regelbalk



 

Canto 1

Jaya Rādhā Mādhava 1

 
 

Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhīshmadeva in de Aanwezigheid van Krishna

(1) Sūta zei: "Yudhishthhira, die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, om al de plichten te begrijpen, naar het slagveld waar de stervende Bhīshma op de grond lag. (2) Getrokken door de beste paarden gesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daarheen, begeleid door Vyāsa, Dhaumya [de priester van de Pāndava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden. Aldus kwam de koning heel aristocratisch over, gelijk Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Hem op de grond zien liggend als een uit de hemel gevallen halfgod, maakte hij tezamen met zijn Pāndava broers en Degene met de Werpschijf [Krishna], een buiging voor hem. (5) Al de wijzen onder de brahmanen, de godsbewusten en de adel waren daar aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien. (6-7) Parvata Muni, Nārada, Dhaumya, Vyāsadeva, Brihadas'va, Bharadvāja en Paras'urāma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshīvān, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O brahmanen, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Āngirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

(9) Bhīshmadeva, de beste onder de Vasu's, die heel goed wist hoe hij het dharma overeenkomstig tijd en omstandigheid moest aanpassen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Zijn heerlijkheid vereerde hij Krishna, de Heer van het Universum zich bevindend in het hart die Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Overweldigd door gevoelens van liefde over de samenkomst feliciteerde hij, met tranen in de ogen in staat van vervoering, de zoons van Pāndu die in stilte aan zijn zijde zaten. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen van de rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de brahmanen, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pāndu, toen jullie als de kinderen van Kuntī, zijn echtgenote, nog jong waren, had ze veel te lijden vanwege jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende halfgoden, staan onder die controle, zo goed als wolken door de wind worden meegevoerd. (15) Waarom anders zou er een dergelijk ongeluk zijn met Yudhishthhira, de zoon van de heerser van de religie, aanwezig, alsook Bhīma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gāndīva in zijn hand en onze weldoener Krishna? (16) Niemand kan Zijn plan doorgronden, o Koning, het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitvoerig onderzoek. (17) Derhalve, verzeker ik u, o [Yudhishthhira,] beste van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan Zijn wil, Zijn voorzienigheid. O heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nārāyana die de wereld verbijstert met Zijn energieėn. (19) O Koning, Heer S'iva, Nārada de goddelijke wijze en de grote Heer Kapila hebben rechtstreeks kennis van Zijn hoogst vertrouwelijke glorie [maar weten niet wat Hij van plan is]. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, maakt, met alles wat Hij doet, in Zijn bewustzijn nimmer, wanneer dan ook, een verschil, vrij als Hij is van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna zich er in mijn stervensuur om bekommert zichtbaar aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yoga-aanhangers die met Hem in hun geest toegewijd mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, na hun afscheid van de materiėle levensopvatting [hun lichaam], bevrijd raken van hun verlangen naar materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij, het pad van mijn meditaties, de vierarmige God van de Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, mij opwachten op het moment dat ik dit materiėle lichaam verlaat.' "

(25) Sūta zei: "Yudhishthhira, die dit vernam van hem die neerlag op een bed van pijlen, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhīshma beschreef voor hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door iemands karakter, alsook de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf een overzicht van de plichten van liefdadigheid, leiderschap en bevrijding, met inbegrip van een meer gedetailleerde beschrijving, en besprak tevens de plichten van de vrouw en die van de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier burgerdeugden betreffende de regulatie van] de religie, de economie, de verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit bekende geschiedenissen. (29) In de tijd dat Bhīshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de periode is waar de wijzen de voorkeur aan geven om deze wereld te verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhīshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, viel toen stil. Met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij vervolgens zijn ogen, wijd open gesperd, op Krishna, de Vierhandige Oorspronkelijke Persoon die in het geel gekleed voor hem stond. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiėle tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rī Bhīshmadeva zei: 'Bevrijd van verlangens, is mijn geest nu klaar voor de Allerhoogste Heer, de Leider van de Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die, in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde, bij tijden [in de gedaante van een avatāra] er genoegen in schept deze materiėle wereld te aanvaarden die constant in verandering is. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamālaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde, zonder materiėle bijbedoelingen, rusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rī Krishna die op het slagveld, met Zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, er genoegen in schiep Zijn beschermende wapenrok te dragen. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) De gezichten ziend van de troepen op afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking tot Zijn voeten.

(37)
Afziend van Zijn eigen belofte niet te vechten en mijn eed vervullend Hem daartoe aan te zetten, kwam Hij van Zijn strijdwagen af, pakte Hij het wiel ervan op en stormde Hij - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af als een leeuw die een olifant wil doden. (38) Gewond door de scherpe pijlen van de agressor die ik was en met Zijn wapenrusting kapot, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in een woedende stemming in mijn richting om me te doden. Moge de Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien, alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke vorm [van dienstbaarheid] realiseerden. (40) Kijkend naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn allerhoogst gestemde, fascinerende handelingen en zoete, liefdevolle glimlachen, ervoeren de gopī's van Vrajadhāma [het dorp van Krishna's jeugd] die Hem waanzinnig in extase nadeden, Zijn aard. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Rājasūya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de [Allerhoogste] Ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid te hebben ervaren van het bevrijd zijn van de misvattingen van de dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die, zich als de Superziel bevindend in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

(43) Sūta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op enkel Krishna gefixeerd, werd hij stil en stopte hij met ademhalen na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Begrijpend dat Bhīshmadeva was opgegaan in het Allerhoogste Onbegrensde Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden. (46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren met [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Krishna, keerden toen, met Hem in hun hart gesloten, terug naar hun hermitages. (48) Yudhishthhira ging samen met Krishna naar Hastināpura en troostte zijn oom [Dhritarāshthra] en ascetische tante Ghāndhārī. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Vāsudeva heerste hij daarna over het koninkrijk, getrouw het dharma en de grootheid van zijn vader [Pāndu] en voorvaderen."


Lees de inspiratie bij dit hoofdstuk door Anand Aadhar.

 

                       

 
Derde herziene editie, geladen 2 maart 2016.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links: 

Tekst 1

Sūta zei: "Yudhishthhira, die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, om al de plichten te begrijpen, naar het slagveld waar de stervende Bhīshma op de grond lag.

Sūta zei: "In angst verkerende vanwege het feit dat hij mensen gedood had, ging Yudhishthhira daarna, ter wille van het volledig besef van de religieuze plicht, naar het slagveld, waar hij de stervende Bhīshma neerliggend aantrof. (Vedabase)

 

Tekst 2

Getrokken door de beste paarden gesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daarheen, begeleid door Vyāsa, Dhaumya [de priester van de Pāndava's] en andere rishi's.

Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daar, begeleid door Vyāsa, Dhaumya [de priester van de Pāndava's] en andere rishi's. (Vedabase

 

Tekst 3

Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden. Aldus kwam de koning heel aristocratisch over, gelijk Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders.

De Allerhoogste Heer volgde hem ook met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] en zijn begeleiders. (Vedabase)

 

Tekst 4

Hem op de grond zien liggend als een uit de hemel gevallen halfgod, maakte hij tezamen met zijn Pāndava broers en Degene met de Werpschijf [Krishna], een buiging voor hem.

Toen ze Bhīshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond liggend aantroffen, bogen Yudhishthhira tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, zich voor hem neer. (Vedabase)

 

Tekst 5

Al de wijzen onder de brahmanen, de godsbewusten en de adel waren daar aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien.

Daar waren de wijzen der goedheid onder de geschoolden, samen met de goddelijken en de koningen aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien. (Vedabase)

 

Tekst 6-7

Parvata Muni, Nārada, Dhaumya, Vyāsadeva, Brihadas'va, Bharadvāja en Paras'urāma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshīvān, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen.

Parvata Muni, Nārada, Dhaumya, Heer Vyāsa, Brihadas'va, Bharadvāja en Paras'urāma waren daar met hun discipelen als ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshīvān, Gautama, Atri en Kaus'ika zowel als Sudars'ana. (Vedabase)

 

Tekst 8

O brahmanen, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Āngirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Āngirasa arriveerden daar begeleid door hun discipelen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Bhīshmadeva, de beste onder de Vasu's, die heel goed wist hoe hij het dharma overeenkomstig tijd en omstandigheid moest aanpassen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld.

Bhīshmadeva, de beste onder de Vasu's, goed wetende hoe zich religieus te gedragen naar tijd en omstandigheden, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld.(Vedabase)

 

Tekst 10

Op de hoogte van Zijn heerlijkheid vereerde hij Krishna, de Heer van het Universum zich bevindend in het hart die Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen.

Van Zijn heerlijkheid op de hoogte verwelkomde hij ook in aanbidding Heer Krishna, de Heer van het Universum die, gezeten in ieders hart, Zijn gedaante manifesteert middels Zijn innerlijk vermogen. (Vedabase)


Tekst 11

Overweldigd door gevoelens van liefde over de samenkomst feliciteerde hij, met tranen in de ogen in staat van vervoering, de zoons van Pāndu die in stilte aan zijn zijde zaten.

Toen hij de zoons van Pāndu in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhīshma hen hartelijk. In staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst stonden hem daarbij de tranen in de ogen. (Vedabase)


Tekst 12

Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen van de rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de brahmanen, de religie en de Onfeilbare.

Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, geweest een leven vol van leed te hebben gehad dat jullie nooit verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (Vedabase)

 

Tekst 13

Na de dood van de grote veldheer Pāndu, toen jullie als de kinderen van Kuntī, zijn echtgenote, nog jong waren, had ze veel te lijden vanwege jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid.

Na de dood van de grote veldheer Pāndu, had Kuntī, mijn schoondochter, die jonge kinderen had, veel te lijden en dat zette zich voort als gevolg van wat jullie allemaal deden, zelfs toen de jongens waren opgegroeid. (Vedabase)

 

Tekst 14

Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende halfgoden, staan onder die controle, zo goed als wolken door de wind worden meegevoerd.

Al het onaangename, denk ik, is aan de Tijd toe te schrijven, daar jullie ook, zoals de hele wereld met zijn heersende goden, onder de controle ervan staan zoals de wolken worden meegevoerd door de wind. (Vedabase)

 

Tekst 15

Waarom anders zou er een dergelijk ongeluk zijn met Yudhishthhira, de zoon van de heerser van de religie, aanwezig, alsook Bhīma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gāndīva in zijn hand en onze weldoener Krishna?

Hoe kon het ongeluk er ook anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhīma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gāndīva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (Vedabase)

 

Tekst 16

Niemand kan Zijn plan doorgronden, o Koning, het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitvoerig onderzoek.

Van dit plan heeft niemand weet, 0 Koning; zelfs grote filosofen verwikkeld in uitputtende onderzoekingen zijn voorzeker verbijsterd. (Vedabase)

 

Tekst 17

Derhalve, verzeker ik u, o [Yudhishthhira,] beste van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan Zijn wil, Zijn voorzienigheid. O heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester.

Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid;, o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (Vedabase)

 

Tekst 18

Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nārāyana die de wereld verbijstert met Zijn energieėn.

Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nārāyana die een ieder verbijstert door Zijn energieėn. (Vedabase)

 

Tekst 19

O Koning, Heer S'iva, Nārada de goddelijke wijze en de grote Heer Kapila hebben rechtstreeks kennis van Zijn hoogst vertrouwelijke glorie [maar weten niet wat Hij van plan is].

O Koning, het zijn Heer S'iva, de wijze onder de goden Nārada en de grote Heer Kapila die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 20

Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner.

Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (Vedabase)

 

Tekst 21

Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, maakt, met alles wat Hij doet, in Zijn bewustzijn nimmer, wanneer dan ook, een verschil, vrij als Hij is van welke voorkeur ook.

Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is, die vanuit het Absolute zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van onderscheid op ieder moment en in alles wat Hij doet, vrij van welke voorkeur ook. (Vedabase)

 

Tekst 22

Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna zich er in mijn stervensuur om bekommert zichtbaar aan mijn zijde aanwezig te zijn.

Niettemin, hoe onveranderlijk Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (Vedabase)

 

Tekst 23

Die yoga-aanhangers die met Hem in hun geest toegewijd mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, na hun afscheid van de materiėle levensopvatting [hun lichaam], bevrijd raken van hun verlangen naar materieel gemotiveerde handelingen.

Die yoga-toegewijden die in hun woorden vroom mediteren op Zijn heilige naam onder het bezingen van Zijn heerlijkheden, zullen, op het afzweren van de materiėle levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen van hun materieel gemotiveerde handelingen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Moge Hij, het pad van mijn meditaties, de vierarmige God van de Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, mij opwachten op het moment dat ik dit materiėle lichaam verlaat.' "

Moge Hij, de God der Goden, de Allerhoogste Heer, in de lijn van mijn meditatie op de vierhandige [Vishnu], mij opwachten met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, op het moment dat ik dit materiėle lichaam verlaat'." (Vedabase)

 

Tekst 25

Sūta zei: "Yudhishthhira, die dit vernam van hem die neerlag op een bed van pijlen, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen.

Sūta zei: "Yudhishthhira die dit van hem, die neerlag op een bed van pijlen, hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (Vedabase)

 

Tekst 26

Bhīshma beschreef voor hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door iemands karakter, alsook de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting.

Bhīshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe systematisch om te gaan met de symptomen van zowel gehechtheid als onthechting. (Vedabase)

 

Tekst 27

Hij gaf een overzicht van de plichten van liefdadigheid, leiderschap en bevrijding, met inbegrip van een meer gedetailleerde beschrijving, en besprak tevens de plichten van de vrouw en die van de toegewijde dienst.

Hij gaf uitleg wat betreft de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door het geven van hun indelingen en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (Vedabase)

 

Tekst 28

Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier burgerdeugden betreffende de regulatie van] de religie, de economie, de verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit bekende geschiedenissen.

De waarheid kennend, beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, daarbij citerend uit de bekende geschiedenissen. (Vedabase)

 

Tekst 29

In de tijd dat Bhīshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de periode is waar de wijzen de voorkeur aan geven om deze wereld te verlaten [zie B.G. 8: 24].

Ten tijde van het door Bhīshma beschrijven van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven voor het verlaten van deze wereld [zie B.G. 8: 24]. (Vedabase)

 

Tekst 30

Bhīshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, viel toen stil. Met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij vervolgens zijn ogen, wijd open gesperd, op Krishna, de Vierhandige Oorspronkelijke Persoon die in het geel gekleed voor hem stond.

Toen verviel Bhīshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, in stilte, en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid fixeerde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (Vedabase)

 

Tekst 31

Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiėle tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens.

Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige, kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk zijn pijn door de pijlen - en terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiėle tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen toen hij vertrok naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (Vedabase)

 

Tekst 32

S'rī Bhīshmadeva zei: 'Bevrijd van verlangens, is mijn geest nu klaar voor de Allerhoogste Heer, de Leider van de Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die, in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde, bij tijden [in de gedaante van een avatāra] er genoegen in schept deze materiėle wereld te aanvaarden die constant in verandering is.

S'rī Bhīshmadeva zei: 'Laat me, bevrijd van verlangens, mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene, die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden genoegen schept in het aanvaarden van deze materiėle wereld met zijn schepping en vernietiging. (Vedabase)

 

Tekst 33

Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamālaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde, zonder materiėle bijbedoelingen, rusten in de vriend van Arjuna.

Hij is de meest begeerlijke van de hoge, lage en tussenwerelden; grijsblauw als een tamāla-boom, draagt Hij kleding stralend als de gouden gloed van de zon; Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus - moge mijn liefde zonder materiėle bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (Vedabase)

 

Tekst 34

Laat het denken gericht zijn op S'rī Krishna die op het slagveld, met Zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, er genoegen in schiep Zijn beschermende wapenrok te dragen.

Laat het denken gericht zijn op S'rī Krishna die, met het wuivende haar op het slagveld askleurig door het stof van de hoeven, Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (Vedabase)

 

Tekst 35

Na het horen van het bevel van Zijn vriend, manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna.

Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten, en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken - moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (Vedabase)

 

Tekst 36

De gezichten ziend van de troepen op afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking tot Zijn voeten.

Met de soldaten toeziend op een afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, door een onzuivere intelligentie, weifelachtig was zijn soortgenoten te doden - laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten. (Vedabase)

 

Tekst 37

Afziend van Zijn eigen belofte niet te vechten en mijn eed vervullend Hem daartoe aan te zetten, kwam Hij van Zijn strijdwagen af, pakte Hij het wiel ervan op en stormde Hij - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af als een leeuw die een olifant wil doden.

Tegen Zijn eigen woord in kwam Hij, teneinde mijn belofte er feitelijk meer van te zijn [van geweld] te niet te doen, van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op, om, terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen, op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden. (Vedabase)  


Tekst 38

Gewond door de scherpe pijlen van de agressor die ik was en met Zijn wapenrusting kapot, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in een woedende stemming in mijn richting om me te doden. Moge de Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden.

Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, begaf Hij, besmeurd met bloed, in de woedende stemming van de grote agressor, zich in mijn richting met de bedoeling me te doden - moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (Vedabase)

 

Tekst 39

Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien, alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke vorm [van dienstbaarheid] realiseerden.

Laat me, in dit stervensuur, van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die, de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen; het was door naar Hem te kijken dat zij die in deze wereld stierven hun oorspronkelijke gedaante vonden. (Vedabase)

 

Tekst 40

Kijkend naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn allerhoogst gestemde, fascinerende handelingen en zoete, liefdevolle glimlachen, ervoeren de gopī's van Vrajadhāma [het dorp van Krishna's jeugd] die Hem waanzinnig in extase nadeden, Zijn aard.

Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopī's van Vrajadhāma [het dorp van Krishna's jeugd] in extase Hem imiterend, hun oorspronkelijke natuur. (Vedabase)

 

Tekst 41

Toen koning Yudhishthhira het [Rājasūya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de [Allerhoogste] Ziel, als het voorwerp van verering.

Bij het uitvoeren van een koninklijke offerande van koning Yudhishthhira, waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij, met mij aanwezig die Hem herkende als het voorwerp van verering, het respectvolle eerbetoon van de hele elite. (Vedabase)

 

Tekst 42

Na de verzonkenheid te hebben ervaren van het bevrijd zijn van de misvattingen van de dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die, zich als de Superziel bevindend in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

Hij, die nu hier voor mij aanwezig is, ken ik, na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, als de Ongeborene van het geconditioneerde lichaam. Het is Hij die, hoewel Eén, net als de zon, in Zijn zich bevinden in het hart van allen die zijn geschapen door Hem, vanuit vele hoeken verschillend bezien wordt." (Vedabase)

 

Tekst 43

Sūta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op enkel Krishna gefixeerd, werd hij stil en stopte hij met ademhalen na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel.

Sūta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en activiteiten aldus gefixeerd op Krishna alleen, viel hij stil en stopte hij met ademhalen, na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (Vedabase)

 

Tekst 44

Begrijpend dat Bhīshmadeva was opgegaan in het Allerhoogste Onbegrensde Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag.

Na dit alles van Bhīshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (Vedabase)

 

Tekst 45

Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden.

Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de godvruchtige koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden. (Vedabase)

 

Tekst 46

O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan.

O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], na de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht te hebben, was Yudhishthhira een ogenblik aangedaan. (Vedabase)

 

Tekst 47

De wijzen die tevreden en gelukkig waren met [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Krishna, keerden toen, met Hem in hun hart gesloten, terug naar hun hermitages.

Toen gingen de wijzen, tevreden en gelukkig door de vertrouwelijkheid van de heerlijkheden van Heer Krishna, met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (Vedabase)

 

Tekst 48

Yudhishthhira ging samen met Krishna naar Hastināpura en troostte zijn oom [Dhritarāshthra] en ascetische tante Ghāndhārī.

Koning Yudhishthhira ging tezamen met Heer Krishna naar Hastināpura om zijn oom [Dhritarāshthra] en ascetische tante Ghāndhārī te troosten. (Vedabase)

 

Tekst 49

Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Vāsudeva heerste hij daarna over het koninkrijk, getrouw het dharma en de grootheid van zijn vader [Pāndu] en voorvaderen."

Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vāsudeva volbracht hij, naar de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen zijn koninklijke verplichtingen." (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Creative Commons
              License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het copyright va
n de afbeeldingen verschilt afhankelijk van de bron.

De afbeelding van Krishna die naast Bhīshma staat die op het pijlenbed ligt is van B.K. Mitra.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties