regelbalk



 

Canto 9

S'rī Rādhika Stava

      

   

Hoofdstuk 13: Het verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila

(1) S'rī S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvāku, wilde een offer brengen en benoemde Vasishthha als de priester. Die zei echter: 'Ik ben al besproken door Heer Indra, o Mahārāja. (2) Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen. Wacht zo lang op me.' Nimi zweeg en Vasishthha voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. (3) Toen de goeroe een lange tijd wegbleef dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en begon met de plechtigheid met behulp van een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester.

(4) Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat zijn instructies waren genegeerd en daarom sprak hij een vloek uit: 'Moge de belichaming van Nimi die denkt dat hij zo'n grote pandit is, ten val komen!'

(5) Nimi vervloekte op zijn beurt de goeroe die het rechte pad kwijt was met: 'En moge uw belichaming die zich begeertig zo slecht bewust is van het dharma, eveneens ten val komen!'

(6) Aldus moest Nimi die zo goed thuis was in de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf eveneens maar hij] nam met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] zijn geboorte via Urvas'ī [de courtisane van de hemel, die ze zagen, zie ook 6.18: 5-6]. (7) De grote wijzen conserveerden Nimi's lichaam in geurige substanties en richtten zich, ter afronding van het Satra-offer [een lang durend Soma-offer, zie sattra], als volgt tot de vergadering van de halfgoden: (8) 'Als u tevreden over ons bent, breng dan, als u dat kan, dit lichaam van de koning tot leven!' Nadat de halfgoden daarop bevestigend hadden gereageerd zei Nimi [als een geest]: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam! (9) Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn, verlangen wijzen er niet naar om aldus in contact te staan. Verzonken in gedachten over de Heer zijn ze de lotusvoeten [naar hun idee al genoeg] toegewijd van dienst [zie bhajan]. (10) Ik heb er geen behoefte aan een lichaam aan te nemen dat gedoemd is weer te sterven, want zo'n lichaam vormt overal - net zoals dat is met de vissen die in het water leven - de oorzaak van leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].'

(11) De halfgoden zeiden: 'Leef zoals u wilt zonder een materieel lichaam en wees, met uw aanwezigheid in een geestelijk lichaam, voor ogen van de normaal belichaamde mens aldus gemanifesteerd dan wel niet-gemanifesteerd naar uw wens.'

(12) Er beducht voor dat er voor de gewone man chaos in het land zou ontstaan, karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam er aldus een zoon ter wereld [vergelijk 4.14: 43 en 4.15: 1]. (13) Vanwege zijn ongewone geboorte werd hij Janaka genoemd, omdat hij uit Videha [uit Nimi die geen lichaam had] voortkwam werd hij Vaideha ['vrij van een lichaam'] genoemd, omdat hij door het karnen ter wereld kwam werd hij Mithila genoemd en om die reden stond de stad die hij grondvestte bekend als Mithilā. (14) Door hem was er een zoon genaamd Udāvasu, die verwekte op zijn beurt Nandivardhana, die had een zoon die Suketu heette en Devarāta was zijn zoon, o grote heerser. (15) Devarāta verwekte Brihadratha, Mahāvīrya was zijn zoon en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij kreeg Haryas'va als zijn zoon die werd opgevolgd door Maru. (16) Maru's zoon was Pratīpaka en Kritaratha kwam door hem ter wereld. Devamīdha was zijn zoon en die had er een genaamd Vis'ruta die Mahādhriti verwekte. (17) Kritirāta volgde hem op en Mahāromā was zijn zoon. Zijn zoon was Svarnaromā die een zoon verwekte die Hrasvaromā heette. (18) S'īradhvaja [die eveneens Janaka heette] kwam door hem ter wereld. Voor het uitvoeren van de offers ploegde hij de aarde om met de punt van zijn ploeg [ofwel de s'īra] en zette aldus Sītādevī op de wereld [de vrouw van Rāma, Sītā betekent 'de ploegvoor']. Dat was er de reden van dat hij S'īradhvaja werd genoemd. (19) Kus'adhvaja was S'īradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja die twee zonen had die Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten. (20-21) Kritadhvaja kreeg een zoon genaamd Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khāndikya, o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap van de transcendentie en Khāndikya was een expert in de Vedische rituelen. Khāndikya sloeg op de vlucht omdat hij bang was voor Kes'idhvaja. Van Bhānumān, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna. (22) S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvāja ter wereld. Ūrjaketu, zijn zoon, verwekte Aja die de zoon Purujit  kreeg. (23) Ook hij had een zoon, Arishthanemi. Van zijn zoon S'rutāyu was er Supārs'vaka die de vader werd van Citraratha wiens zoon Kshemādhi de koning van Mithilā werd. (24) Zijn zoon genaamd Samaratha had er een die Satyaratha heette. Hij verwekte Upaguru die Upagupta voortbracht. Upagupta was een gedeeltelijke expansie van Agni [de vuurgod]. (25) Zijn zoon Vasvananta had er een die Yuyudha heette. Die had weer een zoon genaamd Subhāshana en zijn zoon was S'ruta. Hij kreeg Jaya en Jaya was de vader van Vijaya. Vijaya's zoon was Rita. (26) Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vītahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulās'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahāvas'ī. (27) O Koning, dit zijn de afstammelingen van Mithila die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren. Ze raakten allen bevrijd van de wereldse dualiteit, ook al verbleven ze thuis.'

 

next

 


Derde herziene editie, geladen 27 oktober 2026.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rī S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvāku, wilde een offer brengen en benoemde Vasishthha als de priester.  Die zei echter: 'Ik ben al besproken door Heer Indra, o Mahārāja. 
S'rī S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvāku, wilde een offer brengen en benoemde Vasishthha als de priester. Die zei echter: 'Ik ben al besproken door Heer Indra, o Mahārāja. (Vedabase)

 

Tekst 2

Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen. Wacht zo lang op me.' Nimi zweeg en Vasishthha voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. 

Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen. Wacht zo lang op me.' Nimi zweeg en Vasishthha voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. (Vedabase)

 

Tekst 3

Toen de goeroe een lange tijd wegbleef dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en begon met de plechtigheid met behulp van een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester.

Toen de goeroe een lange tijd wegbleef dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en begon met de plechtigheid met behulp van een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester. (Vedabase)

 

Tekst 4

Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat zijn instructies waren genegeerd en daarom sprak hij een vloek uit: 'Moge de belichaming van Nimi die denkt dat hij zo'n grote pandit is, ten val komen!'

Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat zijn instructies waren genegeerd en daarom sprak hij een vloek uit: 'Moge de belichaming van Nimi die denkt dat hij zo'n grote pandit is, ten val komen!'  (Vedabase)

 

Tekst 5

Nimi vervloekte op zijn beurt de goeroe die het rechte pad kwijt was met: 'En moge uw belichaming die zich begeertig zo slecht bewust is van het dharma, eveneens ten val komen!'

Nimi vervloekte op zijn beurt de goeroe die het rechte pad kwijt was met: 'En moge uw belichaming die zich begeertig zo slecht bewust is van het dharma, eveneens ten ten val komen!' (Vedabase)

   

Tekst 6

Aldus moest Nimi die zo goed thuis was in de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf eveneens maar hij] nam met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] zijn geboorte via Urvas'ī [de courtisane van de hemel die ze zagen, zie ook 6.18: 5-6].

Aldus moest Nimi die zo goed thuis was in de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf eveneens maar hij] nam met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] zijn geboorte uit Urvas'ī [de courtisane van de hemel, zie ook 6.18: 5-6]. (Vedabase)

 

Tekst 7

De grote wijzen conserveerden Nimi's lichaam in geurige substanties en richtten zich, ter afronding van het Satra-offer [een lang durend Soma-offer, zie sattra], als volgt tot de vergadering van de halfgoden:

De grote wijzen conserveerden Nimi's lichaam in geurige substanties en richtten zich, ter afronding van het Satra-offer [een lang durend Soma-offer, zie sattra], als volgt tot de vergadering der halfgoden: (Vedabase)

 

Tekst 8

'Als u tevreden over ons bent, breng dan, als u dat kan, dit lichaam van de koning tot leven!' Nadat de halfgoden daarop bevestigend hadden gereageerd zei Nimi [als een geest]: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam!

 'Als u tevreden over ons bent, breng dan, als u dat kan, dit lichaam van de koning tot leven!' Nadat ze daarop bevestigend hadden gereageerd zei Nimi: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam! (Vedabase)

 

Tekst 9

Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn, verlangen wijzen er niet naar om aldus in contact te staan. Verzonken in gedachten over de Heer zijn ze de lotusvoeten [naar hun idee al genoeg] toegewijd van dienst [zie bhajan].

Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn, verlangen wijzen er niet naar om aldus in contact te staan. Verzonken [zijnd] in gedachten over de Heer zijn ze de lotusvoeten [naar hun idee al genoeg] toegewijd van dienst [zie bhajan]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Ik heb er geen behoefte aan een lichaam aan te nemen dat gedoemd is weer te sterven, want zo'n lichaam vormt overal - net zoals dat is met de vissen die in het water leven - de oorzaak van leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].'

Ik heb er geen behoefte aan een lichaam aan te nemen dat gedoemd is weer te sterven, want zo'n lichaam vormt overal - net zoals dat is met de vissen die in het water leven - de oorzaak van leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].' (Vedabase)

 

Tekst 11

De halfgoden zeiden: 'Leef zoals u wilt zonder een materieel lichaam en wees, met uw aanwezigheid in een geestelijk lichaam, voor ogen van de normaal belichaamde mens aldus gemanifesteerd dan wel niet-gemanifesteerd naar uw wens.'

De halfgoden zeiden: 'Leef zoals u wilt zonder een materieel lichaam en wees, met uw aanwezigheid in een geestelijk lichaam, voor ogen van de normaal belichaamde mens aldus gemanifesteerd dan wel niet-gemanifesteerd naar uw wens.' (Vedabase)

 

Tekst 12

Er beducht voor dat er voor de gewone man chaos in het land zou ontstaan, karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam er aldus een zoon ter wereld [vergelijk 4.14: 43 en 4.15: 1].

Er beducht voor dat er voor de gewone man chaos in het land zou ontstaan, karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam er aldus een zoon ter wereld [vergelijk 4.14: 43 en 4.15: 1]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Vanwege zijn ongewone geboorte werd hij Janaka genoemd, omdat hij uit Videha [uit Nimi die geen lichaam had] voortkwam werd hij Vaideha ['vrij van een lichaam'] genoemd, omdat hij door het karnen ter wereld kwam werd hij Mithila genoemd en om die reden stond de stad die hij grondvestte bekend als Mithilā.

Vanwege zijn ongewone geboorte werd hij Janaka genoemd, omdat hij uit Videha [uit Nimi die geen lichaam had] voortkwam werd hij Vaideha ['vrij van een lichaam'] genoemd, omdat hij door het karnen ter wereld kwam werd hij Mithila genoemd en om die reden stond de stad die hij grondvestte bekend als Mithilā. (Vedabase)

 

Tekst 14

Door hem was er een zoon genaamd Udāvasu, die verwekte op zijn beurt Nandivardhana, die had een zoon die Suketu heette en Devarāta was zijn zoon, o grote heerser.

Door hem was er een zoon genaamd Udāvasu, die verwekte op zijn beurt Nandivardhana, die had een zoon die Suketu heette en Devarāta was zijn zoon, o grote heerser. (Vedabase)

 

Tekst 15

Devarāta verwekte Brihadratha, Mahāvīrya was zijn zoon en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij kreeg Haryas'va als zijn zoon die werd opgevolgd door Maru.

Devarāta verwekte Brihadratha, Mahāvīrya was zijn zoon en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij kreeg Haryas'va als zijn zoon die werd opgevolgd door Maru. (Vedabase)

  

Tekst 16

Maru's zoon was Pratīpaka en Kritaratha kwam door hem ter wereld. Devamīdha was zijn zoon en die had er een genaamd Vis'ruta die Mahādhriti verwekte.

Maru's zoon was Pratīpaka en Kritaratha kwam door hem ter wereld. Devamīdha was zijn zoon en die had er een genaamd Vis'ruta die Mahādhriti verwekte. (Vedabase)

 

Tekst 17

Kritirāta volgde hem op en Mahāromā was zijn zoon. Zijn zoon was Svarnaromā die een zoon verwekte die Hrasvaromā heette.

Kritirāta volgde hem op en Mahāromā was zijn zoon. Zijn zoon was Svarnaromā die een zoon verwekte die Hrasvaromā heette. (Vedabase)

  

Tekst 18

S'īradhvaja [die eveneens Janaka heette] kwam door hem ter wereld. Voor het uitvoeren van de offers ploegde hij de aarde om met de punt van zijn ploeg [ofwel de s'īra] en zette aldus Sītādevī op de wereld [de vrouw van Rāma, Sītā betekent 'de ploegvoor']. Dat was er de reden van dat hij S'īradhvaja werd genoemd.

S'īradhvaja [die eveneens Janaka heette] kwam door hem ter wereld. Voor het uitvoeren van de offers ploegde hij de aarde om met de punt van zijn ploeg [ofwel de s'īra] en zette aldus Sītādevī op de wereld [de vrouw van Rāma, Sītā betekent 'de ploegvoor']. Dat was er de reden van dat hij S'īradhvaja werd genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 19

Kus'adhvaja was S'īradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja die twee zonen had die Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten.

Kus'adhvaja was S'īradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja die twee zonen had die Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten. (Vedabase)

 

Tekst 20-21

Kritadhvaja kreeg een zoon genaamd Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khāndikya, o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap van de transcendentie en Khāndikya was een expert in de Vedische rituelen.  Khāndikya sloeg op de vlucht omdat hij bang was voor Kes'idhvaja. Van Bhānumān, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna.

Kritadhvaja kreeg een zoon genaamd Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khāndikya, o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap der transcendentie en Khāndikya was een expert in de Vedische rituelen. Khāndikya sloeg op de vlucht omdat hij bang was voor Kes'idhvaja. Van Bhānumān, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna. (Vedabase)

  

Tekst 22

S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvāja ter wereld. Ūrjaketu, zijn zoon, verwekte Aja die de zoon Purujit kreeg.

S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvāja ter wereld. Ūrjaketu, zijn zoon, verwekte Aja die de zoon Purujit  kreeg. (Vedabase)

  

Tekst 23

Ook hij had een zoon, Arishthanemi. Van zijn zoon S'rutāyu was er Supārs'vaka die de vader werd van Citraratha wiens zoon Kshemādhi de koning van Mithilā werd.

Ook hij had een zoon, Arishthanemi. Van zijn zoon S'rutāyu was er Supārs'vaka die de vader werd van Citraratha wiens zoon Kshemādhi de koning van Mithilā werd. (Vedabase)

    

Tekst 24

Zijn zoon genaamd Samaratha had er een die Satyaratha heette. Hij verwekte Upaguru die Upagupta voortbracht. Upagupta was een gedeeltelijke expansie van Agni [de vuurgod].

Zijn zoon genaamd Samaratha had er een die Satyaratha heette. Hij verwekte Upaguru die Upagupta voortbracht. Upagupta was een gedeeltelijke expansie van Agni [de vuurgod]. (Vedabase)

 

Tekst 25

Zijn zoon Vasvananta had er een die Yuyudha heette. Die had weer een zoon genaamd Subhāshana en zijn zoon was S'ruta. Hij kreeg Jaya en Jaya was de vader van Vijaya. Vijaya's zoon was Rita.

Zijn zoon Vasvananta had er een die Yuyudha heette. Die had weer een zoon genaamd Subhāshana en zijn zoon was S'ruta. Hij kreeg Jaya en Jaya was de vader van Vijaya. Vijaya's zoon was Rita. (Vedabase)


Tekst 26

Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vītahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulās'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahāvas'ī.

Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vītahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulās'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahāvas'ī. (Vedabase)

  

Tekst 27

O Koning, dit zijn de afstammelingen van Mithila die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren. Ze raakten allen bevrijd van de wereldse dualiteit, ook al verbleven ze thuis.'

O Koning, dit zijn de afstammelingen van Mithila die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren. Ze raakten allen bevrijd van de wereldse dualiteit, ook al verbleven ze thuis.' (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Creative
                    Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

De afbeelding is getiteld: 'The soul Hovering over the Body'. Het is van William Blake 1805,
en komt uit Robert Blairs 'The Grave' als object 9.
Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties