!' (23-24) Toen hij erachter kwam dat het te wijten was aan de Râkshasa volbracht hij, om ermee af te doen, een twaalfjarige boetedoening. Saudâsa echter had een handvol water genomen met de bedoeling zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî verbood dat. Hij morste het water potent van de [s'apa-]mantra over zijn benen waarna die heer der mensen toen in alle richtingen in de ether overal de oppervlakte van de aarde kon zien krioelen van het leven. (25) Hij kreeg de neigingen van een wildeman en een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [eens] een brahmaans echtpaar op het moment dat ze geslachtsgemeenschap hadden. (26-27) Honger lijdend greep hij de brahmaan maar zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet; in feite bent u een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî, o held; het is niets voor u om tegen het dharma te handelen. Alstublieft laat mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan. (28) O Koning, dit menselijk lichaam is van goede daden terwille van het Volledige van het Levende Wezen en zo zou, zogezegd, het doden van hem, o held, gelijk staan aan het beëindigen van alle goede kansen! (29) Hij hier is een in de Veda goed onderlegde brâhmana, die van verzaking, goed gedrag en toegerust met alle goede eigenschappen vastbesloten is het Brahman te eren, de Allerhoogste Persoonlijkheid die bekend staat als de levende Ziel van alle wezens boven wie Hij de kwaliteit is. (30) Hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, hoe kan hij, zoals het is met een zoon met zijn vader, het verdienen om door u, de beste van alle geheiligde koningen, met uw bewustzijn van de religie, o macht van de staat, te worden gedood? (31) Hij is een heilige vrij van zonden, een spreker van de Absolute Waarheid; hoe kan u vanuit uw goede zelf van waardering in de hoogste kringen, eraan denken om hem ter dood te brengen: dat zou zoiets zijn als het doden van een embryo of een koe! (32) Zonder hem kan ik zelfs niet een moment leven en ben ik als een lijk; als hij u tot voedsel moet dienen eet mij op dan in zijn plaats.'
(33) Met de vrouw, op deze manier zo deerniswekkend smekend en weeklagend als een vrouw die haar man heeft verloren, verorberde hij, Saudâsa, daar hij door de vloek ertoe was verdoemd, hem zoals een tijger dat doet met zijn prooi. (34) De brâhmana vrouw, de kuise dame, toen ze zag hoe de man, die op het punt stond haar te bevruchten, door de Râkshasa werd opgegeten, moest hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak kwaad geworden een vloek uit tegen de koning. (35) 'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die moeite deed om geslachtsgemeenschap te hebben zal u, o zondaar, onder de vloek te lijden hebben eveneens de dood te vinden als u het probeert uw zaad te lozen, o verrader der beschaving!'
(36) Na op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] te hebben vervloekt vond ze, ertoe geneigd bij hem te blijven, haar bestemming het vuur binnengaand dat oplaaide uit de botten van haar echtgenoot. (37) Toen na twaalf jaar Saudâsa bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om sex met zijn vrouw te hebben werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde. (38) Zodoende moest hij van toen af aan ervan afzien met zijn vrouw gelukkig te zijn en bleef hij door het lot zonder een zoon. Vasishthha werd het toen toegestaan een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw. (39) Zij droeg waarachtig het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot het niet ter wereld brengend, maar met het slaan van een steen tegen haar onderbuik was er een zoon van haar die om die reden As'maka ['van ons'] werd genoemd. (40) Van As'maka werd Bâlika geboren. Dit kind werd beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [als 'Nârîkavaca']. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [daar Heer Paras'urâma ze allen ter dood had gebracht] werd hij Mûlaka ['ontsprongen uit'], hij die alle kshatriya's voortbracht. (41) Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de beroemde koning Vis'vasaha die Khathvânga voortbracht die keizer werd. (42-43) Hij, zeer verwoed, doodde op verzoek van de goddelijken de Daitya's op het slagveld en fixeerde toen hij huiswaarts keerde, wetend dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest met het bidden van: 'Noch de aarde, mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote; noch mijn zoons en dochters, mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de goddelijken van de brahmaanse gemeenschap gerespecteerd in mijn familie [***]. (44) Zelfs niet als kind voelde ik me aangetrokken tot of genoot ik van het areligieuze, noch heb ik er ooit iets in gezien om iets anders als zijnde van enige waarde te achten dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka. (45) Door de godvrezenden werd mij de gunst toegekend te hebben wat ik ook maar verlangde maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen; al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34]. (46) Als zelfs zij, de goddelijken, in hun zinnen en geesten altijd zijn afgeleid zonder de meest geliefde Eeuwige van de Ziel te kennen die zich ophoudt in hun harten, wat kan men dan van anderen verwachten [zie B.G. 18: 55]? (47) Laat me daarom in liefdevolle dienst de gehechtheid opgeven aan de geaardheden der natuur, de zo machtige materiële heerschappij van mâyâ in door mensen tot stand gebrachte zaken welke als luchtkastelen zijn, en mezelf aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het hele universum schiep.'
(48) Aldus op een intelligente manier vastbesloten volledig in de greep van Nârâyana verkerend, gaf hij het op met alle andere zorgen die enkel maar onwetendheid zijn en vond hij zichzelf daarna in de positie van zijn oorspronkelijke liefdevolle dienst. (49) Dat wat zodanig wordt gekend als het Allerhoogste Brahman dat alle beschrijving te boven gaat is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou kunnen denken; het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva van wie de waarheidlievende mensen aan het zingen zijn [zie ook 1.2: 11].'
Tweede editie, geladen 22 december 2007.
Bronteksten:
De dynastie van Ams'umân
S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die voor een lange tijd boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen was niet succesvol en stierf toen na verloop van tijd.S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Koning Ams'umân beoefende net als zijn grootvader gedurende zeer lange tijd ascese. Niettemin slaagde hij er niet in om de Ganges naar deze materiële wereld te brengen, en na verloop van tijd stierf hij. (Vedabase)
Zijn zoon Dilîpa was, net als zijn vader, er ook niet toe in staat en stierf eveneens ten prooi aan de tijd. Daarop was zijn zoon Bhagîratha in zijn boetedoening van de grootste verzaking.
Dilîpa, Ams'umân's zoon, was evenmin in staat om de Ganges naar de materiële wereld te brengen en stierf tenslotte ook. Toen beoefende Bhagîratha, Dilîpa's zoon, zeer strenge ascese om de Ganges naar deze wereld te brengen. (Vedabase)
Aan hem verscheen de godin [moeder Ganga] die zei: 'Zeer tevreden als ik ben zal ik uw gebeden verhoren', en aldus aangesproken zijn wens in vervulling zien gaand [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] verboog die heerser der mensen zich vol respect.
Moeder Ganges verscheen toen voor koning Bhagîratha en zei: "Ik ben heel erg tevreden over uw ascese, en ik ben nu bereid om u de zegen te geven die u verlangt." Na deze woorden van Gangâdevî, moeder Ganges, boog de koning zijn hoofd voor haar en onthulde zijn verlangen. (Vedabase)
[Moeder Ganga zei:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen met mij neerkomend op deze aarde? Als niemand mij opvangt zou ik het oppervlak van de aarde opensplijten, o meester der mensen, en op weg zijn naar de lagere regionen!
Moeder Ganges antwoordde: Wanneer ik vanuit de hemel op de planeet aarde val, zal mijn water ongetwijfeld met grote kracht neerkomen. Wie zal die kracht breken? Als ik niet in mijn val gebroken wordt, zal ik door het aardoppervlak heenboren en in Rasâtala terechtkomen, de Pâtâla-regionen van het universum. (Vedabase)
Bovendien kan ik me niet richting aarde begeven omdat - en neemt u alstublieft dit in overweging o Koning - ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zondigheid zal moeten wegwassen.'
O koning, ik wil niet naar de planeet aarde komen, want alle mensen daar zullen zich in mijn water komen baden om gelouterd te worden van de reacties op hun zondige activiteiten. Als al deze gevolgen van zonden zich in mij ophopen, hoe zal ik er dan van verlost worden? Dit dient u zeer zorgvuldig in overweging te nemen. (Vedabase)
S'rî Bhagîratha zei: 'De geheiligde verzakers van de wereld die vreedzaam en deskundig naar de regels allen verlossen, zullen de zondigheid van u wegnemen, daar ze badend in uw water de Overwinning op Alle Zonde, de Heer [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15] in zich dragen.
Bhagîratha zei: Zij die heilig zijn geworden door het beoefenen van toegewijde dienst en zich daardoor in de onthechte levensorde bevinden, vrij van materiële verlangens, en die zuivere toegewijden zijn, deskundig in het volgen van de regels en bepalingen van de Veda's, zijn altijd glorieus en zuiver in hun gedrag en in staat om alle gevallen zielen te verlossen. Wanneer zulke zuivere toegewijden in uw water baden, zullen de zondige reacties die andere mensen hebben achtergelaten ongetwijfeld tenietgedaan worden, want zulke toegewijden dragen de Allerhoogste Godspersoon, die alle gevolgen van zondige activiteiten teniet kan doen, altijd in hun hart. (Vedabase)
De god der vernietiging, Rudra, zal uw geweld dragen daar hij van de belichaamde wezens de Superziel is in wie het gehele universum lang en breed zich ophoudt als de draden in een doek. [*]
Zoals een geweven doek bestaat uit draden die in de lengte en de breedte lopen, zo rust dit hele universum, in heel zijn lengte en breedte, op de verschillende vermogens van de Allerhoogste Godspersoon. Heer S'iva, als incarnatie van de Heer, vertegenwoordigt de Superziel van de belichaamde ziel. Hij kan uw krachtige golven op zijn hoofd dragen. (Vedabase)
Nadat dit was gezegd was hij, de heerser, van boete met Heer S'iva; onverwijld stemde hij de Al-gunstige tevreden zodat zijne goddelijkheid waarlijk snel was behaagd, o Koning [**].
Na dit te hebben gezegd, stelde Bhagîratha Heer S'iva tevreden door ascese te beoefenen. O koning Parîkshit, Heer S'iva was erg snel voldaan over Bhagîratha. (Vedabase)
'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is, nadat hij door de koning was toegesproken, en met grote aandacht droeg hij de Ganges die zuiver is van het afspoelen van Vishnu's voeten [zie ook 5.17].
Toen koning Bhagîratha Heer S'iva benaderde en hem verzocht om de krachtige golven van de Ganges op te vangen, nam Heer S'iva zijn voorstel aan met de woorden: "Het zij zo." Toen liet hij de Ganges met grote aandacht op zijn hoofd neerkomen, daar dit water een louterende werking heeft omdat het aan de tenen van Heer Vishnu ontspringt. (Vedabase)
Hij Bhagîratha, de heilige koning, bracht haar die het hele universum kon verlossen naar de plaats waar de as zich bevond van de lichamen van zijn voorvaderen.
De grote en heilige koning Bhagîratha bracht de Ganges, die alle gevallen zielen kan verlossen, naar de plaats op aarde waar de verkoolde lichamen van zijn voorvaderen lagen. (Vedabase)
Vooropgaand, met de snelheid van de wind zich voortbewegend in een wagen, werd hij door haar gevolgd terwijl ze alle landen zegende met haar heiligheid tot ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide.
Bhagîratha besteeg een snelle strijdwagen en reed voor moeder Ganges uit, die terwijl ze hem volgde vele landen louterde, tot ze de as van Bhagîratha's voorvaderen, de zonen van Sagara, bereikten, die op deze manier met Gangeswater besprenkeld werden. (Vedabase)
Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, kon enkel de eenvoudige beroering van haar water met hun overblijfselen ze het goddelijke doen bereiken.
Omdat de zonen van Sagara Mahârâja een grote persoonlijkheid beledigd hadden, was hun lichaamswarmte zodanig toegenomen dat ze verkoold waren. Maar gewoon doordat ze met Gangeswater besprenkeld waren, kwamen ze er allemaal voor in aanmerking om naar de hemelse planten te gaan. Wat valt er dan nog te zeggen van degenen die het water van moeder Ganges gebruiken om haar te vereren? (Vedabase)
Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden al naar de hemel gingen na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding de godin aanbidden?
Gewoon doordat het water van de Ganges in aanraking kwam met de as van hun verkoolde lichamen, werden de zonen van Sagara Mahârâja naar de hemelse planeten bevorderd. Wat valt er dan nog te zeggen van een toegewijde die de gelofte aflegt om moeder Ganges vol geloof en vastberadenheid te vereren? De baat die zo'n toegewijde daarbij heeft valt nauwelijks voor te stellen. (Vedabase)
Het wonder van haar water dat hiermee beschreven is, is op zich niet zo bijzonder; ze is er van nature toe in staat de banden der gehechtheid te doorbreken omdat ze ontspringt aan de Lotusvoeten van de Eeuwige.
Omdat moeder Ganges aan de lotusteen van de Allerhoogste Godspersoon, Anantadeva, ontspringt, is zij in staat om iemand uit zijn gevangenschap in de materie te bevrijden. Daarom is hetgeen er hier over haar verteld is niets buitengewoons. (Vedabase)
Geheiligde mensen die in geloof met hun geesten vol van aandacht zijn, vinden zuivering ondanks de moeilijkheid het op te geven met de drie geaardheden der natuur; door hen wordt de spirituele kwaliteit van het Allerhoogste terstond bereikt.
Grote wijzen, die volkomen vrij zijn van materiële wellust, wijden hun geest volledig aan het dienen van de Heer. Zulke personen raken moeiteloos uit de materiële gebondenheid bevrijd en bereiken het transcendentale niveau, waar ze de geestelijke natuur van de Heer krijgen. Dat is de heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Van Bhagîratha werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren door wie later Ayutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala kreeg hij kennis van het trainen van paarden in ruil voor de geheimen van het gokken. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma.
Bhagîratha had een zoon die S'ruta heette, die op zijn beurt een zoon had met de naam Nâbha. Deze Nâbha is niet dezelfde Nâbha die hiervoor beschreven is. Nâbha had een zoon met de naam Sindhudvîpa, Sindhudvîpa werd de vader van Ayutâyu en diens zoon was Ritûparna, die een vriend van Nalarâja werd. Ritûparna leerde Nalarâja de kunst van het gokken en Nalarâja gaf op zijn beurt Ritûparna les in het dresseren en houden van paarden. Ritûparna's zoon heette Sarvakâma. (Vedabase)
Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zonden zonder een zoon bleef, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha om een menseneter te worden [een Râkshasa].
Sarvakâma had een zoon met de naam Sudâsa, en diens zoon Saudâsa was de echtgenoot van Damayantî. Deze Saudâsa wordt soms ook wel Mitrasaha of Kalmâshapâda genoemd. Mitrasaha kreeg door zijn eigen schuld geen zonen en werd door Vasishthha vervloekt om een menseneter [Râkshasa] te worden. (Vedabase)
De koning zei: 'Zeg me alstublieft, als het geen geheim is, wat was de reden van de vloek van de geestelijk leraar tegen Saudâsa, deze grote ziel? Dat zou ik graag willen weten.'
Koning Parîkshit zei: O S'ukadeva Gosvâmî, waarom vervloekte Vasishthha, de geestelijk leraar van Saudâsa, die grote ziel? Ik wens hier iets over te vernemen. Wees zo goed het me te beschrijven, als het tenminste niet al te vertrouwelijk is. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Saudâsa ging er soms op uit om te jagen en had in het verleden een Râkshasa gedood, maar de broer die hij liet ontkomen, vervolgde hem daarna in wrake. Met kwade bedoelingen deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde de geestelijk leraar die bij hem thuis kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij klaargemaakt had.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Saudâsa ging eens in het woud wonen en doodde daar een menseneter [Râkshasa], maar hij schonk de broer van de Râkshasa vergiffenis en stelde hem in vrijheid. Die broer besloot echter om wraak te nemen. Met de bedoeling om de koning kwaad te doen, werd hij daarom kok in diens paleis. Toen op een dag de geestelijk leraar van de koning, Vasishthha Muni, uitgenodigd was voor het avondeten, zette de Râkshasa-kok hem mensenvlees voor. (Vedabase)
Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het van binnenuit wel aanvoelend ongeschikt om te consumeren en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je voorwaar in een menseneter veranderen!'
Toen Vasishthha Muni het voedsel dat hem voorgezet werd onderzocht, begreep hij dankzij zijn mystieke vermogens dat het ongeschikt was voor consumptie, aangezien het mensenvlees was. Hij was hier erg boos om en vervloekte Saudâsa onmiddellijk om een menseneter te worden. (Vedabase)
Toen hij erachter kwam dat het te wijten was aan de Râkshasa volbracht hij, om ermee af te doen, een twaalfjarige boetedoening. Saudâsa echter had een handvol water genomen met de bedoeling zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî verbood dat. Hij morste het water potent van de [s'apa-]mantra over zijn benen waarna die heer der mensen toen in alle richtingen in de ether overal de oppervlakte van de aarde kon zien krioelen van het leven.
Toen Vasishthha begreep dat het mensenvlees opgediend was door de Râkshasa en niet door de koning, deed hij twaalf jaar lang boetedoening om zich te zuiveren van het vervloeken van de onschuldige koning. Ondertussen nam koning Saudâsa wat water in zijn hand en chantte de s'apa-mantra met de bedoeling om Vasishthha te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî hield hem tegen. Toen zag de koning dat de tien richtingen, de hemel en het aardoppervlak vol waren met levende wezens. (Vedabase)
Hij kreeg de neigingen van een wildeman en een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [eens] een brahmaans echtpaar op het moment dat ze geslachtsgemeenschap hadden.
Zo kreeg Saudâsa de aard van een menseneter en er ontstond een zwarte plek op zijn been waardoor hij bekend kwam staan als Kalmâshapâda. Op een dag zag koning Kalmâshapâda een brâhmana-echtpaar seks bedrijven in het woud. (Vedabase)
Honger lijdend greep hij de brahmaan maar zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet; in feite bent u een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî, o held; het is niets voor u om tegen het dharma te handelen. Alstublieft laat mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan.
Omdat hij de mentaliteit van een Râkshasa had en bovendien gekweld werd door honger, greep koning Saudâsa de brâhmana. Daarop zei de arme vrouw, de echtgenote van de brâhmana, tot de koning: O held, u bent in werkelijkheid geen menseneter, maar een van de nakomelingen van Mahârâja Ikshvâku. U bent voorwaar een groot strijder en de echtgenoot van Madayantî. U zou zich niet op zo'n irreligieuze manier moeten gedragen. Ik wil graag een zoon hebben; geef me daarom alstublieft mijn echtgenoot terug, want hij heeft me nog niet bevrucht. (Vedabase)
O Koning, dit menselijk lichaam is van goede daden terwille van het Volledige van het Levende Wezen en zo zou, zogezegd, het doden van hem, o held, gelijk staan aan het beëindigen van alle goede kansen!
O koning, o held, dit menselijk lichaam is bedoeld voor het universele welzijn. Als u het voortijdig doodt, vernietigt u daarmee alle voordelen van het menselijk leven. (Vedabase)
Hij hier is een in de Veda goed onderlegde brâhmana, die van verzaking, goed gedrag en toegerust met alle goede eigenschappen vastbesloten is het Brahman te eren, de Allerhoogste Persoonlijkheid die bekend staat als de levende Ziel van alle wezens boven wie Hij de kwaliteit is.
Hier is een geleerde, uiterst gekwalificeerde brâhmana, die zich toelegt op het beoefenen van ascese en een groot verlangen heeft om de Allerhoogste Heer, de Superziel die in het hart van alle levende wezens woont, te vereren. (Vedabase)
Hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, hoe kan hij, zoals het is met een zoon met zijn vader, het verdienen om door u, de beste van alle geheiligde koningen, met uw bewustzijn van de religie, o macht van de staat, te worden gedood?
O heer, u bent volkomen op de hoogte van de religieuze principes. Zoals een zoon nooit door zijn vader gedood mag worden, zo dient u als koning deze brâhmana te beschermen in plaats van hem te doden. Hoe is het mogelijk dat hij het verdient om door een râjarshi als u gedood te worden? (Vedabase)
Hij is een heilige vrij van zonden, een spreker van de Absolute Waarheid; hoe kan u vanuit uw goede zelf van waardering in de hoogste kringen, eraan denken om hem ter dood te brengen: dat zou zoiets zijn als het doden van een embryo of een koe!
U bent heel bekend en u wordt zelfs in kringen van geleerde personen vereerd. Hoe durft u dan deze heilige, zondeloze brâhmana te doden, die goed onderlegd is in de vedische kennis? Hem doden zou even erg zijn als het vernietigen van een embryo in de baarmoeder of het slachten van een koe. (Vedabase)
Zonder hem kan ik zelfs niet een moment leven en ben ik als een lijk; als hij u tot voedsel moet dienen eet mij op dan in zijn plaats.'
Zonder mijn echtgenoot kan ik geen ogenblik leven. Als u mijn echtgenoot wilt opeten, kunt u beter eerst mij opeten, want zonder hem ben ik niet beter dan een lijk. (Vedabase)
Met de vrouw, op deze manier zo deerniswekkend smekend en weeklagend als een vrouw die haar man heeft verloren, verorberde hij, Saudâsa, daar hij door de vloek ertoe was verdoemd, hem zoals een tijger dat doet met zijn prooi.
Omdat koning Saudâsa door Vasishthha vervloekt was, verslond hij de brâhmana, precies zoals een tijger zijn prooi verslindt. Al sprak de vrouw van de brâhmana nog zo deerniswekkend, haar smeekbede kon Saudâsa niet beroeren. (Vedabase)
De brâhmana vrouw, de kuise dame, toen ze zag hoe de man, die op het punt stond haar te bevruchten, door de Râkshasa werd opgegeten, moest hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak kwaad geworden een vloek uit tegen de koning.
Toen de kuise vrouw van de brâhmana zag dat haar echtgenoot, die op het punt had gestaan om haar te bevruchten, door de menseneter verslonden was, werd ze overmand door verdriet. Woedend vervloekte ze de koning. (Vedabase)
'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die moeite deed om geslachtsgemeenschap te hebben zal u, o zondaar, onder de vloek te lijden hebben eveneens de dood te vinden als u het probeert uw zaad te lozen, o verrader der beschaving!'
O dwaze zondaar, omdat je mijn echtgenoot hebt opgegeten toen ik naar seks verlangde en bevrucht wilde worden, wens ik ook jou te zien sterven wanneer je je zaad in de schoot van je vrouw probeert te storten. Met andere woorden: zodra je probeert om geslachtsgemeenschap met je vrouw te hebben, zul je sterven. (Vedabase)
Na op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] te hebben vervloekt vond ze, ertoe geneigd bij hem te blijven, haar bestemming het vuur binnengaand dat oplaaide uit de botten van haar echtgenoot.
Op deze wijze vervloekte de vrouw van de brâhmana koning Saudâsa, ook bekend onder de naam Mitrasaha. Vervolgens stak ze het gebeente van haar echtgenoot in brand en uit verlangen om zich bij haar echtgenoot te voegen, stortte ze zich in het vuur en ging samen met hem naar dezelfde bestemming. (Vedabase)
Toen na twaalf jaar Saudâsa bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om sex met zijn vrouw te hebben werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde.
Toen koning Saudâsa na twaalf jaar verlost was van de vloek van Vasishthha, wilde hij geslachtsgemeenschap hebben met zijn vrouw. Maar de koningin herinnerde hem aan de vloek van de brâhmanî, en zo werd hij van geslachtsgemeenschap weerhouden. (Vedabase)
Zodoende moest hij van toen af aan ervan afzien met zijn vrouw gelukkig te zijn en bleef hij door het lot zonder een zoon. Vasishthha werd het toen toegestaan een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw.
Na deze waarschuwing gaf de koning al het toekomstige seksgenot op en kreeg zo door lotsbeschikking geen zoon. Later verwekte de grote wijze Vasishthha met toestemming van de koning een kind in de schoot van Madayantî. (Vedabase)
Zij droeg waarachtig het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot het niet ter wereld brengend, maar met het slaan van een steen tegen haar onderbuik was er een zoon van haar die om die reden As'maka ['van ons'] werd genoemd.
Madayantî droeg dit kind zeven jaar in haar schoot zonder dat ze in staat was om te bevallen. Daarom sloeg Vasishthha met een steen op haar buik, waarop het kind geboren werd. Om deze reden werd de jongen As'maka genoemd ["het kind dat geboren is uit een steen"]. (Vedabase)
Van As'maka werd Bâlika geboren. Dit kind werd beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [als 'Nârîkavaca']. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [daar Heer Paras'urâma ze allen ter dood had gebracht] werd hij Mûlaka ['ontsprongen uit'], hij die alle kshatriya's voortbracht.
As'maka werd de vader van Bâlika. Omdat Bâlika door vrouwen omringd was en daarom gespaard bleef voor de woede van Paras'urâma, stond hij bekend onder de naam Nârîkavaca ["hij die beschermd wordt door vrouwen"]. Nadat Paras'urâma alle kshatriya's vernietigd had, werd Bâlika de stamvader van nieuwe kshatriya's . Daarom werd hij Mûlaka genoemd, de wortel van de kshatriya-dynastie. (Vedabase)
Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de beroemde koning Vis'vasaha die Khathvânga voortbracht die keizer werd.
Bâlika verwekte een zoon met de naam Das'aratha, Das'aratha's zoon heette Aidavidi, en Aidavidi werd de vader van koning Vis'vasaha. De zoon van koning Vis'vasaha was de beroemde Mahârâja Khathvânga. (Vedabase)
Hij, zeer verwoed, doodde op verzoek van de goddelijken de Daitya's op het slagveld en fixeerde toen hij huiswaarts keerde, wetend dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest met het bidden van: 'Noch de aarde, mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote; noch mijn zoons en dochters, mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de goddelijken van de brahmaanse gemeenschap gerespecteerd in mijn familie [***].
Koning Khathvânga was onoverwinnelijk in ieder gevecht. Toen de halfgoden hem verzochten om hen te helpen in hun strijd tegen de demonen behaalde hij dan ook de overwinning, en omdat de halfgoden hier erg blij over waren, wilden ze hem een zegen schenken. De koning vroeg hun echter hoelang hij nog te leven had en kreeg te horen dat hij nog maar een moment over had. Daarom verliet hij onmiddellijk zijn paleis en ging terug naar zijn eigen woonplaats, waar hij zijn geest volledig op de lotusvoeten van de Heer concentreerde. Mahârâja Khathvânga dacht: Zelfs mijn eigen leven is me niet dierbaarder dan de brahmaanse cultuur en de brâhmana's, die door mijn familie vereerd worden, om dus maar te zwijgen van mijn koninkrijk, land, vrouw, kinderen en rijkdom. Er is niets dat me dierbaarder is dan de brâhmana's. (Vedabase)
Zelfs niet als kind voelde ik me aangetrokken tot of genoot ik van het areligieuze, noch heb ik er ooit iets in gezien om iets anders als zijnde van enige waarde te achten dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka.
Zelfs als kind voelde ik me nooit aangetrokken tot onbelangrijke zaken of tot irreligieuze principes. In mijn ogen was er niets belangrijker dan de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Door de godvrezenden werd mij de gunst toegekend te hebben wat ik ook maar verlangde maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen; al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34].
De halfgoden, die de drie werelden besturen, wilden me iedere zegen geven die ik maar verlangde. Ik wilde hun zegen echter niet, omdat mijn belangstelling uitgaat naar de Allerhoogste Godspersoon, die alles in deze materiële wereld geschapen heeft. Ik ben meer geïnteresseerd in de Allerhoogste Godspersoon dan in alle materiële zegeningen bij elkaar. (Vedabase)
Als zelfs zij, de goddelijken, in hun zinnen en geesten altijd zijn afgeleid zonder de meest geliefde Eeuwige van de Ziel te kennen die zich ophoudt in hun harten, wat kan men dan van anderen verwachten [zie B.G. 18: 55]?
Hoewel de halfgoden het voorrecht hebben om op de hogere planetenstelsels te wonen, zijn hun geest, zintuigen en verstand altijd vertroebeld door de materiële omstandigheden. Daarom slagen zelfs zulke verheven personen er niet in om de Allerhoogste Godspersoon die Zich eeuwig in hun hart bevindt, te realiseren. Wat valt er dan nog te zeggen van anderen, zoals de mensen, die minder begunstigd zijn? (Vedabase)
Laat me daarom in liefdevolle dienst de gehechtheid opgeven aan de geaardheden der natuur, de zo machtige materiële heerschappij van mâyâ in door mensen tot stand gebrachte zaken welke als luchtkastelen zijn, en mezelf aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het hele universum schiep.'
Daarom zou ik nu mijn gehechtheid aan zaken die geschapen zijn door de uitwendige energie van de Allerhoogste Godspersoon moeten opgeven. Ik dien mijn gedachten op de Heer te richten en me zo aan Hem over te geven. Deze materiële wereld, die geschapen is door de uitwendige energie van de Heer, is net als een illusoire stad die men op een berg of in een woud denkt waar te nemen. Iedere geconditioneerde ziel is van nature aangetrokken tot en gehecht aan materiële zaken, maar men dient deze gehechtheid gewoon te laten varen en zich over te geven aan de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Aldus op een intelligente manier vastbesloten volledig in de greep van Nârâyana verkerend, gaf hij het op met alle andere zorgen die enkel maar onwetendheid zijn en vond hij zichzelf daarna in de positie van zijn oorspronkelijke liefdevolle dienst.
Aldus gaf Mahârâja Khathvânga dankzij zijn hoge intelligentie in het dienen van de Heer, zijn valse identificatie met het lichaam op, dat een en al onwetendheid is. In zijn wezenspositie van eeuwige dienaar wijdde hij zich aan het dienen van de Heer. (Vedabase)
Dat wat zodanig wordt gekend als het Allerhoogste Brahman dat alle beschrijving te boven gaat is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou kunnen denken; het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva van wie de waarheidlievende mensen aan het zingen zijn [zie ook 1.2: 11].'
De Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, Krishna, is buitengewoon moeilijk te begrijpen voor minder intelligente mensen die denken dat Hij onpersoonlijk is, of leegte, wat Hij beslist niet is. Daarom wordt de Heer alleen begrepen en bezongen door zuivere toegewijden. (Vedabase)
*: Prabhupâda citeert: Heer S'iva wordt beschreven in de Brahma-samhitâ (5.45):
kshîram yathâ dadhi vikâra-vis'esha-yogât
sanjâyate na hi tatah prithag asti hetoh
yah s'ambhutâm api tathâ samupaiti kâryâd
govindam âdi-purusham tam aham bhajâmi"Melk verandert in yoghurt als die wordt vermengd met een yoghurt cultuur, maar eigenlijk is yoghurt in de grond niets anders dan melk. Zo ook neemt, Govinda, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de gedaante van Heer S'iva aan voor het bijzondere doel van materiële transacties. Ik biedt de voeten van Heer Govinda mijn eerbetuigingen."
**: Heer S'iva wordt ook wel Âs'utosha genoemd: snel behaagd.
***: De vaishnava geeft dagelijks uitdrukking aan zijn respect voor het brahmaanse in zijn offerandes de Heer aanbiddend met dit gebed:
namo brâhmanya-devâya
go brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah"Ik biedt de Allerhoogste Absolute waarheid, Krishna mijn eerbetuigingen aan, die de wensvervuller van de koeien en de brahmanen is zowel als van de levende wezens in het algemeen. Ik biedt telkens weer mijn eerbetuigingen aan Govinda, die de bron van vreugde is voor alle zinnen."
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van Puskar
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd