Tweede editie,
geladen 7 augustus 2008

Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Krishna
Rescues His Teacher's Son
Tekst
1
S'rî
S'uka zei: 'Toen Zijn ouders het idee kregen dat Hij de
Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn zei Hij tot Zichzelf:
'Dit moet niet zo zijn', en dus expandeerde Hij het persoonlijk
begoochelend vermogen [van Zijn
yogamâyâ] dat alle mensen
verbijstert.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Understanding that His parents
were becoming aware of His transcendental opulences, the
Supreme Personality of Godhead thought that this should not
be allowed to happen. Thus He expanded His
Yogamâyâ, which bewilders His devotees.
(Vedabase)
Tekst
2
Ze tezamen met
Zijn oudere broer, de Grootste der Waarachtigen [de
Sâtvata's] benaderend, zei Hij, om ze voldoening te
schenken, in bescheidenheid vol respect neerbuigend voor Zijn
ouders: 'Beste vader en moeder!
Lord
Krishna, the greatest of the Sâtvatas, approached His
parents with His elder brother. Humbly bowing His head and
gratifying them by respectfully addressing them as "My dear
mother" and "My dear father," Krishna spoke as follows.
(Vedabase)
Tekst
3
Er is, o vader
die vanwege ons altijd in angst verkeerde, inderdaad voor
jullie twee nooit iets geweest van de peutertijd, de
kleutertijd en de jongensjaren van jullie twee zoons
[zie
*].
[Lord
Krishna said:] Dear Father, because of Us, your two
sons, you and mother Devakî always remained in anxiety
and could never enjoy Our childhood, boyhood or youth.
(Vedabase)
Tekst
4
Zoals door het
lot beschikt konden We, verstoken van een verblijf in jullie
aanwezigheid, niet het gekoesterde geluk van kinderen ervaren
die thuis bij hun ouders wonen.
Deprived
by fate, We could not live with you and enjoy the pampered
happiness most children enjoy in their parents' home.
(Vedabase)
Tekst
5
Voor de ouders
uit wie men geboorte neemt en door wie men wordt onderhouden,
is een sterfelijk persoon nimmer, nog niet voor een levensduur
van honderd jaar, in staat om de schuld te vereffenen, daar ze
de bron vormen van het lichaam dat er is voor alle levensdoelen
[purushârtha's,
vergelijk met 10.32:
22].
With
one's body one can acquire all goals of life, and it is
one's parents who give the body birth and sustenance.
Therefore no mortal man can repay his debt to his parents,
even if he serves them for a full lifetime of a hundred
years. (Vedabase)
Tekst
6
Een zoon die,
er door hen met zijn middelen en weelde toe in staat, niet
voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood er voorwaar toe
gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook
5.26].
A
son who, though able to do so, fails to provide for his
parents with his physical resources and wealth is forced
after his death to eat his own flesh. (Vedabase)
Tekst
7
Er toe in staat
zijn maar dan niet de eigen moeder en vader onderhouden, de
ouderen, de kuise echtgenote, het nog zo jonge kind, de
geestelijk leraar en de geschoolde die zijn toevlucht zoekt, is
men dood terwijl men ademt [zie B.G.
11: 33].
A
man who, though able to do so, fails to support his elderly
parents, chaste wife, young child or spiritual master, or
who neglects a brâhmana or anyone who comes to him for
shelter, is considered dead, though breathing.
(Vedabase)
Tekst
8
Om die reden
waren Wij tweeën, vanwege Kamsa die altijd de boel
verstoorde, met een geest die was gemotiveerd voor
tegenmaatregelen niet bij machte u te eren en hebben We Onze
[jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te
zijn geweest.
Thus
We have wasted all these days, unable as We were to properly
honor you because Our minds were always disturbed by fear of
Kamsa. (Vedabase)
Tekst
9
Alstublieft
neem het Ons niet kwalijk dat, o vader en moeder, onder
controle staand van anderen en u van Onze kant niet van dienst,
de hardvochtige [Kamsa] zoveel pijn gegeven
heeft.'
Dear
Father and Mother, please forgive Us for not serving you. We
are not independent and have been greatly frustrated by
cruel Kamsa. (Vedabase)
Tekst
10
S'rî
S'uka zei: 'Alzo in de waan door het begoochelend vermogen van
Hem, de Heer en Ziel van het Universum verschijnend als een
menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te
ervaren Hen te omhelzen..
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus beguiled by the words of Lord
Hari, the Supreme Soul of the universe, who by His internal
illusory potency appeared to be a human, His parents
joyfully raised Him up on their laps and embraced Him.
(Vedabase)
Tekst
11
Gebonden met
het touw der genegenheid vrijuit huilend konden ze geen woord
meer uitbrengen, o Koning, overmand als ze waren met hun kelen
vol met tranen.
Pouring
out a shower of tears upon the Lord, His parents, who were
bound up by the rope of affection, could not speak. They
were overwhelmed, O King, and their throats choked up with
tears. (Vedabase)
Tekst
12
De Allerhoogste
Heer, de zoon van Devakî, stelde zo Zijn ouders gerust en
maakte Zijn grootvader van moederszijde Ugrasena, Koning van de
Yadu's.
Thus
having comforted His mother and father, the Supreme
Personality of Godhead, appearing as the son of
Devakî, installed His maternal grandfather, Ugrasena,
as King of the Yadus. (Vedabase)
Tekst
13
Hij zei hem
toen: 'Alstublieft, neem met Ons als uw onderdanen o grote
Koning, de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van
Yayâti [zie 9.18:
42] men
geboren zijnde als een Yadu niet op de troon behoort te
zitten.
The
Lord told him: O mighty King, We are your subjects, so
please command Us. Indeed, because of the curse of
Yayâti, no Yadu may sit on the royal throne.
(Vedabase)
Tekst
14
Als Ik aanwezig
ben als een dienaar met aandacht voor u, zullen de halfgoden en
allen die bij hen horen zich verbuigen om u de eer te bewijzen;
en wat zouden dan niet de andere bestuurders der
mensen?'
Since
I am present in your entourage as your personal attendant,
all the demigods and other exalted personalities will come
with heads bowed to offer you tribute. What, then, to speak
of the rulers of men? (Vedabase)
Tekst
15-16
Al Zijn naaste
verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's,
Madhu's, Dâs'ârha's, Kukura's en andere clans, die
verstoord bang voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht,
werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde
van hen zorgelijke mensen had gemaakt. Hij, de Maker van het
Universum, regelde voor hen hun huizen en stelde ze tevreden
met kostbare geschenken.
The
Lord then brought all His close family members and other
relatives back from the various places to which they had
fled in fear of Kamsa. He received the Yadus, Vrishnis,
Andhakas, Madhus, Dâs'ârhas, Kukuras and other
clans with due honor, and He also consoled them, for they
were weary of living in foreign lands. Then Lord Krishna,
the creator of the universe, resettled them in their homes
and gratified them with valuable gifts. (Vedabase)
Tekst
17-18
Beschermd door
de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen
volmaakt de vervulling van hun wensen daar vanwege Krishna en
Râma de koorts [van een materieel leven] ten
einde was gekomen, nu dat ze dag na dag het liefdevolle, altijd
opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige,
glimlachende blikken konden zien.
The
members of these clans, protected by the arms of Lord
Krishna and Lord Sankarshana, felt that all their desires
were fulfilled. Thus they enjoyed perfect happiness while
living at home with their families. Because of the presence
of Krishna and Balarâma, they no longer suffered from
the fever of material existence. Every day these loving
devotees could see Mukunda's ever-cheerful lotus face, which
was decorated with beautiful, merciful smiling glances.
(Vedabase)
Tekst
19
Zelfs de ouden
van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit met het
aldaar [in Mathurâ] met hun ogen telkens weer
indrinken van de nectar van Mukunda's
lotusgelaat.
Even
the most elderly inhabitants of the city appeared youthful,
full of strength and vitality, for with their eyes they
constantly drank the elixir of Lord Mukunda's lotus face.
(Vedabase)
Tekst
20
Vervolgens, o
grote Koning, werden de Allerhoogste Heer, de zoon van
Devakî, en Sankarshana benaderd door Nanda en dit is wat
Zij, hem omhelzend, zeiden:
Then,
O exalted Parîkshit, the Supreme Lord Krishna, the son
of Devakî, along with Lord Balarâma, approached
Nanda Mahârâja. The two Lords embraced him and
then addressed him as follows. (Vedabase)
Tekst
21
'O vader, door
de grote genegenheid en het geknuffel door jullie tweeën,
werden Wij op grootse wijze verzorgd, het is werkelijk zo dat
de liefde van de ouders voor hun kinderen zelfs groter is dan
de liefde die ze voor zichzelf hebben.
[Krishna
and Balarâma said:] O Father, you and mother
Yas'odâ have affectionately maintained Us and cared
for Us so much! Indeed, parents love their children more
than their own lives. (Vedabase)
.
Tekst
22
Die personen
zijn een vader en een moeder die, als waren het hun eigen
kinderen, de zoons te eten geven die werden achtergelaten door
hun eigen familie die niet in staat was hen te onderhouden en
beschermen.
They
are the real father and mother who care for, as they would
their own sons, children abandoned by relatives unable to
maintain and protect them. (Vedabase)
Tekst
23
Alstublieft,
gaat allen naar Vraja beste vader, We zullen jullie en jullie
verwanten die zo smachten van de liefde komen opzoeken [in
de gedaante van...] nadat we onze vrienden hier gelukkig
hebben gemaakt.'
Now
you should all return to Vraja, dear Father. We shall come
to see you, Our dear relatives who suffer in separation from
Us, as soon as We have given some happiness to your
well-wishing friends. (Vedabase)
Tekst
24
Acyuta die
aldus Nanda en het volkje van Vraja gerust stelde, vereerde ze
toen respectvol met kleding, sieraden en potten en
dergelijke.'
Thus
consoling Nanda Mahârâja and the other men of
Vraja, the infallible Supreme Lord respectfully honored them
with gifts of clothing, jewelry, household utensils and so
on. (Vedabase)
Tekst
25
Aldus
toegesproken door Hen tweeën omhelsde Nanda, overspoeld
door emoties, Hen met tranen wellend in zijn ogen en ging hij
met de gopa's naar Vraja.
Nanda
Mahârâja was overwhelmed with affection upon
hearing Krishna's words, and his eyes brimmed with tears as
he embraced the two Lords. Then he went back to Vraja with
the cowherd men. (Vedabase)
Tekst
26
Daarna liet de
zoon van S'ûrasena [Vasudeva], o Koning, voor
zijn zoons door een priester en door brahmanen de
tweede-geboorte-initiatie zoals het hoorde
uitvoeren.
My
dear King, then Vasudeva, the son of S'ûrasena,
arranged for a priest and other brâhmanas to perform
his two sons' second-birth initiation. (Vedabase)
Tekst
27
Hij schonk hen
in eerbied, ter compensatie geheel opgetuigde koeien met gouden
kettingen en sierselen compleet met kalveren en slingers
vlasbloemen.
Vasudeva
honored these brâhmanas by worshiping them and giving
them fine ornaments and well-ornamented cows with their
calves. All these cows wore gold necklaces and linen
wreaths. (Vedabase)
Tekst
28
Hij,
grootmoedig, gaf hen in liefdadigheid de koeien die waren
weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al
had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden
geboren [zie 3.10:
11-12].
The
magnanimous Vasudeva then remembered the cows he had
mentally given away on the occasion of Krishna's and
Balarâma's birth. Kamsa had stolen those cows, and
Vasudeva now recovered them and gave them away in charity
also. (Vedabase)
Tekst
29
Na met de
initiatie de status der tweemaal geborenen te hebben bereikt,
legden Ze, oprecht in Hun geloften voor Garga, de leermeester
van de Yadu's, de gelofte van het celibaat af [een student
te zijn, zie ook de gâyatrî
en brahmacârya].
After
attaining twice-born status through initiation, the Lords,
sincere in Their vows, took the further vow of celibacy from
Garga Muni, the spiritual master of the Yadus.
(Vedabase)
Tekst
30-31
Als de Heren
van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in de
kennis alwetend, hielden Zij door hun menselijke handelingen de
onberispelijke kennis verborgen die uit geen andere bron wordt
verkregen en verlangden Ze het om te leven in de school van de
goeroe geboren in Kâsî [Benares] genaamd
Sândîpani die zich ophield in de stad Avantî
[Ujjain].
Concealing
Their innately perfect knowledge by Their humanlike
activities, those two omniscient Lords of the universe,
Themselves the origin of all branches of knowledge, next
desired to reside at the school of a spiritual master. Thus
They approached Sândîpani Muni, a native of
Kâsî living in the city of Avantî.
(Vedabase)
Tekst
32
De geestelijk
leraar die het in die omstandigheid was vergund Hen alzo
ingetogen te mogen ontmoeten, werd door Hen, die hem voor zijn
dienstbaarheid respecteerden als was hij de Heer zelve, daarmee
met Hun toewijding gebruikt om een ontwijfelbaar voorbeeld te
stellen voor anderen.
Sândîpani
thought very highly of these two self-controlled disciples,
whom he had obtained so fortuitously. By serving him as
devotedly as one would serve the Supreme Lord Himself, They
showed others an irreproachable example of how to worship
the spiritual master. (Vedabase)
Tekst
33
Die beste der
tweemaal geborenen, tevreden als hij was over Hun zuivere
liefde en onderdanig handelen, onderrichtte Hen als Hun goeroe
in al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische
verhandelingen, [**]
That
best of brâhmanas, the spiritual master
Sândîpani, was satisfied with Their submissive
behavior, and thus he taught Them the entire Vedas, together
with their six corollaries and the Upanishads.
(Vedabase)
Tekst
34
de Dhanur-veda
[militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van
al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de
menselijke gedragscodes, de wetten] en de
nyâya [de methoden der logica] alsook de
ânvîkshikîm [kennis van het
filosofisch debat ofwel tarka] en de zes aspecten
van de râja-nîtim [de politieke
wetenschap, zie ***].
He
also taught Them the Dhanur-veda, with its most confidential
secrets; the standard books of law; the methods of logical
reasoning and philosophical debate; and the sixfold science
of politics. (Vedabase)
Tekst
35-36
Als de beste
van alle eersteklas personen en van alle kennis de uitdragers
maakten Zij, o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie,
simpel door het maar één keer te horen, zich het
geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele
dagen als nachten [*4]
en boden Ze daar tevreden over Hun leermeester, o Koning, een
vergoeding aan
[gurudakshinâ].
O
King, those best of persons, Krishna and Balarâma,
being Themselves the original promulgators of all varieties
of knowledge, could immediately assimilate each and every
subject after hearing it explained just once. Thus with
fixed concentration They learned the sixty-four arts and
skills in as many days and nights. Thereafter, O King, They
satisfied Their spiritual master by offering him
guru-dakshinâ. (Vedabase)
Tekst
37
De tweemaal
geboren man, met een gepast respect voor die verbazingwekkende
grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, o Koning, kwam
na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn
kind weer te zien dat was omgekomen in de oceaan te
Prabhâsa [zie ook 1.15:
49,
3.1:
20,
3.3:
25].
O
King, the learned brâhmana Sândîpani
carefully considered the two Lords' glorious and amazing
qualities and Their superhuman intelligence. Then, after
consulting with his wife, he chose as his remuneration the
return of his young son, who had died in the ocean at
Prabhâsa. (Vedabase)
Tekst
38
Er met 'Zo zij
het' op reagerend beklommen de twee grote wagenmenners, die van
een onbegrensd kunnen waren, toen een wagen en liepen Ze, daar
aangeland, naar de kust om een ogenblik neer te zitten, waarop
de oceaan in erkenning Hen offerandes bracht als eerbewijs
[vergelijk 9.10:
13].
"So
be it," replied those two great charioteers of limitless
might, and They at once mounted Their chariot and set off
for Prabhâsa. When They reached that place, They
walked up to the shore and sat down. In a moment the deity
of the ocean, recognizing Them to be the Supreme Lords,
approached Them with offerings of tribute. (Vedabase)
Tekst
39
Tot hem zei de
Opperheer: 'Presenteer ons terstond de zoon van onze goeroe,
een jonge jongen die door u hier met een machtige golf werd
gegrepen.'
The
Supreme Lord Krishna addressed the lord of the ocean: Let
the son of My guru be presented at once - the one you seized
here with your mighty waves. (Vedabase)
Tekst
40
De persoon van
de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen, o
Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana, o
Krishna, een demon die zich in het water ophoudt en daar de
vorm van een schelp heeft aangenomen.
The
ocean replied: O Lord Krishna, it was not I who abducted
him, but a demonic descendant of Diti named
Pañcajana, who travels in the water in the form of a
conch. (Vedabase)
Tekst
41
Door hem die
zich hier ophoudt is hij inderdaad meegevoerd'.
Toen Hij dat
hoorde haastte de Meester zich het water in en doodde Hij hem,
maar de jongen kon Hij niet in zijn maag vinden.
"Indeed,"
the ocean said, "that demon has taken him away." Hearing
this, Lord Krishna entered the ocean, found Pañcajana
and killed him. But the Lord did not find the boy within the
demon's belly. (Vedabase)
Tekst
42-44
De schelphoorn
ter hand nemend, die was gegroeid als onderdeel van de demon,
keerde Hij terug naar de wagen en vertrok Hij naar
Yamarâja's [de heer van de dood] geliefde stad
die bekend staat als Samyamanî [*5].
Op weg daarheen begeleid door Hem die de Ploeg als Zijn wapen
heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op
de schelphoorn [zie ook B.G.
1: 15]
waarvan de klanken werden gehoord door Yamarâja, hij die
de geborenen de beperkingen oplegt. Overlopend van toewijding
bewees hij Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig, zich
verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Wat
kan ik voor Jullie twee doen, o Vishnu, die bent verschenen als
menselijke wezens?'
Lord
Janârdana took th e conchshell that had grown around
the demon's body and went back to the chariot. Then He
proceeded to Samyamanî, the beloved capital of
Yamarâja, the lord of death. Upon arriving there with
Lord Balarâma, He loudly blew His conchshell, and
Yamarâja, who keeps the conditioned souls in check,
came as soon as he heard the resounding vibration.
Yamarâja elaborately worshiped the two Lords with
great devotion, and then he addressed Lord Krishna, who
lives in everyone's heart: "O Supreme Lord Vishnu, what
shall I do for You and Lord Balarâma, who are playing
the part of ordinary humans?" (Vedabase)
Tekst
45
De Allerhoogste
Heer zei: 'Breng alstublieft de zoon van Mijn goeroe die naar
hier werd gebracht vanwege de gebondenheid aan zijn karma o
grote Koning, het is aan Mijn gebod dat voorrang moet worden
verleend.'
The
Supreme Personality of Godhead said: Suffering the bondage
of his past activity, My spiritual master's son was brought
here to you. O great King, obey My command and bring this
boy to Me without delay. (Vedabase)
Tekst
46
'Het zij zo'
zei hij en produceerde toen de zoon van de leermeester. De
Beste van de Yadu's gaf hem toen terug aan Hun goeroe die zij
daarbij mededeelden: 'Alstublieft doe nog een
wens.'
Yamarâja
said, "So be it," and brought forth the guru's son. Then
those two most exalted Yadus presented the boy to Their
spiritual master and said to him, "Please select another
boon." (Vedabase)
Tekst
47
De
achtenswaardige goeroe zei: 'Ik ben helemaal voldaan, mijn
Jongens, door de compensatie voor de goeroe van Jullie twee;
wat zou er voor de geestelijk leraar van personen als Jullie
nog meer te verlangen zijn?
The
spiritual master said: My dear boys, You two have completely
fulfilled the disciple's obligation to reward his spiritual
master. Indeed, with disciples like You, what further
desires could a guru have? (Vedabase)
Tekst
48
AlstJeblieft ga
terug naar Jullie huis, o helden, moge Jullie faam zuivering
geven en mogen de woorden van Jullie verrukking [de
mantra's, de vedische hymnen] altijd nieuw zijn
['nimmer verstommen' of 'steeds worden onthouden'] in
dit leven en in het leven hierna!' [zie ook:
10.13:
2]
O
heroes, now please return home. May Your fame sanctify the
world, and may the Vedic hymns be ever fresh in Your minds,
both in this life and the next. (Vedabase)
Tekst
49
Aldus met de
toestemming van Hun goeroe vertrokken bereikten Ze op Hun wagen
snel als de wind en donderend als een wolk Hun
stad.
Thus
receiving Their guru's permission to leave, the two Lords
returned to Their city on Their chariot, which moved as
swiftly as the wind and resounded like a cloud.
(Vedabase)
Tekst
50
De burgers die
Râma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien
hadden, verheugden zich allen Hen weer te zien, als waren ze
mensen die hun verloren gegane weelde weer
terugkregen.'
All
the citizens rejoiced upon seeing Krishna and
Balarâma, whom they had not seen for many days. The
people felt just like those who have lost their wealth and
then regained it. (Vedabase)
*
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan:
'De kaumâra-fase duurt tot het vijfde
levensjaar, pauganda tot aan het tiende jaar en
kais'ora tot het vijftiende jaar. Van dan af aan
staat men bekend als een yauvana.' Naar deze
uitspraak eindigt de kais'ora periode op het
vijftiende jaar. Krishna was nog maar elf jaar oud toen hij
Kamsa doodde, indachtig Uddhava's woorden:
ekâdas'a-samâs tatra gûdhârcih
sa-balo 'vasat. 'Als een bedekte vlam, bleef Heer
Krishna daar incognito met Balarâma voor de duur van
elf jaar' (Bhâg. 3.2:
26)
... de drie jaren en vier maanden dat Heer Krishna in
Mahâvana verbleef stonden gelijk aan vijf jaren van
een gewoon kind, en aldus rondde Hij Zijn
kaumâra fase van de kindertijd af. De periode
van toen af tot aan de leeftijd van zes jaar en acht
maanden, gedurende welke Hij leefde in Vrindâvana,
vormt Zijn pauganda stadium. En de periode van de
leeftijd van zes jaar en acht maanden tot in Zijn tiende
jaar, de tijd waarin Hij in Nandîs'vara
[Nandagrâma] leefde, vormt Zijn
kais'ora stadium. Toen, op de leeftijd van tien jaar
en zeven maanden, op de elfde dag van de maan van de donkere
maandhelft van de maand Caitra, ging Hij naar Mathurâ,
en op de veertiende dag daarna doodde Hij Kamsa. Aldus
volbracht hij Zijn kais'ora periode op tienjarige
leeftijd, en blijft Hij voor eeuwig van die leeftijd. In
andere woorden, moeten we begrijpen dat van dit punt af aan
de Heer voor altijd een kis'ora blijft.'
**:
Dezen zijn de z.g. anga's en Upanishads. De zes
anga's zijn: s'iks'a (uitspraak),
chanda, (klemtoon, metrum, ritme),
vyâkarana (grammatica), jyotisha
(astronomie), kalpa (inhoud en regels der rituelen)
en nirukta (herleiden van termen).
***:
De zes aspecten van de politieke wetenschap zijn: (1)
sandhi, vrede sluiten; (2) vigraha, oorlog
voeren; (3) yâna, marcheren of op expeditie
gaan; (4) âsana, recht zitten ofwel een
kampement opzetten; (5) dvaidha, het verdelen van de
krachten of het scheiden van vriend en vijand; en (6)
sams'aya, afhangen van geallieerden of het zoeken van
de bescherming van een machtiger heerser.
*4:
De Heren leerden: (1) gîtam, zingen; (2)
vâdyam, muziekinstrumenten bespelen; (3)
nrityam, dansen; (4) nâthyam,
toneelspelen; (5) âlekhyam, schilderen; (6)
vis'eshaka-cchedyam, het gezicht en het lichaam
beschilderen met gekleurde zalven en cosmetica; (7)
tandula-kusuma-bali-vikârâh, het maken
van goedgunstige tekeningen op de vloer met rijst en
bloemen; (8) pushpâstaranam, het maken van een
bloembed; (9)
das'ana-vasanânga-râgâh, het kleuren
van de tanden, de kleren en de ledematen; (10)
mani-bhûmikâ-karma, de vloer inleggen met
edelstenen; (11) s'ayyâ-racanam, een bed
opmaken; (12) udaka-vâdyam, met waterpotten
muziek maken; (13) udaka-ghâtah, met water
spetteren; (14) citra-yogâh, kleuren mengen;
(15) mâlya-grathana-vikalpâh, boeketten
maken; (16) s'ekharâpîda-yojanam, een
helm op het hoofd zetten; (17) nepathya-yogâh,
zich aankleden ter voorbereiding; (18)
karna-patra-bhangâh, de oorlel versieren; (19)
sugandha-yuktih, geurstoffen aanbrengen; (20)
bhûshana-yojanam, met juwelen behangen; (21)
aindrajâlam, goochelen; (22)
kaucumâra-yogah, zich vermommen; (23)
hasta-lâghavam, vingervlugheid; (24)
citra-s'âkâpûpa-bhakshya-vikâra-kriyah,
het klaarmaken van allerhande salades brood, cake en ander
smakelijk voedsel; (25)
pânaka-rasa-râgâsava-yojanam, het
klaarmaken en kleuren van smakelijke dranken; (26)
sûcî-vâya-karma, naaldwerk en
weven; (27) sûtra-krîdâ, het maken
van en spelen met poppenkastpoppen; (28)
vînâ-damarukavâdyâni, op een
luit spelen en een kleine X-vormige trommel; (29)
prahelikâ, het maken en oplossen van raadsels;
(29a) pratimâlâ, verzen of gedichten vers
voor vers reciteren en voordragen bij wijze van
geheugenproef of vaardigheid; (30)
durvacaka-yogâh, het doen van uitspraken die
voor een ander moeilijk te beantwoorden zijn; (31)
pustaka-vâcanam, voordragen van boeken; en (32)
nâthikâkhyâyikâ-dars'anam,
kleine toneelstukken opzetten en verhalen schrijven. (33)
kâvya-samasyâ-pûranam,
raadselachtige verzen oplossen; (34)
paththikâ-vetra-bâna-vikalpâh, het
maken van een boog met een stuk stof en een stok; (35)
tarku-karma, spinnen met een spinnewiel; (36)
takshanam, woning inrichten; (37)
vâstu-vidyâ, huizen bouwen; (38)
raupya-ratna- parîkshâ, zilver en juwelen
op waarde schatten; (39) dhâtu-vâdah,
metallurgie; (40) mani- raga-jñânam, het
kleuren van juwelen in verschillende tinten; (41)
âkara-jñânam, mineralogie; (42)
vrikshâyur-veda-yogâh,
kruidengeneeskunde; (43) mesha-kukkutha-
lâvaka-yuddha-vidhih, de kunst van het
trainen en hanteren van rammen, hanen en kwartels om bij
wijze van sport met elkaar te vechten; (44)
s'uka-s'ârikâ-pralâpanam, kennis over
hoe wijfjes en mannetjes papegaaien te leren spreken en
vragen van mensen te beantwoorden; (45)
utsâdanam, het genezen van mensen met
smeersels; (46) kes'a-mârjana- kaus'alam, haar
knippen en kapsels maken; (47)
akshara-mushthikâ-kathanam, zeggen wat er in een
boek staat zonder het gezien te hebben, en raden wat erin de
vuist van een ander verborgen zit; (48)
mlecchita-kutarka-vikalpâh, navertellen van
verhalen van barbaren uit den vreemde; (49)
des'a-bhâshâ-jñânam, kennis
van provinciaalse dialekten; (50)
pushpa-s'akathikâ-nirmiti-jñânam,
kennis over hoe feestkarren te maken met bloemen; (51)
yantra-mâtrikâ, samenstellen van magische
vierkanten, waarbij de nummers naar boven en beneden op
hetzelfde getal uitkomen; (52)
dhârana-mâtrikâ, het gebruik van
amuletten; (53) samvâcyam, conversatie; (54)
mânasî-kâvya-kriyâ, in
gedachten gedichten maken; (55)
kriyâ-vikalpâh, een literair meesterwerk
bedenken of een geneesmethode; (56)
chalitaka-yogâh, het bouwen van schrijnen; (57)
abhidhâna-kosha-cchando-jñânam,
kennis van woordenlijsten en dichtvormen; (58)
vastra-gopanam, een stuk stof er laten uitzien alsof
het een andere kwaliteit heeft; (59)
dyûta-vis'esham, kennis van de verschillende
vormen van gokken; (so) âkarsha-krîda,
dobbelen; (61) bâlaka-krîdanakam, spelen
met speelgoed; (62) vainâyikî
vidyâ, doen van bezweringen; (63)
vaijayikî vidyâ, de overwinning behalen;
en (64) vaitâlikî vidyâ, de leraar
met muziek wekken bij het ochtendgloren [zie ook het
Krishnaboek
Hoofdstuk 45].
*5
Samyama betekent, zelfbeheersing, inperking, de zaken
bijeen houden, het integreren van de concentratie
[dhâranâ], de meditatie
[dhyâna] en de verzonkenheid
[samâdhi] in de yoga.
