regelbalk


 

Canto 5

Mahâmantra 1

 

Hoofdstuk 1: De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

(1) De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden. (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden?

(5) S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond. (8) Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's]. (9) Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem.

(11) De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook. (13) Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma. (14) In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten. (17) Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is? (18) Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil. (19) U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.'

(20) S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'. (21) De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis. (23) Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren. (24) Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen. (25) De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen van binnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama]. (27) In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel. (28) Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was. (30) Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed, als was hij een tweede zon. (31) Het op die manier te werk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de bereiken van planetair belang]. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten. (33) De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra.

(34) Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren. (35) Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft. (36) Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit: (37) 'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada. (39) Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'. (40) 'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4.14: 45-46] en dergelijke.' (41) 'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'.

next                 

 
Tweede editie, geladen 26 december, 2006.   
 

 

 

Bronteksten:

De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata

Tekst 1

De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie?

Koning Parîkshit vroeg aan S'ukadeva Gosvâmî: O grote wijze, waarom bleef koning Priyavrata, die toch een grote, zelfgerealiseerde toegewijde van de Heer was, in het gezinsleven, dat de hoofdoorzaak van de gebondenheid aan karma [baatzuchtige activiteiten] is en iemand doet falen in de opdracht van het menselijk bestaan? (Vedabase)

 

Tekst 2

Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden.

Toegewijden zijn zonder enige twijfel bevrijde personen. Daarom, o grootste der brâhmana's, is het niet mogelijk dat ze volledig opgaan in gezinsaangelegenheden. (Vedabase)

 

Tekst 3

Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard.

Verheven mahâtmâ's die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon, zijn volkomen tevreden in de schaduw van die lotusvoeten. Hun bewustzijn kan nooit gehecht raken aan familieleden. (Vedabase)

 

Tekst 4

Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden?

De koning vervolgde: O grote brâhmana, er is één ding dat mij zeer verwart. Hoe is het mogelijk dat iemand als koning Priyavrata, die zo gehecht was aan zijn vrouw, kinderen en huis, de allerhoogste, onfeilbare volmaaktheid in het Krishna-bewustzijn wist te bereiken? (Vedabase)

 

Tekst 5:

S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Wat u zegt is juist. De heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon, die door verheven persoonlijkheden als Brahmâ met prachtige, transcendentale verzen geprezen wordt, schenkt grote toegewijden en bevrijde personen diepe vreugde. Wie gehecht is aan de nectar-gelijke honing van de lotusvoeten van de Heer en altijd in Zijn heerlijkheid opgaat, kan soms door een of ander obstakel gehinderd worden, maar hij zal de verheven positie die hij bereikt heeft nooit opgeven. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, prins Priyavrata was een groot toegewijde omdat hij de lotusvoeten diende van Nârada, zijn geestelijk leraar, en zo de hoogste volmaaktheid in transcendentale kennis bereikte. Gevorderd in kennis als hij was, hield hij zich altijd bezig met het bespreken van geestelijke onderwerpen zonder zijn aandacht door ook maar iets af te laten leiden. Zijn vader vroeg hem echter om de verantwoordelijkheid voor de wereldheerschappij op zich te nemen. Hij probeerde Priyavrata ervan te overtuigen dat dit volgens de geopenbaarde geschriften zijn plicht was. Prins Priyavrata beoefende echter voortdurend bhakti-yoga door constant aan de Allerhoogste Godspersoon te denken en zo al zijn zintuigen in dienst van de Heer te gebruiken. De prins was dan ook niet gelukkig met het verzoek van zijn vader, hoewel hij het tegelijkertijd niet kon weigeren. Daarom stelde hij zich zeer gewetensvol de vraag of hij niet afgeleid zou raken van zijn toegewijde dienst als hij de verantwoordelijkheid voor de wereldheerschappij op zich zou nemen. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Het eerste schepsel en de machtigste halfgod in dit heelal is Heer Brahmâ. Heer Brahmâ is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de kosmos. Hij is rechtstreeks uit de Allerhoogste Godspersoon geboren en hij zet zich in voor het welzijn van het hele universum, omdat hij het doel van de kosmische schepping kent. Deze oppermachtige Heer Brahmâ verliet zijn eigen residentie in het hoogste planetenstelsel, en daalde samen met zijn metgezellen en de verpersoonlijkte Veda's af naar de plek waar prins Priyavrata zat te mediteren. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's].

Toen Heer Brahmâ op zijn grote zwaan neerdaalde, kwamen alle bewoners van Siddhaloka, Gandharvaloka, Sâdhyaloka en Câranaloka, alsook de grote wijzen en halfgoden in hun verschillende vliegtuigen samen in het hemelgewelf om hem te verwelkomen en eer te bewijzen. Zoals Heer Brahmâ door de bewoners van de verschillende planeten vereerd en aanbeden werd, leek hij op de volle maan omringd door schitterende sterren. Tenslotte kwam Heer Brahmâ op zijn grote zwaan bij de voet van de berg Gandhamâdana aan, waar prins Priyavrata zat. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort.

Heer Brahmâ, de vader van Nârada Muni, is de allerhoogste persoon in dit universum. Zodra Nârada de grote zwaan zag, begreep hij dat Heer Brahmâ gearriveerd was. Daarom stond hij onmiddellijk op, en Svâyambhuva Manu en zijn zoon Priyavrata, die door Nârada onderricht werd, volgden zijn voorbeeld. Met gevouwen handen begonnen ze Heer Brahmâ vol respect te aanbidden. (Vedabase)

 

Tekst 10

O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem.

O koning Parîkshit, nu Heer Brahmâ eindelijk van Satyaloka naar Bhûloka was neergedaald, kwamen Nârada Muni, prins Priyavrata en Svâyambhuva Manu naar voren om hem volgens vedisch gebruik met verschillende artikelen te vereren en hem met welgekozen woorden te prijzen. Heer Brahmâ, de oorspronkelijke persoon van dit universum, voelde toen mededogen voor Priyavrata en begon tot hem te spreken, terwijl hij glimlachend naar hem keek. (Vedabase)

 

Tekst 11

De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit.

Heer Brahmâ, de allerhoogste persoon in dit universum, zei: Mijn beste Priyavrata, luister alsjeblieft aandachtig naar wat ik je ga zeggen. Wees niet afgunstig op de Allerhoogste Heer, die ver verheven is boven onze pogingen om Hem te meten. Wij allen, met inbegrip van Heer S'iva, je vader en de grote wijze Mahârishi Nârada, moeten het bevel van de Allerhoogste opvolgen. We kunnen Hem niet ongehoorzaam zijn. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook.

Niemand kan het bevel van de Allerhoogste Godspersoon weerstaan; of het nu door de kracht van strenge ascese, een uitstekende vedische opleiding, de kracht van mystieke yoga, fysieke kracht of intellectuele activiteiten is. Noch kan men zijn religieuze kracht, zijn materiële weelde of enig ander middel aanwenden, alleen of met de hulp van anderen, om de wil van de Allerhoogste Heer te trotseren. Geen enkel levend wezen, van Brahmâ tot aan de mier, is daartoe in staat. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma.

Mijn beste Priyavrata, op gezag van de Allerhoogste Godspersoon aanvaarden alle levende wezens verschillende lichamen, waarin ze te maken krijgen met geboorte en dood, activiteit, droefenis, begoocheling, angst voor toekomstige gevaren, en geluk en verdriet. (Vedabase)

 

Tekst 14:

In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen.

Beste jongen, wij zijn allen gebonden aan de vedische voorschriften aangaande het varnâs'rama, die ons classificeren volgens onze aard en ons werk. Deze indeling is moeilijk te vermijden, omdat ze wetenschappelijk is. Daarom moeten we onze plicht in het varnâs'rama-dharma vervullen, net zoals stieren verplicht zijn om zich voort te bewegen volgens de wil van de voerman, die aan het touw aan hun neus trekt. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk.

Mijn beste Priyavrata, naargelang ons contact met de verschillende geaardheden der materiële natuur geeft de Allerhoogste Godspersoon ons een bepaald lichaam en het geluk en verdriet dat ons toekomt. Daarom moet men blijven in de situatie waarin men zich bevindt en zich door de Allerhoogste Godspersoon laten leiden, precies zoals een blinde zich laat leiden door iemand die ogen heeft om te zien. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten.

Zelfs iemand die bevrijd is, aanvaardt het lichaam dat hij overeenkomstig zijn vroegere karma heeft gekregen. Hij bevindt zich echter niet in illusie, en beschouwt het geluk en verdriet als gevolg van dat karma op dezelfde manier waarop iemand die ontwaakt is zijn droom beziet. Zo blijft hij vastberaden en verricht hij nooit activiteiten die opnieuw tot een materieel geconditioneerd lichaam onder de invloed van de drie geaardheden der materiële natuur zullen leiden. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is?

Wie zijn zinnen niet kan beheersen, dient altijd materiële gebondenheid te vrezen, zelfs al gaat hij van het ene woud naar het andere, want hij leeft met zes bijvrouwen - namelijk de geest en de kennisverwervende zinnen. Wie daarentegen voldoening vindt in het zelf, geleerd is en zijn zintuigen onder controle heeft, zal zelfs van het gezinsleven geen schade ondervinden. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil.

Wie een gezinsleven leidt en systematisch zijn geest en vijf zintuigen beteugelt, is als een koning die vanuit zijn vesting de overwinning behaalt op zijn machtige vijanden. Nadat iemand geoefend is in het gezinsleven en zijn wellustige verlangens afgenomen zijn, kan hij zonder gevaar overal heengaan. (Vedabase)

 

Tekst 19:

U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.'

Heer Brahmâ vervolgde: Mijn beste Priyavrata, neem je toevlucht tot de lotusvoeten van de Heer, wiens navel ook als een lotus is. Overwin op die manier de zes zintuigen [de geest en de kennisverwervende zinnen]. Geniet van de geneugten van de materiële wereld, want bij uitzondering heeft de Heer jou dit opgedragen. Zo zal je altijd vrij blijven van elk contact met de materie en in staat zijn om in je wezensstaat de opdrachten van de Heer uit te voeren. (Vedabase)

 

Tekst 20:

S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat Priyavrata zo volmaakt onderricht was door Heer Brahmâ, de geestelijk leraar van de drie werelden, bracht hij zijn eerbetuigingen, aanvaardde de opdracht en voerde haar met grote eerbied uit, daar zijn positie die van een ondergeschikte was. (Vedabase)

 

Tekst 21:

De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat.

Heer Brahmâ werd toen aanbeden door Manu, die hem zo goed als hij kon en met grote eerbied tracht tevreden te stellen, terwijl Priyavrata en Nârada zonder een spoor van wrok eveneens naar Heer Brahmâ keken. Nadat Heer Brahmâ Priyavrata ertoe overgehaald had om het verzoek van zijn vader in te willigen, keerde hij terug naar zijn woonplaats, Satyaloka, die voor een wereldse persoon niet voor te stellen noch te beschrijven valt. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis.

Zo werden de verlangens van Svâyambhuva Manu met de hulp van Heer Brahmâ vervuld. Met toestemming van de grote wijze Nârada droeg hij de verantwoordelijkheid voor het in-stand-houden en beschermen van alle planeten in het universum aan zijn zoon over. Zo vond hij verlichting van de hoogste gevaarlijke en giftige oceaan van materiële verlangens. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren.

Overeenkomstig de opdracht van de Allerhoogste Godspersoon wijdde Mahârâja Priyavrata zich geheel aan wereldse zaken, terwijl hij toch onafgebroken aan de lotusvoeten van de Heer dacht, die de bron van bevrijding van alle materiële gehechtheid zijn. Hoewel Priyavrata Mahârâja geheel vrij was van alle materiële besmetting, regeerde hij niettemin de materiële wereld, uitsluitend uit respect voor de bevelen van zijn meerderen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen.

Daarna trouwde Mahârâja Priyavrata met Barhishmatî, de dochter van de prajâpati Vis'vakarmâ. Hij verwekte tien zoons bij haar, die wat betreft schoonheid, karakter, edelmoedigheid, en andere eigenschappen zijn gelijken waren. Hij had ook een dochter, de jongste van allen, Ûrjasvatî genaamd. (Vedabase)

 

Tekst 25:

De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi.

De tien zoons van Mahârâja Priyavrata kregen de namen Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. Dit zijn ook namen van Agni, de vuurgod. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen van binnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama].

Drie van deze tien zoons - namelijk Kavi, Mahâvîra en Savana - waren volkomen celibatair. Daar ze vanaf het begin van hun kinderjaren als brahmacârî's waren opgevoed, was de hoogste volmaaktheid - de paramahamsa-âs'rama - hun zeer goed bekend. (Vedabase)

 

Tekst 27:

In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde. (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel.

Doordat ze vanaf het begin van hun leven in de verzakende levensorde waren, hadden ze alle drie volledige controle over hun zintuigen, zodat ze grote heiligen werden. Ze richtten hun geest altijd op de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon, die de rustplaats van het totaal van de levende wezens is en daarom bekendstaat als Vâsudeva. Heer Vâsudeva is de enige toevlucht voor degenen die werkelijk bevreesd zijn voor het materiële bestaan. Door voortdurend op Zijn lotusvoeten te mediteren, maakten deze drie zoons van Mahârâja Priyavrata grote vooruitgang in zuivere toegewijde dienst. Door de kracht van hun toegewijde dienst konden ze de Allerhoogste Godspersoon, die Zich als de Superziel in ieders hart bevindt, rechtstreeks waarnemen, en realiseerden ze dat er tussen henzelf en Hem kwalitatief geen verschil was. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt].

Bij zijn andere vrouw verwekte Mahârâja Priyavrata drie zoons, namelijk Uttama, Tâmasa en Raivata die later alle drie de leiding over een manvantara namen. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was.

Nadat Kavi, Mahâvîra en Savana volleerd waren geworden op het paramahamsa-niveau, regeerde Mahârâja Priyavrata het universum gedurende elf arbuda's [1.100.000.000 jaar]. Wanneer hij aanstalten maakte om met zijn krachtige armen zijn pijl op de pees van zijn boog aan te leggen, sloegen alle tegenstanders van de religieuze principes meteen op de vlucht uit angst voor de ongeëvenaarde heldhaftigheid die hij bij het regeren van het universum aan de dag legde. Hij hield heel erg veel van zijn vrouw Barhishmatî, en met het verstrijken van de tijd nam hun echtelijke liefde nog toe. Door haar vrouwelijke gedrag - haar manier van kleden, lopen, opstaan, glimlachen en kijken - verhoogde koningin Barhishmatî zijn energie. Hoewel hij een grote ziel was, leek hij daarom volkomen geboeid te zijn door de vrouwelijke charme van zijn echtgenote. Maar ondanks het feit dat hij zich tegenover haar als een gewone man gedroeg, was hij een grote ziel. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed, als was hij een tweede zon.

Terwijl koning Priyavrata het universum zo op uitnemende wijze regeerde, ergerde hij zich eens aan de manier waarop de oppermachtige zonnegod zijn baan beschreef. De zonnegod verlicht alle omringende planetenstelsels door op zijn strijdwagen om de berg Sumeru heen te rijden. Wanneer de zon echter aan de noordzijde van de heuvel is, ontvangt het zuiden minder licht, en wanneer de zon in het zuiden is, ontvangt het noorden nauwelijks licht. Deze situatie beviel koning Priyavrata niet, en daarom besloot hij om het dag te maken in het deel van het universum waar het nacht was. Derhalve volgde hij de baan van de zonnegod op een schitterende strijdwagen en vervulde op die manier zijn verlangen. Zulke wonderbaarlijke activiteiten kon hij verrichten dankzij de macht die hij verkregen had door het aanbidden van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Het op die manier te werk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de bereiken van planetair belang].

Toen Priyavrata in zijn strijdwagen achter de zon aan reed lieten de velgen van zijn wagen sporen na, waardoor er later zeven oceanen ontstonden, die het planetenstelsel Bhû-mandala in zeven eilanden verdeelden. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten.

De namen van deze eilanden zijn Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara. Elk eiland is twee keer zo groot als het vorige en wordt omgeven door een bepaalde vloeistof. Aan de overkant daarvan bevindt zich het volgende eiland. (Vedabase)

 

Tekst 33:

De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra.

De zeven oceanen bevatten respectievelijk zout water, suikerrietsap, sterke drank, geklaarde boter, melk, geëmulgeerde yoghurt en zoet drinkwater. Alle eilanden worden volledig door deze oceanen omsloten, en elke oceaan is even breed als het eiland dat hij omringt. Mahârâja Priyavrata, de echtgenoot van koningin Barhishmatî, gaf het gezag over deze eilanden aan zijn zonen - Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi en Vîtihotra. Zo werden ze op bevel van hun vader allemaal koning. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren.

Koning Priyavrata gaf toen zijn dochter Ûrjasvatî ten huwelijk aan S'ukrâcârya, die bij haar een dochter verwekte met de naam Devayânî. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft.

O koning, een toegewijde die zijn toevlucht genomen heeft bij het stof van de lotusvoeten van de Heer, kan de invloed van de zes materiële gesels - namelijk honger, dorst, verdriet, illusie, ouderdom en dood - transcenderen en meester worden over de geest en de vijf zintuigen. Voor een zuivere toegewijde van de Heer is dit echter niet zo wonderbaarlijk, omdat zelfs iemand die buiten de vier kasten valt - met andere woorden, een onaanraakbare - onmiddellijk van alle gebondenheid aan het materiële bestaan bevrijd wordt wanneer hij de naam van de Heer slechts éénmaal uitspreekt. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17 ], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit:

Terwijl Mahârâja Priyavrata in de kracht van zijn leven en op het toppunt van zijn macht van al zijn materiële weelde genoot, bedacht hij op een keer dat hij ondanks het feit dat hij zich volledig aan de grote heilige Nârada had overgegeven en zich in feite op het pad van Krishna-bewustzijn bevond, op de een of andere manier weer in materiële activiteiten verstrikt was geraakt. Vanaf dat ogenblik werd zijn geest rusteloos, en hij sprak in een onthechte gemoedsgesteldheid de volgende woorden. (Vedabase)

 

Tekst 37:

'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf.

De koning begon zichzelf als volgt te bekritiseren: Ach, hoe verdoemd ben ik door zo achter mijn zinnen aan te lopen! Ik ben gewoon diep weggezakt in al dat materiële genot, dat net als een met gras overwoekerde put is. Ik heb er genoeg van! Wat mij betreft is het afgelopen met dat genieten. Zie nu toch eens hoe ik een dansende aap geworden ben in de handen van mijn vrouw! Dit is de reden waarom ik verdoemd ben. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada.

Dankzij de genade van de Allerhoogste Godspersoon kwam Mahârâja Priyavrata weer bij zijn positieven. Hij verdeelde al zijn aardse bezit onder zijn gehoorzame zoons en gaf alles op, met inbegrip van zijn vrouw - met wie hij van zoveel zinsbevrediging genoten had - en zijn groot en welvarend koninkrijk, en verbrak zo al zijn gehechtheden. Zijn hart, dat nu gereinigd was, werd een oord van spel en vermaak voor de Allerhoogste Godspersoon. Zo slaagde hij erin om terug te keren naar het pad van Krishna-bewustzijn, het geestelijk leven, en opnieuw de positie in te nemen die hij door de genade van de grote heilige Nârada had bereikt. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'.

Er bestaan vele beroemde verzen over Mahârâja Priyavrata's activiteiten: "Niemand behalve de Allerhoogste Godspersoon kan doen wat Mahârâja Priyavrata heeft gedaan, die het duister van de nacht verdreef en met de wielen van zijn grote strijdwagen zeven oceanen vormde." (Vedabase)

 

Tekst 40:

'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4.14: 45-46] en dergelijke.'

"Om de oorlogen tussen verschillende volkeren te stoppen, bakende Mahârâja Priyavrata grenzen af bij rivieren en aan de rand van bergen en wouden zodat niemand zich op andermans grondgebied zou begeven." (Vedabase)

 

Tekst 41:

'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'.

"Als een groot volgeling en toegewijde van de wijze Nârada vond Mahârâja Priyavrata de rijkdom die hij door baatzuchtige activiteiten en mystieke kracht had verworven hels, of het nu op de lagere of de hemelse planeten was, of bij de mensen." (Vedabase)
 
*: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  
 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Jahnava devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

  

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties