regelbalk


 

Canto 10

Mahâmantra6

 

 

Hoofdstuk 45: Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn ouders het idee kregen dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn zei Hij tot Zichzelf: 'Dit moet niet zo zijn', en dus expandeerde Hij het persoonlijk begoochelend vermogen [van Zijn yogamâyâ] dat alle mensen verbijstert. (2) Ze tezamen met Zijn oudere broer, de Grootste der Waarachtigen [de Sâtvata's] benaderend, zei Hij, om ze voldoening te schenken, in bescheidenheid vol respect neerbuigend voor Zijn ouders: 'Beste vader en moeder! (3) Er is, o vader die vanwege ons altijd in angst verkeerde, inderdaad voor jullie twee nooit iets geweest van de peutertijd, de kleutertijd en de jongensjaren van jullie twee zoons [zie *]. (4) Zoals door het lot beschikt konden We, verstoken van een verblijf in jullie aanwezigheid, niet het gekoesterde geluk van kinderen ervaren die thuis bij hun ouders wonen. (5) Voor de ouders uit wie men geboorte neemt en door wie men wordt onderhouden, is een sterfelijk persoon nimmer, nog niet voor een levensduur van honderd jaar, in staat om de schuld te vereffenen, daar ze de bron vormen van het lichaam dat er is voor alle levensdoelen [purushârtha's, vergelijk met 10.32: 22]. (6) Een zoon die, er door hen met zijn middelen en weelde toe in staat, niet voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood er voorwaar toe gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook 5.26]. (7) Er toe in staat zijn maar dan niet de eigen moeder en vader onderhouden, de ouderen, de kuise echtgenote, het nog zo jonge kind, de geestelijk leraar en de geschoolde die zijn toevlucht zoekt, is men dood terwijl men ademt [zie B.G. 11: 33]. (8) Om die reden waren Wij tweeën, vanwege Kamsa die altijd de boel verstoorde, met een geest die was gemotiveerd voor tegenmaatregelen niet bij machte u te eren en hebben We Onze [jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te zijn geweest. (9) Alstublieft neem het Ons niet kwalijk dat, o vader en moeder, onder controle staand van anderen en u van Onze kant niet van dienst, de hardvochtige [Kamsa] zoveel pijn gegeven heeft.' 

(10) S'rî S'uka zei: 'Alzo in de waan door het begoochelend vermogen van Hem, de Heer en Ziel van het Universum verschijnend als een menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te ervaren Hen te omhelzen.. (11) Gebonden met het touw der genegenheid vrijuit huilend konden ze geen woord meer uitbrengen, o Koning, overmand als ze waren met hun kelen vol met tranen. (12) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, stelde zo Zijn ouders gerust en maakte Zijn grootvader van moederszijde Ugrasena, Koning van de Yadu's. (13) Hij zei hem toen: 'Alstublieft, neem met Ons als uw onderdanen o grote Koning, de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van Yayâti [door Sukrâcarya, zie 9.18: 42] men geboren zijnde als een Yadu niet op de troon behoort te zitten. (14) Als Ik aanwezig ben als een dienaar met aandacht voor u, zullen de halfgoden en allen die bij hen horen zich verbuigen om u de eer te bewijzen; en wat zouden dan niet de andere bestuurders der mensen?'

 
(15-16) Al Zijn naaste verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, Dâs'ârha's, Kukura's en andere clans, die verstoord bang voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht, werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde van hen zorgelijke mensen had gemaakt. Hij, de Maker van het Universum, regelde voor hen hun huizen en stelde ze tevreden met kostbare geschenken. (17-18) Beschermd door de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen volmaakt de vervulling van hun wensen daar vanwege Krishna en Râma de koorts [van een materieel leven] ten einde was gekomen, nu dat ze dag na dag het liefdevolle, altijd opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige, glimlachende blikken konden zien. (19) Zelfs de ouden van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit met het aldaar [in Mathurâ] met hun ogen telkens weer indrinken van de nectar van Mukunda's lotusgelaat. (20) Vervolgens, o grote Koning, werden de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, en Sankarshana benaderd door Nanda en dit is wat Zij, hem omhelzend, zeiden: (21) 'O vader, door de grote genegenheid en het geknuffel door jullie tweeën, werden Wij op grootse wijze verzorgd, het is werkelijk zo dat de liefde van de ouders voor hun kinderen zelfs groter is dan de liefde die ze voor zichzelf hebben. (22) Die personen zijn een vader en een moeder die, als waren het hun eigen kinderen, de zoons te eten geven die werden achtergelaten door hun eigen familie die niet in staat was hen te onderhouden en beschermen. (23) Alstublieft, gaat allen naar Vraja beste vader, We zullen jullie en jullie verwanten die zo smachten van de liefde komen opzoeken [in de gedaante van...] nadat we onze vrienden hier gelukkig hebben gemaakt.'  (24) Acyuta die aldus Nanda en het volkje van Vraja gerust stelde, vereerde ze toen respectvol met kleding, sieraden en potten en dergelijke.' 

(25) Aldus toegesproken door Hen tweeën omhelsde Nanda, overspoeld door emoties, Hen met tranen wellend in zijn ogen en ging hij met de gopa's naar Vraja. (26) Daarna liet de zoon van S'ûrasena [Vasudeva], o Koning, voor zijn zoons door een priester en door brahmanen de tweede-geboorte-initiatie zoals het hoorde uitvoeren. (27) Hij schonk hen in eerbied, ter compensatie geheel opgetuigde koeien met gouden kettingen en sierselen compleet met kalveren en slingers vlasbloemen. (28) Hij, grootmoedig, gaf hen in liefdadigheid de koeien die waren weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden geboren [zie 3.10: 11-12]. (29) Na met de initiatie de status der tweemaal geborenen te hebben bereikt, legden Ze, oprecht in Hun geloften voor Garga, de leermeester van de Yadu's, de gelofte van het celibaat af [een student te zijn, zie ook de gâyatrî en brahmacârya]. (30-31) Als de Heren van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in de kennis alwetend, hielden Zij door hun menselijke handelingen de onberispelijke kennis verborgen die uit geen andere bron wordt verkregen en verlangden Ze het om te leven in de school van de goeroe geboren in Kâsî [Benares] genaamd Sândîpani die zich ophield in de stad Avantî [Ujjain]. (32) De geestelijk leraar die het in die omstandigheid was vergund Hen alzo ingetogen te mogen ontmoeten, werd door Hen, die hem voor zijn dienstbaarheid respecteerden als was hij de Heer zelve, daarmee met Hun toewijding gebruikt om een ontwijfelbaar voorbeeld te stellen voor anderen. (33) Die beste der tweemaal geborenen, tevreden als hij was over Hun zuivere liefde en onderdanig handelen, onderrichtte Hen als Hun goeroe in al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische verhandelingen, [**(34) de Dhanur-veda [militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de menselijke gedragscodes, de wetten] de nyâya [de methoden der logica] alsook de ânvîkshikîm [kennis van het filosofisch debat ofwel tarka] en de zes aspecten van de râja-nîtim [de politieke wetenschap, zie ***]. (35-36) Als de beste van alle eersteklas personen en van alle kennis de uitdragers maakten Zij, o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie, simpel door het maar één keer te horen, zich het geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele dagen als nachten [*4] en boden Ze daar tevreden over Hun leermeester, o Koning, een vergoeding aan [gurudakshinâ]. (37) De tweemaal geboren man, met een gepast respect voor die verbazingwekkende grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, o Koning, kwam na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn kind weer te zien dat was omgekomen in de oceaan te Prabhâsa [zie ook 1.15: 49, 3.1: 20, 3.3: 25]. (38) Er met 'Zo zij het' op reagerend beklommen de twee grote wagenmenners, die van een onbegrensd kunnen waren, toen een wagen en liepen Ze, daar aangeland, naar de kust om een ogenblik neer te zitten, waarop de oceaan in erkenning Hen offerandes bracht als eerbewijs [vergelijk 9.10: 13]. (39) Tot hem zei de Opperheer: 'Presenteer ons terstond de zoon van onze goeroe, een jonge jongen die door u hier met een machtige golf werd gegrepen.' 

(40) De persoon van de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen, o Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana, o Krishna, een demon die zich in het water ophoudt en daar de vorm van een schelp heeft aangenomen. (41) Door hem die zich hier ophoudt is hij inderdaad meegevoerd'. Toen Hij dat hoorde haastte de Meester zich het water in en doodde Hij hem, maar de jongen kon Hij niet in zijn maag vinden. (42-44) De schelphoorn ter hand nemend, die was gegroeid als onderdeel van de demon, keerde Hij terug naar de wagen en vertrok Hij naar Yamarâja's [de heer van de dood] geliefde stad die bekend staat als Samyamanî [*5]. Op weg daarheen begeleid door Hem die de Ploeg als Zijn wapen heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op de schelphoorn [zie ook B.G. 1: 15] waarvan de klanken werden gehoord door Yamarâja, hij die de geborenen de beperkingen oplegt. Overlopend van toewijding bewees hij Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig, zich verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Wat kan ik voor Jullie twee doen, o Vishnu, die bent verschenen als menselijke wezens?' 

(45) De Allerhoogste Heer zei: 'Breng alstublieft de zoon van Mijn goeroe die naar hier werd gebracht vanwege de gebondenheid aan zijn karma o grote Koning, het is aan Mijn gebod dat voorrang moet worden verleend.' 

(46) 'Het zij zo' zei hij en produceerde toen de zoon van de leermeester. De Beste van de Yadu's gaf hem toen terug aan Hun goeroe die zij daarbij mededeelden: 'Alstublieft doe nog een wens.' 

(47) De achtenswaardige goeroe zei: 'Ik ben helemaal voldaan, mijn Jongens, door de compensatie voor de goeroe van Jullie twee; wat zou er voor de geestelijk leraar van personen als Jullie nog meer te verlangen zijn? (48) AlstJeblieft ga terug naar Jullie huis, o helden, moge Jullie faam zuivering geven en mogen de woorden van Jullie verrukking [de mantra's, de vedische hymnen] altijd nieuw zijn ['nimmer verstommen' of 'steeds worden onthouden'] in dit leven en in het leven hierna!' [zie ook: 10.13: 2]

(49) Aldus met de toestemming van Hun goeroe vertrokken bereikten Ze op Hun wagen snel als de wind en donderend als een wolk Hun stad. (50) De burgers die Râma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien hadden, verheugden zich allen Hen weer te zien, als waren ze mensen die hun verloren gegane weelde weer terugkregen.'

 

next                       

 
 

 

Tweede editie, geladen 7 augustus 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Krishna Rescues His Teacher's Son

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn ouders het idee kregen dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn zei Hij tot Zichzelf: 'Dit moet niet zo zijn', en dus expandeerde Hij het persoonlijk begoochelend vermogen [van Zijn yogamâyâ] dat alle mensen verbijstert.

S'ukadeva Gosvâmî said: Understanding that His parents were becoming aware of His transcendental opulences, the Supreme Personality of Godhead thought that this should not be allowed to happen. Thus He expanded His Yogamâyâ, which bewilders His devotees. (Vedabase)

 

Tekst 2

Ze tezamen met Zijn oudere broer, de Grootste der Waarachtigen [de Sâtvata's] benaderend, zei Hij, om ze voldoening te schenken, in bescheidenheid vol respect neerbuigend voor Zijn ouders: 'Beste vader en moeder! 

Lord Krishna, the greatest of the Sâtvatas, approached His parents with His elder brother. Humbly bowing His head and gratifying them by respectfully addressing them as "My dear mother" and "My dear father," Krishna spoke as follows. (Vedabase)

 

Tekst 3

Er is, o vader die vanwege ons altijd in angst verkeerde, inderdaad voor jullie twee nooit iets geweest van de peutertijd, de kleutertijd en de jongensjaren van jullie twee zoons [zie *]. 

[Lord Krishna said:] Dear Father, because of Us, your two sons, you and mother Devakî always remained in anxiety and could never enjoy Our childhood, boyhood or youth. (Vedabase)

 

Tekst 4

Zoals door het lot beschikt konden We, verstoken van een verblijf in jullie aanwezigheid, niet het gekoesterde geluk van kinderen ervaren die thuis bij hun ouders wonen.

Deprived by fate, We could not live with you and enjoy the pampered happiness most children enjoy in their parents' home. (Vedabase)

 

Tekst 5

Voor de ouders uit wie men geboorte neemt en door wie men wordt onderhouden, is een sterfelijk persoon nimmer, nog niet voor een levensduur van honderd jaar, in staat om de schuld te vereffenen, daar ze de bron vormen van het lichaam dat er is voor alle levensdoelen [purushârtha's, vergelijk met 10.32: 22].

With one's body one can acquire all goals of life, and it is one's parents who give the body birth and sustenance. Therefore no mortal man can repay his debt to his parents, even if he serves them for a full lifetime of a hundred years. (Vedabase)

 

Tekst 6

Een zoon die, er door hen met zijn middelen en weelde toe in staat, niet voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood er voorwaar toe gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook 5.26]. 

A son who, though able to do so, fails to provide for his parents with his physical resources and wealth is forced after his death to eat his own flesh. (Vedabase)

 

Tekst 7

Er toe in staat zijn maar dan niet de eigen moeder en vader onderhouden, de ouderen, de kuise echtgenote, het nog zo jonge kind, de geestelijk leraar en de geschoolde die zijn toevlucht zoekt, is men dood terwijl men ademt [zie B.G. 11: 33]. 

A man who, though able to do so, fails to support his elderly parents, chaste wife, young child or spiritual master, or who neglects a brâhmana or anyone who comes to him for shelter, is considered dead, though breathing. (Vedabase)

 

Tekst 8

Om die reden waren Wij tweeën, vanwege Kamsa die altijd de boel verstoorde, met een geest die was gemotiveerd voor tegenmaatregelen niet bij machte u te eren en hebben We Onze [jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te zijn geweest.

Thus We have wasted all these days, unable as We were to properly honor you because Our minds were always disturbed by fear of Kamsa. (Vedabase)

 

Tekst 9

Alstublieft neem het Ons niet kwalijk dat, o vader en moeder, onder controle staand van anderen en u van Onze kant niet van dienst, de hardvochtige [Kamsa] zoveel pijn gegeven heeft.' 

Dear Father and Mother, please forgive Us for not serving you. We are not independent and have been greatly frustrated by cruel Kamsa. (Vedabase)

 

Tekst 10

S'rî S'uka zei: 'Alzo in de waan door het begoochelend vermogen van Hem, de Heer en Ziel van het Universum verschijnend als een menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te ervaren Hen te omhelzen..

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus beguiled by the words of Lord Hari, the Supreme Soul of the universe, who by His internal illusory potency appeared to be a human, His parents joyfully raised Him up on their laps and embraced Him. (Vedabase)

 

Tekst 11

Gebonden met het touw der genegenheid vrijuit huilend konden ze geen woord meer uitbrengen, o Koning, overmand als ze waren met hun kelen vol met tranen.

Pouring out a shower of tears upon the Lord, His parents, who were bound up by the rope of affection, could not speak. They were overwhelmed, O King, and their throats choked up with tears. (Vedabase)

 

Tekst 12

De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, stelde zo Zijn ouders gerust en maakte Zijn grootvader van moederszijde Ugrasena, Koning van de Yadu's. 

Thus having comforted His mother and father, the Supreme Personality of Godhead, appearing as the son of Devakî, installed His maternal grandfather, Ugrasena, as King of the Yadus. (Vedabase)

  

Tekst 13

Hij zei hem toen: 'Alstublieft, neem met Ons als uw onderdanen o grote Koning, de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van Yayâti [zie 9.18: 42] men geboren zijnde als een Yadu niet op de troon behoort te zitten. 

The Lord told him: O mighty King, We are your subjects, so please command Us. Indeed, because of the curse of Yayâti, no Yadu may sit on the royal throne. (Vedabase)

 

Tekst 14

Als Ik aanwezig ben als een dienaar met aandacht voor u, zullen de halfgoden en allen die bij hen horen zich verbuigen om u de eer te bewijzen; en wat zouden dan niet de andere bestuurders der mensen?'

Since I am present in your entourage as your personal attendant, all the demigods and other exalted personalities will come with heads bowed to offer you tribute. What, then, to speak of the rulers of men? (Vedabase)

   

 Tekst 15-16

Al Zijn naaste verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, Dâs'ârha's, Kukura's en andere clans, die verstoord bang voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht, werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde van hen zorgelijke mensen had gemaakt. Hij, de Maker van het Universum, regelde voor hen hun huizen en stelde ze tevreden met kostbare geschenken.

The Lord then brought all His close family members and other relatives back from the various places to which they had fled in fear of Kamsa. He received the Yadus, Vrishnis, Andhakas, Madhus, Dâs'ârhas, Kukuras and other clans with due honor, and He also consoled them, for they were weary of living in foreign lands. Then Lord Krishna, the creator of the universe, resettled them in their homes and gratified them with valuable gifts. (Vedabase)

 

Tekst 17-18

Beschermd door de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen volmaakt de vervulling van hun wensen daar vanwege Krishna en Râma de koorts [van een materieel leven] ten einde was gekomen, nu dat ze dag na dag het liefdevolle, altijd opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige, glimlachende blikken konden zien.

The members of these clans, protected by the arms of Lord Krishna and Lord Sankarshana, felt that all their desires were fulfilled. Thus they enjoyed perfect happiness while living at home with their families. Because of the presence of Krishna and Balarâma, they no longer suffered from the fever of material existence. Every day these loving devotees could see Mukunda's ever-cheerful lotus face, which was decorated with beautiful, merciful smiling glances. (Vedabase)

 

Tekst 19

Zelfs de ouden van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit met het aldaar [in Mathurâ] met hun ogen telkens weer indrinken van de nectar van Mukunda's lotusgelaat.

Even the most elderly inhabitants of the city appeared youthful, full of strength and vitality, for with their eyes they constantly drank the elixir of Lord Mukunda's lotus face. (Vedabase)

 

Tekst 20

Vervolgens, o grote Koning, werden de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, en Sankarshana benaderd door Nanda en dit is wat Zij, hem omhelzend, zeiden: 

Then, O exalted Parîkshit, the Supreme Lord Krishna, the son of Devakî, along with Lord Balarâma, approached Nanda Mahârâja. The two Lords embraced him and then addressed him as follows. (Vedabase)

   

Tekst 21

'O vader, door de grote genegenheid en het geknuffel door jullie tweeën, werden Wij op grootse wijze verzorgd, het is werkelijk zo dat de liefde van de ouders voor hun kinderen zelfs groter is dan de liefde die ze voor zichzelf hebben.

[Krishna and Balarâma said:] O Father, you and mother Yas'odâ have affectionately maintained Us and cared for Us so much! Indeed, parents love their children more than their own lives. (Vedabase)

 .

Tekst 22

Die personen zijn een vader en een moeder die, als waren het hun eigen kinderen, de zoons te eten geven die werden achtergelaten door hun eigen familie die niet in staat was hen te onderhouden en beschermen. 

They are the real father and mother who care for, as they would their own sons, children abandoned by relatives unable to maintain and protect them. (Vedabase)

 

Tekst 23

Alstublieft, gaat allen naar Vraja beste vader, We zullen jullie en jullie verwanten die zo smachten van de liefde komen opzoeken [in de gedaante van...] nadat we onze vrienden hier gelukkig hebben gemaakt.'

Now you should all return to Vraja, dear Father. We shall come to see you, Our dear relatives who suffer in separation from Us, as soon as We have given some happiness to your well-wishing friends. (Vedabase)

 

Tekst 24

Acyuta die aldus Nanda en het volkje van Vraja gerust stelde, vereerde ze toen respectvol met kleding, sieraden en potten en dergelijke.' 

Thus consoling Nanda Mahârâja and the other men of Vraja, the infallible Supreme Lord respectfully honored them with gifts of clothing, jewelry, household utensils and so on. (Vedabase)

  

Tekst 25

Aldus toegesproken door Hen tweeën omhelsde Nanda, overspoeld door emoties, Hen met tranen wellend in zijn ogen en ging hij met de gopa's naar Vraja.

Nanda Mahârâja was overwhelmed with affection upon hearing Krishna's words, and his eyes brimmed with tears as he embraced the two Lords. Then he went back to Vraja with the cowherd men. (Vedabase)

 

Tekst 26

Daarna liet de zoon van S'ûrasena [Vasudeva], o Koning, voor zijn zoons door een priester en door brahmanen de tweede-geboorte-initiatie zoals het hoorde uitvoeren.

My dear King, then Vasudeva, the son of S'ûrasena, arranged for a priest and other brâhmanas to perform his two sons' second-birth initiation. (Vedabase)

 

Tekst 27

Hij schonk hen in eerbied, ter compensatie geheel opgetuigde koeien met gouden kettingen en sierselen compleet met kalveren en slingers vlasbloemen.

Vasudeva honored these brâhmanas by worshiping them and giving them fine ornaments and well-ornamented cows with their calves. All these cows wore gold necklaces and linen wreaths. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hij, grootmoedig, gaf hen in liefdadigheid de koeien die waren weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden geboren [zie 3.10: 11-12]. 

The magnanimous Vasudeva then remembered the cows he had mentally given away on the occasion of Krishna's and Balarâma's birth. Kamsa had stolen those cows, and Vasudeva now recovered them and gave them away in charity also. (Vedabase)

 

Tekst 29

Na met de initiatie de status der tweemaal geborenen te hebben bereikt, legden Ze, oprecht in Hun geloften voor Garga, de leermeester van de Yadu's, de gelofte van het celibaat af [een student te zijn, zie ook de gâyatrî en brahmacârya]. 

After attaining twice-born status through initiation, the Lords, sincere in Their vows, took the further vow of celibacy from Garga Muni, the spiritual master of the Yadus. (Vedabase)

 

Tekst 30-31

Als de Heren van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in de kennis alwetend, hielden Zij door hun menselijke handelingen de onberispelijke kennis verborgen die uit geen andere bron wordt verkregen en verlangden Ze het om te leven in de school van de goeroe geboren in Kâsî [Benares] genaamd Sândîpani die zich ophield in de stad Avantî [Ujjain].

Concealing Their innately perfect knowledge by Their humanlike activities, those two omniscient Lords of the universe, Themselves the origin of all branches of knowledge, next desired to reside at the school of a spiritual master. Thus They approached Sândîpani Muni, a native of Kâsî living in the city of Avantî. (Vedabase)

 

Tekst 32

De geestelijk leraar die het in die omstandigheid was vergund Hen alzo ingetogen te mogen ontmoeten, werd door Hen, die hem voor zijn dienstbaarheid respecteerden als was hij de Heer zelve, daarmee met Hun toewijding gebruikt om een ontwijfelbaar voorbeeld te stellen voor anderen.

Sândîpani thought very highly of these two self-controlled disciples, whom he had obtained so fortuitously. By serving him as devotedly as one would serve the Supreme Lord Himself, They showed others an irreproachable example of how to worship the spiritual master. (Vedabase)

 

Tekst 33

Die beste der tweemaal geborenen, tevreden als hij was over Hun zuivere liefde en onderdanig handelen, onderrichtte Hen als Hun goeroe in al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische verhandelingen, [**

That best of brâhmanas, the spiritual master Sândîpani, was satisfied with Their submissive behavior, and thus he taught Them the entire Vedas, together with their six corollaries and the Upanishads. (Vedabase)

 

Tekst 34

de Dhanur-veda [militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de menselijke gedragscodes, de wetten] en de nyâya [de methoden der logica] alsook de ânvîkshikîm [kennis van het filosofisch debat ofwel tarka] en de zes aspecten van de râja-nîtim [de politieke wetenschap, zie ***]. 

He also taught Them the Dhanur-veda, with its most confidential secrets; the standard books of law; the methods of logical reasoning and philosophical debate; and the sixfold science of politics. (Vedabase)

  

Tekst 35-36

Als de beste van alle eersteklas personen en van alle kennis de uitdragers maakten Zij, o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie, simpel door het maar één keer te horen, zich het geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele dagen als nachten [*4] en boden Ze daar tevreden over Hun leermeester, o Koning, een vergoeding aan [gurudakshinâ].

O King, those best of persons, Krishna and Balarâma, being Themselves the original promulgators of all varieties of knowledge, could immediately assimilate each and every subject after hearing it explained just once. Thus with fixed concentration They learned the sixty-four arts and skills in as many days and nights. Thereafter, O King, They satisfied Their spiritual master by offering him guru-dakshinâ. (Vedabase)

 

Tekst 37

De tweemaal geboren man, met een gepast respect voor die verbazingwekkende grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, o Koning, kwam na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn kind weer te zien dat was omgekomen in de oceaan te Prabhâsa [zie ook 1.15: 49, 3.1: 20, 3.3: 25]. 

O King, the learned brâhmana Sândîpani carefully considered the two Lords' glorious and amazing qualities and Their superhuman intelligence. Then, after consulting with his wife, he chose as his remuneration the return of his young son, who had died in the ocean at Prabhâsa. (Vedabase)

 

Tekst 38

Er met 'Zo zij het' op reagerend beklommen de twee grote wagenmenners, die van een onbegrensd kunnen waren, toen een wagen en liepen Ze, daar aangeland, naar de kust om een ogenblik neer te zitten, waarop de oceaan in erkenning Hen offerandes bracht als eerbewijs [vergelijk 9.10: 13]. 

"So be it," replied those two great charioteers of limitless might, and They at once mounted Their chariot and set off for Prabhâsa. When They reached that place, They walked up to the shore and sat down. In a moment the deity of the ocean, recognizing Them to be the Supreme Lords, approached Them with offerings of tribute. (Vedabase)

 

Tekst 39

Tot hem zei de Opperheer: 'Presenteer ons terstond de zoon van onze goeroe, een jonge jongen die door u hier met een machtige golf werd gegrepen.' 

The Supreme Lord Krishna addressed the lord of the ocean: Let the son of My guru be presented at once - the one you seized here with your mighty waves. (Vedabase)

 

Tekst 40

De persoon van de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen, o Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana, o Krishna, een demon die zich in het water ophoudt en daar de vorm van een schelp heeft aangenomen.

The ocean replied: O Lord Krishna, it was not I who abducted him, but a demonic descendant of Diti named Pañcajana, who travels in the water in the form of a conch. (Vedabase)

 

Tekst 41

Door hem die zich hier ophoudt is hij inderdaad meegevoerd'.

Toen Hij dat hoorde haastte de Meester zich het water in en doodde Hij hem, maar de jongen kon Hij niet in zijn maag vinden.

"Indeed," the ocean said, "that demon has taken him away." Hearing this, Lord Krishna entered the ocean, found Pañcajana and killed him. But the Lord did not find the boy within the demon's belly. (Vedabase)

 

Tekst 42-44

De schelphoorn ter hand nemend, die was gegroeid als onderdeel van de demon, keerde Hij terug naar de wagen en vertrok Hij naar Yamarâja's [de heer van de dood] geliefde stad die bekend staat als Samyamanî [*5]. Op weg daarheen begeleid door Hem die de Ploeg als Zijn wapen heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op de schelphoorn [zie ook B.G. 1: 15] waarvan de klanken werden gehoord door Yamarâja, hij die de geborenen de beperkingen oplegt. Overlopend van toewijding bewees hij Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig, zich verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Wat kan ik voor Jullie twee doen, o Vishnu, die bent verschenen als menselijke wezens?' 

Lord Janârdana took th e conchshell that had grown around the demon's body and went back to the chariot. Then He proceeded to Samyamanî, the beloved capital of Yamarâja, the lord of death. Upon arriving there with Lord Balarâma, He loudly blew His conchshell, and Yamarâja, who keeps the conditioned souls in check, came as soon as he heard the resounding vibration. Yamarâja elaborately worshiped the two Lords with great devotion, and then he addressed Lord Krishna, who lives in everyone's heart: "O Supreme Lord Vishnu, what shall I do for You and Lord Balarâma, who are playing the part of ordinary humans?" (Vedabase)

 

Tekst 45

De Allerhoogste Heer zei: 'Breng alstublieft de zoon van Mijn goeroe die naar hier werd gebracht vanwege de gebondenheid aan zijn karma o grote Koning, het is aan Mijn gebod dat voorrang moet worden verleend.' 

The Supreme Personality of Godhead said: Suffering the bondage of his past activity, My spiritual master's son was brought here to you. O great King, obey My command and bring this boy to Me without delay. (Vedabase)

 

Tekst 46

'Het zij zo' zei hij en produceerde toen de zoon van de leermeester. De Beste van de Yadu's gaf hem toen terug aan Hun goeroe die zij daarbij mededeelden: 'Alstublieft doe nog een wens.' 

Yamarâja said, "So be it," and brought forth the guru's son. Then those two most exalted Yadus presented the boy to Their spiritual master and said to him, "Please select another boon." (Vedabase)

 

Tekst 47

De achtenswaardige goeroe zei: 'Ik ben helemaal voldaan, mijn Jongens, door de compensatie voor de goeroe van Jullie twee; wat zou er voor de geestelijk leraar van personen als Jullie nog meer te verlangen zijn? 

The spiritual master said: My dear boys, You two have completely fulfilled the disciple's obligation to reward his spiritual master. Indeed, with disciples like You, what further desires could a guru have? (Vedabase)

 

Tekst 48

AlstJeblieft ga terug naar Jullie huis, o helden, moge Jullie faam zuivering geven en mogen de woorden van Jullie verrukking [de mantra's, de vedische hymnen] altijd nieuw zijn ['nimmer verstommen' of 'steeds worden onthouden'] in dit leven en in het leven hierna!' [zie ook: 10.13: 2]

O heroes, now please return home. May Your fame sanctify the world, and may the Vedic hymns be ever fresh in Your minds, both in this life and the next. (Vedabase)

 

Tekst 49

Aldus met de toestemming van Hun goeroe vertrokken bereikten Ze op Hun wagen snel als de wind en donderend als een wolk Hun stad. 

Thus receiving Their guru's permission to leave, the two Lords returned to Their city on Their chariot, which moved as swiftly as the wind and resounded like a cloud. (Vedabase)

 

Tekst 50

De burgers die Râma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien hadden, verheugden zich allen Hen weer te zien, als waren ze mensen die hun verloren gegane weelde weer terugkregen.'

All the citizens rejoiced upon seeing Krishna and Balarâma, whom they had not seen for many days. The people felt just like those who have lost their wealth and then regained it. (Vedabase)

 

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan: 'De kaumâra-fase duurt tot het vijfde levensjaar, pauganda tot aan het tiende jaar en kais'ora tot het vijftiende jaar. Van dan af aan staat men bekend als een yauvana.' Naar deze uitspraak eindigt de kais'ora periode op het vijftiende jaar. Krishna was nog maar elf jaar oud toen hij Kamsa doodde, indachtig Uddhava's woorden: ekâdas'a-samâs tatra gûdhârcih sa-balo 'vasat. 'Als een bedekte vlam, bleef Heer Krishna daar incognito met Balarâma voor de duur van elf jaar' (Bhâg. 3.2: 26) ... de drie jaren en vier maanden dat Heer Krishna in Mahâvana verbleef stonden gelijk aan vijf jaren van een gewoon kind, en aldus rondde Hij Zijn kaumâra fase van de kindertijd af. De periode van toen af tot aan de leeftijd van zes jaar en acht maanden, gedurende welke Hij leefde in Vrindâvana, vormt Zijn pauganda stadium. En de periode van de leeftijd van zes jaar en acht maanden tot in Zijn tiende jaar, de tijd waarin Hij in Nandîs'vara [Nandagrâma] leefde, vormt Zijn kais'ora stadium. Toen, op de leeftijd van tien jaar en zeven maanden, op de elfde dag van de maan van de donkere maandhelft van de maand Caitra, ging Hij naar Mathurâ, en op de veertiende dag daarna doodde Hij Kamsa. Aldus volbracht hij Zijn kais'ora periode op tienjarige leeftijd, en blijft Hij voor eeuwig van die leeftijd. In andere woorden, moeten we begrijpen dat van dit punt af aan de Heer voor altijd een kis'ora blijft.'

**: Dezen zijn de z.g. anga's en Upanishads. De zes anga's zijn: s'iks'a (uitspraak), chanda, (klemtoon, metrum, ritme), vyâkarana (grammatica), jyotisha (astronomie), kalpa (inhoud en regels der rituelen) en nirukta (herleiden van termen).

***: De zes aspecten van de politieke wetenschap zijn: (1) sandhi, vrede sluiten; (2) vigraha, oorlog voeren; (3) yâna, marcheren of op expeditie gaan; (4) âsana, recht zitten ofwel een kampement opzetten; (5) dvaidha, het verdelen van de krachten of het scheiden van vriend en vijand; en (6) sams'aya, afhangen van geallieerden of het zoeken van de bescherming van een machtiger heerser.

*4: De Heren leerden: (1) gîtam, zingen; (2) vâdyam, muziekinstrumenten bespelen; (3) nrityam, dansen; (4) nâthyam, toneelspelen; (5) âlekhyam, schilderen; (6) vis'eshaka-cchedyam, het gezicht en het lichaam beschilderen met gekleurde zalven en cosmetica; (7) tandula-kusuma-bali-vikârâh, het maken van goedgunstige tekeningen op de vloer met rijst en bloemen; (8) pushpâstaranam, het maken van een bloembed; (9) das'ana-vasanânga-râgâh, het kleuren van de tanden, de kleren en de ledematen; (10) mani-bhûmikâ-karma, de vloer inleggen met edelstenen; (11) s'ayyâ-racanam, een bed opmaken; (12) udaka-vâdyam, met waterpotten muziek maken; (13) udaka-ghâtah, met water spetteren; (14) citra-yogâh, kleuren mengen; (15) mâlya-grathana-vikalpâh, boeketten maken; (16) s'ekharâpîda-yojanam, een helm op het hoofd zetten; (17) nepathya-yogâh, zich aankleden ter voorbereiding; (18) karna-patra-bhangâh, de oorlel versieren; (19) sugandha-yuktih, geurstoffen aanbrengen; (20) bhûshana-yojanam, met juwelen behangen; (21) aindrajâlam, goochelen; (22) kaucumâra-yogah, zich vermommen; (23) hasta-lâghavam, vingervlugheid; (24) citra-s'âkâpûpa-bhakshya-vikâra-kriyah, het klaarmaken van allerhande salades brood, cake en ander smakelijk voedsel; (25) pânaka-rasa-râgâsava-yojanam, het klaarmaken en kleuren van smakelijke dranken; (26) sûcî-vâya-karma, naaldwerk en weven; (27) sûtra-krîdâ, het maken van en spelen met poppenkastpoppen; (28) vînâ-damarukavâdyâni, op een luit spelen en een kleine X-vormige trommel; (29) prahelikâ, het maken en oplossen van raadsels; (29a) pratimâlâ, verzen of gedichten vers voor vers reciteren en voordragen bij wijze van geheugenproef of vaardigheid; (30) durvacaka-yogâh, het doen van uitspraken die voor een ander moeilijk te beantwoorden zijn; (31) pustaka-vâcanam, voordragen van boeken; en (32) nâthikâkhyâyikâ-dars'anam, kleine toneelstukken opzetten en verhalen schrijven. (33) kâvya-samasyâ-pûranam, raadselachtige verzen oplossen; (34) paththikâ-vetra-bâna-vikalpâh, het maken van een boog met een stuk stof en een stok; (35) tarku-karma, spinnen met een spinnewiel; (36) takshanam, woning inrichten; (37) vâstu-vidyâ, huizen bouwen; (38) raupya-ratna- parîkshâ, zilver en juwelen op waarde schatten; (39) dhâtu-vâdah, metallurgie; (40) mani- raga-jñânam, het kleuren van juwelen in verschillende tinten; (41) âkara-jñânam, mineralogie; (42) vrikshâyur-veda-yogâh, kruidengeneeskunde; (43) mesha-kukkutha- lâvaka-yuddha-vidhih, de kunst van het trainen en hanteren van rammen, hanen en kwartels om bij wijze van sport met elkaar te vechten; (44) s'uka-s'ârikâ-pralâpanam, kennis over hoe wijfjes en mannetjes papegaaien te leren spreken en vragen van mensen te beantwoorden; (45) utsâdanam, het genezen van mensen met smeersels; (46) kes'a-mârjana- kaus'alam, haar knippen en kapsels maken; (47) akshara-mushthikâ-kathanam, zeggen wat er in een boek staat zonder het gezien te hebben, en raden wat erin de vuist van een ander verborgen zit; (48) mlecchita-kutarka-vikalpâh, navertellen van verhalen van barbaren uit den vreemde; (49) des'a-bhâshâ-jñânam, kennis van provinciaalse dialekten; (50) pushpa-s'akathikâ-nirmiti-jñânam, kennis over hoe feestkarren te maken met bloemen; (51) yantra-mâtrikâ, samenstellen van magische vierkanten, waarbij de nummers naar boven en beneden op hetzelfde getal uitkomen; (52) dhârana-mâtrikâ, het gebruik van amuletten; (53) samvâcyam, conversatie; (54) mânasî-kâvya-kriyâ, in gedachten gedichten maken; (55) kriyâ-vikalpâh, een literair meesterwerk bedenken of een geneesmethode; (56) chalitaka-yogâh, het bouwen van schrijnen; (57) abhidhâna-kosha-cchando-jñânam, kennis van woordenlijsten en dichtvormen; (58) vastra-gopanam, een stuk stof er laten uitzien alsof het een andere kwaliteit heeft; (59) dyûta-vis'esham, kennis van de verschillende vormen van gokken; (so) âkarsha-krîda, dobbelen; (61) bâlaka-krîdanakam, spelen met speelgoed; (62) vainâyikî vidyâ, doen van bezweringen; (63) vaijayikî vidyâ, de overwinning behalen; en (64) vaitâlikî vidyâ, de leraar met muziek wekken bij het ochtendgloren [zie ook het Krishnaboek Hoofdstuk 45].

*5 Samyama betekent, zelfbeheersing, inperking, de zaken bijeen houden, het integreren van de concentratie [dhâranâ], de meditatie [dhyâna] en de verzonkenheid [samâdhi] in de yoga.  

 

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Âcârya dâsa en het tweede schilderij is van Râmanatha dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties