regelbalk


 

Canto 7

Nârada Muni

 

 

Hoofdstuk 11: De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada]. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten. (3) U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (4) Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'

(5) S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana. (6) Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (7) De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smriti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd. (8-12) Waarheidsliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (13) Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama]. (14) Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (15) De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben. (16) Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde. (17) Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping. (18-20) Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13]. (21) De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidsliefde. (22) Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware. (23) Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godsbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (24) Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.

(25) Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot als ook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40]. (26-27) Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is. (28) Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt. (29) Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige. (30) Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.

(31) Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25]. (32) Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken. (33-34) Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur. (35) En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].

 

 

next                         

 
Tweede editie, geladen 25 juli 2007
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada].

S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada]. (Vedabase)

 

Tekst 2

S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten.

S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten. (Vedabase)

 

Tekst 3

U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie.

U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (Vedabase)

 

Tekst 4

Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'

Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.' (Vedabase)

  

Tekst 5

S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana.

S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana. (Vedabase)

 

Tekst 6

Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's].

Hij die via Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter Zichzelf in de wereld aankondigde met een deel van Zichzelf [Nara-Nârâyana], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (Vedabase)

 

Tekst 7

De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smriti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd.

De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die schriftuurlijk wordt herdacht [met de sruti of de Veda's en de smrti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd. (Vedabase)

   

Tekst 8-12

Waarheidsliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20].

Waarheidliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven, ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is, van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama].

Zij die door niet aflatende herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie en liefdadigheid en zij wiens manier van doen werd gezuiverd door hun geboorte en handelingen, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden overeenkomstig de status na te volgen [naar iemands leeftijd of âs'rama]. (Vedabase)

 

Tekst 14

Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen].

Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest zijn er die zelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (Vedabase)

 

Tekst 15

De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben.

De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie soorten van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben. (Vedabase)

 

Tekst 16

Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde.

Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [sâlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [sila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst[unchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde. (Vedabase)

 

Tekst 17

Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping.

Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping. (Vedabase)

 

Tekst 18-20

Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13].

Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rta zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4:13]. (Vedabase)
  
Tekst 21

De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidsliefde.

De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidliefde. (Vedabase)

 

Tekst 22

Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware.

Vaardig in het vechten, heldhaftig, vastberaden, krachtig, liefdadig, ingetogen, vergevingsgezind, trouw aan het brahmaanse, goed gemutst en liefde voor het ware kenmerkt een kshatriya. (Vedabase)

 

Tekst 23

Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godsbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid.

Een vaishya staat bekend om zijn toewijding tot de godbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (Vedabase)

 

Tekst 24

Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.

Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot als ook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40].

Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot als ook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respekt voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40]. (Vedabase)

 

Tekst 26-27

Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is.

Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respekt voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is. (Vedabase)

 

Tekst 28

Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt.

Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt. (Vedabase)

 

Tekst 29

Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige.

Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Laxmi het eeuwige. (Vedabase)

 

Tekst 30

Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.

Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen. (Vedabase)

 

Tekst 31

Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25].

Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25]. (Vedabase)

 

Tekst 32

Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken.

Levend van het eigen beroep naar ieders eigen geaardheid van optreden vermag men, met het zich bemoeien met zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 33-34

Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur.

Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer van de voorwerpen der begeerte genietend, uitlopen op de heerschappij van Brahmâ precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter dat doen in het vuur. (Vedabase)

 

Tekst 35

En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].  

En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon daar ook voor aan te zien [: hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden]. (Vedabase)
 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De afbeelding is getiteld "Lady going for puja" en het is een schilderij van
Raja Ravi Varma.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties