bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links




Afbeeldingen Canto 9 - pagina 1 - 2 - 3 - 4

Hoofdstuk 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24


 

Hoofdstuk 19: Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding:
de Geiten van de Wellust

(20) Zoals men ze ziet, zoals men ze nastreeft behoort men, ze kennende als zijnde tijdelijk, zelfs niet in overweging te nemen noch ze feitelijk te genieten, noch behoort men de voortzetting van het materiële leven en de vergeetachtigheid over het ware zelf dat er mee samenhangt te verlangen; hij die hier van doordrongen is is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].' (21) De zoon van Nahusha gaf, na dit tegen zijn vrouw gezegd te hebben, bevrijd van verlangens, aan Pûru zijn jeugd terug en nam van hem zijn oude dag weer over [zie 9.18: 45].

 

Hoofdstuk 20: De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

(8-9) Eens ging Dushmanta uit jagen en stuitte hij op de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de godin van het geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich meteen sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich toen tot die allerbeste van de dames.



Hoofdstuk 21: De Dynastie van Bharata:
het Verhaal van Rantideva

(3-5) Levend van wat het lot hem toebedeelde schiep hij [Rantideva] er genoegen in welk beetje voedsel hij ook maar had aan anderen uit te delen. Altijd zonder een stuiver leefde hij met al zijn familieleden zeer sober en had hij veel te lijden. Op een ochtend toen er achtenveertig dagen waren verstreken en hij zelfs zonder drinkwater zat, gebeurde het dat hij verschillende soorten voedsel, toebereid met melk en ghee, en water mocht ontvangen. Met de familie heel wankel op de benen van het lijden onder de honger en de dorst arriveerde er op dat zelfde ogenblik een brahmaanse gast voor Rantideva die ook wilde eten.


Hoofdstuk 22: De Nakomelingen van Ajamîdha:
de Pândava's en Kaurava's

(21-24) Vicitravîrya zijn oudere broer Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Door de wijze Parâs'ara incarneerde er van haar [Satyavatî, voorgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] rechtstreeks een expansie van de Heer die een grote muni was die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana van wie ik ter wereld kwam teneinde dit [Bhâgavatam] grondig te bestuderen. Vyâsadeva, de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af terwijl hij jegens mij, ik als zijn zoon verre van de zinsbevrediging, van instructie was met het meest vertrouwelijke van deze allerverhevenste literatuur. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt, maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan zowel Ambikâ als Ambâlikâ stierf hij aan een tuberculose-infectie.



Hoofdstuk 23: De Dynastieën van de Zoons van Yayâti:
het Verschijnen van Heer Krishna

(20-21) In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, eruitziend alsof Hij een gewoon mens is [zie ook S.B. 1.2: 11].
Van Yadu waren er de vier zoons gevierd als Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu, en van hen kreeg S'atajit,
geboren uit de eerste van hen, als zijn zoons toen Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya.



Hoofdstuk 24: De Yadu en Vrishni Dynastieën,
Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

(33) Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid,
keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'





(56) Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde,
daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G.
4: 7].



Kijk voor de © copyright rechten van de individuele schilderijen 
 onderaan het hoofdstuk waar het geplaatst is.

 

 

volgende pagina