Canto
9
Hoofdstuk 1: Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
(1) De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen over al de tijdperken van de Manu's en al de wonderbaarlijke handelingen die de Heer der Eeuwige Heldhaftigheid ten toon spreidde in die perioden. (2-3) Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de voorgaande dag van Brahmâ de geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon van dienst te zijn [de purusha]. Van u hoorde ik hoe hij daadwerkelijk als een zoon van Vivasvân [de zonnegod] aldus de Manu werd. U hebt gesproken over zijn vele zoons, de koningen aangevoerd door Ikshvâku [8.13: 1]. (4) O brahmaan, beschrijf alstublieft ieder van de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte, o hoogst fortuinlijke, daar zij staan voor het eeuwige van onze dienst aan u. (5) Alstublieft vertel ons over de wederwaardigheden van al die vrome en gevierde zielen die hebben geleefd, die in de toekomst er zullen zijn en en waar we in het heden mee leven.'
(6) S'rî Sûta zei: "Aldus in de bijeenkomst van al de volgelingen van het brahmaanse ertoe verzocht door Parîkchit gaf de meest geleerde in het dharma, de machtige S'uka een antwoord. (7) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de dynastie van Manu, o onderwerper der vijanden, zover als mogelijk besproken, omdat men er in nog geen honderd jaar mee klaar zou zijn dat uitvoerig te doen. (8) Toen de Superziel die de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon is van alle hogere en lagere levensvormen zich aan het einde van de kalpa bevond, was er buiten Hem niets van dit universum of wat dan ook te bekennen. (9) Uit Zijn navel kwam een lotus voort en op die lotus, o Koning, was er de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden [zie ook 3.8]. (10) Marîci nam geboorte uit Brahmâ's geest en van hem was er Kas'yapa die daarna in de dochter van Daksha, Aditi, Visvasvân verwekte als zijn zoon [zie ook 6.6: 38-39]. (11-12) Van hem verscheen in Samjñâ, Manu S'râddhadeva en in zijn vrouw S'râddha verwekte hij vanuit zijn zelfbeheersing tien zoons die van hem de namen Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta en Prishadhra, en Nabhaga en Kavi de machtige kregen. (13) Aanvankelijk had hij, de Manu, geen zoon maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat voor een zoon zou zorgen. (14) Maar S'râddha, Manu's echtgenote, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de diensdoende priester om een dochter. (15) Aldus verzocht voerde de ritvik de ceremonie uit, met grote aandacht met de ghee aan de slag om een begin te maken met de offerande waarbij de brahmaan de mantra vashath ['voor het Levend Wezen'] opzei.
(16) Met die overtreding van de dienstdoende priester werd een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting'] en Manu toen hij haar zag, zei toen misnoegd tot zijn goeroe: (17) 'O mijn heer, wat is dit nou, als gevolg van wat jullie volgelingen van Brahmâ hebben gedaan, is er helaas dit tegenovergestelde resultaat dat pijnlijk afwijkt van wat er naar de mantra's die werden gebruikt was te verwachten; dit had nooit mogen gebeuren! (18) Hoe kon, van de associatie der wijzen en geleerden, van u allen zo bewust van de Absolute Waarheid en zo zelfbeheerst in boetvaardigheid, met alle onzuiverheden weggebrand, er een dergelijke ongerijmdheid, zo een valsheid, zijn met wat het plan was?'
(19) Toen hij hem dat hoorde zeggen, de meest machtige, de Manu, sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod. (20) 'Ondanks dit afwijkend resultaat als gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan, ben ik ertoe in staat u te verzekeren van een fraaie zoon!'
(21) Aldus besloten, o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon om bij Ilâ een keer tot de mannelijkheid te bewerkstelligen. (22) Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Beheerser Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man genaamd Sudyumna. (23-24) Toen Sudyumna eens op jacht was in het woud, o Koning, begeleid door een gezelschap van getrouwen en rijdend op een paard uit Sindhuprades'a, ging hij noordwaarts achter de dieren aan, ter gelegenheid waarvan hij als een held was uitgerust met zijn boog en pijlen en een opvallend mooi kuras. (25) Aan de voet van de berg Meru betrad hij het Sukumâra bos alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ. (26) Daar binnengegaan zag Sudyumna, de held die allen de baas was, zichzelf inderdaad in een vrouw veranderden en zijn paard in een merrie, o heerser der mensen [zie ook 5.17: 15]. (27) Zo geschiedde het dat hij met al zijn metgezellen in het andere geslacht veranderde en toen ze elkaar op die manier aanschouwden raakten ze diep in de put.'
(28) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten of om welke reden, o machtige, vond dat plaats, hierover zou ik u graag willen zien uitwijden.'
(29) S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar in dat bos de grote heiligen op bezoek bij de Heer van de Berg, S'iva; als de besten in de eed hadden ze alle duisternis overwonnen van welke kant ook en zo kwamen ze daar dan aan. (30) Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag en snel stond ze op om haar borsten te bedekken. (31) De heiligen die zagen hoe de twee daar van de sex genoten zagen van hun voornemens af en verlieten onmiddellijk die plek om naar de âs'rama van Nara-Nârâyana te gaan. (32) Om die reden zei de machtige heer voor het genoegen van zijn lieveling: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal bijgevolg ter plekke in een vrouw veranderen!' (33) Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen gedoemd was rond te zwerven.(34) Met haar, de meest opwindende vrouw, op deze manier omringd door andere vrouwen rondhangend in de buurt van zijn âs'rama, begeerde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] het haar te genieten. (35) Zij verlangde er ook naar om hem, de mooie zoon van de koning van de maan, als echtgenoot te hebben en zodoende brachte ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ. (36) Op deze manier het tot de vrouwelijkheid hebben gebracht herinnerde Sudyumna, als een koning geboren uit Manu, zich Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, zo heb ik vernomen. (37) Toen die hem in die toestand zag was hij zeer bedroefd en de mannelijkheid verlangend begon hij vanuit zijn genade tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden. (38-39) Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna dan naar wens de wereld regeren.' (40) Met dit ingesteld verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was. (41) Van Sudyumna waren er drie zoons die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala, o Koning; zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus. (42) Daarna, toen het er de tijd voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.
Tweede editie, geladen 22 november 2007. ![]()
Bronteksten:
Koning Sudyumna wordt een vrouw
De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen over al de tijdperken van de Manu's en al de wonderbaarlijke handelingen die de Heer der Eeuwige Heldhaftigheid ten toon spreidde in die perioden.Koning Parîkshit zei: O S'ukadeva Gosvâmî, u hebt een uitgebreide beschrijving gegeven van de regeringsperiode van alle verschillende Manu's en de wonderbaarlijke activiteiten die de Allerhoogste Godspersoon, die onbegrensde vermogens heeft, verricht heeft tijdens die verschillende periodes. Ik acht mij zeer gelukkig dat ik dit allemaal van u heb mogen vernemen. (Vedabase)
Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de voorgaande dag van Brahmâ de geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon van dienst te zijn [de purusha]. Van u hoorde ik hoe hij daadwerkelijk als een zoon van Vivasvân [de zonnegod] aldus de Manu werd. U hebt gesproken over zijn vele zoons, de koningen aangevoerd door Ikshvâku [8.13: 1].
Satyavrata, de heilige koning van Dravidades'a die aan het eind van het laatste millennium door de genade van de Allerhoogste geestelijke kennis ontving, werd later, in het volgende manvantara [regeringsperiode van Manu] Vaivasvata Manu, de zoon van Vivasvân. Dit heb ik van u vernomen. Ook weet ik dat koningen als Ikshvâku zijn zonen waren, zoals u al hebt uitgelegd. (Vedabase)
O brahmaan, beschrijf alstublieft ieder van de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte, o hoogst fortuinlijke, daar zij staan voor het eeuwige van onze dienst aan u.
O zeer fortuinlijke S'ukadeva Gosvâmî, o grote brâhmana, beschrijf ons alstublieft één voor één de dynastieën en kenmerken van al die koningen, want we horen u altijd erg graag over zulke onderwerpen spreken. (Vedabase)
Alstublieft vertel ons over de wederwaardigheden van al die vrome en gevierde zielen die hebben geleefd, die in de toekomst er zullen zijn en en waar we in het heden mee leven.'
Vertel ons alstublieft over de speciale eigenschappen van alle beroemde koningen in de dynastie van Vaivasvata Manu, met inbegrip van zowel degenen die al heen zijn gegaan als degenen die nog moeten komen en degenen die op dit moment leven. (Vedabase)
S'rî Sûta zei: "Aldus in de bijeenkomst van al de volgelingen van het brahmaanse ertoe verzocht door Parîkchit gaf de meest geleerde in het dharma, de machtige S'uka een antwoord.
Sûta Gosvâmî zei: Toen S'ukadeva Gosvâmî, de grootste deskundige op het gebied van de religieuze principes, dit verzoek van Mahârâja Parîkshit in het bijzijn van alle geleerden in de vedische kennis ontvangen had, ging hij verder met spreken. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de dynastie van Manu, o onderwerper der vijanden, zover als mogelijk besproken, omdat men er in nog geen honderd jaar mee klaar zou zijn dat uitvoerig te doen.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, overwinnaar van de vijand, hoor nu tot in alle details van mij over de dynastie van Manu. Ik zal er zoveel mogelijk over vertellen, hoewel honderden jaren nog niet genoeg zijn om er alles over te zeggen. (Vedabase)
Toen de Superziel die de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon is van alle hogere en lagere levensvormen zich aan het einde van de kalpa bevond, was er buiten Hem niets van dit universum of wat dan ook te bekennen.
De transcendentale Allerhoogste Persoon, de Superziel van alle levende wezens - ; van de hoogste tot de laagste - ; bestond aan het eind van het millennium, toen noch deze geopenbaarde kosmos noch enig iets buiten Hem bestond. (Vedabase)
Uit Zijn navel kwam een lotus voort en op die lotus, o Koning, was er de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden [zie ook 3.8].
O koning Parîkshit, uit de navel van de Allerhoogste Godspersoon sproot een gouden lotus voort, waarop de vier-hoofdige Heer Brahmâ geboren werd. (Vedabase)
Marîci nam geboorte uit Brahmâ's geest en van hem was er Kas'yapa die daarna in de dochter van Daksha, Aditi, Visvasvân verwekte als zijn zoon [zie ook 6.6: 38-39].
Uit de geest van Heer Brahmâ werd Marîci geboren, en uit diens zaad werd Kas'yapa geboren als de zoon van de dochter van Daksha Mahârâja. Vervolgens bracht Aditi, de vrouw van Kas'yapa, Vivasvân ter wereld. (Vedabase)
Van hem verscheen in Samjñâ, Manu S'râddhadeva en in zijn vrouw S'râddha verwekte hij vanuit zijn zelfbeheersing tien zoons die van hem de namen Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta en Prishadhra, en Nabhaga en Kavi de machtige kregen.
O koning, beste van de Bhârata-dynastie, Vivasvân verwekte S'râddhadeva Manu bij zijn vrouw Samjñâ. Na zijn zinnen overwonnen te hebben verwekte S'râddhadeva Manu tien zonen bij zijn vrouw S'râddha. De namen van deze zonen waren Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta, Prishadhra, Nabhaga en Kavi. (Vedabase)
Aanvankelijk had hij, de Manu, geen zoon maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat voor een zoon zou zorgen.
Omdat Manu nog geen zonen had, verrichtte de grote heilige Vasishthha, die uiterst machtig was vanwege zijn geestelijke kennis, een offer voor hem om de halfgoden Mitra en Varuna tevreden te stellen. (Vedabase)
Maar S'râddha, Manu's echtgenote, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de diensdoende priester om een dochter.
Tijdens dat offer benaderde S'râddha, de vrouw van Manu, die de gelofte volgde om alleen op melk te leven, de priester die het offer verrichtte, bracht hem haar eerbetuigingen en smeekte hem om een dochter. (Vedabase)
Aldus verzocht voerde de ritvik de ceremonie uit, met grote aandacht met de ghee aan de slag om een begin te maken met de offerande waarbij de brahmaan de mantra vashath ['voor het Levend Wezen'] opzei.
Nadat de hoofdpriester hem gevraagd had: "Bied nu de offerandes aan", nam de daarvoor verantwoordelijke persoon de te offeren geklaarde boter. Op dat moment herinnerde hij zich het verzoek van Manu's vrouw, en bracht het offer onder het chanten van het woord "vashath". (Vedabase)
Met die overtreding van de dienstdoende priester werd een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting'] en Manu toen hij haar zag, zei toen misnoegd tot zijn goeroe:
Manu was dat offer begonnen om een zoon te krijgen, maar omdat de priester afgeleid was geraakt door het verzoek van Manu's vrouw, werd er een dochter met de naam Ilâ geboren. Toen Manu de dochter zag, was hij niet zo tevreden en sprak als volgt tot zijn guru, Vasishthha. (Vedabase)Tekst 17:
'O mijn heer, wat is dit nou, als gevolg van wat jullie volgelingen van Brahmâ hebben gedaan, is er helaas dit tegenovergestelde resultaat dat pijnlijk afwijkt van wat er naar de mantra's die werden gebruikt was te verwachten; dit had nooit mogen gebeuren!
O heer, u bent allen deskundig in het chanten van de vedische mantra's. Hoe kan het dan dat u het tegenovergestelde resultaat bereikt hebt van wat er beoogd was? Dit is betreurenswaardig. De vedische mantra's zouden niet zo'n tegenovergesteld resultaat mogen geven. (Vedabase)
Hoe kon, van de associatie der wijzen en geleerden, van u allen zo bewust van de Absolute Waarheid en zo zelfbeheerst in boetvaardigheid, met alle onzuiverheden weggebrand, er een dergelijke ongerijmdheid, zo een valsheid, zijn met wat het plan was?'
U bent allemaal beheerst, evenwichtig van geest en ten volle bewust van de Absolute Waarheid. Dankzij uw ascese en boetedoeningen bent u volkomen gereinigd van alle materiële besmetting. Uw woorden, net als die van de halfgoden, worden altijd bewaarheid. Hoe kan het dan dat u in uw vastberadenheid tekortgeschoten bent? (Vedabase)
Toen hij hem dat hoorde zeggen, de meest machtige, de Manu, sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod.
Na deze woorden van Manu aangehoord te hebben, begreep de zeer machtige overgrootvader Vasishthha de vergissing die de priester gemaakt had. Daarom sprak hij als volgt tot de zoon van de zonnegod. (Vedabase)
'Ondanks dit afwijkend resultaat als gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan, ben ik ertoe in staat u te verzekeren van een fraaie zoon!'
Dat het beoogde resultaat niet bereikt is, komt omdat uw priester van het oorspronkelijke doel is afgeweken. Door mijn eigen kracht zal ik u echter een goede zoon geven. (Vedabase)
Aldus besloten, o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon om bij Ilâ een keer tot de mannelijkheid te bewerkstelligen.
S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning Parîkshit, nadat de zeer vermaarde en machtige Vasishthha deze beslissing genomen had, richtte hij gebeden tot de Allerhoogste Persoon, Visnu, om Ilâ in een man te doen veranderen. (Vedabase)
Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Beheerser Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man genaamd Sudyumna.
Omdat de Allerhoogste Godspersoon, de allerhoogste bestuurder, tevreden was over Vasishthha, gaf Hij hem de verlangde zegen. Zodoende veranderde Ilâ in een zeer knappe man met de naam Sudyumna. (Vedabase)
Toen Sudyumna eens op jacht was in het woud, o Koning, begeleid door een gezelschap van getrouwen en rijdend op een paard uit Sindhuprades'a, ging hij noordwaarts achter de dieren aan, ter gelegenheid waarvan hij als een held was uitgerust met zijn boog en pijlen en een opvallend mooi kuras.
O koning Parîkshit, op een dag ging die held Sudyumna het woud in om te jagen, vergezeld door enkele ministers en metgezellen en gezeten op een uit Sindhuprades'a afkomstig paard. Hij droeg een wapenrusting en zag er erg mooi uit met zijn bogen en pijlen. Terwijl hij de dieren achtervolgde en doodde, bereikte hij het noordelijke deel van het woud. (Vedabase)
Aan de voet van de berg Meru betrad hij het Sukumâra bos alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ.
Daar in het noorden, aan de voet van de berg Meru, ligt een woud dat Sukumâra heet en waar Heer S'iva altijd geniet van het gezelschap van Umâ. Dit woud ging Sudyumna binnen. (Vedabase)
Daar binnengegaan zag Sudyumna, de held die allen de baas was, zichzelf inderdaad in een vrouw veranderden en zijn paard in een merrie, o heerser der mensen [zie ook 5.17: 15].
O koning Parîkshit, zodra Sudyumna die de kunst verstond om zijn vijanden te onderwerpen, dat woud inreed, bemerkte hij dat hij in een vrouw veranderd was, en zijn paard in een merrie. (Vedabase)
Zo geschiedde het dat hij met al zijn metgezellen in het andere geslacht veranderde en toen ze elkaar op die manier aanschouwden raakten ze diep in de put.'
Toen zijn metgezellen eveneens zagen dat ze van geslacht veranderd waren, werden ze allemaal erg somber en keken elkaar verslagen aan. (Vedabase)
De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten of om welke reden, o machtige, vond dat plaats, hierover zou ik u graag willen zien uitwijden.'
Mahârâja Parîkshit zei: O zeer machtige brâhmana, waarom had deze plek zo'n kracht en van wie was die kracht afkomstig? Wees zo goed deze vraag te beantwoorden, aangezien ik dit erg graag zou weten. (Vedabase)
S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar in dat bos de grote heiligen op bezoek bij de Heer van de Berg, S'iva; als de besten in de eed hadden ze alle duisternis overwonnen van welke kant ook en zo kwamen ze daar dan aan.
S'ukadeva Gosvâmî antwoordde: Op een dag kwamen er een aantal zeer heilige personen die de regels voor het geestelijk leven strikt volgden en wier persoonlijke uitstraling de duisternis in alle richtingen verdreef, naar dat woud om Heer S'iva te zien. (Vedabase)
Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag en snel stond ze op om haar borsten te bedekken.
Toen de godin Ambikâ de grote heiligen zag, voelde ze zich erg beschaamd omdat ze op dat moment naakt was. Ze stond onmiddellijk op van de schoot van haar echtgenoot en probeerde haar borst te bedekken. (Vedabase)
De heiligen die zagen hoe de twee daar van de sex genoten zagen van hun voornemens af en verlieten onmiddellijk die plek om naar de âs'rama van Nara-Nârâyana te gaan.
Toen ze bemerkten dat Heer S'iva en Pârvatî zich met seksuele activiteiten bezighielden, zagen al deze grote heiligen er onmiddellijk van af om verder te gaan en vertrokken naar de âs'rama van Nara-Nârâyana. (Vedabase)
Om die reden zei de machtige heer voor het genoegen van zijn lieveling: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal bijgevolg ter plekke in een vrouw veranderen!'
Om zijn vrouw een plezier te doen verklaarde Heer S'iva toen: "Iedere man die deze plek betreedt zal onmiddellijk in een vrouw veranderen!" (Vedabase)
Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen gedoemd was rond te zwerven.
Sinds die tijd had geen enkele man dat woud betreden. Nu koning Sudyumna echter in een vrouw veranderd was, zwierf hij samen met zijn metgezellen van het ene woud naar het andere. (Vedabase)
Met haar, de meest opwindende vrouw, op deze manier omringd door andere vrouwen rondhangend in de buurt van zijn âs'rama, begeerde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] het haar te genieten.
Sudyumna was veranderd in de beste der mooie vrouwen die seksuele begeerte opwekken en ze was omringd door andere vrouwen. Toen Budha, de zoon van de maan, deze aantrekkelijke vrouw in de buurt van zijn âs'rama zag ronddolen, kreeg hij onmiddellijk een sterk verlangen naar haar. (Vedabase)
Zij verlangde er ook naar om hem, de mooie zoon van de koning van de maan, als echtgenoot te hebben en zodoende brachte ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ.
De knappe jonge vrouw verlangde er ook naar om Budha, de zoon van de koning van de maan, als haar echtgenoot te hebben. Zodoende verwekte Budha een zoon bij haar met de naam Purûravâ. (Vedabase)
Op deze manier het tot de vrouwelijkheid hebben gebracht herinnerde Sudyumna, als een koning geboren uit Manu, zich Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, zo heb ik vernomen.
Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat koning Sudyumna, de zoon van Manu die op deze manier een vrouw geworden was, zich de geestelijk leraar van zijn familie herinnerde, Vasishthha genaamd. (Vedabase)
Toen die hem in die toestand zag was hij zeer bedroefd en de mannelijkheid verlangend begon hij vanuit zijn genade tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden.
Toen Vasishthha zag in wat voor betreurenswaardige situatie Sudyumna zich bevond, was hij buitengewoon bedroefd. Met het verlangen om Sudyumna zijn mannelijkheid terug te geven, vereerde Vasishthha ditmaal Heer S'ankara [S'iva]. (Vedabase)
Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna dan naar wens de wereld regeren.'
O koning Parîkshit, omdat Heer S'iva tevreden was over Vasishthha en zijn wens wilde vervullen zonder zijn belofte aan Pârvatî te verbreken, sprak hij als volgt tot de heilige: "Uw leerling Sudyumna kan de ene maand een man zijn en de volgende maand een vrouw. Op deze manier kan hij de wereld regeren zoals het hem belieft." (Vedabase)
Met dit ingesteld verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was.
Na aldus de genade van zijn geestelijk leraar te hebben ontvangen, herkreeg Sudyumna, zoals Heer S'iva beloofd had, om de maand een maand lang zijn verlangde mannelijkheid en regeerde zo het koninkrijk, hoewel dit de burgers niet zinde. (Vedabase)
Van Sudyumna waren er drie zoons die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala, o Koning; zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus.
O koning, Sudyumna had drie erg godvruchtige zonen, Utkala, Gaya en Vimala genaamd, die de koningen van Dakshinâ-patha werden. (Vedabase)
Daarna, toen het er de tijd voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.
Toen de tijd daarvoor rijp was, aangezien Sudyumna - de koning van de wereld - ; de geschikte leeftijd had bereikt, droeg hij het hele koninkrijk over aan zijn zoon Purûravâ en ging in het woud leven. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd