A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

Sa | Sh

 

S'ālva: het demonische familielid dat partij koos voor S'is'upāla en met Pradyumna vocht, maar vanwege zijn grote macht en magie werd gedood door Krishna. Hij staat erom bekend dat hij ten strijde trok met een vliegend fort genaamd Saubha (zie 10: 76-77).

S'ānti: vrede.

S'ās'vata: bestendig, kwaliteit van de ziel (gebruikt in B.G. 1.42, 2.20).

S'āstra: (gebod, voorschrift, opdracht, regel, instructie, advies, raadgeving) vedische geschriften, de geopenbaarde Schrift (zie ook Veda's). De vedische studies, de geopenbaarde instructies, de verhandelingen, de handboeken, de leringen naar de heilige geschriften van de Veda's en Upanishads (zie ook s'ruti en Veda).

S'abda: geluid (gekend als Krishna).

- Een proces van offeren van het geluid van de beheerste geest.

- Een type van pramāna, of zekere waarheid van bewijs.

- Een 'voorwerp' van de zinnen (zie vishaya).

S'abda khe: Krishna's uitspraak 'Ik ben het geluid in de ether' (B.G. 7.7).

- Ookwel ākās'anāda genoemd in 12.6: 37 (zie ook diviyam s'rotam).

- Het horen van de geluiden van alle levende wezens in the ether behoort tot de secundaire siddhi's en heet dūra s'ravana ('ver-horend'), zie 11.15: 19.

S'abda-brahman: de orale traditie, cultuur van voorschriften en rituelen die de opstap voor het Krishnabewustzijn vormen (s'abda-brahman: de Veda).

- Het spirituele, vedische, geluid dat zich manifesteert in de vitale adem, de zinnen en de geest (zie 11.21: 36 en 11.15: 19). Mystiek in zelf-realisatie en sociaal in de traditie van de persoonlijke kennisoverdracht.

- S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura legt de verdeling van s'abda als volgt uit.

- De prāna fase van het vedisch geluid, bekend als parā, bevindt zich in de ādhāra-cakra;
- de mentale fase, bekend als pas'yantī, bevindt zich in de streek van de navel, op de manipūraka-cakra;
- de intellectuele fase, bekend als madhyamā, bevindt zich in de hartstreek, in de anāhata-cakra.
- ten slotte, wordt de manifeste sensorische fase van het Vedisch geluid vaikharī genoemd (zie ook
cakra).

S'akti: kracht, energie. In drie soorten: hogere, tussen en lagere energie:

1) Antaranga-s'akti van Krishna en Zijn expansies; Zijn bovenzinnelijk vermogen.

2)Tatashta-s'akti betreffende de individuele ziel.

3) Bahiranga-s'akti: de materiėle energie.

Men spreekt bij de hogere en lagere energie ook wel van resp. Vishnu-s'akti en Mahāmāyā-s'akti.

- De negen s'akti's of vermogens van de Heer: vimalā, zuiverheid; utkarshinī, verheven staat; jńāna, kennis; kriyā, activiteit; yogā, yoga vermogens; prahvī, bescheidenheid; satyā, waarachtigheid; īs'ānā, souvereiniteit en anugrahā, genade (vermeld in 11.27: 25-26).

- Sakti, in tegenstelling tot s'akti, betekent: gehechtheid, aanhang, toewijding en verslaafd zijn aan.

S'akti-āves'a-avatāra: incarnaties met speciale volmachten, zie verder onder avatāra.

- De s'akti-āves'a-avatāra's worden verdeeld in:

(1) Vormen van goddelijke verzonkenheid (bhagavad-āves'a), zoals Kapila deva of Rishabha deva.
(2) Gedaanten met goddelijke volmacht (s'aktyāves'a), van wie er zeven op de voorgrond staan:
1 S'esha Nāga in de Vaikunthha wereld, gemachtigd dienst te verlenen aan de Allerhoogste Heer (sva-sevana-s'akti),
2
Ananta deva, gemachtigd de werelden te dragen van het universum (bhū-dhārana-s'akti),
3
Heer Brahmā, gevolmachtigd met de energie de cosmische schepping tot stand te brengen (srīshthi-s'akti),
4
Catuhsana, of de Kumāra's, speciaal gemachtigd de bovenzinnelijke kennis te verspreiden (jńāna-s'akti),
5
Nārada Muni, gemachtigd de toegewijde dienst te verbreiden (bhakti-s'akti),
6
Mahārāja Prīthu, speciaal gevolmachtigd om over de levende wezens te heersen en ze te handhaven (pālana-s'akti),
7
Paras'urāma, speciaal gevolmachtigd de schurken en demonen te vernietigen (dushtha-damana-s'akti).' (Purport CC madhya 20,246, zie ook avatāra).

- Jezus Christus wordt ook gezien als een soort van s'akti-āves'a-avatāra.

S'ambhu: heer S'iva als de weldoener, de goedgunstige.

S'amī: een kleine boom in het Nederlands bekend als 'kruidje-roer-me-niet', genaamd de Acacia Suma, of ook wel de Aapta (zie afbeelding), een soort mimosa met cremekleurige bloemen en zeer hard hout dat wordt gebruikt om vuur te maken middels wrijving. Aldus wordt Agni, of vuur, soms s'amī-garbha, ofwel 'uit de schoot van s'amī' genoemd. Soms wordt de boom aangemerkt en aanbeden als een godin, s'amī-devi.

- Komt ter sprake in de discussie van de symptomen van Kali-yuga als de boom in de richting waarvan alle andere bomen degenereren (zie 12.2: 12-16).

- De mantra 's'amī-garbhādagnim mantha' 'van binnen de s'amī wordt het vuur opgewekt' werd door Purūravā gebruikt toen hij met s'amī-hout vuur maakte toen hij op Urvas'i mediteerde (zie 9.14: 44-45).

S'ankara: heer S'iva als de brenger van voorspoed; de machtigste van de elf Rudra's, van wie de tien minder machtige overigens afstammen.

- Brenger van voorspoed, gelukbrenger, begunstiger.

- Naam van een zoon van Kas'yapa en Danu (zie ook 6.6: 27-31).

- Naam van verschillende auteurs en commentatoren, m.n. van Sankarācārya .

- Een bepaalde Rāga of muzikale stemming.

S'ankarācārya: vedāntisch filosoof en vertaler van de Gītā (leefde 788 -820 A.D., maar volgens de traditie 200 B.C.). Hij deed het brahmanisme weer opleven met het prediken van de eenheid van de ziel met Brahman; zijn toeneiging en heiligheid waren dermate in opspraak dat hij, ook wonderen verrichtend, voor een incarnatie van S'iva werd aangezien in zijn verdedigen van het onpersoonlijk aspect van Krishna's leringen. Zijn filosofie wordt vaak als het s'ankarisme gerangschikt onder de impersonalisten en samen met het voidisme van de boeddhisten bevochten door de vaishnava's als zijnde een māyāvāda bedreiging voor hun personalistische benadering en verdedigen van de klassieke orde van de Indiase samenleving. S'ankara droeg overigens zelf ook bij met zijn missie tegen het boeddhisme ter verdediging van de vedische kultuur.

- Zijn vier belangrijkste leerlingen waren Padma-pāda, Hastāmalaka, Sures'vara of Mandana, en Trothaka; een andere leerling van hem, Ānanda-giri, schreef een geschiedenis over zijn controversiėle gedragingen, genaamd de S'ankara-vijaya.

- De traditie maakt van hem de grondlegger van een van de belangrijkste Saiva (S'iva-) sekten, de Das'ana-nāmi-Dandin's ofwel 'De tien-namige bedelmonniken'.

- Hij staat bekend als de auteur van een groot aantal oorspronkelijke werken, zoals de Ātma-bodha, Ānanda-lahari, Jńāna-bodhinī, Mani-ratna-mālā; en van commentaren op de Upanishads, de Brahma-mimāmsā ofwel de V edānta-sūtra, de Bhagavad-gītā, en de Mahābhārata.

- Naam van verschillende leraren en auteurs.

S'aranya: Krishna als de Beschermer, de Toevlucht, Hij die Soelaas biedt (zie 10.66: 37).

S'arva: hij die doodt met pijlen, een naam van heer S'iva (zie 12.10: 35).

S'atarūpā: echtgenote van Svāyambhuva  Manu (zie 3.12: 54) en de moeder van Devahūti.

- Onder de dames is Krishna S'atarūpā (zie ook Mohini  Mūrti, 11.16: 25).

- Vedisch equivalent van Eva, de eerste geschapen vrouw.

Sauca (s'auca): reinheid (voor het zelfbewustzijn ook geestelijk). Onderdeel van de niyama (zie ook Vidhi). Hangt samen met het streven naar respect voor het celibaat, de oorspronkelijke persoon, de kinderziel (zie ook dāna).

S'auri: (van s'ūra, de machtige held, de sterke en s'aurya, de heldhaftigheid, het kunnen): nazaat van S'ūra (9.24: 27).

- Naam van Krishna (zie 10.32) als de zoon van de machtige man, te weten Zijn vader Vasudeva.

S'ibi: een koning beroemd om zijn beschermen van een duif die bij hem z'n toevlucht gezocht had en waarvoor hij zijn eigen vlees aan een havik te eten gaf en aldus de hemel bereikte. Geprezen in 1.12: 20 en 10.72: 21.

- S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier geboren uit Us'īnara (9.23: 3-4).

S'ikhā: plukje haar achtergelaten achter op het geschoren hoofd van mannelijke toegewijden (bij de monniken dus). Kenmerk van vaishnava toegewijden die in de tempel leven (zie ook guru-kula).

S'ikshāshthaka: acht verzen van de hand van Heer S'rī Caitanya Mahāp rabhu, die het chanten van de heilige naam van de Heer verheerlijken (zie de bhajan).

S'ila: 'van de stenen' leven, leven van het bijeenrapen van korenaren achtergelaten in het veld, vedisch in de bijstand zitten (zie ook 6.7: 36, 7.15: 30, 11.17; 41 & 43).

S'ishya: onderricht worden, instructie ontvangen (zie guru).

S'iva (ookwel gespeld als Shiva of Siva): ('de goedgunstige') halfgod, ookwel S'ankara (de brenger van voorspoed), Bhava (van het bestaan) S'ambhu (als de weldoener), Mrida (de mededogende) of Rudra (de gruwelijke), Giris'a (de heer van de berg), S'arva (hij die doodt met pijlen) en Mahā deva (de grote god) genoemd. God van de Vernietiging, heerst over de geaardheid onwetendheid. Mediteert met Pārvatī op de berg Kailasa. Ookwel de yogī van de yogī 's genoemd. Is voortgekomen uit Brahmā met méér eigenschappen dan (zie: 3.12: 7) zijn 'vader' zelf. Bekend met trommel en Japa en door zijn kosmische dans ten tijde van het einde van de schepping.

- Van Brahmā ontving hij eveneens de namen: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahan, Ritadhvaja, Ugraretā, Bhava, Kāla, Vāmadeva en Dhritavrata. Zijn elf vrouwen zijn Dhī, Dhriti, Rasalā, Umā, Niyut, Sarpi, Ilā, Ambikā, Irāvatī, Svadhā and Dīkshā are (3.12: 12-13).

- Zuivere toegewijde belast met de vernietiging van het universum aan het eind van het leven van Brahmā, zijn verwekker.

- Vals ego transformeert in geest, de tien zinnen (ogen, oren, neus, tong, huis, handen, voeten, stem, genitaliėn en anus), en vijf fysieke elementen (aarde, water vuur, lucht en ether). Heer S'iva verschijnt in een specifieke linga vorm in ieder van deze zestien substanties en kan in een van deze linga gedaanten worden aanbeden om de mystieke volheden te verkrijgen die er betrekking op hebben. Aldus verleent heer S'iva's ākās'a-linga de volheid van de ether, zijn jyotir-linga de volheid van het vuur, en zo voorts. (zie pp 10.88: 4).

- 'S'iva, die altijd verenigd is met zijn s'akti, wordt aanbeden in zijn drie manifeste guna-aspecten: de emotie (zijn sattva ), de autoriteit (zijn rajas ) en de traagheid (zijn tamas ), en is aldus (de belichaming van) het drievoudige van het ego (10.88: 3).

S'is'upāla: heerser van Cedi, tegenstander van Krishna, zijn aartsvijand die het hield met Jarāsandha en Rukmī, uiteindelijk onthoofd door Zijn cakra. Is één van de drie demonische incarnaties van Jaya, de gevallen poortwachter van Vaikunthha. Krishna kaapte Rukminī, Zijn eerste vrouw weg voor zijn neus voordat hij met haar kon trouwen (zie 10.53).

S'is'umāra-cakra: ('dolfijn-schijf'): de sterrenhemel die Vāsudeva wordt genoemd omdat men vanaf de aarde Krishna daarmee rechtstreeks kan waarnemen in de vorm van de cosmische, galactische tijd ofwel de melkweg in de vorm van een dolfijn (zie afbeelding).

- Ookwel de lotus van de schepping, het ontvouwde universum, waaruit Brahmā voortkomt, ontsprongen aan de navel van Vishnu.

- Naam voor het onpersoonlijk tijds-aspect van Krishna (zie ook kāla en cakra).

- Er is ook een mantra genaamd S'is'umāra: 'Onze eerbetuigingen aan deze rustplaats van al de lichtende werelden, aan de meester van de halfgoden, de Grote Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd, op wie wij mediteren' (zie 5.23: 8).

S'ivānanda Sena: grote grihastha-toegewijde van Heer S'rī Caitanya Mahāprabhu.

S'loka: Sanskriet vers.

S'ravana: luisteren, vernemen over de Heer; de eerste van de negen fasen van toegewijde dienst (zie verder Bhāgavata dharma).

S'raddhā: geloof; opvatten van sympathie voor de bezigheid en de sfeer van de toegewijde dienst; vertrouwen (zie bhāva).

S'rāddha: ritueel dat gehouden wordt ten bate van de overleden voorouders.

S'rāddhadeva: Satyavrata, de huidige Manu.

S'ravanam kīrtanam vishnoh: de toegewijde weg van het luisteren naar onderricht en verhalen over Heer Vishnu en het verheerlijken van Zijn roem (zie Bhāgavata dharma).

S'rī: Heer.

- Het mooiste.

- Een naam voor de Godin van het geluk (zie ook Lakshmī)

S'rīdhara Svāmī: Vaishnava ācārya in de lijn van Vishnu Svāmī (zie paramparā).

- De schrijver van het oudst bestaande vaishnava-commentaar op het S'rīmad Bhāgavatam en de Bhagavad Gītā.

S'rīmad Bhāgavatam (Bhāgavata Purāna): het mooiste over Hem die fortuinlijk is. De Krishna-'Bijbel', gesproken door S'ukadeva  Gosvāmī, de zoon van Vyāsa deva die het verhaal van Krishna vastlegde. In dit boek van ca. 18.000 verzen, deze verzameling van klassieke verhalen, wordt alles en iedereen van belang voor de bhakti-yoga beschreven alsmede het gehele leven van Heer Krishna en andere avatāra's van Vishnu. Als een compendium van vedische kennis, bevat het beknopt de strekking van de vedische geschriften (ga naar het S'rīmad Bhāgavatam op het internet).

- Belangrijkste van de achttien purāna's ookwel de paramahamsa samhitā genoemd (zie samhitā).

- Een van de zes Vishnu -purāna's.

S'rīmate Rādhārānī: jeugdvriendinnetje van Krishna. Belangrijkste gopī. Aanbeden als Krishna's eeuwige plezier-vermogen. Heer Caitanya's belangrijkste inleving in de bhakti (zie ook Rādhārānī ).

S'rīvatsa: een teken op de borst van Heer Krishna bestaande uit drie grijze haren.

- Een merkteken beschreven door de vaishnava-toshanī als bestaande uit een krul van fijn blond haar aan de bovenzijde van de rechter kant van Heer Vishnu's borst. Dit kenmerk geldt niet voor gewone toegewijden. Het is een bijzonder kenmerk van Vishnu of Krishna.

S'ringāra: één van de vijf direkte of primaire rasa's of manifestaties van liefde die als de hoofdrasa's gelden: de amoureuze die men echtelijk mādhurya onderscheid in svakhya, volwassen en parakhya, jeugdig.

S'ringi: de naam van de zoon van rishi S'amīka die wraak nam voor zijn vader, beledigd door keizer Parīkchit, met de vloek dat de keizer na zeven dagen zou sterven aan de beet van een slangevogel (zie 1.18: 24-46).

S'rota: een manier van offeren van geluid door passief luisteren. Staat tegenover s'abda: het offeren van het geluid van de beheerste geest; mantra en bhajan (zie apaurusha en divyam s'rotam).

S'ruti: dat wat gehoord wordt; het gesproken woord; heeft betrekking op de mondelinge overlevering van vedische kennis (zie ook smriti).

- Schriften welke rechtstreeks van God Zelf ontvangen zijn, de Veda's en Upanishads, anders dan het geval is met de smriti.

S'ūdra: laaggeborene, arbeider, kameraad, vriend (zie varna).

- Arbeiders, handwerkslieden en artiesten, die de leden van de drie andere varna's diensten verlenen. 

S'ūdrānī: s'ūdra-vrouw.

S'uka: papegaai. Genoemd als eigenschap van toegewijden die strikt in navolging leven en spreken, improviseren en zelf - realiseren in navolging van de s'astra's (zie anukarana en anusarana)

S'ukadeva Gosvāmī: de naam van de eerste geestelijk leraar, de ācārya, die het S'rī mad Bhāgavatam, het verhaal van Krishna sprak voor Mahārāja  Parīkchit. De toegewijden van Krishna volgen hem hierin allemaal na. Hij is de Zoon van Vyāsa deva die het Bhāgavatam gestimuleerd door Nārada Muni op schrift stelde.

S'ukrācārya: ('de oorspronkelijke leraar'), een 'zoon van Bhrigu', een wijze, de geestelijk leraar van de asura's ookwel Kavi Bhārgava of Us'anā genaamd, een identiteit van Krishna; een nazaat van de wijze Mārkandeya (4.1: 45).

- Koning Yayāti huwde een dochter van S'ukrācārya genaamd Devayānī uit wie Yadu werd geboren, de grondlegger van de Yadu-dynastie waar Heer Krishna toe behoorde (9.18: 4).

- Schonk een schelphoorn toen Bali weer tot leven werd gewekt nadat hij was verslagen door Indra (8.15: 6).

- Vervloekte Bali vanwege zijn ongehoorzaamheid zodat hij al zijn land aan Heer Vāmanadeva kwijt raakte (zie 8.20: 15).

- S'ukra excuseerde later Bali voor zijn onvolkomenheden (zie 8.23: 15).

- Hij had twee zoons Shanda en Amarka die probeerden Prahlāda op te voeden, maar mislukten erin hem uit zijn liefde voor Vishnu te praten (7.8: 2).

S'vetāsvatara Upanishad: zie Upanisads.

S'vetadvīpa: het witte eiland in de melk-oceaan van heer Vishnu die daar heerst in de gedaante van de Allerhoogste Heer Aniruddha, de Heer van de Geest (S.B. 8.4: 17-24).

 S'yāmasundara: naam van Krishna als 'mooi met Zijn donkere huid'.

  - Schoonheid van de grijze huid. De verheven gedaante van Krishna als jongeling in Vrindāvana, bekend met de pauweveer, fluit en gele dhoti.

Shad-bhuja: de volgelingen van Caitanya  Mahāprabhu aanbidden Hem ook in Zijn zes-armige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyāsī  Caitanya  Mahāprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rī Rāmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van vers 11.5: 34 (zie daar ook voor een afbeelding).

Shath-guna: de zes kwaliteiten van een materieel bestaan: honger, dorst, treurnis, ouderdom, illusie en de dood (zie volgende woord).

Shath-ūrmi: de zes vormen van materiėle ellende, de zes 'golven' van de oceaan van de materie: honger, dorst, verval, dood, verdriet en illusie. Ookwel gekend als de vier vormen van misčre: geboorte, ziekte, ouderdom en dood (zie shath-guna).

Shath-varga: de zes vijanden met de zes zintuigen (de vijf plus de geest) van de lust, de woede, de begeerte, de gekte, de bedwelming en de afgunst (zie 11.26: 24) ookwel de zes plunderaars genoemd, shath dasyūn (in 7.8: 10).

Siddhaloka: de plaats voorbij de drie belangrijkste loka 's waarvan men niet terugkeert, waar de vervolmaakten heen gaan (zie ook also v a ikunthha).

- De wereld van de gezegenden (M.W.).

Siddha's: soort van mensen, de vervolmaakten, zij die perfect zijn, de zelfgerealiseerden, de zieners, de waarheidsprekers, de heiligen, zij van toverkunsten of zij die zijn uitgerust met bovennatuurlijke krachten.

Siddhānta: de slotconclusie van de Veda's dat realisatie van de svarūpa in relatie van dienstbaarheid tot Krishna het Krishnabewustzijn van eenheid in verscheidenheid geeft ofwel het herkennen van de Godspersoon in de (materiėle) wereld. (zie ook nyāyika, vedānta en acinthya-bheda-abheda-tattva, en B.G. 9: 15).

- Het feit van de schepping die er niet werkelijk is, van Zijn ware eenheid in de begoochelende tijdelijke werkelijkhied, van Zijn gelijktijdig één en verschillend zijn, wordt besproken in hoofdstuk 11.28 en in 12.4: 23-24.

Siddhi's: yoga perfecties, mystieke vermogens, geestelijke verworvenheden die een belemmering in de zelfrealisatie kunnen vormen. Er zijn acht hoofdsiddhi's:

1 Het vermogen zich met het kleinste (animā),
2 grootste (mahimā),
3 zwaarste (garimā)
4 en lichtste (laghimā) te kunnen identificeren, en
5 op eigen wens handelend (prākāmyam)
6 overal toegang toe hebbend (prāpti),
7 de krachten in gang te zetten (vas'itva)
8 en de overhand te hebben (īs'itvam).

(zie ook kaivalya en bhāgavata dharma en S.B. 5.6: 1 over de belemmering die ze kunnen vormen of S.B.: 9.4: 24-25, 11: 15, 11.28: 42-43 , 11:14 14 voor hun niet van belang zijn voor de toegewijden).

- Er is ook prake van de siddhi van het beantwoorden aan welk verlangen ook dat Zijn gunst verlangt: de kāmāvasāyitā siddhi als nummer acht, waarbij de garimā met de laghimā siddhi wordt samengenomen als zijnde laghimā (zie 11.15: 4-5).

- Er zijn acht hoofdsiddhi's, zoals hierboven vermeld, tien secundaire siddhi's, en vijf siddhi's specifiek voor het zich concentreren in de yoga (zie 11.15: 4-6 ).
De tien secundaire siddhi's:

1 Om in dit lichaam niet te worden geplaagd door honger en dorst en dergelijke,
2 om dingen ver weg te zien en
3 om dingen ver weg te horen,
4 om met de snelheid van de geest zich te verplaatsen,
5 om naar believen iedere willekeurige vorm aan te nemen,
6 om de lichamen van anderen binnen te gaan,
7 te sterven bij wilsbesluit,
8 getuige te zijn van het spel [van de meisjes van de hemel] met de goden,
9 om naar eigen besluit van volmaakt succes te zijn,
10 en om zijn wilsuiting ongehinderd nageleefd te krijgen.

De vijf siddhi's van concentratie in yoga zijn:

1 Kennis te hebben van het verleden, het heden en de toekomst,
2 om vrij te zijn van de dualiteiten,
3 weet te hebben van wat anderen denken,
4 om de werking van het vuur, de zon, het water, vergif enzovoorts te stoppen
5 en niet door anderen overweldigd te zijn.

Sītā: de echtgenote van Rāma waar het in de Ramāyana allemaal om draait: ze werd ontvoerd door de demon Rāvana. Ook Janakī, als de dochter van Janaka genoemd. Ze werd Sītā of 'voor' genoemd omdat naar verluid ze uit een voor in de aarde was geboren die door Janaka tijdens het ploegen was gemaakt om de aarde voor te bereiden op een offer door hem ingesteld om nageslacht te krijgen, vandaar haar bijnaam Ayoni-ja, "niet uit de baarmoeder geboren". (sita, zonder streepjes betekent ook het heldere van het maanlicht, blank, licht, gebonden en verbonden, terwijl het candra van Rāmacandra slaat op de maan).

Skanda: (alles wat springt of hupt, krekel; spuiten, uitstromen, voortvloeien, overstromen, morsen, vergieten; ten onder gaan, vernietiging; kwikzilver) de 'Aanvaller', de naam van Kārttikeya, de zoon van S'iva of van Agni; hij wordt de god van de oorlog genoemd omdat hij de leider is van S'iva's horden tegen de vijanden van de goden. Hij is ook de leider van de demonen van de ziekte die kinderen aanvallen en ook de god van de inbrekers en de dieven.

- Een koning of een prins.

- Een slim of geleerd iemand.

- Het lichaam.

Slag van Kurukshetra (genoemd naar de heilige plek waar hij zich afspeelde): Een strijd waarin vijfduizend jaar geleden de zoons van Pāndu en die van Dhritarāshthra elkaar de heerschappij over de aarde betwistten. Na slechts achttien dagen vechten, waarbij ongeveer 3.94 miljoen krijgers het leven lieten, behaalden Pāndu's zoons de overwinning.

Smaranam: voortdurend denken aan Krishna (een van de negen methoden van de toegewijde dienst) (zie ook bhāgavata-dharma).

Smārta's: brāhmana's, brahmanen die slechts geļnteresseerd zijn in het uiterlijk vertoon van vedische regels en rituelen, in plaats van in het bereiken van Heer Krishna, die het doel van de Veda's is.

Smriti: geheugen, de kennis van de itihāsa's en purāna's (zie ook vibrahmah).

- De vedische kennis verdeelt men in smriti en s'ruti: dat wat rechtstreeks van God gehoord werd - de kennis van de Veda's en Upanishads rechtstreeks van Hem - en dat wat herinnerd wordt als de smriti - beschrijvingen door verloste zielen zoals in de purāna's. (zie ook Veda).

- Geschriften vastgelegd door levende wezens onder bovenzinnelijke leiding, van even groot gewicht als de s'ruti (Zie Geschriften, geopenbaarde).

- Geschriften die verdere uitleg geven over de vier oorspronkelijke Veda's en de Upanisads (zie purāna's).

Soma (-rasa): het gefermenteerd zuur sap van een klimplant dat vermengd met geklaarde boter wordt gebruikt door brahmanen bij vedische rituelen.

- Naam van de maangod (zie Candra).

Stithaprajńa: stabiel zijn in bovenzinnelijkheid. Gevestigd zijn in wijsheid. Evenwichtigheid.

Sthita-dhī(ra)-muni (sthita - standvastig; dhīra - onverstoorbaar; muni - wijze): Iemand die altijd opgaat in Krishnabewustzijn en bijgevolg niet in verwarring raakt door de materiėle natuur of de werking van de basiskwaliteiten of geaardheden (zie guna's).

Strī: ('zij die kinderen draagt') vrouw (zie yoshita).

Subhadrā: zuster van Krishna, getrouwd met Arjuna. Wordt bezongen in de Jagannātha mantra (zie bhajan).

Sudharmā: de Heer Zijn koninklijke vergaderzaal in Dvārakā die voor hen die er binnengingen de shath-ūrmi zes plagen van een materieel leven afweert te weten honger, dorst, weeklagen, misvatting, ouderdom en de dood (zie 10.50: 54 en 10:70: 17).

Sudars'ana: naam van een Vidyādhara door Krishna verlost uit zijn slangenlijf (zie 10:34).

Sudars'ana cakra: ('Zijn voelbare aanwezigheid met het cyclische, de orde van de tijd') Heer Vishnu's wapen in de vorm van een werpschijf, betrekking hebbend op de vitale kracht tejas (zie ook cakra en s'is'umāra en kāla).

- Sudars'ana is de naam van een Vidyādhara door Krishna verlost uit zijn slangenlijf (zie 10:34).

Sudyumna: zie Ilā.

Sukha: vreugde, geluk, welbehagen. Staat tegenover duhkha, ongeluk. Zie ook ānanda: eeuwig geluk, het geluk van de ziel, en rāma: voldoening, vreugde.

Sukritina: vroomheid die zich aan de regelen van de Schrift houdt en de Heer toegewijd dient.

Suparna's: 'de broeders van Garuda'; een groep hemelse wezens, de reciteerders van versregels.

Superziel: zie Paramātmā.

Sura: een god, goddelijkheid, een godheid, de zon maar ook: een godbewust iemand. Iemand van het licht, een gelovige, een god-bewust iemand, een verlichte ziel vrij van materiėle verlangens.

Surabhi: de koeien in Krishna loka. Ze geven een onbeperkte hoeveelheid melk. Vormen een heilig symbool van de vedische welvaart (zie ook kāmadhenu).

Sūra: de zon, de verlichte ziel, een wijs geleerd man, toegewijde, beschaafd mens. Staat tegenover a sura, boze geest, demon. Afgeleid van licht, zon de zonnegod. Verwijst naar het al dan niet verlicht God van dienst zijn.

Sūrya: de zonnegod, de verpersoonlijking van de orde van de zon zoals we die kennen van de natuur (zie S.B. 5.22).

- Voor iedere maand van het jaar is er een andere representant van de zonnegod die over die maand heerst (zie 12.11: 33-45).

Sūrya-namskar: begroeting van de zonnegod, danwel de orde van de zonnetijd - Sūrya, middels een serie āsana's die tezamen een teraardewerping vormen voor Krishna in in de vorm van de Tijd en het licht van de zon (zie ook tijdcitaten, 11: 11: 43-45 en B.G.: 7: 8 en de G āyatrī).

Sūryaloka: de zonneplaneet; de wereld van de orde van de zon (zie ook loka).

Sūta: een zoon uit een gemengd huwelijk tussen een brahmaanse vader en een kshatriya moeder (zie ook pratiloma).

Sūta Gosvāmī: zoon van Romaharshana, de wijze die de gesprekken tussen Parīkchit en S'ukadeva verhaalde voor de wijzen die bijeen waren gekomen in het woud van Naimishāranya.

Sūtra: een in enkele woorden samengevatte diepe geestelijke lering (zie ook s'loka).

- Een draad, het primaire van de materie (pradhāna of mahat-tattva) als de draad van Hem (zie 11.9: 19, 11: 15: 14, 11.22: 13, 11.24: 6 en B.G. 7: 7).

Svāmī: ander woord voor gosvāmī.

- Iemand die geest en zinnen beheerst; titel van iemand in de wereldverzakende levensorde (zie sannyāsī, ācārya en gosvāmī).

- eretitel voor geestelijk leraren.

Sva-dharma: eigen aard, eigen natuur (zie.b.v. 12.6: 70).

- De verworven plichtsbetrachting in toegewijde dienst.

- De specifieke op zelfverwerkelijking gerichte plicht van een bepaald levend wezen overeenkomstig de religieuze beginselen.

Sva-dhyaya: zelfstudie voor de zelf-realisatie en onbaatzuchtige liefdadigheid (zie niyama).

Svargaloka: de hemelse planeten of verblijfplaatsen van de halfgoden (zie loka).

- Naam voor de berg Meru.

Svarūpa: de eigen vorm, je ware aard, je karakter. De oorspronkelijke vorm, de eigenlijke positie, de eeuwige dienstrelatie met Krishna, de wezensaard die in ieder leven na iedere geboorte weer opnieuw wordt opgewekt ter vervolmaking. Ook: nitya-svarūpa: de eeuwige band met Krishna die ieder leven opnieuw moet worden opgewekt en verder ontwikkeld. Doel van de zelfverwerkelijking (zie ook siddhānta en nitya).

Svarūpa-siddhi: de volmaakte realisatie van de wezensaard van de ziel.

Svāyambhuva Manu: de oorspronkelijke vader van de mensheid (zie Manu).

- Vedisch equivalent van Adam, de eerste persoon van de mensheid (zie ook 3.12: 54).

Svayamrūpa: Krishna als avatāra in 'eigen vorm' neergedaald (zie ook prākritim svam).

Svayamvara: de plechtigheid waarbij een prinses zich haar gemaal kiest. Bij de gelegenheid ontvoerden Krishna, Sāmba en Arjuna hun vrouwen: Rukminī (10.53), Mitravindā (10.83: 12), Lakshmanā (10.83: 17; 10.68.1), en Subadrā (10.86).

Syamantaka: een speciaal zegenrijk intens stralend juweel in het bezit van de Yadu's in Dvārakā gebruikt in de aanbidding van Sūrya, de zonnegod (voor het verhaal zie 10: 56).

 

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rīmad Bhāgavatam | Bhagavad Gītā | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties