
Canto
5
Hoofdstuk 14: De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot.
(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, met name redenerend naar de geaardheden der goedheid en dergelijke, uit van het verkeerde standpunt; soms krijgen ze het gunstige, soms het ongunstige en soms hebben ze een combinatie van beide. Op basis van de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing dat zich kenmerkt door het telkens opnieuw opgeven van het ene lichaam en het weer oppakken van een nieuw lichaam. Op dat moeizame pad zich door het dichte woud van het materiële bestaan bewegend kan het zo gebeuren dat van Vishnu, de Opperheer die de Beheerser is, de gebonden ziel die handelt onder invloed van mâyâ, het illusoire van de materie, in dezen precies als een koopman is met een verlangd object die uit is op het geld. Met zijn lichaam optredend terwille van de baten, ervaart hij de materiële wereld waarin hij is beland als was het een begraafplaats, daar hij tot op dat moment niet succesvol is geweest en allerlei moeilijkheden ondervond in het niet vorderen op de weg van het navolgen der toegewijden, de hommels, aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers die aan de ervaren ellende een einde zouden maken. (2) Op basis van de gegarandeerde activiteit van de zinnen lijdt het geen twijfel dat dezen, met welk klein beetje welvaart ook dat een persoon zich zo plichtsgetrouw verwierf na zo veel zware arbeid, zijn plunderaars zouden kunnen worden genoemd. Zonder pardon plunderen ze de begeertige ziel die de controle kwijt is en op het verkeerde pad is geraakt, met de manier waarop hij het vanuit zijn thuissituatie houdt op zinsbevrediging in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken van al het goed verworven; een kwestie waarvan de wijzen uitroepen dat het, religieus de praktijk der principes aanhoudend, alleen maar leidt tot een beter leven in het hiernamaals als men, met het brengen van offers, trouw is in het aanbidden van de Heer. (3) In dezen doen de leden van zijn familie, beginnend bij zijn vrouw en kinderen, zich voor als tijgers en jakhalzen daar voorzeker, temidden van het gezin dat hij boven alles tracht te beschermen, hij ellendig pogend zijn weelde niet te vergooien, zich als een lam voelt dat gewelddadig wordt gegrepen. (4) Zo zeker als een akker die jaarlijks wordt omgeploegd nog steeds de zaden van de struiken, grassen en het onkruid bevat dat opnieuw, net als in welke tuin ook, opschiet met de ingezaaide planten, zal zich dit zeer zeker ook voordoen in het handelingsgebied van het gezinsleven, als men er niet zeker van is dat alle karma is overwonnen; daarom wordt deze wereld de bewaarplaats van het baatzuchtig verlangen genoemd. (5) Verloren in dat bestaan, zich somtijds op deze materiële weg door het bestaan rondbewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven gelijk aan ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend in haar baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld, waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij dan ook, soms alsof hij een fata morgana najaagt in zijn ijver te eten en te drinken en sex te hebben en dergelijke, een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (7) Somtijds, als iemand geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een eindeloze bron van fouten is, probeert hij zich goud toe te eigenen, precies als iemand die op zoek naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (8) Op deze manier wordt een persoon in dit materiële woud bij tijden volledig in beslag genomen in het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde, die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (9) Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan, voor een ogenblik, ontwaakt hij voor de werkelijkheid van de betekenisloosheid van het lichamelijk begrip van zichzelf dat zijn heugenis vernietigde en waarvan hij zeker op de voorwerpen van zijn zinnen uitwas als betrof het het water van een luchtspiegeling. (11) Soms, precies als met de doordringende, herhaalde, typische, geluiden van uilen en krekels, is er direct of indirect de irritatie opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart verdriet bezorgen. (12) Als de geconditioneerde ziel [dat wat hij verkreeg door] zijn goede daden in zijn voorgaande leven(s) heeft uitgeput en te dien tijde de rijken benadert met hun dode zielen, dan is hij zelve van binnen net zo dood, daar ze gelijk de kâraskara, kâkatunda en dergelijke [niet vruchtdragende bomen] zijn; net als bedorven putten, zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Zo gauw hij, in minachting voor het gezag, uit is op de omgang met het onware, gedraagt hij zich alsof hij in ondiepe wateren duikt en begeeft hij, vanaf welke kant hij de prong ook waagt, zich op het pad der goddeloosheid, ondanks het leed dat dat met zich meebrengt. (14) Als hij, andere plannen ten spijt armlastig zijnde, blind voor zichzelf van zijn vader en zijn zoons niet zijn deel kan krijgen, zal hij dan zeker met zijn familie en verwanten moeilijk doen over zaken zo onbeduidend als een grasspriet. (15) Bij tijden het leven thuis ervarend als een bosbrand die niets goeds oplevert en alleen maar meer en meer verdriet bezorgt, belandt hij, verteerd door het vuur van verdriet, in de diepste ontgoocheling. (16) Soms door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, wordt de gekoesterde weelde weggekaapt en blijft hij, verstoken van heel zijn goede leventje, achter als een lijk dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Het doet zich ook voor dat hij zich inbeeldt dat het niet langer bestaande van zijn overleden vader en grootvader weer bestaat, en zo denkend vindt hij die de materie najaagt dan het geluk van schijnwerelden. (18) Soms, als een huishouder de gedragsregels volgend voor het baatzuchtig handelen, wil hij de steilste berg beklimmen en weeklaagt hij, heetgebakerd met een geest uit op de materie, alsof hij beland is in een veld vol van doornen en scherpe stenen. (19) Nu en dan niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, raakt zijn geduld op en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Hij die zo zeker bij herhaling is verzwolgen door de python van de slaap is, in beslag genomen door onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat, eenzaam in het woud achtergelaten, daar ligt zonder nog langer ook maar iets te weten. (21) Zo nu en dan met zijn tanden gebroken op de afgunst van zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de blinde put der illusie met een bewustzijn dat in verval raakt als gevolg van een uitputtend gepieker. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete druppels van verlangen van een andere vrouw of de rijkdom van iemand anders, hij zich die toeëigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en aldus beland in een onvergelijkelijk hels bestaan.
(23) Welnu, om deze reden is het zo dat de vedische autoriteit beweert dat het geen twijfel lijdt dat het baatzuchtig handelen van een levend wezen er de reden van is dat hij vastzit in deze oceaan der materie. (24) Daarvan vrijgekomen, als hij erin slaagt aan de bestraffing te ontkomen, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt op zijn beurt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] dat hem weer afhandig, en aldus gaat de rijkdom van de een over naar de ander. (25) Het doet zich ook voor dat men door de verschillende oorzaken der natuur, zoals hitte en kou, van andere levende wezens en van het eigen lichaam en de eigen geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8] men niet in staat is de ellendige omstandigheden het hoofd te bieden, zodat men zwaar gehinderd blijft zitten met angsten en depressies. (26) Soms, handel drijvend met elkaar, ontstaat er, om het kleinste beetje geld of kleinigheidje zich toegeëigend, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege het bedrog. (27) Op die weg van het materieel bestaan treft men al deze eindeloze moeilijkheden aan die men zo heeft met geluk, ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood en zo voorts. (28) Ergens, onder de invloed van de bedrieglijke energie, mâyâ, raakt hij, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgaan van alle intelligentie en wijsheid; in de wens haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft zijn hart in die zorg en wordt zijn bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoons en dochters onder de hoede van moeder de vrouw. De regie over zichzelf kwijt wordt hij in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.
(29) Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarmee na de nodige tijd, gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Direct voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men zeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zijn zelfverzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien. (30) Als de geconditioneerde ziel door de atheïsten die zelf bedrogen zijn zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt hij zijn heil bij de school der brahmanen, maar met hen als moeilijke mensen geen bevrediging vindend in het goede karakter van het te werk gaan met de heilige draad naar principe en de Schrift, noch het vindend in de zekere cultuur van het met het vervullen van de plichten aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt hij zich tot het gezelschap van werknemers die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de vedische voorschriften, en van hen in een materialistisch seksleven de familie in standhoudend, treft hij zichzelf dan aan in het gezelschap van die lieden die denken dat ze zich hebben ontwikkeld uit de apen. (31) In die omstandigheid zonder de geringste twijfel naar eigen gezag genietend als apen traag van begrip, vergeten ze hoe kortstondig het bestaan is in hun, enkel voor het fraaie uiterlijk van elkaar, smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Verrukt in hun huizen waarin als in bomen, ze precies als apen naar een groter gemak uitzien, brengen ze hun tijd door met het zorgen voor en plezier maken met hun vrouw en kinderen. (33) Aldus is geconditioneerde ziel gevangen op het pad der zinnelijkheid en verwijlt hij, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als die van een berggrot. (34-35) Soms raakt hij [zoals gezegd] door zijn onvermogen het onoverkomelijke van de vele ellende van de hitte en kou der natuur, andere wezens en zijn eigen bestaan, bevangen door droefenis vanwege de zinsbevrediging - ongeacht wat voor beetje weelde hij ook in transacties, soms met bedrog, verworven moge hebben. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken van voorzieningen om te slapen, te zitten, en te eten, heeft hij, zo lang als hij niet succesvol is, als gevolg van wat hij in zijn vastbeslotenheid op een oneerlijke manier verwierf, in zijn verlangen, de beledigingen en bestraffingen van de mensen te verduren als gevolg daarvan. (37) Hoewel men zich door financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die daaropvolgend, op die basis van de valse noties, consequent weer in scheidingen eindigen.(38) Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de ellende van het bestaan, waarbij de geconditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben, verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan het zingen is. Met uitzondering van de heilige zielen keert die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, tot op de dag van vandaag zelfs niet terug naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn bestaan vond en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Niet de instructies van de yoga opvolgend noch dit pad wordt [door hen] dit verblijf nooit verworven, dat door de wijzen, die deemoedig in vrede levend de geest en de zinnen onder controle hebben, met gemak wordt bereikt. (40) Hoe zegerijk ook op allerlei gebied, hoe deskundig ze ook waren in alle offers; allen die waarlijk de wijste koningen waren, waren slechts van de aarde in het laten van hun levens, ze opgevend in de strijd, in het inderdaad gedood worden door de gecreëerde vijandigheid met anderen en door het zeggen van 'mijn' tegen dingen. [vergelijk 1.2: 13]. (41) De toevlucht zoekend van de omhelzing der baatzuchtige arbeid belandt men, met die riskante positie op de een of andere manier gevrijwaard van een hels bestaan, op die wijze zich bevindend op het pad der materiële behartiging, opnieuw in de wereld van het menselijke eigenbelang, ook al schopte men het tot een hoger bestaan.
(42) Er is niet één koning in staat het pad te volgen van dit wat hier is bezongen van die grote ziel Jada Bharata die de zoon is van Rishabhadeva, de grote heilige koning; net zoals een vlieg er niet toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf; verzot op Uttamas'loka, de Heer geprezen, verzaakte hij, alsof het uitwerpselen betrof, nog maar in zijn jonge jaren dat wat in de kern van het hart ligt besloten . (44) Voor hen wiens geesten worden aangetrokken tot de liefdevolle dienst aan de doder van Madhu [Krishna] opgebracht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op te geven is, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad, zelfs toen hij verkeerde in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal langer leven, fortuinlijker zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken of het pad van de bevrijding vinden; het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal voorzeker iemand alle mogelijke zegen brengen en hem in relatie tot anderen niets meer te verlangen overlaten.
Tweede editie, geladen 10 februari, 2007. ![]()
Bronteksten:
De materiële wereld als het grote woud van genot
De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, met name redenerend naar de geaardheden der goedheid en dergelijke, uit van het verkeerde standpunt; soms krijgen ze het gunstige, soms het ongunstige en soms hebben ze een combinatie van beide. Op basis van de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing dat zich kenmerkt door het telkens opnieuw opgeven van het ene lichaam en het weer oppakken van een nieuw lichaam. Op dat moeizame pad zich door het dichte woud van het materiële bestaan bewegend kan het zo gebeuren dat van Vishnu, de Opperheer die de Beheerser is, de gebonden ziel die handelt onder invloed van mâyâ, het illusoire van de materie, in dezen precies als een koopman is met een verlangd object die uit is op het geld. Met zijn lichaam optredend terwille van de baten, ervaart hij de materiële wereld waarin hij is beland als was het een begraafplaats, daar hij tot op dat moment niet succesvol is geweest en allerlei moeilijkheden ondervond in het niet vorderen op de weg van het navolgen der toegewijden, de hommels, aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers die aan de ervaren ellende een einde zouden maken.Toen koning Parîkshit S'ukadeva Gosvâmî had gevraagd om hem de ondubbelzinnige betekenis van het woud der materie uiteen te zetten, antwoordde S'ukadeva Gosvâmî als volgt: Beste koning, een man die tot de gemeenschap van kooplieden behoort [een vanik], is er altijd in geïnteresseerd om geld te verdienen. Soms gaat hij het woud in om wat eenvoudige produkten als hout en aarde te halen en die in de stad voor een goede prijs te verkopen. Op dezelfde manier komt de geconditioneerde ziel vol hebzucht deze materiële wereld binnen om er wat materiële winst te maken. Geleidelijk komt hij in het diepst van het woud terecht, zonder dat hij eigenlijk weet hoe hij er weer uit moet komen. Als de zuivere ziel de materiële wereld is binnengegaan, wordt hij geconditioneerd door de materiële atmosfeer, die geschapen is door de uitwendige energie onder toezicht van Heer Vishnu. Op deze wijze komt het levend wezen onder controle van de uitwendige energie, daivî mâyâ. Door zijn onafhankelijke en chaotische levenswijze in het woud komt het levend wezen niet in contact met toegewijden, die altijd opgaan in het dienen van de Heer. Wanneer hij eenmaal denkt dat hij dit lichaam is, krijgt hij onder invloed van de materiële energie en voortgestuwd door de geaardheden der materiële natuur [sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna] achter elkaar allerlei verschillende lichamen. Op deze wijze gaat de geconditioneerde ziel nu eens naar de hemelse planeten, dan weer naar de aardse planeten en dan weer naar de lagere planeten en de lagere levenssoorten. Door de verschillende soorten lichamen die hij aanneemt, lijdt hij onophoudelijk. Het lijden en de pijn die hij moet doormaken, zijn verschillend van aard. Soms zijn ze zeer hevig, en dan weer niet. De fysieke conditionering van de belichaamde ziel komt voort uit zijn speculatie. Door het gebruik van zijn geest en zijn vijf kennisverwervende zinnen krijgt het levend wezen verschillende lichamen en komt hij terecht in verschillende levensomstandigheden. Omdat hij zijn zinnen gebruikt onder leiding van de uitwendige energie, mâyâ, lijdt hij onder de ellendige omstandigheden van het materiële bestaan. In feite zoekt hij naar bevrijding, maar doorgaans wordt hij gefrustreerd, hoewel hij soms na veel pijn en moeite verlichting vindt. Omdat het levend wezen zodanig in de strijd om het bestaan verwikkeld is, weet hij de toevlucht van de zuivere toegewijden niet te bereiken, die als hommels zo druk bezig zijn met hun liefdevolle dienst aan de lotusvoeten van Heer Vishnu. (Vedabase)
Op basis van de gegarandeerde activiteit van de zinnen lijdt het geen twijfel dat dezen, met welk klein beetje welvaart ook dat een persoon zich zo plichtsgetrouw verwierf na zo veel zware arbeid, zijn plunderaars zouden kunnen worden genoemd. Zonder pardon plunderen ze de begeertige ziel die de controle kwijt is en op het verkeerde pad is geraakt, met de manier waarop hij het vanuit zijn thuissituatie houdt op zinsbevrediging in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken van al het goed verworven; een kwestie waarvan de wijzen uitroepen dat het, religieus de praktijk der principes aanhoudend, alleen maar leidt tot een beter leven in het hiernamaals als men, met het brengen van offers, trouw is in het aanbidden van de Heer.
In het woud van het materiële bestaan zijn de onbeheerste zinnen als plunderaars. Soms verdient de geconditioneerde ziel wat geld, dat gebruikt zou moeten worden om vooruitgang te maken in Krishna-bewustzijn, maar de onbeheerste zinnen beroven hem er helaas van door het op te eisen voor zinsbevrediging. De zinnen zijn plunderaars omdat zij er de oorzaak van zijn dat iemand zijn geld nodeloos uitgeeft aan zien, ruiken, proeven, aanraken, horen, het vervullen van verlangens en het volgen van zijn wil. Zo komt het dat de geconditioneerde ziel verplicht is om zijn zinnen te bevredigen, en op deze wijze geeft hij al zijn geld uit. Eigenlijk heeft hij dit geld verdiend om de religieuze principes ten uitvoer te brengen, maar de plunderende zinnen hebben het hem afgenomen. (Vedabase)
In dezen doen de leden van zijn familie, beginnend bij zijn vrouw en kinderen, zich voor als tijgers en jakhalzen daar voorzeker, temidden van het gezin dat hij boven alles tracht te beschermen, hij ellendig pogend zijn weelde niet te vergooien, zich als een lam voelt dat gewelddadig wordt gegrepen.
Beste koning, in deze materiële wereld worden iemands gezinsleden zijn vrouw en kinderen genoemd, maar in feite gedragen ze zich als tijgers en jakhalzen. Een herder probeert zijn schapen naar beste vermogen te beschermen, maar tijgers en vossen roven ze met geweld weg. Zo gaat het ook met iemand die gierig is en zijn geld met zorg bewaakt, want ondanks het feit dat hij heel goed oplet, beroven zijn gezinsleden hem met geweld van zijn bezittingen. (Vedabase)
Zo zeker als een akker die jaarlijks wordt omgeploegd nog steeds de zaden van de struiken, grassen en het onkruid bevat dat opnieuw, net als in welke tuin ook, opschiet met de ingezaaide planten, zal zich dit zeer zeker ook voordoen in het handelingsgebied van het gezinsleven, als men er niet zeker van is dat alle karma is overwonnen; daarom wordt deze wereld de bewaarplaats van het baatzuchtig verlangen genoemd.
Elk jaar ploegt de boer zijn graanveld om, en haalt er het onkruid met wortel en al uit. Niettemin blijft het zaad liggen, en omdat het niet helemaal verbrand is, komt het onkruid weer op, samen met de planten die op het veld uitgezaaid zijn. Zelfs als het onkruid ondergeploegd wordt, komt het toch nog in overvloed op. Zo is ook de grihastha-âs'rama [het gezinsleven] een veld van baatzuchtige activiteiten. Tenzij het verlangen om van het gezinsleven te genieten volledig opgebrand is, schiet het keer op keer op. Zelfs als men kamfer uit een pot verwijdert, blijft het aroma van de kamfer toch in die pot hangen. Zolang het zaad der begeerte niet vernietigd is, zijn de baatzuchtige activiteiten evenmin vernietigd. (Vedabase)
Verloren in dat bestaan, zich somtijds op deze materiële weg door het bestaan rondbewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven gelijk aan ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend in haar baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld, waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen.
Soms wordt de geconditioneerde ziel die een gezinsleven leidt en aan materiële rijkdom en bezittingen gehecht is, gehinderd door paardevliegen en muskieten en soms ondervindt hij overlast van sprinkhanen, roofvogels en ratten. Niettemin blijft hij ronddolen op het pad van het materiële bestaan. Uit onwetendheid wordt hij begerig en stort zich in baatzuchtige activiteiten. Omdat zijn geest geheel in deze activiteiten opgaat, beschouwt hij de materiële wereld als blijvend, hoewel die zo tijdelijk is als een hersenschim, een luchtkasteel. (Vedabase)
Daar [in die menselijke wereld] is hij dan ook, soms alsof hij een fata morgana najaagt in zijn ijver te eten en te drinken en sex te hebben en dergelijke, een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen.
Soms drinkt de geconditioneerde ziel in dit luchtkasteel [gandharva-pura], en dan weer eet hij of bedrijft hij seks. Omdat hij overdreven gehecht is, rent hij achter de zinsobjecten aan zoals een hert een luchtspiegeling in de woestijn najaagt. (Vedabase)
Somtijds, als iemand geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een eindeloze bron van fouten is, probeert hij zich goud toe te eigenen, precies als iemand die op zoek naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is.
Soms toont het levend wezen belangstelling voor de gele uitwerpselen die men goud noemt, en gaat er achteraan. Dit goud is de bron van materiële weelde en afgunst, en het stelt iemand in staat om zich over te geven aan ongeoorloofde seks, gokken, het eten van vlees en allerlei vormen van bedwelming. Degenen die in de greep van de geaardheid hartstocht zijn, worden door de kleur van goud aangetrokken, net zoals een man in het woud die het koud heeft achter een dwaallichtje aan een moerasgebied inrent omdat hij denkt dat het vuur is. (Vedabase)
Op deze manier wordt een persoon in dit materiële woud bij tijden volledig in beslag genomen in het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde, die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht.
Soms wordt de geconditioneerde ziel in beslag genomen door het zoeken naar een woning of appartement of is hij bezig om een voorraad water aan te leggen en kostbaarheden te verzamelen om zijn lichaam in stand te houden. Hij gaat zo volledig op in het vergaren van allerlei levensbenodigdheden, dat hij alles vergeet en onafgebroken door het woud van het materiële bestaan heen en weer rent. (Vedabase)
Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust.
Soms, als verblind door het stof van een wervelstorm, ziet de geconditioneerde ziel de schoonheid van de andere sekse, pramadâ geheten. Daardoor raakt hij zo van zijn stuk, dat hij op de schoot van een vrouw terechtkomt, en op dat moment worden zijn zinnen volkomen overweldigd door de kracht der hartstocht. Op deze wijze wordt hij bijna blind van wellustig verlangen en overtreedt hij de regels en bepalingen van het seksuele leven. Niet wetend dat zijn overtreding gadegeslagen wordt door verschillende halfgoden, geniet hij in het holst van de nacht van ongeoorloofde seks, zonder zich bewust te zijn van de straf die hem boven het hoofd hangt. (Vedabase)
Zo nu en dan, voor een ogenblik, ontwaakt hij voor de werkelijkheid van de betekenisloosheid van het lichamelijk begrip van zichzelf dat zijn heugenis vernietigde en waarvan hij zeker op de voorwerpen van zijn zinnen uitwas als betrof het het water van een luchtspiegeling.
Soms wordt de geconditioneerde ziel zich bewust van de nutteloosheid van zinsbevrediging in de materiële wereld en op zo'n moment beschouwt hij zingenot als een poel van ellende. Tengevolge van zijn sterke identificatie met zijn lichaam wordt zijn herinneringsvermogen echter verwoest en rent hij keer op keer weer achter materieel genot aan, als een dier dat een luchtspiegeling in de woestijn achternaloopt. (Vedabase)
Soms, precies als met de doordringende, herhaalde, typische, geluiden van uilen en krekels, is er direct of indirect de irritatie opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart verdriet bezorgen.
Soms is de geconditioneerde ziel zeer gekrenkt door de les die hem gelezen wordt door zijn vijanden en door overheidsfunctionarissen, die hem rechtstreeks of indirect met scherpe woorden bejegenen. Op zo'n moment worden zijn hart en oren verscheurd door hun harde woorden, die vergeleken kunnen worden met het geluid dat uilen en krekels maken. (Vedabase)
Als de geconditioneerde ziel [dat wat hij verkreeg door] zijn goede daden in zijn voorgaande leven(s) heeft uitgeput en te dien tijde de rijken benadert met hun dode zielen, dan is hij zelve van binnen net zo dood, daar ze gelijk de kâraskara, kâkatunda en dergelijke [niet vruchtdragende bomen] zijn; net als bedorven putten, zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken.
Door de vrome activiteiten die het levend wezen in voorgaande levens verricht heeft, wordt hij in dit leven van bepaalde materiële gemakken voorzien, maar als die uitgeput zijn, neemt hij zijn toevlucht tot rijkdom en weelde, wat hem noch in dit leven noch in het volgende helpen kan. Daarom benadert hij de levende doden die deze zaken bezitten. Dergelijke mensen worden vergeleken met onzuivere bomen en klimplanten en giftige bronnen. (Vedabase)
Zo gauw hij, in minachting voor het gezag, uit is op de omgang met het onware, gedraagt hij zich alsof hij in ondiepe wateren duikt en begeeft hij, vanaf welke kant hij de prong ook waagt, zich op het pad der goddeloosheid, ondanks het leed dat dat met zich meebrengt.
Om de pijn te verlichten die de geconditioneerde ziel in dit woud van de materiële wereld ervaart, aanvaardt hij soms de goedkope zegen van atheïsten. In hun gezelschap verliest hij al zijn intelligentie. Het is net alsof hij in een ondiepe rivier springt, en het enige resultaat is dat hij zijn nek breekt. De pijn die hij door de hitte lijdt, kan hij niet verzachten; hij moet toch lijden, of het nu op de ene manier is of op de andere. De misleide geconditioneerde ziel benadert ook zogenaamde sâdhu's en svâmî's die tegen de beginselen van de Veda's prediken, maar van hen ontvangt hij evenmin hulp, noch in het heden noch in de toekomst. (Vedabase)
Als hij, andere plannen ten spijt armlastig zijnde, blind voor zichzelf van zijn vader en zijn zoons niet zijn deel kan krijgen, zal hij dan zeker met zijn familie en verwanten moeilijk doen over zaken zo onbeduidend als een grasspriet.
Wanneer de geconditioneerde ziel in deze wereld, ondanks het feit dat hij anderen exploiteert, niet voor zijn eigen onderhoud kan zorgen, probeert hij ook nog zijn vader of zijn zoon uit te buiten door hun bezittingen af te nemen, hoe bescheiden die ook mogen zijn. Als hij niets van zijn vader, zoon of andere verwanten los kan krijgen, is hij in staat om ze allerlei moeilijkheden te bezorgen. (Vedabase)
Bij tijden het leven thuis ervarend als een bosbrand die niets goeds oplevert en alleen maar meer en meer verdriet bezorgt, belandt hij, verteerd door het vuur van verdriet, in de diepste ontgoocheling.
Het gezinsleven in deze wereld is net een laaiende bosbrand. Er bestaat geen greintje geluk, en langzaam aan verzandt men steeds meer in ongeluk. Het gezinsleven heeft niets bevorderlijks voor duurzaam geluk. Als de geconditioneerde ziel in het gezinsleven verwikkeld is, wordt hij verzengd door het vuur van zijn eigen jammerklachten. Soms roept hij uit dat hij zeer onfortuinlijk is, en dan beweert hij weer dat hij zo moet lijden omdat hij in zijn vorige leven geen vrome activiteiten verricht heeft. (Vedabase)Tekst 16:
Soms door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, wordt de gekoesterde weelde weggekaapt en blijft hij, verstoken van heel zijn goede leventje, achter als een lijk dat zijn laatste levensadem uitblies.
De ambtenaren van de overheid zijn altijd als de vleesetende demonen die Râkshasa's [menseneters] genoemd worden. Soms keren deze overheidsambtenaren zich tegen de geconditioneerde ziel en ontnemen hem alle rijkdom die hij vergaard heeft. Wanneer hij beroofd is van het vermogen dat hij in zijn leven opgespaard heeft, verliest hij al zijn enthousiasme; in feite lijkt het wel of hij zijn leven verloren heeft. (Vedabase)
Het doet zich ook voor dat hij zich inbeeldt dat het niet langer bestaande van zijn overleden vader en grootvader weer bestaat, en zo denkend vindt hij die de materie najaagt dan het geluk van schijnwerelden.
Soms verbeeldt de geconditioneerde ziel zich dat zijn vader of grootvader is wedergekeerd in de gedaante van zijn zoon of kleinzoon. Op deze wijze proeft hij het geluk dat men soms in een droom voelt; uit dergelijke fantasieën put de geconditioneerde ziel plezier. (Vedabase)
Soms, als een huishouder de gedragsregels volgend voor het baatzuchtig handelen, wil hij de steilste berg beklimmen en weeklaagt hij, heetgebakerd met een geest uit op de materie, alsof hij beland is in een veld vol van doornen en scherpe stenen.
Men moet in het gezinsleven vele yajña's en baatzuchtige activiteiten verrichten, in het bijzonder het vivâha-yajña [de huwelijksceremonie voor zoons en dochters] en de ceremonie van de heilige draad. Al deze plichten van een grihastha zijn zeer veelomvattend en moeilijk te vervullen. Ze worden vergeleken met een grote berg, waar iemand die aan materiële activiteiten gehecht is overheen moet. Wie zich door deze rituele ceremonies heen wil bijten, ontkomt niet aan allerlei pijn, welke vergelijkbaar is met het prikken van doornen en steentjes dat men verduren moet als men probeert om een berg te beklimmen. Het lijden van de geconditioneerde ziel kent dus geen grenzen. (Vedabase)
Nu en dan niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, raakt zijn geduld op en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden.
Gekweld door honger en dorst raakt de geconditioneerde ziel soms zodanig in de war, dat hij zijn geduld verliest en kwaad wordt op zijn eigen geliefde zoons, dochters en vrouw. En omdat hij onvriendelijk tegen ze is moet hij des te meer lijden. (Vedabase)
Hij die zo zeker bij herhaling is verzwolgen door de python van de slaap is, in beslag genomen door onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat, eenzaam in het woud achtergelaten, daar ligt zonder nog langer ook maar iets te weten.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde zijn uiteenzetting aan Mahârâja Parîkshit als volgt: Beste koning, slaap is net als een python. Degenen die ronddolen in het woud van het materiële leven worden altijd opgeslokt door de python van de slaap. Wanneer ze eenmaal door deze python gebeten zijn, blijven ze voor altijd in de duisternis der onwetendheid. Het zijn net lijken die in een afgelegen woud neergegooid zijn. Zo komt het dat de geconditioneerde zielen niet begrijpen kunnen wat er in het leven allemaal gaande is. (Vedabase)
Zo nu en dan met zijn tanden gebroken op de afgunst van zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de blinde put der illusie met een bewustzijn dat in verval raakt als gevolg van een uitputtend gepieker.
In het woud van de materiële wereld wordt de geconditioneerde ziel soms gebeten door afgunstige vijanden, die met slangen en andere creaturen vergeleken worden. Door de listen van de vijand raakt de geconditioneerde ziel zijn invloedrijke positie kwijt. Uit angst en zorgen kan hij zelfs niet meer behoorlijk slapen. Zo wordt hij steeds ongelukkiger, en langzamerhand verliest hij zijn intelligentie en zijn bewustzijn. In die toestand wordt hij als een blinde die in de donkere put van onwetendheid gevallen is, en daar bijna nooit meer uitkomt. (Vedabase)
En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete druppels van verlangen van een andere vrouw of de rijkdom van iemand anders, hij zich die toeëigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en aldus beland in een onvergelijkelijk hels bestaan.
Soms wordt de geconditioneerde ziel aangelokt door het kleine beetje geluk dat hij uit zinsbevrediging haalt en geeft hij zich over aan ongeoorloofde seks of steelt andermans bezit. Dan loopt hij het risico om door de overheid gearresteerd te worden of een afstraffing te krijgen van de echtgenoot van de vrouw of van haar beschermer. Zo komt hij voor een heel klein beetje materiële bevrediging in een helse situatie terecht en wordt hij voor verkrachting, kidnapping, diefstal enzovoort opgesloten in de gevangenis. (Vedabase)
Welnu, om deze reden is het zo dat de vedische autoriteit beweert dat het geen twijfel lijdt dat het baatzuchtig handelen van een levend wezen er de reden van is dat hij vastzit in deze oceaan der materie.
Erudiete geleerden en transcendentalisten veroordelen daarom het materialistische pad der baatzuchtige activiteiten aangezien het de oorspronkelijke bron en broedplaats van materiële ellende is, zowel in dit leven als in het volgende. (Vedabase)
Daarvan vrijgekomen, als hij erin slaagt aan de bestraffing te ontkomen, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt op zijn beurt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] dat hem weer afhandig, en aldus gaat de rijkdom van de een over naar de ander.
Door een ander te bestelen of hem door oplichterij van zijn geld te beroven, houdt de geconditioneerde ziel de duiten op de een of andere wijze in zijn bezit en ontloopt zijn straf. Dan komt er een andere man, Devadatta genaamd, die hem bedriegt en er met zijn geld vandoor gaat. Dan komt er weer een andere man, Vishnumitra genaamd, die het geld van Devadatta steelt en er op zijn beurt mee vandoor gaat. Hoe dan ook, het geld blijft niet op dezelfde plaats. Het gaat van hand tot hand. Uiteindelijk komt het erop neer dat niemand van het geld kan genieten en dat het in bezit van de Allerhoogste Godspersoon blijft. (Vedabase)
Het doet zich ook voor dat men door de verschillende oorzaken der natuur, zoals hitte en kou, van andere levende wezens en van het eigen lichaam en de eigen geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8] men niet in staat is de ellendige omstandigheden het hoofd te bieden, zodat men zwaar gehinderd blijft zitten met angsten en depressies.
Omdat de geconditioneerde ziel niet in staat is om zich te beschermen tegen de drievoudige ellende van het materiële bestaan, vervalt hij in somberheid en wordt zijn leven één lange klaagzang. Deze drievoudige ellende bestaat uit de ellende door natuurrampen die de halfgoden over ons brengen [zoals ijskoude wind en verzengende hitte], de ellende die door andere levende wezens teweeggebracht wordt en de ellende die uit onze geest en ons eigen lichaam voortkomt. (Vedabase)
Soms, handel drijvend met elkaar, ontstaat er, om het kleinste beetje geld of kleinigheidje zich toegeëigend, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege het bedrog.
En wat financiële transacties betreft: als de een de ander afzet voor een paar centen of zelfs nog minder, dan worden ze vijanden. (Vedabase)
Op die weg van het materieel bestaan treft men al deze eindeloze moeilijkheden aan die men zo heeft met geluk, ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood en zo voorts.
Het materialistische leven kent vele moeilijkheden. (die ik zojuist opgesomd heb), en al deze moeilijkheden zijn onoverkomelijk. Daarbij komen nog de problemen die ontstaan uit zogenaamd geluk, verdriet, gehechtheid, haat, vrees, vals prestige, illusie, krankzinnigheid, geklaag, verwarring, hebzucht, afgunst, vijandschap, smaad, honger, dorst, rampspoed, ziekte, geboorte, ouderdom en dood. Dit alles te zamen zorgt ervoor dat de materialistische geconditioneerde ziel niets dan ellende te verduren krijgt. (Vedabase)
Ergens, onder de invloed van de bedrieglijke energie, mâyâ, raakt hij, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgaan van alle intelligentie en wijsheid; in de wens haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft zijn hart in die zorg en wordt zijn bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoons en dochters onder de hoede van moeder de vrouw. De regie over zichzelf kwijt wordt hij in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.
Soms voelt de geconditioneerde ziel zich aangetrokken door de verpersoonlijking van illusie. (zijn vrouw of vriendin) en ervaart hij een hevig verlangen om omhelsd te worden door een vrouw. Zo verliest hij zijn intelligentie en alle kennis over het doel van het leven. Zonder nog maar enige aandacht aan zijn geestelijke ontplooiing te schenken, raakt hij enorm gehecht aan zijn vrouw of zijn vriendin, voor wie hij een geschikte woning tracht te vinden. Als hij eenmaal in dat huis woont, krijgt hij het geweldig druk en raakt hij volkomen geboeid door het gepraat, de blikken en de bezigheden van zijn vrouw en kinderen. Op deze wijze verliest hij zijn Krishna-bewustzijn en werpt hij zich in het diepe duister van het materiële bestaan. (Vedabase)
Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarmee na de nodige tijd, gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Direct voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men zeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zijn zelfverzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien.
Het persoonlijk wapen van Heer Krishna, de werpschijf, wordt hari-cakra genoemd, de schijf van Hari. Deze cakra is het rad der tijd, en zijn invloed breidt zich uit vanaf het minuscule, atomische moment tot aan de levensduur van Brahmâ, en bestuurt iedere activiteit. Het draait altijd rond en wikkelt zo het leven van alle wezens af, van Heer Brahmâ tot aan het onbeduidende grassprietje. Op deze wijze ontwikkelt men zich van zuigeling tot kleuter en van jongeling tot volwassene, en komt men steeds dichter bij het eind van zijn leven. Men kan het onverbiddelijke rad der tijd onmogelijk tegenhouden, want het is het persoonlijke wapen van de Allerhoogste Godspersoon. Soms, als de geconditioneerde ziel zijn dood voelt naderen, wil hij iemand aanbidden die hem voor dat dreigende gevaar kan behoeden. Maar desondanks wendt hij zich niet tot de Allerhoogste Godspersoon, die de onvermoeibare tijdfactor als wapen heeft. Integendeel, de geconditioneerde ziel zoekt zijn toevlucht liever tot een door mensen bedachte god die beschreven wordt in niet-gezaghebbende geschriften. Zulke goden, die niet genoemd worden in de Veda's, zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien. De dreigende dood is als de aanval van een leeuw, en gieren, buizerds, kraaien, of reigers kunnen iemand niet tegen zo'n aanval beschermen. Iemand die zijn toevlucht tot ongeautoriseerde, door mensen bedachte goden neemt, kan daarom niet uit de klauwen van de dood gered worden. (Vedabase)
Als de geconditioneerde ziel door de atheïsten die zelf bedrogen zijn zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt hij zijn heil bij de school der brahmanen, maar met hen als moeilijke mensen geen bevrediging vindend in het goede karakter van het te werk gaan met de heilige draad naar principe en de Schrift, noch het vindend in de zekere cultuur van het met het vervullen van de plichten aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt hij zich tot het gezelschap van werknemers die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de vedische voorschriften, en van hen in een materialistisch seksleven de familie in standhoudend, treft hij zichzelf dan aan in het gezelschap van die lieden die denken dat ze zich hebben ontwikkeld uit de apen.
De pseudo-svâmî's, -yogî's en -incarnaties, die niet in de Allerhoogste Godspersoon geloven, staan bekend als pâshandî's. Zij zijn zelf gevallen en bedrogen omdat ze het ware pad van geestelijke vooruitgang niet kennen, en wie zich tot hen wendt, wordt zonder meer op zijn beurt bedrogen. Wanneer iemand dit een keer overkomen is, zoekt hij soms zijn toevlucht tot de echte volgelingen van de vedische principes [brâhmana's of degenen die zich in Krishna-bewustzijn bevinden], die iedereen leren hoe men de Allerhoogste Godspersoon volgens de vedische rituelen moet vereren. Omdat ze zich echter niet aan deze principes kunnen houden, vallen zulke schurken weer terug en zoeken hun toevlucht tot s'ûdra's die heel goed zijn in het treffen van allerlei regelingen voor het bedrijven van seks. Seks neemt een vooraanstaande plaats in onder dieren als apen, en we kunnen degenen die enthousiast zijn voor het bedrijven van seks ook afstammelingen van de apen noemen. (Vedabase)
In die omstandigheid zonder de geringste twijfel naar eigen gezag genietend als apen traag van begrip, vergeten ze hoe kortstondig het bestaan is in hun, enkel voor het fraaie uiterlijk van elkaar, smachten naar bevrediging en materieel voordeel.
Op deze wijze vermengen de afstammelingen van de apen - die over het algemeen als s'ûdra's bekendstaan - zich met elkaar. Ze hebben geen remmingen en leven er lustig op los, maar het doel van het leven kennen ze niet. Alleen al als ze elkaars gezicht zien raken ze gebiologeerd, want dat doet ze aan zinsbevrediging denken. Ze zijn altijd met materiële activiteiten bezig - grâmya-karma - en om een beetje materieel voordeel te behalen, werken ze heel hard. Zo vergeten ze volkomen dat er op een dag een eind aan hun korte leven komt en dat ze dan terug zullen vallen in de kringloop der evolutie. (Vedabase)
Verrukt in hun huizen waarin als in bomen, ze precies als apen naar een groter gemak uitzien, brengen ze hun tijd door met het zorgen voor en plezier maken met hun vrouw en kinderen.
Net zoals een aap van de ene boom naar de andere springt, gaat de geconditioneerde ziel van het ene lichaam naar het andere. En net zoals de aap tenslotte gevangen wordt door de jager en onmogelijk kan ontsnappen, raakt de geconditioneerde ziel, gefascineerd door kortstondig seksplezier, aan verschillende lichamen gehecht en gevangen in het gezinsleven. Het gezinsleven biedt de geconditioneerde ziel een festival van kortstondig seksueel genot, waardoor hij absoluut niet meer in staat is om zich uit de greep der materie te bevrijden. (Vedabase)
Aldus is geconditioneerde ziel gevangen op het pad der zinnelijkheid en verwijlt hij, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als die van een berggrot.
Wanneer de geconditioneerde ziel in deze materiële wereld zijn relatie met de Allerhoogste Godspersoon vergeet en niets om Krishna-bewustzijn geeft, verricht hij alleen maar allerlei schadelijke en zondige activiteiten. Als gevolg daarvan wordt hij onderworpen aan de drievoudige ellende, en, uit vrees voor de olifant des doods, valt hij in een duisternis die zo diep is als het duister van een grot. (Vedabase)
Soms raakt hij [zoals gezegd] door zijn onvermogen het onoverkomelijke van de vele ellende van de hitte en kou der natuur, andere wezens en zijn eigen bestaan, bevangen door droefenis vanwege de zinsbevrediging - ongeacht wat voor beetje weelde hij ook in transacties, soms met bedrog, verworven moge hebben.
De geconditioneerde ziel ondergaat veel lichamelijke ellende, door bijvoorbeeld strenge koude of harde wind. Hij heeft eveneens te lijden van de activiteiten van andere levende wezens en van natuurrampen. Wanneer hij dit alles niet tegen kan gaan en zich gedwongen ziet om een ellendige situatie te verdragen, wordt hij natuurlijk zeer somber omdat hij juist van materieel comfort genieten wil.Soms betalen geconditioneerde zielen geld aan elkaar, maar omdat de een de ander oplicht, worden ze te zijner tijd vijanden. Zelfs voor een zeer geringe winst verbreken de geconditioneerde zielen hun vriendschap en worden ze elkaars vijanden. (Vedabase)
Nu en dan zonder geld zittend en verstoken van voorzieningen om te slapen, te zitten, en te eten, heeft hij, zo lang als hij niet succesvol is, als gevolg van wat hij in zijn vastbeslotenheid op een oneerlijke manier verwierf, in zijn verlangen, de beledigingen en bestraffingen van de mensen te verduren als gevolg daarvan.
Door gebrek aan geld heeft de geconditioneerde ziel soms onvoldoende voorzieningen. Het komt zelfs voor dat hij niet eens een plek heeft om te zitten en niet in staat is om in zijn behoeften te voorzien. Met andere woorden, hij begint gebrek te lijden, en wanneer hij niet op eerlijke wijze in zijn behoeften kan voorzien, besluit hij om zich het nodige op oneerlijke wijze toe te eigenen. Als hij niet kan krijgen wat hij wil, wordt hij aan alle kanten door anderen beledigd, hetgeen hem erg somber stemt. (Vedabase)
Hoewel men zich door financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die daaropvolgend, op die basis van de valse noties, consequent weer in scheidingen eindigen.
Omdat mensen hun verlangens steeds weer willen bevredigen, trouwen ze soms ondanks het feit dat ze vijanden zijn. Helaas houden deze huwelijken nooit lang stand, en gaan de betrokkenen door scheiding of op andere wijze weer uit elkaar. (Vedabase)
Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de ellende van het bestaan, waarbij de geconditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben, verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan het zingen is. Met uitzondering van de heilige zielen keert die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, tot op de dag van vandaag zelfs niet terug naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn bestaan vond en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt.
Het pad van deze materiële wereld is vol ellende en problemen voor de geconditioneerde zielen. Soms verliezen ze en dan winnen ze, maar deze weg is altijd vol gevaar. Soms verliest de geconditioneerde ziel zijn vader doordat deze sterft of om welke reden dan ook van hem gescheiden raakt. Als hij deze relatie eenmaal opgegeven heeft, gaat hij zich steeds meer aan anderen hechten, zoals bijvoorbeeld aan zijn kinderen. Daarom is de geconditioneerde ziel soms begoocheld en zo bang dat hij het uitschreeuwt van angst. Op andere momenten is hij gelukkig met het gezin waarvoor hij zorgt, en het komt zelfs voor dat hij buiten zichzelf is van vreugde en het hoogste lied zingt. Op deze wijze raakt hij verstrikt en vergeet hij dat hij sinds onheuglijke tijden gescheiden is van de Allerhoogste Godspersoon. Zo volgt hij het gevaarlijke pad van het materiële bestaan, maar hij is helemaal niet gelukkig. Om uit dit gevaarlijke materiële bestaan te geraken, zoeken zelfverwerkelijkte zielen hun toevlucht bij de Allerhoogste Godspersoon. Als men niet voor het pad van toewijding kiest, kan men onmogelijk uit de greep van het materiële bestaan losbreken. De conclusie luidt dat niemand gelukkig kan zijn in dit materiële leven. Daarom moet men Krishna-bewust worden. (Vedabase)
Niet de instructies van de yoga opvolgend noch dit pad wordt [door hen] dit verblijf nooit verworven, dat door de wijzen, die deemoedig in vrede levend de geest en de zinnen onder controle hebben, met gemak wordt bereikt.
Heiligen, die alle levende wezens tot vriend zijn, hebben een vredig bewustzijn. Ze zijn meester over hun zinnen en geest, en het pad der bevrijding, het pad terug naar God, ligt voor hen open. Maar door zijn gehechtheid aan het ellendige materiële bestaan kan de onfortuinlijke materialist niet met hen omgaan. (Vedabase)
Hoe zegerijk ook op allerlei gebied, hoe deskundig ze ook waren in alle offers; allen die waarlijk de wijste koningen waren, waren slechts van de aarde in het laten van hun levens, ze opgevend in de strijd, in het inderdaad gedood worden door de gecreëerde vijandigheid met anderen en door het zeggen van 'mijn' tegen dingen [vergelijk 1.2: 13].
Er zijn vele grote heilige koningen geweest die zeer bedreven waren in het brengen van offers en het veroveren van andere koninkrijken, maar ondanks al hun macht toch geen toegang hadden tot de liefdevolle dienst van de Allerhoogste Godspersoon omdat ze het valse bewustzijn van "ik ben dit lichaam, en dit is mijn eigendom" niet konden overwinnen. Zo creëerden ze alleen maar haatgevoelens bij rivaliserende vorsten, waarna ze met hen vochten en sneuvelden zonder hun ware opdracht in het leven te hebben volbracht. (Vedabase)
De toevlucht zoekend van de omhelzing der baatzuchtige arbeid belandt men, met die riskante positie op de een of andere manier gevrijwaard van een hels bestaan, op die wijze zich bevindend op het pad der materiële behartiging, opnieuw in de wereld van het menselijke eigenbelang, ook al schopte men het tot een hoger bestaan.
Wanneer de geconditioneerde ziel zijn heil zoekt bij de klimplant der baatzuchtige activiteit, kan hij door zijn vrome daden naar hogere planetenstelsels bevorderd worden en op deze wijze bevrijding vinden van de helse situatie waarin hij verkeert, maar helaas kan hij daar niet blijven. Na de vruchten van zijn vrome activiteiten geplukt te hebben, moet hij weer terugkeren naar de lagere planetenstelsels. Op deze wijze gaat hij eeuwig heen en weer. (Vedabase)
Er is niet één koning in staat het pad te volgen van dit wat hier is bezongen van die grote ziel Jada Bharata die de zoon is van Rishabhadeva, de grote heilige koning; net zoals een vlieg er niet toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen.
Na deze samenvatting van de lessen van Jada Bharata zei S'ukadeva Gosvâmî: Beste koning Parîkshit, het pad dat Jada Bharata gewezen heeft, is de weg die Garuda, de drager van de Heer, heeft begaan. Gewone koningen zijn echter net als vliegen, want net zo min als vliegen Garuda in zijn vlucht kunnen volgen, is tot nu toe geen van de grote koningen en onoverwinnelijke leiders in staat geweest om dit pad van toegewijde dienst te begaan, zelfs niet in hun gedachten. (Vedabase)
Het was hij die de weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf; verzot op Uttamas'loka, de Heer geprezen, verzaakte hij, alsof het uitwerpselen betrof, nog maar in zijn jonge jaren dat wat in de kern van het hart ligt besloten .
Hoewel hij nog in de kracht van zijn leven was, verzaakte de befaamde Mahârâja Bharata alles wat hij bezat, omdat hij niets liever deed dan de Allerhoogste Godspersoon, Uttamas'loka, dienen. Zijn mooie vrouw, zijn leuke kinderen, zijn beroemde vrienden en zijn enorme koninkrijk gaf hij allemaal op. Hoewel het normaal gesproken erg moeilijk is om van dit alles afstand te doen, was Mahârâja Bharata zo verheven dat hij het gewoon achterliet, net zoals men zijn uitwerpselen achterlaat nadat men zich ontlast heeft. Zo groots waren de activiteiten van deze monarch. (Vedabase)
Voor hen wiens geesten worden aangetrokken tot de liefdevolle dienst aan de doder van Madhu [Krishna] opgebracht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op te geven is, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, de activiteiten van Bharata Mahârâja zijn geweldig. Hij verzaakte alles wat anderen moeilijk kunnen opgeven, namelijk zijn koninkrijk, zijn vrouw en zijn kinderen. Zijn rijkdom was zo groot dat zelfs de halfgoden hem erom benijdden, maar toch gaf hij alles op. Het is niet verwonderlijk dat zo'n grote persoonlijkheid ook een groot toegewijde was. Hij kon alleen afstand van alles doen omdat de schoonheid, rijkdom, faam, kennis, kracht en verzaking van de Allerhoogste Godspersoon Krishna zo'n aantrekkingskracht op hem hadden. Krishna is zo aantrekkelijk dat men ter wille van Hem alles wat begeerlijk is, op kan geven. Ja, wanneer iemands geest aangetrokken is tot de liefdedienst van de Heer, beschouwt hij zelfs bevrijding als iets onbeduidends. (Vedabase)
'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25 ], de heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen', was wat hij hardop zingend bad, zelfs toen hij verkeerde in het lichaam van een hert.
Hoewel Mahârâja Bharata in het lichaam van een hert leefde, vergat hij de Allerhoogste Godspersoon niet. Toen hij dit hertelichaam verliet, sprak hij daarom hardop het volgende gebed uit: "De Allerhoogste Godspersoon is de personificatie van het offer en degene die de resultaten van alle riten schenkt. Hij is de beschermheer van religieuze stelsels, de verpersoonlijking van mystieke yoga, de bron van alle kennis, de bestuurder van de hele schepping en de Superziel in elk levend wezen. Hij is beeldschoon en aantrekkelijk. Nu ik dit lichaam verlaat, betuig ik Hem eer, en ik hoop dat ik eeuwig in Zijn transcendentale liefdedienst mag blijven." Met deze woorden verliet Mahârâja Bharata zijn lichaam. (Vedabase)
Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal langer leven, fortuinlijker zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken of het pad van de bevrijding vinden; het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal voorzeker iemand alle mogelijke zegen brengen en hem in relatie tot anderen niets meer te verlangen overlaten.
Toegewijden die geïnteresseerd zijn in horen en chanten [s'râvanam kîrtanam], spreken regelmatig over het zuivere karakter van Mahârâja Bharata en prijzen zijn activiteiten. Als iemand in alle nederigheid naar verhalen over de al-zegenrijke Mahârâja Bharata luistert en hem verheerlijkt, zullen zijn levensduur en materiële rijkdom zonder meer toenemen. Men kan ook zeer beroemd worden en met gemak de hemelse planeten bereiken, of bevrijd raken door op te gaan in de existentie van de Heer. Door alleen maar over de activiteiten van Mahârâja Bharata te horen, erover te vertellen en ze te verheerlijken, kan men alles krijgen wat men wenst. Op deze wijze kan men al zijn materiële en geestelijke verlangens vervullen. Men hoeft niemand anders om deze dingen te vragen, want als men gewoon het leven van Mahârâja Bharata bestudeert, kan men alles krijgen wat men begeert. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd